⚖️ LegalLink Citaties

Bronvermelding voor gebruikte wetsartikelen en jurisprudentie

Gegenereerd op 16-08-2026 om 12:14

In het antwoord zijn 8 citaties gebruikt. Hieronder vindt u de volledige context van elke bron.

1
WETSARTIKEL 1: - Wet: Faillissementswet - Titel: Titel I. Van faillissement - Afdeling: Tweede afdeling. Van de gevolgen der faillietverklaring - Artikel: Artikel 60 - Gegevens: lid 1: De schuldeiser die retentierecht heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak, verliest dit recht niet door de faillietverklaring. lid 2: De zaak kan door de curator worden opgeëist en met toepassing van artikel 101 of 176 worden verkocht, onverminderd de voorrang, aan de schuldeiser in artikel 292 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek toegekend. De curator kan ook, voorzover dit in het belang is van de boedel, de zaak in de boedel terugbrengen door voldoening van de vordering waarvoor het retentierecht kan worden uitgeoefend. lid 3: De schuldeiser kan de curator een redelijke termijn stellen om tot toepassing van het vorige lid over te gaan. Heeft de curator de zaak niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de schuldeiser haar verkopen met overeenkomstige toepassing van de bepalingen betreffende parate executie door een pandhouder of, als het een registergoed betreft, die betreffende parate executie door een hypotheekhouder. De rechter-commissaris is bevoegd de termijn op verzoek van de curator een of meer malen te verlengen. lid 4: Betreft het een registergoed, dan dient de schuldeiser, op straffe van verval van het recht van parate executie, binnen veertien dagen na het verstrijken van de in het vorige lid bedoelde termijn, aan de curator bij exploot aan te zeggen dat hij tot executie overgaat, en dit exploot in de openbare registers te doen inschrijven. - Relevantie score: 0.649
3
WETSARTIKEL 3: - Wet: Faillissementswet - Titel: Titel I. Van faillissement - Afdeling: Derde afdeling. Van het bestuur over de failliete boedel - Artikel: Artikel 72 - Gegevens: lid 1: Het ontbreken van de machtiging van de rechter-commissaris, waar die vereist is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor zoveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de door de curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens de gefailleerde en de schuldeisers aansprakelijk. lid 2: In afwijking van het eerste lid is de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de curator zonder dat de rechter-commissaris daarvoor de machtiging, bedoeld in artikel 68, derde lid, heeft gegeven, vernietigbaar. Daarnaast is de curator jegens de gefailleerde en de werknemer aansprakelijk. Het beroep op de vernietigbaarheid geschiedt door een buitengerechtelijke verklaring aan de curator, en kan worden gedaan gedurende vijf dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is opgezegd. - Relevantie score: 0.628
17
WETSARTIKEL 17: - Wet: Faillissementswet - Titel: Titel I. Van faillissement - Afdeling: Zevende afdeling. Van de vereffening des boedels - Artikel: Artikel 173c - Gegevens: lid 1: Indien binnen acht dagen, nadat de homologatie van een akkoord definitief is geweigerd, de curator of een schuldeiser bij de rechter-commissaris een voorstel indient tot voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde, zal de rechter-commissaris op door hem terstond te bepalen dag, uur, plaats en, overeenkomstig artikel 80a, wijze waarop een vergadering van schuldeisers beleggen ten einde over het voorstel te doen beraadslagen en beslissen. lid 2: De curator roept de schuldeisers schriftelijk en ten minste tien dagen vóór de vergadering op. De oproeping bevat het ingediende voorstel en wijst de schuldeisers op het bepaalde in artikel 114. lid 3: Artikel 173a, tweede lid, alsmede artikel 173b zijn van toepassing. - Relevantie score: 0.606
44
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:RBAMS:2025:1141 === INFORMATIE IN DE UITSPRAAK: - ECLI_number: ECLI:NL:RBAMS:2025:1141 - Instantie: Rechtbank Amsterdam - Datum uitspraak: 2025-02-26 - Datum publicatie: 2025-02-24 - Datum aangepast: 2025-05-14 - Zaaknummer: 750242 - Rechtsgebieden: Civiel recht; Ondernemingsrecht - Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig - URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:1141 INHOUDSINDICATIE: curatoren niet aansprakelijk voor niet-gestand doen overeenkomsten en ook niet voor verkoop voorraad aan doorstarters VINDPLAATSEN: Rechtspraak.nl; INS-Updates.nl 2025-0044; JOR 2025/123 met annotatie van mr. S.A.C.R. Wahlbrinck; RI 2025/40 SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK: ZAAKIDENTIFICATIE: ECLI-nummer: ECLI:NL:RBAMS:2025:1141 Rechterlijke instantie: Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak: 26 februari 2025 FORMELE RELATIES LEGALLINK: Niet van toepassing; eerste aanleg. PARTIJEN: Eisers: Zes Turkse rechtspersonen, kledingfabrikanten (Pele, Giyim, Suglobal, Metraco, Fashion Point, Yilteks) Gedaagde: Twee curatoren (mr. [gedaagde 1] en mr. [gedaagde 2]) in het faillissement van Scotch & Soda B.V. en Scotch & Soda Export B.V. CASUS: Eisers vorderen schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van curatoren bij afwikkeling faillissement Scotch & Soda. Eisers stellen dat curatoren onterecht eigendomsvoorbehoud en recht van reclame hebben afgewezen en voorraden niet apart hielden, en dat curatoren niet tijdig hebben gereageerd op vraag over gestanddoening van openstaande bestellingen, waardoor eisers schade leden. VORDERING (EISER): - Rechtsgevolg: verklaring voor recht onrechtmatig handelen curatoren; schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en gedeeltelijke ontbinding van overeenkomsten; betaling proceskosten. - Juridische grondslag: artikel 110 Faillissementswet (Fw), artikel 7:39 BW (recht van reclame), artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad), artikel 6:83 juncto 6:265 BW (ontbinding), artikel 37 Fw (gestanddoening overeenkomsten). - Feitelijke stellingen: curatoren hebben eigendomsvoorbehoud en recht van reclame onterecht afgewezen; voorraden niet apart gehouden; niet tijdig gereageerd op vraag gestanddoening bestellingen; eisers leden daardoor schade. - Vaststellingen: erkend dat FMA’s tussen eisers en Scotch & Soda bestaan; artikel 8.9 FMA sluit eigendomsvoorbehoud en recht van reclame uit; curatoren verkochten voorraad aan doorstarters met respect voor rechten derden; eisers hebben openstaande facturen en bestellingen; eisers hebben niet schriftelijk wijziging FMA’s afgedwongen; curatoren hebben niet gereageerd op verzoek gestanddoening bestellingen. VERWEER (GEDAAGDE): - Juridische verweren: geen onrechtmatig handelen; artikel 8.9 FMA sluit eigendomsvoorbehoud en recht van reclame uit; curatoren niet verplicht gestand te doen; eisers kunnen schadevorderingen slechts als concurrente schuldeisers indienen; geen persoonlijke aansprakelijkheid curatoren. - Betwistingen: eisers kunnen zich niet beroepen op eigendomsvoorbehoud of recht van reclame; geen onzorgvuldig handelen curatoren; geen aansprakelijkheid voor niet-gestanddoening bestellingen. - Aanbod: geen herstel of vergoeding aangeboden. OORDEEL RECHTER: - Rechtsvraag: of curatoren onrechtmatig hebben gehandeld door eigendomsvoorbehoud en recht van reclame af te wijzen en voorraden niet apart te houden; of curatoren onrechtmatig hebben gehandeld door niet tijdig te reageren op vraag gestanddoening bestellingen. - Toepassing wetsartikelen: artikel 110 Fw (curatorstaak), artikel 7:39 BW (recht van reclame), artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad), artikel 6:233 BW (vernietiging onredelijk bezwarend beding), artikel 6:83 juncto 6:265 BW (ontbinding), artikel 37 Fw (gestanddoening). - Motieven: artikel 8.9 FMA sluit eigendomsvoorbehoud en recht van reclame uit; geen schriftelijke wijziging FMA; curatoren hebben rechten derden gerespecteerd; curatoren niet verplicht gestand te doen; eisers kunnen schadevorderingen niet rechtstreeks tegen curatoren instellen; geen persoonlijke verwijtbaarheid curatoren; geen misbruik procesrecht door eisers. UITSPRAAK SAMENVATTING: - Vordering afgewezen: alle vorderingen van eisers worden afgewezen. - Proceskosten: eisers worden hoofdelijk veroordeeld in dubbele proceskosten van € 23.036,00, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten bij niet-tijdige