In het antwoord zijn 9 citaties gebruikt. Hieronder vindt u de volledige context van elke bron.
3
WETSARTIKEL 3:
- Wet: Burgelijk Wetboek 2 (BW 2)
- Titel: Titel 5. Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
- Afdeling: Afdeling 5. Het bestuur van de vennootschap en het toezicht op het bestuur
- Artikel: Artikel 244
- Gegevens: lid 1: Iedere bestuurder kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. De statuten kunnen bepalen dat een bestuurder eveneens kan worden ontslagen door een ander orgaan, tenzij de benoeming overeenkomstig artikel 272 door de raad van commissarissen geschiedt. Is uitvoering gegeven aan artikel 239a, dan is het bestuur te allen tijde bevoegd tot schorsing van een uitvoerend bestuurder. lid 2: Indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of ontslag slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in een algemene vergadering, waarin een bepaald gedeelte van het kapitaal is vertegenwoordigd, mag deze versterkte meerderheid twee derden der uitgebrachte stemmen, welke twee derden meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, niet te boven gaan. lid 3: Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap en bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken. lid 4: De statuten bevatten voorschriften omtrent de wijze waarop in de uitoefening van de taken en bevoegdheden voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders. De statuten kunnen deze voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van een of meer bestuurders. In de statuten kan nader worden bepaald wanneer sprake is van belet. Degene die bij ontstentenis of belet van bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden, wordt voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld.
- Relevantie score: 0.661
14
WETSARTIKEL 14:
- Wet: Burgelijk Wetboek 2 (BW 2)
- Titel: Titel 1. Algemene bepalingen
- Afdeling: nan
- Artikel: Artikel 15
- Gegevens: lid 1: Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: lid 1 a.: wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; lid 1 b.: wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; lid 1 c.: wegens strijd met een reglement. lid 2: Tot de bepalingen als bedoeld in het vorige lid onder a, behoren niet die welke de voorschriften bevatten waarop in artikel 14 lid 2 wordt gedoeld. lid 3: Vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon: lid 3 a.: op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, of lid 3 b.: op vordering van de rechtspersoon zelf, ingesteld krachtens bestuursbesluit tegen degene die door de voorzieningenrechter van de rechtbank is aangewezen op een daartoe gedaan verzoek van de rechtspersoon; in dat geval worden de kosten van het geding door de rechtspersoon gedragen. lid 4: Indien een bestuurder in eigen naam de vordering instelt, verzoekt de rechtspersoon de voorzieningenrechter van de rechtbank iemand aan te wijzen, die terzake van het geding in de plaats van het bestuur treedt. lid 5: De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. lid 6: Een besluit dat vernietigbaar is op grond van lid 1 onder a, kan door een daartoe strekkend besluit worden bevestigd; voor dit besluit gelden de zelfde vereisten als voor het te bevestigen besluit. De bevestiging werkt niet zolang een tevoren ingestelde vordering tot vernietiging aanhangig is. Indien de vordering wordt toegewezen, geldt het vernietigde besluit als opnieuw genomen door het latere besluit, tenzij uit de strekking van dit besluit het tegendeel voortvloeit.
- Relevantie score: 0.608
36
WETSARTIKEL 36:
- Wet: Burgelijk Wetboek 2 (BW 2)
- Titel: Titel 1. Algemene bepalingen
- Afdeling: nan
- Artikel: Artikel 14
- Gegevens: lid 1: Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. lid 2: Is een besluit nietig, omdat het is genomen ondanks het ontbreken van een door de wet of de statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, dan kan het door die ander worden bekrachtigd. Is voor de ontbrekende handeling een vereiste gesteld, dan geldt dat ook voor de bekrachtiging. lid 3: Bekrachtiging is niet meer mogelijk na afloop van een redelijke termijn, die aan de ander is gesteld door het orgaan dat het besluit heeft genomen of door de wederpartij tot wie het was gericht.
- Relevantie score: 0.523
39
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:RBROT:2025:12637 ===
INFORMATIE IN DE UITSPRAAK:
- ECLI_number: ECLI:NL:RBROT:2025:12637
- Instantie: Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak: 2025-10-22
- Datum publicatie: 2025-10-28
- Datum aangepast: 2026-02-24
- Zaaknummer: 702871 HA RK 25-656
- Rechtsgebieden: Civiel recht; Arbeidsrecht
- Bijzondere kenmerken: Beschikking
- URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12637
INHOUDSINDICATIE:
Ontslag statutair bestuurder, geen redelijke grond, billijke vergoeding
VINDPLAATSEN:
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2025-1382; VAAN-AR-Updates.nl 2025-1382; PR-Updates.nl 2025-0190; RO 2026/7; JONDR 2026/83
SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK:
ZAAKIDENTIFICATIE:
ECLI-nummer
ECLI:NL:RBROT:2025:12637
Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR)
Rb
Datum uitspraak
22 oktober 2025
PARTIJEN:
Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer)
[verzoeker] (statutair bestuurder / werknemer)
Naam of typering gedaagde
[verweerster] B.V. (aandeelhouder en werkgever)
CASUS:
Geef samenvatting waar de casus over gaat.
Geschil over opzegging van de arbeidsovereenkomst van statutair bestuurder [verzoeker] door [verweerster] na verdenking van betrokkenheid bij fraude rond commissiebetalingen; vorderingen betreffen vaststelling geen redelijke grond, billijke vergoeding, transitievergoeding, betaling eindafrekening, vergoeding strafrechtelijke juridische kosten en nietigheid/werking concurrentiebeding. [r.o. 1 e.v.; samenvatting oordeel]
VORDERING (EISER):
Beoogd rechtsgevolg (ontbinding, schadevergoeding, herstel, betaling, e.d.)
- Verklaring voor recht dat opzegging geen redelijke grond bevatte; toekenning billijke vergoeding.
- Betaling billijke vergoeding € 1.457.287,16 (gevorderd; rechtbank: lager).
- Betaling gemaakte strafrechtelijke juridische kosten.
- Betaling eindafrekening € 20.800,34 netto.
- Toekenning transitievergoeding € 24.425,35 bruto.
- Primair: verklaring dat concurrentiebeding geen werking toekomt; subsidiair vernietiging of matiging beding. [vorderingsoverzicht; r.o. processtukken en conclusies]
Juridische grondslag (relevante wetsartikelen)
7:669 BW; 7:682 lid 3 BW; 7:673 BW; 7:653 lid 4 BW; 7:625 BW; 6:119 BW; 7:686a BW; 6:136 BW. [meerdere r.o.]
Feitelijke stellingen ter onderbouwing
- Ontslag besturen en opzegging arbeidsovereenkomst naar aanleiding van verdenking OM inzake commissiebetalingen; FIOD-inval 29-11-2023. [r.o. voorgeschiedenis]
- [verzoeker] stelt niet betrokken te zijn bij totstandkoming commissieafspraak en betwist redelijke grond. [r.o. 2.14 e.v.]
- Eisen tot betaling vergoedingen en nietigheid concurrentiebeding. [verzoekersvorderingen]
Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen”
- Er heeft op 29 november 2023 een FIOD-inval plaatsgevonden; strafrechtelijk onderzoek is gestart. [erkend door beide partijen; r.o. voorgeschiedenis]
- [verweerster] heeft [verzoeker] per 25 november 2024 ontslagen als bestuurder van [verweerster]; arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang 1 juni 2025. [erkend door beide partijen; r.o. voorgeschiedenis]
- Salaris en arbeidsovereenkomstgegevens (laatste bruto-maandsalaris € 12.013,- en 8% vakantietoeslag). [erkend door beide partijen; r.o. voorgeschiedenis]
- [verzoeker] heeft aanvullende stukken ingediend op 23 september 2025; stukken zijn niet buiten beschouwing gelaten. [erkend door beide partijen; r.o. procedure]
VERWEER (GEDAAGDE):
Juridische verweren (te late klacht, overmacht, geen tekortkoming, partiële ontbinding, enz.)
- Opzegging gerechtvaardigd: g-grond (verstoorde arbeidsverhouding), h-grond (andere omstandigheden/verschil van inzicht), i-grond (combinatie). [r.o. toelichting verweer]
- Betwist ernstig verwijtbaar handelen van werkgever.
- Verweer tegen omvang billijke vergoeding en vergoeding strafrechtelijke kosten.
- Stelling dat concurrentiebeding ongewijzigd van kracht is en dat [verzoeker] boete verschuldigd is wegens overtreding. [verweren en stellingen]
Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden
7:669 lid 1,3 BW; 7:682 lid 3 BW; 7:673 BW; 7:653 lid 4 BW; 6:136 BW; 7:625 BW; 6:119 BW. [r.o. toetsingskader en beslissingen]
Geef de feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van het gedaagde. Met welke punten is de gedaagde het niet eens?
- Betwist dat [verzoeker] niet voldoende onderzoek had moeten doen en betwist dat opzegging zonder redelijke grond was; stelt dat arbeidsverhouding verstoord en verschil van inzicht bestonden en dat OM-bezwaren het onmogelijk maakten door te gaan. [r.o. verweer]
- Betwist omvang en toerekenbaarheid van schade- en proceskosten; stelt verrekening met door haar geleden schade mogelijk. [r.o. 2.51 e.v.]
- Betwist nietigheid concurrentiebeding; beroept zich op beding en boete. [r.o. concurrentie]
Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding
Geen aanbod tot herstel of vergoeding in het geding gesteld door [verweerster]. [geen aanbod vermeld; r.o.]
OORDEEL RECHTER:
Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie.