betaling. - Uitvoerbaar bij voorraad verklaard. VOLLEDIGE UITSPRAAK: Civiel recht Zaaknummer: C/13/750242 / HA ZA 24-497 Vonnis van 26 februari 2025 in de zaak van 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht PELE GIYIM SAN. VE TIC A.S. , te Marmara Krumlar (Turkije), hierna te noemen: Pele, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht TSC GIYIM SAN. VE TIC A.S. , te Istanbul (Turkije), hierna te noemen: Giyim,3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SUGLOBAL TEKSTIL VE KONFEKSIYN SAN A.S. , te Tekirdag (Turkije), hierna te noemen: Suglobal,4. de rechtspersoon naar buitenlands recht METRACO ITH.IHR.VE TIC A.S. , te Istanbul (Turkije), hierna te noemen: Metraco,5. de rechtspersoon naar buitenlands recht FASHION POINT TEKSTIL URETIM A.S. , te Sefakoy/Istanbul (Turkije), hierna te noemen: Fashion Point,6. de rechtspersoon naar buitenlands recht YILTEKS KONFEKSIYON A.S. , te Sefakoy/Istanbul (Turkije), hierna te noemen: Yilteks, eisende partijen, hierna samen te noemen: eisers, advocaat: mr. S.A.H.J. Warringa, tegen 1. MR. [gedaagde 1] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Scotch & Soda B.V. en Scotch & Soda Export B.V. en in persoon, te [vestigingsplaats] ,2. MR. [gedaagde 2] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Scotch & Soda B.V. en Scotch & Soda Export B.V. en in persoon, te [vestigingsplaats] ,gedaagde partijen, hierna samen te noemen: de curatoren, advocaat: mr. S.C. Pepels. 1.1. Deze zaak gaat over het handelen van de curatoren in het faillissement van kledingbedrijf Scotch & Soda. De zaak is gestart door zes Turkse kledingfabrikanten die kleding produceerden voor en leverden aan Scotch & Soda en die nu schadevergoeding eisen van de curatoren. Volgens eisers hebben de curatoren onrechtmatig gehandeld bij de afwikkeling van het faillissement, door: 1- in verband met vóór het faillissement geleverde maar niet betaalde kleding: a. a) onterecht het beroep van eisers op hun eigendomsvoorbehoud en teruggave (recht van reclame) af te wijzen, en b) na te laten de voorraden van eisers apart te houden dan wel de verkoopopbrengst van die voorraden ten behoeve van eisers apart te houden, en door 2- in verband met vóór het faillissement bestelde maar niet geleverde kleding: niet (tijdig) te antwoorden op de vraag van eisers of zij (de curatoren) de overeenkomsten namens de boedel zouden nakomen (gestand zouden doen). Eisers vinden dat de curatoren hiermee schade hebben veroorzaakt en willen die schade vergoed hebben. De rechtbank is van oordeel dat de curatoren niet onrechtmatig hebben gehandeld en wijst de vorderingen af. Het verloop van de procedure blijkt uit - het tussenvonnis van 25 september 2024, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 januari 2025 en de daarin genoemde stukken. Eisers zijn allen feitelijk en statutair gevestigd in Turkije en produceren en leveren kleding. Zij zijn aangesloten bij Branche creditmanagement B.V., handelend onder de naam Modint Credit & Finance (hierna: Modint), een Nederlandse kredietmaatschappij. Scotch & Soda B.V. en Scotch & Soda Export B.V., hierna samen: Scotch & Soda, waren beide onderdeel van de Scotch & Soda-groep die de Nederlandse kleding- en lifestylemerken van Scotch & Soda exploiteerde en de gelijknamige winkels uitbaatte. Op 21 maart 2023 is Scotch & Soda failliet verklaard, waarbij mr. [gedaagde 2] en mr. [gedaagde 1] tot curatoren zijn aangesteld. Scotch & Soda is met vijf van de zes eisers (hierna: de vijf eisers) een zelfde framework manufacturing agreement (hierna: FMA) overeengekomen, namelijk: in juni 2016 met Metraco; in april 2018 met Pele; in april 2018 met Suglobal; in april 2021 met Fashion Point; in april 2021 met Yilteks. In februari 2020 heeft Scotch & Soda ook een zelfde FMA gesloten met Karbel Konfeksiyon San. Ve Tic. A.S. (hierna: Karbel). De FMA’s houden onder meer in: “2.1. This Agreement is structured as a framework agreement under which individual Production Orders will be issued by Scotch & Soda to the Supplier. Each Production Order will be governed by and subject to this Agreement. (..) 8. l The Products shall be delivered FOB INCOTERMS 2010. Title to the Products, the risk of loss or damage to the Products, and the duty to insure, shall pass to Scotch & Soda when the Products have passed the ship 's rail at the named port of shipment, or when the products have been delivered into the charge of the air carrier or its agent or any other person at the named airport of departure. Unless otherwise agreed in writing, delivery of the Products by the Supplier shall take place in accordance with the Production Order. (..) 8.9 (..) Supplier shall not be entitled to exercise any retention of title, possessory lien or to repossess unpaid goods. (..) 19.7 The Agreement may only be amended or deviated from by written agreement between the Parties” In artikel 20 van de FMA’s is steeds bepaald dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht en dat geschillen in het kader van de overeenkomst in eerste aanleg voor de rechtbank Amsterdam moeten worden gebracht. In een mail van Karbel aan Scotch & Soda van 2 juli 2020 staat: "We would like to officially announce the below change in Karbel's Invoicing details until further notice. Due to Turkish regulations, for exporter companies to recover VAT faster, it is a very common practice that the producers use an intermediary "Export Trading Company” for invoicing. In our case, the execution has been as follow: For SS20 shipments, we used to invoice through the export trading company "MASSA POLIMER DIS TIC. LTD. STI." For our company's internal requirements, we will be using a new intermediary export trading company " TSC GIYIM SAN. Ve TIC. A.Ş. ." for invoicing only!" (..) All production, factories, communication and audits will remain unchanged under the production company "Karbel Konfeksiyon San ve Tic A.S" and Karbel will still be your main and direct contact." Op alle aan Scotch & Soda uitgebrachte facturen van Fashion Point is de volgende tekst vermeld: “The parties agree that ; until the full payment due under the business relationship including any finance bills or return bills, which may exist, all delivered goods are subject to supplier’s retration of title (simple, extended and prolonged). Supplier retains title of the goods delivered by even improcessing of these goods.” Op de datum van het faillissement, 21 maart 2023, hadden eisers nog facturen openstaan richting Scotch & Soda voor verkochte en geleverde kleding en accessoires (hierna: de openstaande facturen). Ook hadden zij op basis van orders van Scotch & Soda al kleding in productie staan, die - grotendeels - alleen nog geleverd en vervolgens gefactureerd moest worden (hierna: de openstaande bestellingen). Het totaalbedrag aan openstaande facturen was op datum faillissement als volgt, waarbij geen rekening is gehouden met later eventueel ontvangen bedragen van verzekeraar(s): Pele € 1.454.348,55 Giyim € 743.614,78 Suglobal € 2.570.881,67 Metraco € 856.236,20 Fashion Point € 2.643.187,15 Yilteks € 2.340.328,15 Het totaalbedrag gemoeid met de openstaande bestellingen die - vlak voor het faillissement - door Scotch & Soda zijn geplaatst bij de vijf eisers, was achtereenvolgens: Suglobal € 2.593.449,95 Pele € 1.881.803,20 Metraco € 966.988,91 Giyim € 1.670.239,76 Yilteks € 1.760.976,00 Modint heeft per eiser een brief aan de curatoren gestuurd, waarin de vordering van de verschillende eisers kenbaar is gemaakt en een beroep is gedaan op het eigendomsvoorbehoud, dan wel het recht van reclame ex artikel 7:39 Burgerlijk Wetboek (BW). Deze brieven dateren van 27 maart, 29 maart, 30 maart, 3 april en 4 april 2023. Bij de brieven zijn overzichten van de openstaande facturen en de openstaande bestellingen gevoegd. De curatoren hebben de merkenrechten en de verschillende vermogensbestanddelen van Scotch & Soda kort volgend op het faillissement op een going concern -basis verkocht. Deze doorstart vond zijn beslag op 28 maart 2023. Verschillende onderdelen van de Scotch & Soda-groep zijn voortgezet door verschillende partijen. Deze partijen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de Doorstarters. Op l april 2023 hebben de curatoren aan de advocaat van Modint, die optrad ten behoeve van een aantal kledingfabrikanten, gemaild dat het eigendomsvoorbehoud