- Toetsing vindt plaats volgens artikel 7:669 BW (redelijke grond en herplaatsing) en artikel 7:682 lid 3 BW (billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen) in samenhang met vennootschapsrechtelijk ontslag van statutair bestuurder. HR-zaakrechtspraak (Eggenhuizen/Unidek; Bartelink/Ciris) en criteria Hoge Raad voor billijke vergoeding (New Hairstyle; ServiceNow) worden toegepast. [r.o. toetsingskader en voetnoten 1-2]
- Rechter onderzoekt eerst betrokkenheid [verzoeker] bij commissieaffaire; concludeert onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij totstandkoming afspraak; [persoon D] heeft eerdere verklaring gecorrigeerd; onvoldoende concrete feiten tegen [verzoeker]. [r.o. 2.14-2.16]
- Beoordeling dat [verzoeker] naïef handelde door langdurig goedkeuren van facturen zonder nader onderzoek, maar dat dit geen bewijs is van betrokkenheid vóór 20 mei 2021. [r.o. 2.17-2.18]
- Beoordeling g-, h- en i-grond: werkgever heeft onvoldoende aangetoond dat arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was of dat reële pogingen tot herstel ontbraken; ontslag na OM-standpunt op 5 november 2024 vond plaats te snel; dus geen redelijke grond voor opzegging. [r.o. 2.25-2.40]
- Conclusie ernstig verwijtbaar handelen van werkgever wegens ontbreken redelijke grond; toewijzing billijke vergoeding, transitievergoeding en betaling eindafrekening; toepassing 7:653 lid 4 BW op concurrentiebeding. [r.o. 2.41 e.v.]
Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen?
- Onvoldoende bewijs dat [verzoeker] als aanstichter betrokken was; enkel naive instemming met betalingen volstaat niet voor ontslag; werkgever had meer moeten doen om arbeidsverhouding te herstellen en had niet direct moeten volgen wat OM suggereerde; bescherming van bestuursfunctie en arbeidsrechtelijke rechtsbescherming van bestuurder meegewogen. Belangenafweging: bescherming werknemer tegen onzorgvuldige opzegging vs. belangen onderneming en OM; onvoldoende urgentie en onderbouwing door werkgever. [r.o. 2.14-2.40, 2.41]
UITSPRAAK SAMENVATTING:
Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.)
- Verklaart voor recht dat opzegging in strijd is met 7:669 BW en dat [verweerster] een billijke vergoeding verschuldigd is.
- Veroordeelt [verweerster] tot betaling:
- Billijke vergoeding € 255.000,- bruto, vermeerderd met wettelijke rente (6:119 BW) vanaf 15 dagen na datum beschikking. [slotvonnis]
- Transitievergoeding € 24.425,35 bruto met wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 (7:686a BW lid 1).
- Bedrag eindafrekening € 20.800,34 netto, vermeerderd met wettelijke verhoging 50% (7:625 BW) en wettelijke rente vanaf 30 juni 2025.
- Verklaart voor recht dat [verweerster] op grond van 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding (artikel 13 onder (i) a).
- Veroordeelt [verweerster] in proceskosten aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 1.616,- (griffierecht € 331,-; salaris advocaat € 1.107,-; nakosten € 178,-).
- Verklaart beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
- Wijst verder alle overige vorderingen af. [slotbeschikking; eindbeslissingen]
Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren)
- Toewijzing: verklaring voor recht billijke vergoeding wegens strijd met 7:669 BW; betaling billijke vergoeding € 255.000,- bruto + rente; betaling transitievergoeding € 24.425,35 bruto + rente; betaling eindafrekening € 20.800,34 netto + 50% wettelijke verhoging + rente; verklaring voor recht dat concurrentiebeding geen werking toekomt; proceskosten € 1.616,-; uitvoerbaar bij voorraad.
- Afwijzing: alle overige en overige gevorderde individuele posten (o.a. volledige vergoeding strafrechtelijke juridische kosten, gevorderd bedrag billijke vergoeding van € 1.457.287,16) afgewezen. [slotbeschikking]
Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag?
- [verweerster] draagt proceskosten aan zijde verzoeker: totaal € 1.616,- (specificatie: griffierecht € 331,-; salaris gemachtigde € 1.107,-; nakosten € 178,-). [r.o. proceskosten]
Uitvoerbaar-bij-voorraad?
Ja, beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [slot]
VOLLEDIGE UITSPRAAK:
team Handel en Haven
zaaknummer: 702871 HA RK 25-656
datum uitspraak: 22 oktober 2025
Beschikking van de rechtbank
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. J.C. Brökling, advocaat te Rotterdam.
tegen
[verweerster] B.V. ,
gevestigd te [plaats 2] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. B. Leeuwestein, advocaat te Rotterdam.
Partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;
het verweerschrift van [verweerster] , met bijlagen;
de brieven van [verzoeker] van 17 september 2025 en 23 september 2025, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker] ;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verweerster] .
Op 24 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [verzoeker] is met zijn gemachtigde mr. Brökling verschenen. Namens [verweerster] waren de heer [persoon A] (huidig bestuurder), de heer [persoon B] (bestuurder tot 1 september 2025), mevrouw [persoon C] ( [naam] ) en de gemachtigde mr. Leeuwestein aanwezig.
De voorgeschiedenis
[verweerster] houdt alle aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’) en [bedrijf 2] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 2] ’) en is (vanaf 22 januari 2024) ook enig bestuurder van die ondernemingen. [verzoeker] is in eerste instantie van 2009 tot september 2017 statutair bestuurder van [bedrijf 1] geweest en daarna tot december 2019 niet bij de [verweerster] -ondernemingen betrokken geweest, omdat hij in die periode elders heeft gewerkt.
Begin 2019 is onderzoek gedaan naar aanleiding van mogelijke financiële onregelmatigheden vanaf 2017 binnen (onder andere) [verweerster] , waarvan [bedrijf 3] B.V. op dat moment bestuurder was. De bevindingen van dat onderzoek hebben op 10 juli 2019 uiteindelijk geleid tot het ontslag van [bedrijf 3] B.V. als bestuurder. [verzoeker] is vervolgens per 1 december 2019 benoemd tot statutair bestuurder van [verweerster] en was vanaf die datum ook op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van [verweerster] als Chief Executive Officer (CEO). Zijn salaris bedroeg laatstelijk
€ 12.013,- bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.
Op 20 mei 2021 kreeg [verzoeker] van de heer [persoon D] , de bestuurder van een vennootschap met de naam [bedrijf 4] , een brief die afkomstig zou zijn van mevrouw [persoon E] , destijds ad interim CFO van [verweerster] , welke brief was gericht aan [bedrijf 5] , alwaar [persoon D] toen ook werkzaam was. In de brief wordt gesproken over verschillende financiële onregelmatigheden en misstanden, waaronder zogenoemde commissieafspraken. In die brief is daarover het volgende vermeld:
“(…) The method is always the same. [verweerster] sends a quotation for a certain amount to an employee, Mr [persoon D] , indicates how much the quotation can be increased. Subsequently, the purchasing department or in some cases a contractor is instructed to make an order for the (higher) amount of the second quotation, which is issued by [bedrijf 5] . Either a fixed percentage (confirmed in email dated
5-8-2016 as 8-10%), or the difference between the two offers, is then invoiced to [verweerster] by Mr. [persoon D] through his own company ( [bedrijf 4] BV in [plaats 3] , Chamber of Commerce [KvK-nummer] )(…)”
Naar aanleiding van deze brief heeft NautaDutilh een onderzoek uitgevoerd.
Op 29 november 2023 heeft een inval door de FIOD bij [verweerster] en [bedrijf 1] plaatsgevonden. Daarop is een strafrechtelijk onderzoek naar valsheid in geschrifte,
niet-ambtelijke omkoping en witwassen gestart.
In januari 2024 is [verzoeker] ontslagen als bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , de dochterondernemingen van [verweerster] . [verzoeker] is destijds aangebleven als bestuurder van [verweerster] , waarbij wel zijn bevoegdheid is beperkt, in die zin dat hij per 22 januari 2024 niet langer zelfstandig [verweerster] kon vertegenwoordigen. Vanaf laatstgenoemde datum is de heer [persoon B] benoemd tot bestuurder van [verweerster] .
Op 25 november 2024 is [verzoeker] ontslagen als bestuurder van [verweerster] . Bij brief van diezelfde datum is de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] bij [verweerster] opgezegd per 1 juni 2025, rekening houdend met de opzegtermijn van zes maanden.
De standpunten van partijen
Volgens [verzoeker] was er geen redelijke grond voor opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. Hij stelt dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem toch te ontslaan en dat hij daarom recht heeft op een billijke vergoeding. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om dat voor recht te verklaren en [verweerster] te veroordelen om een billijke vergoeding van € 1.457.287,16, met rente, aan hem te betalen. Daarnaast verzoekt [verzoeker] [verweerster] te veroordelen om alle door hem in het kader van de lopende strafzaak gemaakte juridische kosten, met rente, te betalen. Ook vraagt [verzoeker] [verweerster] te veroordelen aan hem het op grond van de eindafrekening verschuldigde bedrag van € 20.800,34 netto, met de wettelijke verhoging en rente daarover, te betalen en een transitievergoeding van € 24.425,35 bruto, eveneens met rente. Ten slotte verzoekt [verzoeker] primair voor recht te verklaren dat [verweerster] geen rechten kan ontlenen aan het in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. Subsidiair verzoekt hij dat beding volledig te vernietigen en meer subsidiair gedeeltelijk te vernietigen door het beding te matigen.