en het recht van reclame in de FMA’s jegens alle kledingfabrikanten is uitgesloten. Op 3 april 2023 heeft Modint namens eisers aan de curatoren bericht dat het voor alle partijen zinvol lijkt, wat de uitkomst van de discussie ook zal zijn, dat verkopen doorgaan, onder bepaalde voorwaarden. Op maandag 17 april 2023 heeft mr. Warringa namens eisers aan de curatoren gevraagd om zich uit te laten of zij bereid zijn de lopende overeenkomsten met betrekking tot de openstaande bestellingen gestand te doen, en deze uitlating te doen voor ‘komende vrijdag’ (kennelijk: vrijdag 21 april) om 09:00 uur. De curatoren hebben op dit bericht niet gereageerd. In de bijlage bij dit vonnis zijn de vorderingen van eisers volledig weergegeven. Samengevat vorderen eisers: - een verklaring voor recht dat de curatoren q.q. respectievelijk de curatoren pro se onrechtmatig hebben gehandeld (vorderingen I en II); - hoofdelijke veroordeling van de curatoren q.q. en de curatoren pro se tot vergoeding van de als gevolg van deze onrechtmatige daad geleden en te lijden schade van elk van de eisers, op te maken in een schadestaatprocedure (vorderingen III tot en met VIII); - hoofdelijke veroordeling van de curatoren q.q. en de curatoren pro se tot vergoeding van de als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst geleden en te lijden schade van elk van de vijf eisers, op te maken in een schadestaatprocedure (vorderingen IX tot en XIII); - met hoofdelijke veroordeling van de curatoren q.q. en de curatoren pro se in de proceskosten (vordering XIV). Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de curatoren onrechtmatig hebben gehandeld, en hiervoor in hun hoedanigheid van curator (q.q.) aansprakelijk zijn, door in strijd met hun wettelijke plicht van artikel 110 Faillissementswet (Fw), het beroep van Fashion Point op haar eigendomsvoorbehoud c.q. het beroep van alle eisers op hun recht van reclame, niet te respecteren. De schade die zij daardoor hebben geleden is voor Fashion Point in beginsel het totaal aan openstaande facturen op datum faillissement, en voor de overige eisers –voor Fashion Point subsidiair – in beginsel het bedrag van de facturen waarvoor geldt dat tijdig een beroep op het recht van reclame is gedaan. Deze schade dient nader te worden opgemaakt bij staat. Daarnaast leggen eisers aan hun vorderingen ten grondslag dat de curatoren onrechtmatig hebben gehandeld door niet binnen de gestelde termijn te reageren op de vraag van de vijf eisers hoe de curatoren met de openstaande bestellingen wilden omgaan. Dit bood deze eisers de mogelijkheid deze overeenkomsten te ontbinden op grond van artikel 6:83 juncto 6:265 BW, wat zij hebben gedaan. Hun schade als gevolg van deze ontbinding is dat aan hen niet de afgesproken prijs is betaald; de voorraad kunnen eisers niet kwijt. Eisers vorderen betaling van deze schade, nader op te maken bij staat. Als de boedel geen verhaal biedt, zijn de curatoren volgens eisers in privé aansprakelijk voor het bedrag dat niet vanuit de boedel kan worden betaald. Volgens hen hadden de curatoren vanaf het begin rekening moeten houden met de beroepen van eisers op het eigendomsvoorbehoud c.q. het recht van reclame, door ofwel de voorraden van eisers apart te houden ofwel hier bedragen voor apart te houden. De curatoren betwisten de vorderingen en willen dat ze worden afgewezen. Op de stellingen van partijen zal hierna – zo nodig – verder worden ingegaan. Rechtsmacht en toepasselijk recht Dit is een internationale zaak, omdat eisers in Turkije zijn gevestigd. De rechtbank moet daarom eerst haar internationale bevoegdheid (rechtsmacht) en het toepasselijk recht vaststellen. De vorderingen van eisers zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen van de curatoren. De curatoren zijn zowel in hun hoedanigheid als in persoon woonachtig in [vestigingsplaats] , Nederland. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 4 van de Brussel I bis-Verordening. [1] Wat het toepasselijk recht betreft geldt het volgende. Het gestelde onrechtmatige handelen is gebaseerd op handelen in strijd met de gestelde rechtsverhouding tussen eisers en Scotch & Soda, zoals geregeld in de verschillende FMA’s van Scotch & Soda met de kledingfabrikanten. In elk van die FMA’s is in artikel 20 een uitdrukkelijke forumkeuze gemaakt voor de Nederlandse rechter in de zin van artikel 25 van de Brussel I bis-verordening. Dat leidt er toe dat op grond van artikel 4 lid 3 van Rome II-verordening [2] moet worden aangenomen dat de gestelde onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met Nederland dan met het in de leden 1 en 2 van dat artikel aangewezen land, te weten het land waar de kledingfabrikanten schade hebben geleden. Die kennelijk nauwere band met Nederland berust op de FMA’s en de daarin gemaakte rechtskeuze voor Nederlands recht. De conclusie is dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen en dat Nederlands recht van toepassing is. Partijen hebben overigens geen van deze bevindingen afwijkend standpunt ingenomen. Geleverde nog niet betaalde kleding De rechtbank is van oordeel dat de curatoren zowel in hoedanigheid als pro se niet onrechtmatig hebben gehandeld. Zij hebben in het kader van de afwikkeling van het faillissement jegens eisers niet gehandeld in strijd met artikel 110 Faillissementswet of met een contractuele plicht en ook niet met enig eigendomsrecht van eisers. Het beroep van eisers op een eigendomsvoorbehoud en/of het recht van reclame is namelijk ongegrond. Dit licht de rechtbank als volgt toe. Eigendomsvoorbehoud Wat betreft het beroep op eigendomsvoorbehoud van Fashion Point geldt het volgende. Vooropstaat dat zowel voor de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen en zo ja, wie daarbij partij zijn, als voor de vraag hoe een overeenkomst moet worden uitgelegd, moet worden gekeken naar hetgeen de betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en hetgeen zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. In dit geval luidt artikel 8.9 van de FMA: “ (...) Supplier shall not be entitled to exercise any retention of title, possessory lien or to repossess unpaid goods”. Dat in het artikel letterlijk staat dat een beroep op eigendomsvoorbehoud (‘retention of title’) is uitgesloten, heeft Fashion Point niet betwist. Maar Fashion Point stelt dat deze uitsluiting niet meer voor haar geldt, omdat zij na het sluiten van de FMA met Scotch & Soda op dat punt een nadere afspraak heeft gemaakt. Zij wijst op de facturen die zij heeft verstuurd waarop onderaan steeds staat dat zij (Fashion Point) eigenaar blijft van door haar afgeleverde goederen zolang daarvoor niet is betaald (voor deze tekst, zie 3.8), waartegen Scotch & Soda nooit heeft geprotesteerd. Dit betoog faalt. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Dat geldt ook voor een wijziging van een overeenkomst. Als het op een factuur vermelden van een eigendomsvoorbehoud al kan worden gezien als een aanbod om de tussen partijen gesloten FMA te wijzigen, is het enkele niet-protesteren door Scotch & Soda tegen facturen van Fashion Point geen aanvaarding daarvan. Fashion Point mocht er niet op vertrouwen dat uit dit niet reageren de aanvaarding van het door haar voorgestelde eigendomsvoorbehoud kon worden afgeleid, omdat partijen in de FMA uitdrukkelijk een bepaling waren overeengekomen die juist een eigendomsvoorbehoud uitsloot. Bovendien waren partijen in artikel 19.7 FMA overeengekomen dat alleen schriftelijk overeengekomen wijzigingen van de FMA geldig zijn, en het enkele niet-protesteren kan in ieder geval niet als een schriftelijke aanvaarding worden beschouwd. Het beroep van Fashion Point op een eigendomsvoorbehoud gaat dus niet op. Recht van reclame Ook een beroep op het recht van reclame is uitgesloten in artikel 8.9 FMA. In dat artikel staat namelijk: “Supplier shall not be entitled to (...) repossess unpaid goods.” Daaruit volgt duidelijk de bedoeling van partijen dat leveranciers onbetaalde producten niet mogen terugnemen/-vorderen. Omdat het Nederlandse recht van reclame van artikel 7:39 BW er op neerkomt dat een leverancier dat wel mag, ligt in deze bepaling de bedoeling van partijen besloten dat zij het recht van reclame contractueel hebben willen uitsluiten. Voor de uitsluiting van dat recht is het niet nodig, anders dan eisers van mening zijn, dat de