[verweerster] is het niet eens met de verzoeken van [verzoeker] en vraagt de rechtbank om die af te wijzen. Zij stelt dat zij de arbeidsovereenkomst kon opzeggen, omdat sprake was van in de eerste plaats een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), in de tweede plaats van omstandigheden die niet in de wet zijn genoemd – bestaande uit een verschil van inzicht met [verzoeker] –, waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (h-grond) en in de derde plaats een combinatie van omstandigheden die in de wet zijn genoemd waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (i-grond). [verweerster] betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In het geval geoordeeld wordt dat zij wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, stelt [verweerster] zich op het standpunt dat de gevraagde billijke vergoeding excessief en door [verzoeker] niet deugdelijk onderbouwd is. Ook stelt [verweerster] dat zij niet verplicht was en is om de door [verzoeker] gemaakte kosten voor de lopende strafzaak te betalen. [verweerster] voert eveneens aan dat het concurrentiebeding ongewijzigd van kracht moet blijven. Bovendien stelt [verweerster] dat [verzoeker] het concurrentiebeding in de afgelopen periode al overtreden heeft en om die reden een boete aan [verweerster] verschuldigd is. Volgens [verweerster] zijn de transitievergoeding en het bedrag van de eindafrekening verrekend met de bedragen die [verzoeker] nog aan [verweerster] verschuldigd is.
De samenvatting van het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat [verweerster] geen redelijke grond had voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] en dat [verweerster] daardoor ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [verweerster] moet daarom een billijke vergoeding van € 255.000,- bruto aan [verzoeker] betalen. Ook moet [verweerster] de transitievergoeding en het bedrag van de eindafrekening aan [verzoeker] betalen. Daarnaast kan [verweerster] geen rechten ontlenen aan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot deze beslissing gekomen is.
De door [verzoeker] op 23 september 2025 ingediende stukken worden niet buiten beschouwing gelaten
[verzoeker] heeft, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, op 23 september 2025 aanvullende bijlagen in het geding gebracht. [verweerster] heeft daar bezwaar tegen gemaakt omdat deze stukken te laat zijn ingediend. De rechtbank volgt [verweerster] niet in haar bezwaar. Ten eerste betreffen de door [verzoeker] overgelegde bijlagen weinig omvangrijke stukken. Ten tweede heeft de rechtbank [verweerster] in de gelegenheid gesteld tijdens of aan het slot van de zitting mede te delen of zij een nadere mogelijkheid wil om (schriftelijk) op de stukken te reageren, maar van die gelegenheid heeft [verweerster] geen gebruik meer gemaakt. Onder de gegeven omstandigheden is dan ook niet gebleken dat [verweerster] op enige wijze in haar verdediging is geschaad, zodat van strijd met een goede procesorde geen sprake is. De rechtbank ziet daarom geen reden de betreffende stukken buiten beschouwing te laten.
Het toetsingskader
Vooropgesteld wordt dat het arbeidsrechtelijk ontslag van een statutair bestuurder tegen de achtergrond van het vennootschapsrechtelijk ontslag moet worden bezien. Uitgangspunt is dat het rechtsgeldig ontslag van een statutair bestuurder uit zijn vennootschapsrechtelijke positie – zoals hier is gebeurd – als regel ook opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met zich brengt [1] .
Hoewel het arbeidsrechtelijk ontslag van een statutair bestuurder, anders dan bij andere werknemers, niet hersteld kan worden, biedt artikel 7:682 lid 3 BW de bestuurder nog wel arbeidsrechtelijke rechtsbescherming, in die zin dat de eis van een redelijke ontslaggrond ook geldt voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een bestuurder. Dat betekent dat [verweerster] op grond van artikel 7:669 BW de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] alleen mocht opzeggen als (i) zij daarvoor een voldragen, redelijke grond had en (ii) herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk was of niet in de rede lag. Wordt aan één van beide criteria niet voldaan, dan is een billijke vergoeding verschuldigd. Indien wel aan deze criteria van artikel 7:669 BW wordt voldaan, kan de rechtbank alleen een billijke vergoeding toekennen indien de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:682 lid 3 BW).
Wat is de rol van [verzoeker] bij de fraudezaak?
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de aanleiding voor het ontslag van [verzoeker] met name gelegen is in de verdenking (van het OM) van betrokkenheid van [verzoeker] bij de hiervoor genoemde fraude in het kader van de commissiebetalingen aan [bedrijf 4] , de onderneming van [persoon D] . Alvorens beoordeeld kan worden of er sprake was van een redelijke grond voor [verweerster] om de arbeidsovereenkomst op te zeggen zal daarom eerst worden ingegaan op de kernvraag in deze zaak, namelijk wat de rol van [verzoeker] in de fraudezaak is.
Uit de stellingen van partijen, de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting is in voldoende mate komen vast te staan dat [verzoeker] niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de bewuste commissieafspraak met [persoon D] . [persoon D] heeft in eerste instantie tijdens een eerste verhoor door de FIOD weliswaar verklaard dat hij die afspraak met [verzoeker] had gemaakt, maar tijdens een tweede en zeer recent verhoor op 26 augustus 2025 heeft [persoon D] verklaard dat zijn eerste verklaring niet juist was en dat hij de afspraak met [persoon F] (de bestuurder van [bedrijf 3] B.V.) heeft gemaakt. Voor het overige zijn door [verweerster] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan aangenomen moet worden dat [verzoeker] wél bij de totstandkoming van die afspraak betrokken was.
[verzoeker] heeft onweersproken uiteengezet dat hij, voorafgaand aan zijn vertrek in augustus 2017, door de eveneens bij [verweerster] werkzame heer [persoon G] op de hoogte is gebracht van het feit dat [persoon F] voornemens was met [persoon D] een commissieafspraak te maken ten gunste van [bedrijf 4] en dat hij naar aanleiding daarvan aan zowel [persoon F] als [persoon D] in duidelijke bewoordingen te kennen heeft gegeven dat er, wat [verzoeker] betreft, van een dergelijke commissieregeling absoluut geen sprake kon zijn.
Vast staat dat op het moment dat [verzoeker] vervolgens op 11 augustus 2017 daadwerkelijk vertrok er nog geen uitvoering werd gegeven aan de genoemde commissieafspraak tussen [persoon F] en [persoon D] , in die zin dat er op dat moment nog geen commissiefacturen door [bedrijf 4] aan [verweerster] werden gestuurd. Daarnaast staat ook vast dat, nadat [verzoeker] in december 2019 bij [verweerster] was teruggekeerd, hij diverse facturen van [bedrijf 4] ter goedkeuring heeft ondertekend, zodat deze konden worden uitbetaald. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij die facturen heeft ondertekend omdat deze – op het moment dat [verzoeker] deze op zijn bureau aantrof – al door middel van het plaatsen van een paraaf waren geaccordeerd door [persoon G] , die destijds (ook) tekeningsbevoegd was. [verzoeker] stelt dat hij er daarom van uit ging dat het om een doorlopende, reguliere commissieafspraak ging, hetgeen mede werd ingegeven door het feit dat de bestuurders, die [verzoeker] in de periode vóór december 2019 bij [verweerster] zijn voorgegaan, de commissiefacturen kennelijk ook steeds hadden goedgekeurd.
Hoewel [verzoeker] zelf niet betrokken was bij de totstandkoming van de bewuste commissieafspraak met [persoon D] , had het feit dat hij na zijn terugkeer bij [verweerster] commissiefacturen van [bedrijf 4] aantrof minst genomen de nodige vragen bij hem moeten oproepen. [verzoeker] wist op dat moment immers dat er vóór zijn vertrek sprake was van een voornemen om tot een afwijkende commissieregeling te komen en dat had dan ook bij hem alarmbellen moeten doen rinkelen. Het moge wellicht zo zijn dat de facturen al door [persoon G] waren geparafeerd, maar dat laat onverlet dat het – juist vanwege zijn voorkennis over het voornemen tot een commissieafspraak met [persoon D] te komen – op de weg van [verzoeker] had gelegen ten minste nader onderzoek te doen naar de achtergrond van de commissiefacturen, bijvoorbeeld door intern nader onderzoek te doen naar de grondslag van de facturen. In de gegeven omstandigheden mocht [verzoeker] er naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zonder meer van uit gaan dat de commissiefacturen betrekking zouden hebben op een doorlopende en reguliere commissieregeling.
Vast staat dat [verzoeker] geen nader onderzoek heeft gedaan en intern geen vragen heeft gesteld over de herkomst van de facturen, ook niet nadat de facturatie door [bedrijf 4] kennelijk omstreeks april/mei 2020 onderwerp van gesprek is geweest tussen [verzoeker] en twee medebestuurders ( [persoon H] en [persoon I] ). In plaats daarvan heeft [verzoeker] de facturen van [bedrijf 4] in de periode van juli 2020 tot en met april 2021 ter goedkeuring ondertekend. Pas nadat [verzoeker] de brief van 20 mei 2021, waarin melding wordt gemaakt van de (wijze van) uitvoering van de afwijkende commissieafspraak met [persoon D] , onder ogen kreeg heeft [verzoeker] de betalingen van de facturen aan [bedrijf 4] stopgezet.
Duidelijk is dat er in de loop van de tijd diverse onderzoeken naar de gang van zaken binnen (onder andere) [verweerster] hebben plaatsgevonden, waaronder een strafrechtelijk onderzoek, en dat een en ander er ook toe heeft geleid dat de FIOD op 29 november 2023 een inval heeft gedaan bij [verweerster] en [bedrijf 1] . Uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat het OM [verzoeker] verdenkt van betrokkenheid bij de genoemde fraude in het kader van de commissiebetalingen aan [bedrijf 4] . Vast staat dat dit eind 2023/begin 2024 voor het bestuur van [verweerster] aanleiding heeft gegeven de rol van [verzoeker] binnen de [verweerster] -ondernemingen tegen het licht te houden, waarbij het ontslag van [verzoeker] als bestuurder aan de orde is gekomen. Hoewel [verzoeker] vervolgens in elk geval is ontslagen als bestuurder van [bedrijf 1] , is hij op dat moment wél aangebleven als bestuurder van [verweerster] . Tijdens de zitting heeft [persoon B] nader toegelicht dat in januari 2024 niet tot het ontslag van [verzoeker] als bestuurder van [verweerster] is overgegaan omdat de kennis en kunde van [verzoeker] niet gemist konden worden, mede met het oog op het feit dat de [verweerster] -ondernemingen in (financieel) zwaar weer verkeerden.