Nederlandse benaming van dat recht en het bijbehorende Nederlandse wetsartikel met naam en toenaam in artikel 8.9 FMA worden genoemd. Volgens eisers maakt artikel 8.9 FMA nog niet duidelijk wat er gebeurt in de situatie dat leveranciers onbetaalde producten wel terugnemen. Dat is echter niet van belang in deze zaak, omdat die situatie zich niet heeft voorgedaan. Ook kan daaruit niets worden afgeleid over de uitleg van die bepaling. Volgens TSC Giyim geldt de FMA, en dus ook de uitsluiting in artikel 8.9, niet voor haar, omdat zij geen FMA met Scotch & Soda heeft gesloten - waar Karbel dat wel heeft gedaan. Ook TSC Giyim kan zich desondanks niet op het recht van reclame beroepen. Voor een succesvol beroep op het recht van reclame is namelijk ook vereist dat de partij die dat recht inroept, voldoende stelt en onderbouwt dat zij goederen, in dit geval: kleding, heeft geleverd. Die onderbouwing ontbreekt ten aanzien van TSC Giyim, mede in het licht van het gegeven dat Karbel, die contractspartij is van Scotch & Soda bij een FMA, uitdrukkelijk heeft gecommuniceerd aan Scotch & Soda dat zij TSC Giyim alleen als tussenpersoon voor de facturatie gebruikt (zie 3.7). Beroep op vernietiging artikel 8.9 FMA; onzorgvuldig handelen Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling hebben eisers - zo nodig - artikel 8.9 van de FMA vernietigd als onredelijk bezwarend beding op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a BW. Dit mede omdat het beding voorkomt op de zwarte lijst van artikel 6:236 BW en aan dat gegeven reflexwerking toekomt vanwege de positie van eisers die grote gelijkenis vertoont met een consument, aldus eisers. Ook als de rechtbank ervan uit zou gaan dat artikel 8.9 FMA met succes kan worden vernietigd, maakt dit nog niet dat de curatoren onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW. Vaststaat namelijk dat eisers dit standpunt ten tijde van de afwikkeling van het faillissement niet aan de curatoren kenbaar hebben gemaakt, ook niet toen de curatoren hen vroegen naar een onderbouwing van hun vordering. Dit betekent dat de curatoren daar bij de vervulling van hun taak als curator toen ook geen rekening mee hebben kunnen houden. Aanvullend geldt nog het volgende met betrekking tot de gestelde persoonlijke aansprakelijkheid van de curatoren. Vast staat dat eisers uitdrukkelijk hebben ingestemd met voortzetting van de verkoop van de geleverde voorraden na faillietverklaring, dat de curatoren in de overeenkomst met de Doorstarters uitdrukkelijk hebben bedongen dat rechten van derden gerespecteerd moesten worden en dat zij in dat kader een bedrag in escrow hebben gehouden. Gezien deze omstandigheden bestaat geen enkele grond voor het oordeel dat de curatoren persoonlijk verwijtbaar onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW. Nog niet geleverde maar wel gereed staande bestellingen op datum faillissement Eisers hebben verder aangevoerd dat de curatoren onrechtmatig hebben gehandeld door niet binnen de hen daartoe ex artikel 37 Fw gestelde termijn te reageren op de vraag van eisers hoe de curatoren met de openstaande bestellingen wilden omgaan. Volgens eisers mochten zij daarom de overeenkomsten ontbinden op grond van artikel 6:83 jo. 6:265 BW, wat zij hebben gedaan. Zij vorderen nu de schade die zij als gevolg van de ontbinding hebben geleden, nader op te maken bij staat. Bij hun betoog miskennen eisers dat het een curator vrijstaat om de in artikel 37 Fw bedoelde verklaring waarin hij zich bereid verklaart om een overeenkomst gestand te doen, al dan niet af te geven. Anders gezegd, de curator is bevoegd zich tot nakoming van de overeenkomst bereid te verklaren, niet verplicht. In dit geval hebben de curatoren van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Dit betekent dat eisers voor de door hen gestelde schadevergoedingsvorderingen uit hoofde van de ontbinding enkel als concurrente schuldeisers in het faillissement kunnen opkomen, zoals is bepaald in artikel 37a Fw. Voor toewijzing van deze vorderingen (IX tot en met XIV) van eisers jegens de curatoren, waarmee eisers in feite het systeem van de Faillissementswet proberen te omzeilen, bestaat geen grond. Geen volledige, wel dubbele proceskostenveroordeling Het voorgaande betekent dat alle verwijten van eisers aan het adres van de curatoren onterecht zijn, of het nu gaat om de curatoren q.q. of de curatoren in persoon. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Volgens de curatoren moeten eisers worden veroordeeld in alle kosten die zij hebben moeten maken om in rechte verweer te voeren, omdat eisers hun vorderingen zeer lichtvaardig hebben ingesteld. De rechtbank gaat hier niet in mee. Een veroordeling in de volledige proceskosten is alleen mogelijk als sprake is van misbruik van procesrecht, namelijk als het instellen van een vordering, gelet op de overduidelijke ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Daarvan kan onder andere sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende. In dit geval zijn weliswaar de vorderingen ten aanzien van de openstaande bestellingen (zie 5.17 hiervoor) evident ongegrond op grond van feiten die aan de kant van eisers bekend waren, maar van een ander deel van de vorderingen is het in zekere, zij het geringe, mate verdedigbaar om de vordering aan de rechter voor te leggen. Een volledige proceskostenveroordeling is daarom niet op zijn plaats. Wel ziet de rechtbank in een en ander aanleiding om eisers, en vanwege de gezamenlijke processtukken van eisers ook Fashion Point, te veroordelen in de dubbele proceskosten, waarbij voor het liquidatietarief wordt aangesloten bij de gestelde schade. De proceskosten van de curatoren worden begroot op: - griffierecht € 2.626,00 - salaris advocaat € 8.714,00 (2 punten × € 4.357,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 11.518,00 Totaal (na verdubbeling) € 23.036,00 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het gehele bedrag te betalen. Als de één betaalt, hoeft de ander dat bedrag niet meer te betalen. wijst de vorderingen van eisers af, veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 23.036,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, veroordeelt eisers hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, mr. R.H.C. Jongeneel en mr. G.C. de Heer, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2025. Bijlage, volledige weergave van de vorderingen van eisers (het volledige petitum): Het uw rechtbank moge behage bij vonnis, voor zover wettelijke toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad, Primair I. te verklaren voor recht dat de Curatoren q.q. onrechtmatig hebben gehandeld; te verklaren voor recht dat de Curatoren pro se onrechtmatig hebben gehandeld; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Fashion Point van een bedrag ter vergoeding van de schade die Fashion Point heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze onrechtmatige daad (zie randnummers 3.27-3.31 en 3.39-3.43), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Pele van een bedrag ter vergoeding van de schade die Pele heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze onrechtmatige daad (zie randnummers 3.27-3.31 en 3.39-3.43), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Giyim van een bedrag ter vergoeding van de schade die Giyim heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze onrechtmatige daad (zie randnummers 3.27-3.31 en 3.39-3.43), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Suglobal van een bedrag ter vergoeding van de schade die Suglobal heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze onrechtmatige daad (zie randnummers 3.27-3.31 en 3.39-3.43), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Metraco van een bedrag ter vergoeding van de schade die Metraco heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze onrechtmatige daad (zie randnummers 3.27-3.31 en 3.39-3.43), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Yilteks van een bedrag ter vergoeding van de schade die Yilteks heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze onrechtmatige daad (zie randnummers 3.27-3.31 en 3.39-3.43), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Suglobal van een bedrag ter vergoeding van de schade die Sublogal heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (zie randnummers 3.32-3. 38), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Pele van een bedrag ter vergoeding van de schade die Pele heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (zie randnummers 3.32-3.38), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Metraco van een bedrag ter vergoeding van de schade die Metraco heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (zie randnummers 3.32-3.38), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Giyim van een bedrag ter vergoeding van de schade die Giyim heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (zie randnummers 3.32-3.38), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling aan Yilteks van een bedrag ter vergoeding van de schade die Yilteks heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (zie randnummers 3.32-3.38), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Curatoren q.q. en de Curatoren pro se hoofdelijk - dat wil zeggen dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding en een bedrag aan salaris voor de advocaat van eisers. Een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis, en, voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening. Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis-Verordening) Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”). FOOTNOTES: [1] Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis-Verordening) [2] Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”). RECHTER:
Falger, Q.R.M.: voorzitter
Jongeneel, R.H.C.: rechter
de Heer, G.C.: rechter
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
110 Fw: ['110 Fw', 'curatorstaak bij faillissement']
7:39 BW: ['7:39 BW', 'recht van reclame']
6:162 BW: ['6:162 BW', 'onrechtmatige daad']
6:233 BW: ['6:233 BW', 'vernietiging onredelijk bezwarend beding']
6:236 BW: ['6:236 BW', 'zwarte lijst onredelijke bedingen']
6:83 BW: ['6:83 BW', 'ontbinding van overeenkomst']
6:265 BW: ['6:265 BW', 'ontbinding wegens tekortkoming']
37 Fw: ['37 Fw', 'gestanddoening van overeenkomsten door curator']
37a Fw: ['37a Fw', 'rangorde van schuldeisers bij ontbinding']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
METADATA: - Created at: 2025-07-23 14:56:51.792000 - Last modified: 2025-08-03 18:18:04.401000 ============================================================
59
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:HR:2011:BU4204 === INFORMATIE IN DE UITSPRAAK: - ECLI_number: ECLI:NL:HR:2011:BU4204 - Instantie: Hoge Raad - Datum uitspraak: 2011-12-16 - Datum publicatie: 2013-04-05 - Datum aangepast: 2025-03-22 - Zaaknummer: 10/02126 - Rechtsgebieden: Civiel recht - Bijzondere kenmerken: Cassatie - URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2011:BU4204 FORMELE RELATIES: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BU4204; In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9461, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen; Verwijzing naar: ECLI:NL:GHDHA:2013:4275 INHOUDSINDICATIE: Persoonlijke aansprakelijkheid curator? Voor zover curator bij uitoefening taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel ruime mate van vrijheid toe. Bij toepassing Maclou-norm (HR 19 april 1996, LJN ZC2047, NJ 1996/727) moet rechter vraag beantwoorden of, uitgaande van bedoelde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in gegeven omstandigheden in redelijkheid tot desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid immers persoonlijk verwijt vereist. Daarvoor is vereist dat curator het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien. VINDPLAATSEN: Rechtspraak.nl; RAV 2012/25; NJB 2012/28; RvdW 2012/3; RI 2012/46; NJ 2012/515 met annotatie van F.M.J. Verstijlen; JWB 2011/623; JOR 2012/65 met annotatie van mr. I. Spinath SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK: ZAAKIDENTIFICATIE: ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2011:BU4204 Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR) HR Datum uitspraak 16-12-2011 FORMELE RELATIES LEGALLINK: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BU4204 [conclusie A-GA J. Wuisman, r.o. aangeduid in zaak] [rnr niet in arrest aangegeven; zie conclusie] In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9461 (gerechtshof Amsterdam, arrest 9-2-2010) [rov.1-2] (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzing; Verwijzing naar: ECLI:NL:GHDHA:2013:4275 [beslissing HR r.o.4 en slot] PARTIJEN: Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer) Curator (eiser tot cassatie) Naam of typering gedaagde [Verweerder] (gefailleerde / beslaglegger / eiser in feitelijke procedure; verweerder in cassatie) CASUS: Curator beheerde faillissement van [verweerder] (restaurant met panden, inventaris, vleugel en aanzienlijke wijnvoorraad). Geschil over vermeende onzorgvuldige verkoop/veiling van panden en verkoop van inventaris/wijnen, waardoor volgens [verweerder] boedelopbrengst onvoldoende was gemaximaliseerd en hij schade leed; vordering tot verklaring voor recht en schadevergoeding tegen curator. [rov.3.1-3.2] VORDERING (EISER): Beoogd rechtsgevolg Verklaring voor recht dat curator persoonlijk aansprakelijk is voor schade; veroordeling tot vergoeding van de schade, vast te stellen bij staat. [rov.3.2] Juridische grondslag (relevante wetsartikelen) Civielrechtelijke onrechtmatige/onvoldoende zorgvuldige taakuitoefening van curator; toepassing Maclou-norm (HR 19-4-1996, LJN ZC2047) voor persoonlijke aansprakelijkheid van curator wegens onjuiste taakuitoefening. [rov.3.4.1-3.4.3] Feitelijke stellingen ter onderbouwing - Er was een concreet bod van Amstellanden (ƒ1,4 mln / ca. €635.292,30) dat volgens [verweerder] ten onrechte niet is aanvaard. [rov.3.1(iii),(iv); 3.2] - Bij veiling van 25-6-2001 heeft curator geen bodemprijs gehanteerd; panden werden voor €517.309,45 verkocht. [rov.3.1(iv)-(v),(vi)] - Inventaris incl. wijnvoorraad (geschat op €240.000,--, waarvan wijn €60.000) is voor te laag bedrag verkocht (€8.099,--). [rov.3.1(vi); 3.2] Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen” - Curator is benoemd bij faillissement van [verweerder] en voerde beheer/verevening. [rov.3.1(i)-(ii)] erkend door beide partijen - Panden en inventaris (inclusief vleugel en wijnvoorraad) behoorden tot boedel en zijn verkocht; faillissement opgeheven 15-3-2005 met restantschuld €459.712,95. [rov.3.1(ii),(vi)-(vii)] erkend door beide partijen VERWEER (GEDAAGDE): Juridische verweren - (In cassatie niet alle verweren uitgewerkt in arrest) Maar verweer in cassatie: betwisting aansprakelijkheid curator en toepassing juistheid norm; afhankelijk van feitelijke toerekening en zorgvuldigheid bij taakuitoefening. [rov.2-3] Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden - Maclou-criterium (HR 19-4-1996) als maatstaf voor persoonlijk verwijt bij curator; verder civiel aansprakelijkheidsregels als uitgangspunt. [rov.3.4.1-3.4.3] Feitelijke betwistingen vanuit gedaagde - Curator stelt dat hij bij uitoefening van taak ruime vrijheid toekomt en dat beslissingen (weigering van een bod, geen bodemprijs hanteren, wijze van verkoop inventaris) binnen redelijke beleidsruimte vallen; hof heeft onvoldoende rekening gehouden met die terughoudendheid. [rov.3.4.2-3.4.4] Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding - Geen aanbod tot herstel of vergoeding vermeld in arrest. [niet vermeld in rov.] OORDEEL RECHTER: Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie. - De Hoge Raad stelt dat persoonlijke aansprakelijkheid van curator wegens onjuiste taakuitoefening mogelijk is, maar dat de curator bij uitoefening van zijn taak een ruime mate van vrijheid toekomt; bij toepassing van de Maclou-norm moet de rechter toetsen of een redelijk handelende curator met voldoende inzicht en inzet in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de gekozen gedragslijn had kunnen komen. Deze toets vergt terughoudendheid omdat voor persoonlijke aansprakelijkheid een persoonlijk verwijt vereist is: de curator moet het onjuiste van zijn handelen hebben ingezien of redelijkerwijs behoren te hebben ingezien. [rov.3.4.2-3.4.3] Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen? - Motief: balans tussen bescherming boedelbelang en vrijheid van curator; voorkomen dat rechter te snel persoonlijke aansprakelijkheid toerekent zonder terughoudende toets; ondeugdelijkheid van hofsoordeel krachtens onvoldoende erkenning van curatorpositie en vereiste terughoudendheid. [rov.3.4.2-3.4.4] UITSPRAAK SAMENVATTING: Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.) - HR vernietigt het arrest van het hof Amsterdam (9-2-2010) en verwijst de zaak naar gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing. [rov.4] Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren) - Niet inhoudelijk beslist; verwijzing. (Het bestreden arrest, waarin het hof de vorderingen van [verweerder] toewijst, wordt vernietigd.) [rov.4] Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag? - [Verweerder] veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van de Curator tot op deze uitspraak: €483,11 aan verschotten en €2.600,-- voor salaris. [rov.4] Uitvoerbaar-bij-voorraad? - Niet uitdrukkelijk vermeld; standaard uitvoerbaarverklaring niet in arrest weergegeven. RECHTER:
Van Oven, J.C.: raadsheer, openbare uitspraak
Fleers, J.B.: vice-president en voorzitter
van Schendel, W.A.M.: raadsheer
Bakels, F.B.: raadsheer
Snijders, G.: raadsheer
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
Maclou-norm: ['—', 'norm HR 19-4-1996 LJN ZC2047; toets voor curator-aansprakelijkheid']
boek6:162 BW: ['6:162 BW', 'onrechtmatige daad/algemene aansprakelijkheidstoets']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:1996:ZC2047: HR 19-04-1996 (Maclou)
ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9461: Gerechtshof Amsterdam 9-02-2010
ECLI:NL:GHDHA:2013:4275: Gerechtshof Den Haag 2013 (verwijzing)
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-01-23 23:21:31.439000 ============================================================
62
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:HR:2008:BC4846 === INFORMATIE IN DE UITSPRAAK: - ECLI_number: ECLI:NL:HR:2008:BC4846 - Instantie: Hoge Raad - Datum uitspraak: 2008-04-11 - Datum publicatie: 2013-04-05 - Datum aangepast: 2025-03-22 - Zaaknummer: 07/12149HR - Rechtsgebieden: Civiel recht; Civiel recht; Insolventierecht - Bijzondere kenmerken: Cassatie - URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2008:BC4846 FORMELE RELATIES: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4846 INHOUDSINDICATIE: Faillissementsrecht. Verzoek ex art. 69 F. tot vernietiging van door curator op de voet van art. 58 F. gestelde termijn dan wel om een bevel tot intrekking van de termijn; misbruik van recht door curator; gelijkheidsbeginsel uit art. 3:277 BW. VINDPLAATSEN: Rechtspraak.nl; NJ 2008, 222; JOL 2008, 293; RvdW 2008, 418; RI 2008, 44; NJB 2008, 976; JWB 2008/179; JOR 2008/180 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK: ZAAKIDENTIFICATIE: ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2008:BC4846 Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR) HR Datum uitspraak 2008-04-11 FORMELE RELATIES LEGALLINK: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4846 (Advocaat-Generaal) PARTIJEN: Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer) Cantor Holding B.V.; Beleggingsmaatschappij Mercurius B.V. (verzoeksters / schuldeisers) Naam of typering gedaagde Mr. J.L.M. Arts in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Ebcon Holding N.V. (curator) CASUS: Geschil over door curator gestelde termijn ex art. 58 Fw ten aanzien van door verzoeksters beweerd pandrecht op vorderingen van gefailleerde op Infraconcepts N.V.; verzoeksters vroegen vernietiging of intrekking van die termijn ex art. 69 Fw wegens misbruik van recht en subsidiair verlenging van de termijn. VORDERING (EISER): Beoogd rechtsgevolg Primair: niet-ontvankelijkheid verzoek curator tot verlenging ex 58 Fw (pandrecht ziet niet op vorderingen). Subsidiair: vernietiging van de termijnstelling of bevel tot intrekking ex 69 Fw (misbruik van recht). Meer subsidiair: verlenging van de termijn ex 58 Fw. Juridische grondslag [58 lid 1 Fw] [69 Fw] [3:277 BW] (gelijkheidsbeginsel) [rov.3.1-3.5] Feitelijke stellingen ter onderbouwing - Verzoeksters zijn schuldeisers en stellen pandrecht te hebben op vorderingen van Ebcon op Infraconcepts. [rov.3.1] - Curator heeft hen per brief van 5 juli 2006 een termijn gesteld om hun rechten uit te oefenen, meerdere malen verlengd. [rov.3.1] - Curator betwist het pandrecht simultaan met het stellen van de termijn; daardoor zou sprake zijn van misbruik van recht. [rov.3.2, 3.4] Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen” - Ebcon Holding N.V. in staat van faillissement verklaard op 10 juli 2001. [rov.3.1] (erkend door beide partijen) - Curator heeft een termijn gesteld op grond van 58 lid 1 Fw en deze verlengd tot 2 mei 2007. [rov.3.1] (erkend door beide partijen) VERWEER (GEDAAGDE): Juridische verweren - Geen misbruik van recht door het stellen van een termijn ex 58 Fw; curator mocht betwisten en tegelijk termijn stellen ter vlotte afwikkeling van de boedel. [rov.3.5-3.6] Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden [58 lid 1 Fw] [69 Fw] [3:277 BW] (gelijkheidsbeginsel) [rov.3.5-3.6] Feitelijke betwistingen vanuit perspectief gedaagde - Betwisting van het pandrecht is gerechtvaardigd en verenigbaar met het tegelijk stellen van een termijn; curator heeft belang bij incasso van vordering namens de boedel. [rov.3.5] Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding - Geen aanbod tot herstel of vergoeding vermeld. OORDEEL RECHTER: Beoordeling juridische vraag - Geen regel weerhoudt de curator ervan zowel het pandrecht te betwisten als een redelijke termijn ex 58 lid 1 Fw te stellen. [rov.3.6] - De twee bevoegdheden dienen verschillende, verenigbare boedelbelangen: betwisting ter verzekering van het gelijkheidsbeginsel ([3:277 BW]) en termijnstelling ter voortvarende afwikkeling van de boedel. [rov.3.6] Dragende motieven - Belang van curator bij incasso van vordering namens boedel. [rov.3.5] - Betwisting voorkomt ongerechtvaardigde inbreuk op gelijkheidsbeginsel [3:277 BW]. [rov.3.6] - Termijnstelling bevordert vlotte afwikkeling faillissement. [rov.3.5-3.6] - Geen misbruik van recht aangetoond in de gegeven omstandigheden. [rov.3.10 (aangehaald door rechtbank), bevestigd HR] UITSPRAAK SAMENVATTING: Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.) - Hoge Raad verwerpt het beroep van Cantor en Mercurius. [slot] Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren) - Beroep verworpen; daarmee blijven de eerdere beslissingen van rechter-commissaris en rechtbank in stand voor zover relevant. (geen toewijzing van verzoeken tot vernietiging of intrekking ex 69 Fw) Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag? - Cantor en Mercurius worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van de curator begroot op nihil. [slot] Uitvoerbaar-bij-voorraad? - Niet vermeld. RECHTER:
Fleers, J.B.: Vice-president en voorzitter
de Savornin Lohman, O.: Raadsheer
Kop, P.C.: Raadsheer
Bakels, F.B.: Raadsheer
Asser, W.D.H.: Raadsheer
Numann, E.J.: Raadsheer (in het openbaar uitgesproken)
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
58 lid 1 Fw: termijnstelling door curator
69 Fw: vernietiging/intrekking termijnstelling
3:277 BW: gelijkheidsbeginsel
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:PHR:2008:BC4846: Conclusie A-G 2008
AANTAL REFERENTIES: {"2008": 1, "2013": 4, "2014": 3, "2015": 2, "2018": 1, "2020": 2} METADATA: - Created at: None - Last modified: 2025-10-09 13:35:34.214000 ============================================================
63