[verzoeker] is op 25 november 2024 alsnog ontslagen als bestuurder van [verweerster] . Uit de overgelegde notulen van de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders (‘BAVA’) van diezelfde datum volgt dat de aanleiding voor het ontslag van [verzoeker] in hoofdzaak gelegen is in de verdenking van het OM van betrokkenheid van [verzoeker] bij de fraude. In dat kader heeft, kort vóór het ontslag van [verzoeker] , op 5 november 2024 een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] en het OM. Uit het naar aanleiding daarvan door Ivy Advocaten opgestelde gesprekverslag leidt de rechtbank af dat het OM [verzoeker] als één van de ‘aanstichters’ van de fraude ziet en om die reden aan [verweerster] heeft medegedeeld dat, zolang [verzoeker] nog werkzaam is binnen [verweerster] , een buitengerechtelijke afdoening van de fraudezaak ‘lastig’ wordt.
Voor de door het OM ingenomen stelling dat [verzoeker] één van de ‘aanstichters’ van de fraude is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun te vinden in de overgelegde stukken. Zoals hiervoor in r.o. 2.14. al is overwogen is immers niet gebleken dat [verzoeker] betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraak met [persoon D] , zoals door [persoon D] zelf in zijn meest recente verhoor is bevestigd. [verweerster] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [verzoeker] al vóórdat hij de brief van 20 mei 2021 onder ogen kreeg daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de commissieafspraak met [persoon D] . De enkele inhoud van de door [verzoeker] zelf opgestelde interne notitie van 16 december 2023 is daarvoor onvoldoende. Weliswaar heeft [verzoeker] daarin opgenomen dat hij al ‘per medio april of mei 2020’ zou hebben geprobeerd de regeling met [bedrijf 4] stop te zetten, maar dat heeft hij ter zitting genuanceerd. [verzoeker] heeft in dat kader onweersproken gesteld dat één van de medebestuurders ( [persoon I] ) destijds er op had aangedrongen met de betaling van de facturen van [bedrijf 4] te stoppen, maar dat [verzoeker] het onrechtmatige karakter daarvan op dat moment niet direct inzag omdat hij er juist van uit ging dat het om een lopende, reguliere commissieregeling ging.
Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat voldoende gebleken is dat [verzoeker] niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de commissieafspraak met [persoon D] en dat niet vast is komen te staan dat hij eerder dan na ontvangst van de brief van 20 mei 2021 van het onrechtmatige karakter van de facturatie van [bedrijf 4] aan [verweerster] op de hoogte was. Naar het oordeel van de rechtbank kan [verzoeker] hoogstens worden verweten in zijn rol van bestuurder te naïef te hebben gehandeld door, na zijn terugkeer bij [verweerster] in december 2019, de betaling van de [bedrijf 4] -facturen gedurende meerdere maanden goed te keuren, zonder enige vraagtekens te plaatsen bij de grondslag van die facturen dan wel nader onderzoek naar de achtergrond van die facturatie te doen, een en ander zoals hiervoor in r.o. 2.17. en 2.18. al is overwogen.
Er was geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] op te zeggen
Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of [verweerster] de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] op 25 november 2024 kon opzeggen. Voorwaarde voor het opzeggen van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW). Volgens [verweerster] was die redelijke grond er. Zij doet daarbij een beroep op de gronden voor opzegging, zoals genoemd in artikel 7:669 lid 3 onder g BW (verstoorde arbeidsverhouding), artikel 7:669 lid 3 onder h BW (andere dan in de wet genoemde omstandigheden waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan) en artikel 7:669 lid 3 onder i BW (een combinatie van in de wet genoemde omstandigheden waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan). De rechtbank is echter van oordeel dat van een redelijke grond in dit geval geen sprake was en zal in het hiernavolgende de door [verweerster] aangedragen gronden behandelen in de volgorde die [verweerster] heeft gekozen.
[verweerster] kon de arbeidsovereenkomst niet opzeggen vanwege een verstoorde arbeidsverhouding
[verweerster] stelt dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding waardoor van haar in redelijkheid niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder g BW). Dat is een redelijke grond als de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank tot die conclusie gekomen is.
Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken ontstaat het beeld dat de verhoudingen tussen partijen ten tijde van het opzeggen van de arbeidsovereenkomst in elk geval in zekere mate vertroebeld waren. Dat de tegen [verzoeker] gerichte verdenking door het OM van betrokkenheid bij de fraude – los van de vraag of deze terecht is of niet – de relatie tussen [verzoeker] en medebestuurder [persoon B] geen goed heeft gedaan is alleszins begrijpelijk. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat hij in dat kader kritiek heeft geuit op de gang van zaken binnen de onderneming en de wijze waarop met het strafrechtelijk onderzoek wordt omgegaan. Duidelijk is ook dat [persoon B] zich niet in die kritiek kon vinden. Om het bestaan van een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder g BW aan te kunnen nemen is het bestaan van een verstoorde arbeidsverhouding op zichzelf echter niet voldoende. Er moet sprake zijn van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, van dien aard dat van de werkgever niet langer kan worden gevergd het dienstverband voort te zetten. Dit impliceert dat de werkgever moet kunnen aantonen dat het niet (meer) mogelijk is om de verstoorde verhouding tussen partijen nog te herstellen. De werkgever dient daartoe aannemelijk te maken dat deze alles in het werk heeft gesteld dat in redelijkheid van hem mocht worden verwacht om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, maar dat deze inspanningen niet het gewenste effect hebben gehad.
Hoewel in dit geval wel gesproken kan worden van het bestaan van een gespannen verhouding tussen partijen, is onvoldoende gebleken dat die verhouding zodanig was dat deze niet meer te repareren viel. Het had in dat verband op de weg van [verweerster] gelegen om constructieve en reële pogingen te doen om te onderzoeken of de vertroebelde relatie met [verzoeker] nog te herstellen was. Zo had bijvoorbeeld in elk geval verwacht mogen worden dat [persoon B] , in zijn rol van medebestuurder, met [verzoeker] inhoudelijk in gesprek zou gaan over diens kritiekpunten. Dat geldt nog meer nu [persoon B] ter zitting heeft verklaard dat in januari 2024 nog van het ontslag van [verzoeker] is afgezien omdat [verzoeker] door zijn kennis en kunde niet gemist kon worden voor (het voortbestaan van) de organisatie. Juist vanwege het grote belang om [verzoeker] voor de onderneming te behouden had van [verweerster] meer inspanning mogen worden verlangd om de verhoudingen te verbeteren. Dat [verweerster] daartoe concrete, reële pogingen heeft ondernomen is echter onvoldoende gebleken. Daarbij merkt de rechtbank op dat dat ook van [verzoeker] zelf
– gelet op zijn functie van bestuurder –, mede in het belang van de continuïteit van de onderneming, een actievere houding had mogen worden verwacht in het kader van het herstel van de relatie. Het is immers niet alleen aan [verweerster] om een werkbare verhouding te creëren.
Vast staat bovendien dat, nadat het OM tijdens het gesprek op 5 november 2024 aan [verweerster] had medegedeeld dat een buitengerechtelijke afdoening van de strafzaak ‘lastig’ zou zijn zolang [verzoeker] nog binnen de onderneming werkzaam was, [verweerster] direct is overgegaan tot het treffen van voorbereidingen voor het ontslag van [verzoeker] , hetgeen vervolgens op 25 november 2024 heeft plaatsgevonden. Ook op dit punt is de rechtbank van oordeel dat [verweerster] te snel de handdoek in de ring heeft gegooid door zich neer te leggen bij het standpunt van het OM.
Gelet op het feit dat [verzoeker] op dat moment slechts verdacht werd van betrokkenheid bij de fraude – en van een strafrechtelijke veroordeling [verzoeker] op dit punt geen sprake was en nog altijd geen sprake is – had van [verweerster] verlangd mogen worden dat zij in reactie op de ‘eis’ van het OM om afscheid te nemen van [verzoeker] meer tegengas zou geven en ten minste om een nadere onderbouwing zou vragen van de stelling van het OM dat [verzoeker] één van de aanstichters van de fraude is. Dat heeft zij echter niet gedaan. Door in plaats daarvan direct tot ontslag over te gaan, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank de deur te snel dichtgegooid en het voor beide partijen onmogelijk gemaakt nog enige serieuze poging te ondernemen om tot een herstel van de arbeidsrelatie te komen.
[verweerster] kon de arbeidsovereenkomst niet opzeggen vanwege een verschil van inzicht
[verweerster] stelt voorts dat sprake is van omstandigheden die niet in de wet zijn genoemd, waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (artikel 7:669 lid 3 onder h BW). [verweerster] stelt dat sprake is van een verschil van inzicht met [verzoeker] over zijn rol binnen de onderneming en de weg voorwaarts voor [verweerster] . De rechtbank oordeelt dat onvoldoende gebleken is van een verschil van inzicht. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot deze conclusie is gekomen.