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:PHR:2008:BC4846 === INFORMATIE IN DE UITSPRAAK: - ECLI_number: ECLI:NL:PHR:2008:BC4846 - Instantie: Parket bij de Hoge Raad - Datum uitspraak: 2008-04-11 - Datum publicatie: 2013-04-05 - Datum aangepast: 2025-03-22 - Zaaknummer: 07/12149HR - Rechtsgebieden: Civiel recht; Civiel recht; Insolventierecht - Bijzondere kenmerken: None - URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2008:BC4846 FORMELE RELATIES: Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC4846 INHOUDSINDICATIE: Faillissementsrecht. Verzoek ex art. 69 F. tot vernietiging van door curator op de voet van art. 58 F. gestelde termijn dan wel om een bevel tot intrekking van de termijn; misbruik van recht door curator; gelijkheidsbeginsel uit art. 3:277 BW. VINDPLAATSEN: Rechtspraak.nl; NJ 2008, 222; JOL 2008, 293; RvdW 2008, 418; RI 2008, 44; NJB 2008, 976; JWB 2008/179; JOR 2008/180 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK: ZAAKIDENTIFICATIE: ECLI-nummer ECLI:NL:PHR:2008:BC4846 Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR) Parket bij de Hoge Raad (conclusie AG) Datum uitspraak 11-04-2008 FORMELE RELATIES LEGALLINK: Arrest / beschikking waarop hoger beroep betrekking heeft: ECLI:NL:HR:2008:BC4846, Hoge Raad, 11-04-2008 (Relevante eerdere beschikking: Rechtbank Breda, beschikking 28-09-2007; rc-beschikking 31-05-2007 — vermeld in conclusie maar geen ECLI in dossier) Bij arrest van de Hoge Raad: conclusie van het parket bij de Hoge Raad d.d. 12-02-2008 [rov. kopregel] PARTIJEN: Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer) Cantor Holding BV en Beleggingsmaatschappij Mercurius BV (schuldeisers / pretense pandhouders) Naam of typering gedaagde Curator, mr. J.L.M. Arts, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Ebcon Holding NV CASUS: Kort gezegd: Cantor en Mercurius verklaarden pandrecht te hebben op vorderingen van gefailleerde Ebcon Holding op (thans) Infraconcepts NV. De curator stelde hen een termijn ex art. 58 lid 1 Fw onder voorbehoud van betwisting van dat pandrecht. Cantor en Mercurius vorderden vernietiging/intrekking van die termijn ex art. 69 Fw wegens (onder meer) misbruik van recht en stelden dat termijnstelling niet verenigbaar is met de gelijktijdige betwisting van hun pandrecht. Rechter-commissaris en rechtbank Breda verlengden/handhaafden de termijn; Cantor en Mercurius gingen in cassatie. De AG concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. VORDERING (EISER): Beoogd rechtsgevolg Primair: niet-ontvankelijkheid in verzoek tot verlenging termijn ex art. 58 Fw (stelling: art. 58 Fw ziet niet op pandrecht op vorderingen). Subsidiair: vernietiging van de door curator gestelde termijn of bevel tot intrekking ex art. 69 Fw (misbruik van recht). Meer subsidiair: verlenging van de termijn ex art. 58 Fw. Juridische grondslag (relevante wetsartikelen) [58 lid 1 Fw] [57 lid 1 Fw] [69 Fw] Feitelijke stellingen ter onderbouwing - Cantor en Mercurius zijn schuldeisers en stellen pandrecht te hebben op vorderingen van Ebcon op Infraconcepts [rov. 2.2; 2.1] [rov. 1.1]. - Curator heeft bij brief d.d. 5-7-2006 een termijn gesteld ex art. 58 lid 1 Fw, meerdere malen verlengd tot 2-5-2007 [rov. 2.3]. - Curator betwist het pandrecht en stelde tegelijk de termijn; dat is volgens Cantor/Mercurius tegenstrijdig en niet opportuun omdat Infraconcepts het bestaan van vorderingen betwist en geen verhaal biedt; curator heeft onvoldoende concrete incasso-intenties geopenbaard [rov. 2.7] [rov. 2.8]. Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen” - Ebcon Holding NV is op 10-07-2001 failliet verklaard [erkend door beide partijen] [rov. 2.1]. - Curator heeft bij brief van 5-7-2006 een termijn gesteld ex art. 58 lid 1 Fw, verlengd tot 2-5-2007 [erkend door beide partijen] [rov. 2.3]. - Cantor en Mercurius stellen pandrecht te hebben op vorderingen van Ebcon op Infraconcepts; dit is betwist door de curator [omstreden — niet erkend door beide partijen] [rov. 2.2; 2.8]. VERWEER (GEDAAGDE): Juridische verweren - Terminstelling ex art. 58 lid 1 Fw is toelaatbaar ook indien curator het pandrecht betwist; geen strijdigheid tussen termijnstelling en betwisting [rov. 3.4; 3.11]. - Geen misbruik van recht door curator; curator handelt binnen doel en strekking van art. 58 Fw [rov. 3.11; 4.4]. Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden [57 lid 1 Fw] [58 lid 1 Fw] [69 Fw] (zie rov. 3.1-3.5) Feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van de gedaagde - Curator betwist dat Cantor/Mercurius daadwerkelijke incassomaßregelen hebben genomen en stelt dat zij in de praktijk geen verhaal zoeken; dat zij informatie van Infraconcepts kunnen verkrijgen maar niet hebben gedaan; er was een vordering van circa ƒ5 miljoen op Infraconcepts ten tijde van faillissement [rov. 2.8]. - Curator betwist dat het stellen van de termijn niet opportuun is; hij heeft belang bij duidelijkheid over incasso voor boedelafwikkeling [rov. 2.8; 3.8]. Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding - Geen aanbod tot herstel of vergoeding vermeld. OORDEEL RECHTER: Beoordeling van rechtsvraag inclusief uitleg relevante wetsartikelen/jurisprudentie - Art. 58 lid 1 Fw geeft curator bevoegdheid pand-/hypotheekhouders een redelijke termijn te stellen om hun rechten ex art. 57 uit te oefenen; dat kan ook zien op verpande vorderingen op naam (niet in cassatie betwist) [rov. 3.1-3.3]. - Wetsgeschiedenis beoogt curator ruimte te geven om treuzelende separatisten tot actie te dwingen en termijnstelling is niet afhankelijk van definitieve vaststelling van het voorrangsrecht; de wet verzet zich niet tegen termijnstelling onder voorbehoud van betwisting [rov. 3.3-3.6]. - Analyse van scenario's (iii) en (iv) toont dat voorbehoud van betwisting door curator geen onherstelbaar nadeel oplevert voor de pretense pandhouder ten aanzien van preferentie of separatistenpositie [rov. 3.9-3.10]. - Conclusie: termijnstelling door curator onder voorbehoud van betwisting stemt niet overeen met misbruik van recht en is verenigbaar met doel van art. 58 lid 1 Fw; rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen misbruik is gemaakt en dat curator bevoegd was de termijn te stellen [rov. 3.11-3.12; 4.2-4.4]. Dragende motieven van het oordeel - Bescherming van belang van boedel bij vlotte afwikkeling en noodzakelijk handvat tegen passiviteit van pand- en hypotheekhouders [rov. 3.3; 3.11]. - Geen aantoonbaar juridisch of praktisch nadeel voor pretense pandhouder door curator’s voorbehoud; wet en MvT ondersteunen termijnstelling vóór definitieve vaststelling van rechten [rov. 3.5-3.6; 3.9-3.12]. - Ontbreken van feitelijke en juridische grondslag in middel om te concluderen dat curator de bevoegdheid misbruikte of een tegenstrijdig doel nastreefde [rov. 4.2-4.4]. UITSPRAAK SAMENVATTING: Wat beslist de rechter uiteindelijk? De AG concludeert tot verwerping van het cassatieberoep; het middel faalt en beroep wordt verworpen. De beschikking van rechtbank Breda dat de curator bevoegd was de termijn ex art. 58 Fw te stellen en dat geen misbruik van recht is gemaakt, blijft gehandhaafd. [rov. 5] Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren) - Verzoekers (Cantor en Mercurius) faalden in hun vordering dat de termijnstelling ex art. 58 lid 1 Fw zich niet zou verdagen met de betwisting van hun pandrecht; het middel wordt verworpen. [rov. 4.1-4.4; 5] Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag? - Geen vermelding van proces- of nakosten noch bedragen in de conclusie. Uitvoerbaar-bij-voorraad? - Niet vermeld. RECHTER:
Verkade, D.W.F.: Procureur-generaal (conclusie)
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
57 lid 1 Fw: pand- en hypotheekhouders kunnen hun recht uitoefenen alsof geen faillissement
58 lid 1 Fw: curator kan redelijke termijn stellen om tot uitoefening van rechten over te gaan; opeising en verkoop bij niet-executie; rc kan verlengen
69 Fw: bevoegdheid tot vernietiging of intrekking termijn (verzoek ex art. 69 Fw)
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:PHR:2008:BC4846: Parket bij de HR / R07/12149 / 11-04-2008
ECLI not known (Rechtbank Breda beschikking): Rechtbank Breda, zaaknummer 175793 / HA RK 07-97 / 28-09-2007
ECLI not known (rechter-commissaris beschikking): rechter-commissaris beschikking 31-05-2007
AANTAL REFERENTIES: {"2008": 1, "2014": 1, "2020": 1} METADATA: - Created at: None - Last modified: 2025-10-09 13:37:50.449000 ============================================================
68