Niet in geschil is dat [verzoeker] in januari 2024 mocht aanblijven in zijn functie als bestuurder van [verweerster] en dat de reden daarvoor gelegen was in de omstandigheid dat de kennis en kunde van [verzoeker] , volgens medebestuurder [persoon B] , essentieel waren voor het voortbestaan van de in zwaar weer verkerende onderneming. [verzoeker] was in feite onmisbaar voor [verweerster] . Daaruit kan niet anders geconcludeerd worden dan dat er op dat moment van een verschil van inzicht, waardoor van [verweerster] niet verlangd kon worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten, geen enkele sprake was.
Slechts tien maanden nadat [verzoeker] in zijn rol van bestuurder mocht aanblijven, is [verweerster] alsnog tot ontslag overgegaan. [verweerster] heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat er in de periode tussen januari en november 2024 sprake was van zodanige (nieuwe) feiten of omstandigheden waardoor er wél gesproken kan worden van een verschil van inzicht met [verzoeker] . [verweerster] heeft slechts heel summier aangevoerd dat [verzoeker] zich in de betreffende periode ten onrechte bleef zien en gedragen als belangrijkste persoon binnen [verweerster] en dat hij niet in staat bleek in goed overleg met [persoon B] de onderneming te besturen. Deze algemene stelling heeft [verweerster] verder niet concreet gemaakt of nader toegelicht, hetgeen – gelet op de betwisting daarvan door [verzoeker] – wel op haar weg had gelegen. Juist omdat [verzoeker] in januari 2024 nog onmisbaar was, had van [verweerster] verwacht mogen worden dat zij het door haar gestelde verschil van inzicht meer handen en voeten zou geven, maar dat heeft zij niet gedaan.
Zelfs als er al sprake zou zijn geweest van enig verschil van inzicht tussen [verzoeker] en [persoon B] geldt bovendien dat het enkele bestaan daarvan onvoldoende is om een voldragen h-grond op te leveren. Op zichzelf is het immers geen probleem als bestuurders een andere kijk op de zaken hebben. Het levert pas een probleem op als dat verschil van inzicht binnen het bestuur niet meer te overbruggen is. Ook daarvan is de rechtbank in dit geval onvoldoende gebleken.
[verweerster] kon de arbeidsovereenkomst niet opzeggen op basis van de i-grond
[verweerster] stelt ten slotte dat sprake is van een combinatie in de wet genoemde omstandigheden, waardoor van haar in redelijkheid niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder i BW). De rechtbank is van oordeel dat ook van deze redelijke grond geen sprake is.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt al de g-grond noch de h-grond voldragen is. Ook van een bijna voldragen ontslaggrond is geen sprake. [verweerster] heeft daarnaast niet of nauwelijks toegelicht om welke reden de combinatie van de onvoldragen gronden de opzegging toch rechtvaardigt. Nog los daarvan is de rechtbank van oordeel dat de combinatie van de door [verweerster] in het kader van de g- en h-grond aangevoerde omstandigheden niet van een zodanige orde is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van [verweerster] kon worden gevergd. De rechtbank neemt in deze overweging mee dat van [verweerster] verwacht had mogen worden dat zij, voor zover de arbeidsverhouding met [verzoeker] naar haar mening ernstig en duurzaam verstoord was, moeite had gedaan deze verhouding te herstellen. Daarvan is, zoals reeds overwogen, niet gebleken.
Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster]
Gelet op het bovenstaande luidt de conclusie dat [verweerster] voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] geen redelijke grond had. De opzegging is daarmee in strijd met artikel 7:669 BW en daarin ligt reeds het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] besloten. De overige door [verzoeker] aangedragen argumenten, die volgens hem tot het oordeel zouden moeten leiden dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kunnen daarom verder onbesproken blijven.
De rechtbank komt hierna toe aan de beoordeling van de door [verzoeker] verzochte vergoedingen.
[verweerster] moet een transitievergoeding van € 24.425,35 bruto betalen
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW).
Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 24.425,35 bruto, zoals door [verzoeker] is gesteld en door [verweerster] niet is betwist. Dit bedrag moet [verweerster] betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW lid 1).
[verweerster] moet een billijke vergoeding van € 255.000,- bruto aan [verzoeker] betalen
Omdat [verweerster] de arbeidsovereenkomst zonder redelijke grond heeft opgezegd, ziet de rechtbank aanleiding een billijke vergoeding aan [verzoeker] toe te kennen (artikel 7:682 lid 3 sub a BW). De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht op dat punt wordt daarom toegewezen.
De hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding moet aan de hand van de door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten [2] worden begroot. De vergoeding dient aan te sluiten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer een rol de mate van verwijtbaarheid van de werkgever, de lengte van het dienstverband en de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht en de hiermee samenhangende ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Ook dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever, maar de billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter.
Anders dan [verzoeker] heeft gesteld, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [verzoeker] tot aan de pensioenrechtigde leeftijd bij [verweerster] in dienst zou zijn gebleven.
Hiervoor is al overwogen dat de relatie tussen [verzoeker] en zijn medebestuurder in elk geval niet optimaal meer was, maar dat van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding geen sprake was omdat [verweerster] geen constructieve en reële pogingen heeft gedaan om de vertroebelde relatie met [verzoeker] te herstellen. De rechtbank acht het, gelet op het ontbreken van voldoende inspanning om de relatie te herstellen, in de gegeven omstandigheden goed voorstelbaar dat de arbeidsverhouding tussen partijen na verloop van tijd nog verder zou verslechteren. Dat geldt nog meer in het geval in de (nabije) toekomst mocht blijken dat de strafrechtelijke procedure een voor [verzoeker] nadelige afloop zou kennen. Het is dus alleszins denkbaar dat de arbeidsovereenkomst op termijn alsnog zou zijn ontbonden vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De rechtbank gaat er daarom in de gegeven omstandigheden van uit dat de arbeidsovereenkomst ten hoogste nog anderhalf jaar zou hebben voortgeduurd. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het op zich weliswaar aannemelijk is dat [verzoeker] niet snel een andere, vergelijkbare baan als CEO zal hebben gevonden, maar dat daar tegenover staat dat [verzoeker] inmiddels al wel voorbereidingen heeft getroffen (het vervaardigen van een website waarop hij zijn diensten aanbiedt) om binnen afzienbare termijn weer binnen zijn vakgebied aan het werk te gaan.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het dan ook redelijk bij de begroting van de door [verzoeker] te lijden inkomensschade uit te gaan van een periode van 18 maanden gerekend vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst (1 juni 2025), dus tot 1 december 2026. Het inkomen van [verzoeker] over die periode wordt begroot op 18 maal het bruto maandloon van € 12.013,-, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, oftewel
€ 233.532,72 bruto. De rechtbank ziet geen aanleiding rekening te houden met de door [verzoeker] gestelde inkomensschade van € 750,- per maand vanwege het feit dat hem de auto van de zaak is ontnomen. Die schadepost heeft hij namelijk niet onderbouwd.
Ter zitting heeft [verzoeker] desgevraagd verklaard dat hij op dit moment een WW-uitkering ontvangt. Partijen hebben geen informatie verstrekt over de hoogte van die uitkering en evenmin over de vraag hoe lang het recht van [verzoeker] op een WW-uitkering nog voort zal duren. Mede gezien die onduidelijkheid ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de berekening van het inkomensverlies rekening te houden met de WW-uitkering, zeker nu [verzoeker] wanneer hij per 1 december 2026 zou zijn ontslagen zonder verwijtbaar handelen ook recht gehad zou hebben op een uitkering krachtens de WW. Wanneer bij de berekening van het huidige inkomstenverlies volledig rekening gehouden zou worden met de WW-uitkering zou het recht op die uitkering als het ware volledig verdampen. [3]
De rechtbank betrekt wel de door [verzoeker] gestelde pensioenschade bij de berekening van de billijke vergoeding. Ook deze schade, waartegen [verweerster] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, is immers het gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . Uit de door [verzoeker] overgelegde berekening van de pensioenschade van € 103.933 volgt dat deze schade is berekend vanaf de einddatum van de arbeidsovereenkomst tot aan de pensioendatum (1 januari 2033). De rechtbank gaat er echter in de gegeven omstandigheden van uit [verzoeker] in elk geval na afloop van de hiervoor genoemde periode van anderhalf jaar weer in staat moet worden geacht een andere baan te hebben gevonden en daarbij weer pensioen op te bouwen. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding de gestelde pensioenschade in redelijkheid te matigen tot een bedrag van € 20.000,-.
De rechtbank volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat bij de vaststelling van de billijke vergoeding ook de civielrechtelijke kosten van zijn advocaat in het kader van onderhavige procedure moeten worden betrokken. Die kosten komen namelijk niet voor volledige vergoeding in aanmerking. Hierna in r.o. 2.57. zal worden bepaald dat [verweerster] een aan de hand van het gebruikelijke liquidatietarief berekend bedrag aan proceskosten aan [verzoeker] moet betalen. Volgens vaste rechtspraak bestaat er in beginsel alleen aanleiding voor vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen [4] .
De rechtbank ziet niet in dat sprake is van misbruik van procesrecht; [verzoeker] is immers zelf de procedure begonnen. Ook van onrechtmatig handelen is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat [verweerster] ernstig verwijtbaar jegens [verzoeker] heeft gehandeld, is in dat verband onvoldoende. [verzoeker] heeft daarnaast in dit kader aangevoerd dat [verweerster] ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt door te weigeren de kosten van juridische bijstand van [verzoeker] nog langer te vergoeden, terwijl de kosten van juridische bijstand van andere werknemers wel worden vergoed. [verweerster] heeft echter betwist dat zij ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt en heeft onweersproken gesteld dat het vergoeden van de kosten van juridische bijstand van [verzoeker] slechts een geste was, zodat daar geen overeenkomst of afspraak aan ten grondslag lag. In aanvulling daarop heeft [verweerster] eveneens onweersproken gesteld dat [verzoeker] als bestuurder een geheel andere (hogere) positie binnen de organisatie innam dan de genoemde andere werknemers en alleen daarom al niet van gelijke gevallen (of ongerechtvaardigd onderscheid) gesproken kan worden. Gelet daarop is onvoldoende gebleken dat [verweerster] ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt, zodat van strijd met goed werkgeverschap c.q. onrechtmatig handelen geen sprake is.
De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding bij de hoogte van de billijke vergoeding rekening te houden met het feit dat aan [verzoeker] ook al een transitievergoeding wordt toegekend. Die vergoeding zou [verweerster] immers ook aan [verzoeker] verschuldigd zijn als de arbeidsovereenkomst wél op rechtsgeldige wijze was geëindigd.
Al het voorgaande in overweging nemende en rekening houdend met de begrote inkomensschade van € 233.532,72 en pensioenschade van € 20.000,- acht de rechtbank in dit geval een billijke vergoeding van (afgerond) € 255.000,- bruto passend en redelijk. [verweerster] zal worden veroordeeld dat bedrag aan [verzoeker] te betalen. De wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze beschikking.
[verweerster] hoeft de kosten van juridische bijstand, die [verzoeker] maakt in de strafrechtelijke procedure, verder niet te vergoeden
Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] in elk geval tot 1 december 2024 de kosten van juridische bijstand, die [verzoeker] heeft gemaakt in de strafrechtelijke procedure, heeft vergoed. Net als hiervoor ten aanzien van de civielrechtelijke kosten van de advocaat van [verzoeker] geldt ook voor de kosten van juridische bijstand in de strafrechtelijke procedure dat door [verweerster] onweersproken is gesteld dat het vergoeden van die kosten slechts een geste was, waaraan geen overeenkomst of afspraak ten grondslag lag. [verzoeker] heeft voor het overige onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat er enige verplichting op [verweerster] rust om de kosten van juridische bijstand van [verzoeker] te vergoeden.
[verzoeker] heeft er weliswaar ook ten aanzien van zijn juridische kosten in de strafrechtelijke procedure een beroep op gedaan dat [verweerster] in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door ongerechtvaardigd onderscheid te maken tussen [verzoeker] en de andere werknemers, maar dat beroep faalt op grond van hetgeen hiervoor in r.o. 2.45. al is overwogen. Een en ander leidt er toe dat er geen aanleiding bestaat [verweerster] te veroordelen meer kosten van juridische bijstand aan [verzoeker] te vergoeden dan zij tot op heden al heeft gedaan.
[verweerster] moet het bedrag van de eindafrekening, met de wettelijke verhoging en rente, aan [verzoeker] betalen
[verzoeker] heeft verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van het bedrag, waarop hij op grond van de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst recht had. [verzoeker] heeft de eindafrekening niet in het geding gebracht, maar heeft alleen gesteld dat hij uit hoofde daarvan recht heeft op een nettobedrag van € 20.800,34. [verweerster] heeft dat niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van dat bedrag.
[verweerster] heeft aangevoerd dat zij het aan [verzoeker] toekomende bedrag uit de eindafrekening heeft verrekend met geldbedragen die [verzoeker] aan [verweerster] verschuldigd is. Volgens [verweerster] is [verzoeker] een boete verschuldigd wegens het overtreden van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. In het midden kan blijven of er daadwerkelijk sprake is van een overtreding van [verzoeker] . Zoals hierna in r.o. 2.56. wordt geoordeeld kan [verweerster] namelijk geen rechten ontlenen aan dat concurrentiebeding. Dat betekent dat [verweerster] ook geen aanspraak kan maken op een eventuele boete uit hoofde van dat beding en dat van verrekening van die boete met het aan [verzoeker] toekomende bedrag uit de eindafrekening geen sprake kan zijn.
Daarnaast heeft [verweerster] gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de fraude, welke schade zij heeft begroot op € 2.309.152,52, bestaande uit advocaat- en onderzoekskosten (€ 893.854,12), extra accountantskosten (€ 388.508,40), schadevergoeding aan ExxonMobil (€ 365.000,-), boete plus administratiekosten (€ 327.027,-), een ontnemingsvordering van het OM (€ 205.604,-) en inhuurkosten interim-management
(€ 129.159,-). Volgens [verweerster] is (onder andere) [verzoeker] aansprakelijk voor die schade en moet het aan [verzoeker] toekomende bedrag uit de eindafrekening ook daarmee worden geacht te zijn verrekend. De rechtbank volgt [verweerster] daarin niet om de hierna volgende reden.
Op grond van artikel 6:136 BW kan de rechter een vordering ondanks een beroep van de andere partij op verrekening namelijk toewijzen, als de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering voor het overige voor toewijzing vatbaar is. Deze situatie doet zich hier voor. [verweerster] heeft de afzonderlijke schadeposten namelijk op geen enkele wijze onderbouwd of gespecificeerd. [verzoeker] heeft daarnaast betwist voor de gestelde schade aansprakelijk te zijn. De rechtbank kan daarom, zonder nadere bewijslevering, niet vaststellen of [verweerster] schade heeft geleden die voor vergoeding door [verzoeker] in aanmerking komt en, zo ja, hoe hoog die schade precies is. De gegrondheid van het beroep op verrekening kan daarom niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld, zodat het verrekeningsverweer van [verweerster] mede gezien genoemd artikel 6:136 BW faalt.
Het bovenstaande betekent dat [verweerster] het nettobedrag uit de eindafrekening van
€ 20.800,34 aan [verzoeker] moet betalen. Hoewel de eindafrekening niet door [verzoeker] in het geding is gebracht, leidt de rechtbank uit de inhoud van de brief van [verweerster] aan [verzoeker] van 13 mei 2025 af dat deze in elk geval uiterlijk 30 juni 2025 aan [verzoeker] moet zijn verstuurd. Vast staat dat [verweerster] het bedrag van € 20.800,34 tot op heden niet heeft betaald. Daarom heeft [verzoeker] op grond van artikel 7:625 lid 1 BW recht op de wettelijke verhoging van 50% over dat bedrag. Voor matiging van de wettelijke verhoging bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding, mede gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] . De wettelijke rente over het bedrag van € 20.800,34 en over de wettelijke verhoging wordt eveneens toegewezen, op de wijze zoals hierna vermeld.
[verweerster] kan geen rechten ontlenen aan het concurrentiebeding
[verzoeker] heeft ten slotte (primair) verzocht voor recht te verklaren dat [verweerster] geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 13 onder (i) a van de arbeidsovereenkomst.
Hiervoor is geoordeeld dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:669 BW en dat daarin het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] besloten ligt. Omdat de arbeidsovereenkomst door deze opzegging geëindigd is, is hier sprake van de in artikel 7:653 lid 4 BW bedoelde situatie dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . Op grond van dat artikellid kan [verweerster] daarom aan het concurrentiebeding geen rechten meer ontlenen. De door [verzoeker] primair verzochte verklaring voor recht wordt dan ook toegewezen. De rechtbank komt daardoor niet meer toe aan hetgeen [verzoeker] in dit verband subsidiair en meer subsidiair heeft verzocht.