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:HR:2003:AN7817 === INFORMATIE IN DE UITSPRAAK: - ECLI_number: ECLI:NL:HR:2003:AN7817 - Instantie: Hoge Raad - Datum uitspraak: 2003-12-19 - Datum publicatie: 2013-04-04 - Datum aangepast: 2025-03-22 - Zaaknummer: C02/196HR - Rechtsgebieden: Civiel recht - Bijzondere kenmerken: Cassatie - URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2003:AN7817 FORMELE RELATIES: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AN7817 INHOUDSINDICATIE: 19 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/196HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. Mr. Sebastiaan Maarten Marie VAN DOOREN, 2. Mr. Jan Johan DINGEMANS, beiden wonende te Vught, beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Mobell B.V., EISERS tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n B.V. INTERPLAN IMPORT-EXPORT WOONTEXTIEL, gevestigd te Velp, gemeente Rheden, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J. Wuisman. 1. Het geding in feitelijke instanties... VINDPLAATSEN: Rechtspraak.nl; JOL 2003, 689; NJ 2004, 293 met annotatie van P. van Schilfgaarde; RvdW 2004, 8; JWB 2003/479; RV 2014/133 met annotatie van prof. mr. S.E. Bartels, mr. A.J. van der Lely, prof. mr. A.I.M. van Mierlo SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK: ZAAKIDENTIFICATIE: ECLI-nummer ECLI:NL:HR:2003:AN7817 Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR) HR (Hoge Raad) Datum uitspraak 19-12-2003 FORMELE RELATIES LEGALLINK: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AN7817 (Conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad) [rov. 2; datum arrest] PARTIJEN: Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer) Eisers tot cassatie: curatoren in het faillissement van Mobell B.V. (Sebastiaan M.M. van Dooren en Jan J. Dingemans) [inleidende gegevens] Naam of typering gedaagde Verweerster in cassatie: B.V. Interplan Import-Export Woonttextiel (separatist/eigenaresse van geleverde voorraden) [inleidende gegevens] CASUS: Samenvatting waar de casus over gaat. Curatoren verkochten/liquideerden tijdens faillissement van Mobell B.V. de voorraden, waaronder zaken die Interplan onder eigendomsvoorbehoud had geleverd, door aan UTB en brachten die zaken in feitelijke macht van UTB zonder voorafgaande toestemming van Interplan; Interplan vorderde vergoeding wegens onrechtmatige daad; hof oordeelde curatoren aansprakelijk; curatoren stelden cassatie in tegen dat arrest van het hof [rov. 3.1–3.2]. VORDERING (EISER): Beoogd rechtsgevolg (ontbinding, schadevergoeding, herstel, betaling, e.d.) Interplan vorderde verklaring voor recht dat curatoren onrechtmatig hebben gehandeld en veroordeling tot schadevergoeding te vereffenen volgens de wet (nadere specificatie bij staat) [inleidende partijstelling; rov. 1]. Juridische grondslag (relevante wetsartikelen) Aansprakelijkheid van curatoren getoetst naar maatstaven van 6:162 BW [rov. 3.3]. Tevens betrokken: art. 63a Faillissementswet (F) omtrent afkoelingsperiode [rov. 3.1(ii), 3.4.4]. Feitelijke stellingen ter onderbouwing - Mobell op 25-6-1997 failliet; curatoren aangesteld [rov. 3.1(i)]. - Afkoelingsperiode als bedoeld in 63a F gelast voor 1 maand vanaf faillissementsdatum [rov. 3.1(ii)]. - Grote voorraad met rollen textiel geleverd door Interplan onder eigendomsvoorbehoud; openstaande facturen ƒ 74.183,28 incl. BTW [rov. 3.1(iii)]. - Curatoren informeerden crediteuren en ontvingen verificatievordering van Interplan op 1-7-1997; verzoek tot berichtgeving wanneer haar eigendommen konden worden opgehaald [rov. 3.1(iv)-(v)]. - Curatoren besloten tot liquidatie en sloten op 15-7-1997 overeenkomst met UTB voor verkoop van voorraden "voor zover geen eigendom van derden" [rov. 3.1(vi)]. - Curatoren brachten feitelijke macht over alle voorraden, inclusief die van derden, aan UTB; bedongen dat UTB rechten van derden zou respecteren en afwikkelen; wezen Interplan naar UTB voor afwikkeling [rov. 3.1(vii)-(viii)]. - UTB begon uitverkoop op 17-7-1997; Interplan-vertegenwoordiger bezocht UTB op 23-7-1997 en haalde geen goederen weg [rov. 3.1(ix)-(x)]. Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen” - Faillissement Mobell en aanstelling curatoren; afkoelingsperiode; verificatie en vordering Interplan; overeenkomst curatoren–UTB; UTB start uitverkoop; Interplan verwijzing naar UTB en bezoek 23-7-1997 zijn door hof vastgesteld en niet als betwist aangemerkt door partijen in cassatie. (erkend door beide partijen) [rov. 3.1 en 3.2]. VERWEER (GEDAAGDE): Juridische verweren (te late klacht, overmacht, geen tekortkoming, partiële ontbinding, enz.) Curatoren voerden onder meer aan: hun overeenkomst met UTB bevatte voldoende waarborgen voor de belangen van Interplan; bij wijze van beheren en vereffenen kunnen ook andere belangen (zoals doelmatige afwikkeling en gezamenlijke schuldeisers) zwaarder wegen; de afkoelingsperiode en voornemen tot verkoop zouden handelen rechtvaardigen; zij mochten in redelijkheid vertrouwen op UTB; bewijsaanbod dat nog goederen aanwezig waren op 23-7-1997 [rov. 3.4–3.7]. Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden 63a F (afkoelingsperiode); toetsing op grond van 6:162 BW (onrechtmatige daad) [rov. 3.3–3.4.4]. Geef de feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van de gedaagde. Met welke punten is de gedaagde het niet eens? - Curatoren betwistten dat louter het in feitelijke macht brengen van goederen zonder meer onrechtmatig is; stelden dat hun regeling met UTB belangen van Interplan voldoende waarborgde; voerden aan dat het beheer/verevening van de boedel andere, mede zwaarwegende belangen diende te dienen; stelden dat afkoelingsperiode haar betekenis verloor door besluit tot liquidatie; boden bewijs aan dat nog goederen aanwezig waren op 23-7-1997 [rov. 3.4.1–3.7]. Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding Interplan werd naar UTB verwezen en gelegenheid tot teruggave geboden, maar Interplan heeft zaken niet opgehaald bij bezoek op 23-7-1997; curatoren boden in hoger beroep bewijs aan omtrent aanwezigheid goederen op 23-7-1997 (bewijsaanbod) [rov. 3.1(viii)-(x), 3.7.1]. OORDEEL RECHTER: Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie. De Hoge Raad beoordeelt het beroep en de vorderingen aan de hand van de feiten zoals door het hof vastgesteld en toetst het handelen van curatoren aan 6:162 BW. Het hof had geoordeeld dat curatoren in beginsel onrechtmatig handelden doordat zij zonder voorafgaande toestemming Interplans onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken in de feitelijke macht van UTB brachten [rov. 3.2–3.5]. Het hof overwoog dat slechts bij bijzondere, maatschappelijk-afwegingsgrondslagen (HR 19-4-1996, NJ 1996, 727) voorrang kon worden gegeven aan andere belangen en dat die hier niet zijn gesteld of gebleken [rov. 3.4.4, 3.5.2]. Het hof concludeerde dat de curatoren verantwoordelijk bleven voor teruggave bij gebrek aan toestemming en dat de afkoelingsperiode/beding met UTB dit niet rechtvaardigde [rov. 3.4.4, 3.5.2–3.6]. Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen? Dragende motieven: bescherming van separatisrechteigenaar tegen ongevraagde onttrekking van haar zaken; curatoren moesten vooraf toestemming vragen aan Interplan of anderszins zekerstellen dat Interplan niet benadeeld werd; algemene belangen van efficiënte vereffening en gezamenlijke schuldeisers vormen in het algemeen geen zodanig zwaarwegend maatschappelijk belang dat zij zonder nadere stellingname boven separatisbelangen mogen prevaleren; afkoelingsperiode was irrelevant nu curatoren hadden besloten tot liquidatie [rov. 3.5.2–3.5.2 laatste zin, 3.4.4]. UITSPRAAK SAMENVATTING: Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.) De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie van de curatoren en bevestigt daarmee het arrest van het hof dat curatoren onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de door Interplan geleden schade [beslissing slot; rov. 4 (Beslissing)]. Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren) Beroep in cassatie: verworpen. (Exact: “verwerpt het beroep”) [Beslissing]. Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag? Curatoren veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie: verschotten € 301,34 en salaris advocaat € 1.365,00 aan de zijde van Interplan [Beslissing]. Uitvoerbaar-bij-voorraad? Niet expliciet vermeld; Hoge Raad veroordeelt in kosten maar vermeldt geen uitvoerbaar-bij-voorraadclausule voor hoofdvordering in dit arrest [Beslissing gehele tekst]. RECHTER:
Herrmann, R.: Vice-president en voorzitter
Aaftink, H.A.M.: Raadsheer
Beukenhorst, D.H.: Raadsheer
Kop, P.C.: Raadsheer
Numann, E.J.: Raadsheer
Bakels, F.B.: In het openbaar uitgesproken door de raadsheer
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
6:162 BW: ['6:162 BW', 'onrechtmatige daad / aansprakelijkheid']
63a F: ['63a F', 'afkoelingsperiode (Faillissementswet)']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:1996:1585: HR 19 april 1996 (NJ 1996, 727)
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-01-24 09:36:05.806000 ============================================================