[verweerster] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat zij zich, door het zonder redelijke grond opzeggen van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] , ernstig verwijtbaar heeft gedragen. De rechtbank begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoeker] moet betalen op € 331,- aan griffierecht, € 1.107,- aan salaris voor de gemachtigde en € 178,- aan nakosten. Dit is in totaal € 1.616,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoeker] dat heeft verzocht en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
De rechtbank:
verklaart voor recht dat [verweerster] aan [verzoeker] een billijke vergoeding verschuldigd is omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] in strijd is met artikel 7:669 BW;
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 255.000,- bruto te betalen vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 24.425,35 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 1 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een bedrag van € 20.800,34 netto te betalen uit hoofde van de eindafrekening, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover in de zin van artikel 7:625 BW ter hoogte van 50%, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het aldus verhoogde bedrag vanaf 30 juni 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart voor recht dat [verweerster] op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 13 onder (i) a van de arbeidsovereenkomst;
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.616,-;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
44487/1404
Hoge Raad 15 april 2005; ECLI:NL:HR:2005:AS2030 ( Eggenhuizen /Unidek) en ECLI:NL:HR:2005:AS2713 ( Bartelink /Ciris)
Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)
Zie in dit verband de annotatie van E. Verhulp in JAR 2022/263
Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828
FOOTNOTES:
[1] Hoge Raad 15 april 2005; ECLI:NL:HR:2005:AS2030 ( Eggenhuizen /Unidek) en ECLI:NL:HR:2005:AS2713 ( Bartelink /Ciris)
[2] Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)
[3] Zie in dit verband de annotatie van E. Verhulp in JAR 2022/263
[4] Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828
RECHTER:
Wetzels, W.J.J.: rechter-plaatsvervangend voorzitter/team Handel en Haven
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:669 BW: ['7:669 lid 1 en lid 3 BW', 'redelijke grond voor opzegging arbeidsovereenkomst']
7:682 BW: ['7:682 lid 3 BW', 'billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever']
7:673 BW: ['7:673 lid 1 en lid 7 BW', 'transitievergoeding en voorwaarden']
7:653 BW: ['7:653 lid 4 BW', 'werking concurrentiebeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever']
7:625 BW: ['7:625 lid 1 BW', 'wettelijke verhoging bij niet tijdige betaling eindafrekening']
6:119 BW: ['6:119 BW', 'wettelijke rente']
7:686a BW: ['7:686a lid 1 BW', 'rente over transitievergoeding vanaf maand na einde dienstverband']
6:136 BW: ['6:136 BW', 'rechter kan toewijzen ondanks beroep op verrekening als gegrondheid niet eenvoudig vaststelbaar']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:2005:AS2030: HR 15 april 2005 (Eggenhuizen/Unidek)
ECLI:NL:HR:2005:AS2713: HR 15 april 2005 (Bartelink/Ciris)
ECLI:NL:HR:2017:1187: HR 30 juni 2017 (New Hairstyle)
ECLI:NL:HR:2018:2218: HR 30 november 2018 (ServiceNow)
ECLI:NL:HR:2012:BV7828: HR 6 april 2012
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-03 21:54:02.428171 ============================================================
Wetzels, W.J.J.: rechter-plaatsvervangend voorzitter/team Handel en Haven
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:669 BW: ['7:669 lid 1 en lid 3 BW', 'redelijke grond voor opzegging arbeidsovereenkomst']
7:682 BW: ['7:682 lid 3 BW', 'billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever']
7:673 BW: ['7:673 lid 1 en lid 7 BW', 'transitievergoeding en voorwaarden']
7:653 BW: ['7:653 lid 4 BW', 'werking concurrentiebeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever']
7:625 BW: ['7:625 lid 1 BW', 'wettelijke verhoging bij niet tijdige betaling eindafrekening']
6:119 BW: ['6:119 BW', 'wettelijke rente']
7:686a BW: ['7:686a lid 1 BW', 'rente over transitievergoeding vanaf maand na einde dienstverband']
6:136 BW: ['6:136 BW', 'rechter kan toewijzen ondanks beroep op verrekening als gegrondheid niet eenvoudig vaststelbaar']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:2005:AS2030: HR 15 april 2005 (Eggenhuizen/Unidek)
ECLI:NL:HR:2005:AS2713: HR 15 april 2005 (Bartelink/Ciris)
ECLI:NL:HR:2017:1187: HR 30 juni 2017 (New Hairstyle)
ECLI:NL:HR:2018:2218: HR 30 november 2018 (ServiceNow)
ECLI:NL:HR:2012:BV7828: HR 6 april 2012
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-03 21:54:02.428171 ============================================================
41
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:RBNHO:2021:527 ===
INFORMATIE IN DE UITSPRAAK:
- ECLI_number: ECLI:NL:RBNHO:2021:527
- Instantie: Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak: 2021-01-18
- Datum publicatie: 2021-01-25
- Datum aangepast: 2024-10-02
- Zaaknummer: 8862542
- Rechtsgebieden: Civiel recht; Arbeidsrecht
- Bijzondere kenmerken: Op tegenspraak
- URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:527
INHOUDSINDICATIE:
Arbeidszaak. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer terecht op staande voet is ontslagen en geen recht heeft op een transitievergoeding.
VINDPLAATSEN:
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2021-0105; VAAN-AR-Updates.nl 2021-0105
SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK:
ZAAKIDENTIFICATIE:
ECLI-nummer
ECLI:NL:RBNHO:2021:527
Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR)
Rb
Datum uitspraak
18 januari 2021
FORMELE RELATIES LEGALLINK:
(n.v.t. — geen hoger beroep of eerdere uitspraak vermeld)
PARTIJEN:
Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer)
[verzoeker] (werknemer / projectbegeleider)
Naam of typering gedaagde
[verweerster] (werkgever / besloten vennootschap)
CASUS:
Samenvatting waar de casus over gaat.
Verzoeker verzoekt vernietiging van ontslag op staande voet en loonbetaling na ontslag per 10 september 2020 wegens vermeende fraude, verduistering en plichtsverzuim; werkgever stelde dat werknemer op grote schaal samenwerkte met onderaannemers voor persoonlijk gewin en valse facturatie; werkgever vroeg subsidiar tot ontbinding; kantonrechter beoordeelt rechtsgeldigheid ontslag en vorderingen tot loon en transitievergoeding.
VORDERING (EISER):
Beoogd rechtsgevolg (ontbinding, schadevergoeding, herstel, betaling, e.d.)
Vernietiging ontslag op staande voet; veroordeling tot doorbetaling loon; verzoek tot transitievergoeding en eindafrekening.
Juridische grondslag (relevante wetsartikelen)
7:677 lid 1 BW (dringende reden ontslag op staande voet) [rnr. 4 e.v.]
Feitelijke stellingen ter onderbouwing
- Ontslag is onterecht; er bestaat geen dringende reden; verklaringen van 4 september zijn niet betrouwbaar wegens gebrek aan hoor en wederhoor en bedrijfscultuur/gedoogpraktijk bij werkgever [rnr. 4, 5.1–5.7].
- Handelwijze was onderdeel van algemene praktijk en gedoogd door leiding [rnr. 5.5–5.6].
- Verzoek om transitievergoeding ook indien ontslag terecht is gegeven (subsidiair) [rnr. 5.10].
Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen”
- [verzoeker] heeft het gespreksverslag van 4 september 2020 ondertekend en erkent de daarin opgenomen verklaringen [erkend door beide partijen] [rnr. 4.2–4.3].
VERWEER (GEDAAGDE):
Juridische verweren (te late klacht, overmacht, geen tekortkoming, partiële ontbinding, enz.)
- Ontslag op staande voet is rechtsgeldig wegens dringende reden (fraude, valsheid in geschrifte, plichtsverzuim) [7:677 lid 1 BW] [rnr. 4.1–4.4].
- Subsidiar en voorwaardelijk: verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst en vordering tot schadevergoeding / verrekening [rnr. 3, 5.9].
Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden
7:677 lid 1 BW (dringende reden) [rnr. 4.1–4.4].
Geef de feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van het gedaagde. Met welke punten is de gedaagde het niet eens?
- Betwist dat er geen dringende reden is; betwist dat verklaringen onbetrouwbaar of gedateerd zijn; stelt dat werknemer heeft erkend op grote schaal te hebben gefraudeerd, geld en goederen te hebben aanvaard en valse/onjuiste facturen te hebben laten opstellen; dit rechtvaardigt onmiddellijke ontslag [rnr. 4.2–4.4].
Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding
(niet vermeld)
OORDEEL RECHTER:
Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie.
De kantonrechter past artikel 7:677 lid 1 BW toe en weegt alle omstandigheden. Bekrachtigt de feitelijke inhoud van het ondertekende gespreksverslag; acht de verklaringen voldoende vaststaand om van opzet/ernstige plichtsverzuiming en fraude te spreken; beoordeelt bedrijfscultuur- en gedoogsverweer en vindt geen steun in stukken [rnr. 4.1–4.7].
Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen?
- Erkenning en ondertekening van het verslag betekenen vaststelling van ernstige feiten: aannemen van geld/goederen, gebruikmaking onderaannemers voor privéwerkzaamheden, opstellen of medewerking aan onjuiste/te hoge facturen, en contante betalingen tot ca. €10.000–20.000; vermoede schade €75.000–125.000. De aard, omvang en opzet van het handelen wegen zwaarder dan de nadelige gevolgen voor werknemer; geen bewijs dat werkgever gedrag kende of gedoogde; verklaring collega ondersteunt geen gedoogbeleid [rnr. 4.3–4.8].
UITSPRAAK SAMENVATTING:
Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.)
- Verzoek van [verzoeker] tot vernietiging ontslag op staande voet wordt afgewezen. Vordering tot loonbetaling afgewezen. Verzoek transitievergoeding afgewezen. Verzoek eindafrekening afgewezen. Tegenverzoek van [verweerster] behoeft geen beoordeling (voorwaardelijk). Proceskostenveroordeling zoals hieronder.
Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren)
- Wijst het verzoek af; wijst verzoek tot transitievergoeding af; wijst verzoek tot opmaken eindafrekening af; tegenverzoek niet beoordeeld wegens niet vervulde voorwaarde [slotbeslissing].
Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag?
- [verzoeker] veroordeeld in proceskosten: € 720,00 aan kosten gemachtigde van [verweerster]; nakosten toegewezen tot € 120,00 voor zover daadwerkelijk gemaakt [rnr. 5.2].
Uitvoerbaar-bij-voorraad?
- Veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard [rnr. slot].
RECHTER:
P.J. Jansen, mr.: kantonrechter
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:677 BW: ['7:677 lid 1 BW', 'dringende reden/ontslag op staande voet']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:RBNHO:2021:527: Rb Noord-Holland 18 januari 2021
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-03 22:05:29.092333 ============================================================
P.J. Jansen, mr.: kantonrechter
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:677 BW: ['7:677 lid 1 BW', 'dringende reden/ontslag op staande voet']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:RBNHO:2021:527: Rb Noord-Holland 18 januari 2021
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-03 22:05:29.092333 ============================================================
42
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:RBNHO:2020:10751 ===
INFORMATIE IN DE UITSPRAAK:
- ECLI_number: ECLI:NL:RBNHO:2020:10751
- Instantie: Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak: 2020-12-16
- Datum publicatie: 2020-12-16
- Datum aangepast: 2024-10-02
- Zaaknummer: 8551672
- Rechtsgebieden: Civiel recht
- Bijzondere kenmerken: Beschikking
- URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:10751
INHOUDSINDICATIE:
Ontslag op staande voet. Bewijswaardering meedelen ontslag. Eigenmachtig overboeken van EUR 135.000 naar privérekening door CFO/controller levert een dringende reden op.
VINDPLAATSEN:
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2020-1568; VAAN-AR-Updates.nl 2020-1568
SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK:
ZAAKIDENTIFICATIE:
ECLI-nummer
ECLI:NL:RBNHO:2020:10751
Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR)
Rechtbank Noord-Holland, sector Kanton (locatie Alkmaar)
Datum uitspraak
16 december 2020
FORMELE RELATIES LEGALLINK:
Geen hoger beroep of verwijzing in deze beschikking bekend uit de uitspraak. [tussenbeschikking; conclusie na zitting]
PARTIJEN:
Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer)
[eiser], verzoekende partij (CFO/controller) [inzake ontslag]
Naam of typering gedaagde
Iribov B.V., verwerende partij (werkgever) [zaakstuk]
CASUS:
Kort: Betwisting rechtsgeldigheid van ontslag op staande voet wegens eigenmachtige overboeking van €135.000 van bedrijfs- naar privérekening door de CFO/controller; bewijsverificatie van mededeling ontslag en beoordeling of dringende reden aanwezig is. [ontslagbrief 3 april 2020; PV getuigenverhoor 5 okt 2020; conclusie 18 nov 2020]
VORDERING (EISER):
Beoogd rechtsgevolg (ontbinding, schadevergoeding, herstel, betaling, e.d.)
Niet-toerekenning of vernietiging van ontslag op staande voet; herstel dienstverband (implicit) / verweer tegen rechtsgeldigheid ontslag. [verzoekschrift; zitting]
Juridische grondslag (relevante wetsartikelen)
Algemeen arbeidsrecht, beroep op goede trouw/goed werknemerschap [7:611 BW]. [rov verwijzing naar 7:611 BW]
Feitelijke stellingen ter onderbouwing
- Stelling dat jaarlijkse premies contractueel zijn vastgelegd en boekhoudkundig blijken; daardoor bevoegdheid tot betaling/overboeking. [eiser stellingen; stukken]
- Stelling dat overleg/autorisation vooraf heeft plaatsgehad of dat betalingen geautoriseerd waren via AVA-besluiten. [verweer eiser]
Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen”
- Onbetwist: door Iribov werd op 19 maart 2020 aan [eiser] gevraagd of hij lening van €90.000 vroegtijdig wilde aflossen. [stukken]
- Erkend door beide partijen: geen expliciete erkenning in uitspraak dat jaarlijkse premies in boeken als zodanig zijn opgenomen (de rechtbank acht die stelling niet bewezen). [stukken; rov]
VERWEER (GEDAAGDE):
Juridische verweren (te late klacht, overmacht, geen tekortkoming, partiële ontbinding, enz.)
- Ontslag op staande voet is rechtsgeldig wegens dringende reden (eigenmachtige onrechtmatige overboeking en weigering deze ongedaan te maken). [ontslagbrief 3 april 2020; rov]
Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden
- 7:611 BW (plicht tot goed werknemerschap / integriteit). [rov; 7:611 BW]
Geef de feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van de gedaagde. Met welke punten is de gedaagde het niet eens?
- Iribov betwist dat er vooraf overleg of toestemming heeft plaatsgevonden voor de overboeking van €135.000 en betwist dat de boekstukken onomstotelijk aantonen een post “jaarlijkse premies”. [rov; stukken]
- Iribov stelt dat zij heeft gevraagd terugbetaling nadat de overboeking plaatsvond, hetgeen steun geeft aan gebrek aan voorafgaande toestemming. [rov; stukken]
Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding
- Geen aanbod tot herstel of vergoeding vermeld; Iribov heeft terugbetaling gevraagd die niet heeft plaatsgehad. [rov]
OORDEEL RECHTER:
Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie.
- Rechter weegt alle omstandigheden bij dringende reden; benadrukt aard en ernst van gedragingen en bijzondere positie van werknemer als CFO/controller; verwijst naar maatstaf van goed werknemer [7:611 BW] en relevante jurisprudentie (Hema/HR) voor zware weging van aard/ernst. [rov; 7:611 BW; ECLI:NL:HR:2000:AA4436]
Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen?
- [eiser] had als CFO/controller bijzondere positie en verplichting tot integriteit; eigenmachtige overboeking van groot bedrag (€135.000) zonder voorafgaande toestemming of overleg is ernstig verwijtbaar; bewijs dat overleg of rechtmatigheid bestond is onvoldoende onderbouwd in stukken; persoonlijk omstandigheden en dienstjaren (vier jaar) wegen niet op tegen aard en ernst van de gedraging; daarom sprake van dringende reden en onmiddellijk gegeven ontslag is rechtsgeldig. [rov; PV getuige XX; ontslagbrief 3 april 2020; stukken]
UITSPRAAK SAMENVATTING:
Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.)
- Verzoek van [eiser] wordt afgewezen; ontslag op staande voet is rechtsgeldig. [slotbepaling]
Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren)
- Het verzoek van [eiser] wordt afgewezen. [einde beschikking]
Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag?
- [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten te gunste van Iribov: salaris gemachtigde vastgesteld op €720,= tot en met heden. [kostenbepaling]
Uitvoerbaar-bij-voorraad?
- Proceskostenveroordeling verklaard uitvoerbaar bij voorraad. [einde beschikking]
RECHTER:
Lips, I.H.: kantonrechter, uitspraak gewezen door en in het openbaar uitgesproken op 16-12-2020
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:611 BW: ['7:611 BW', 'plicht tot goed werknemerschap / integriteit']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:2000:AA4436: HR 21 januari 2000
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-06-22 01:09:33.101875 ============================================================
Lips, I.H.: kantonrechter, uitspraak gewezen door en in het openbaar uitgesproken op 16-12-2020
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:611 BW: ['7:611 BW', 'plicht tot goed werknemerschap / integriteit']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:2000:AA4436: HR 21 januari 2000
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-06-22 01:09:33.101875 ============================================================
43
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:RBNHO:2020:8982 ===
INFORMATIE IN DE UITSPRAAK:
- ECLI_number: ECLI:NL:RBNHO:2020:8982
- Instantie: Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak: 2020-10-26
- Datum publicatie: 2020-11-03
- Datum aangepast: 2025-03-22
- Zaaknummer: 8647397 AO VERZ 20-108
- Rechtsgebieden: Civiel recht; Arbeidsrecht
- Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig
- URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:8982
INHOUDSINDICATIE:
Ontslag op staande voet wegens onvoldoende controle op facturen niet rechtsgeldig. Gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding toegekend. Werkgever daarnaast veroordeeld tot het doen van een rehabilitatie-mededeling.
VINDPLAATSEN:
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2020-1318; TAR 2020/160; VAAN-AR-Updates.nl 2020-1318
SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK:
ZAAKIDENTIFICATIE:
ECLI-nummer
ECLI:NL:RBNHO:2020:8982
Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR)
Rb (Rechtbank Noord-Holland), zittingslocatie Haarlem, kantonrechter
Datum uitspraak
26 oktober 2020
FORMELE RELATIES LEGALLINK:
Eerdere/naere relaties in hoger beroep niet vermeld in de uitspraak.
PARTIJEN:
Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer)
[verzoeker] (programmamanager, werknemer)
Naam of typering gedaagde
Publiekrechtelijke Rechtspersoon Werkorganisatie BUCH (werkgever)
CASUS:
Samenvatting waar de casus over gaat.
Geschil over rechtsgeldigheid van ontslag op staande voet d.d. 10 juni 2020 wegens onvoldoende controle op facturen door [verzoeker]; vorderingen: loon over opzegtermijn, billijke vergoeding, rectificatie/rehabilitatie en proceskosten; feiten geven aanleiding tot onderzoek door extern bureau (Hoffmann) naar mogelijk onjuiste/frauduleuze facturatie door externe projectleider en aan hem gelieerde rechtspersonen; [verzoeker] geschorst en ontslagen op staande voet; kantonrechter beoordeelt rechtmatigheid ontslag en toewijst vergoedingen en rehabilitatie.
VORDERING (EISER):
Beoogd rechtsgevolg (ontbinding, schadevergoeding, herstel, betaling, e.d.)
- Betaling loon over termijn 10 juni–31 juli 2020: € 10.666,72 bruto;
- Billijke vergoeding: € 255.401,08 bruto (gevraagd; later toegewezen € 30.000,- bruto);
- Rectificatie/rehabilitatie (publicatie intranet, verzending aan gemeentebesturen, plaatsing in krant gevraagd);
- Veroordeling in proces- en nakosten;
- Uitvoerbaar bij voorraad gevorderd.
Juridische grondslag (relevante wetsartikelen)
- 7:677 BW; 7:678 BW; 7:681 lid 1 sub a BW; 7:686a lid 4 sub a BW; 7:671 BW; 6:106 lid 1 BW [zie overwegingen rnr. 5.1-5.12 e.v. en randnummers].
Feitelijke stellingen ter onderbouwing
- [verzoeker] was intern verantwoordelijk voor Rationalisatie- en Harmonisatieproject en accordeerde/stellte facturen betaalbaar [rnr. rapport Hoffmann samenvatting; 5.3-5.6].
- Hoffmann-onderzoek stelde vast dat controleproces ontoereikend was en dat urenverantwoordingen ontbraken en dat [verzoeker] facturen zonder urenstaten heeft geaccordeerd [rnr. Hoffmann-samenvatting; 5.4].
- Publicatie en aangifte tegen “een ambtenaar” in NH Nieuws na onderzoek [rnr. 4 juni bericht; 5.6].
- Verzoek tot inzage zakelijke gegevens door [verzoeker] geweigerd; ontslag op staande voet gegeven 10 juni 2020 [rnr. 5.6-5.7].
Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen”
- De werkwijze van facturatie en controle was zodanig ingericht dat externe projectleider uren accordeerde en dat controle door BUCH niet op alle punten functioneerde [erkend door beide partijen; rnr. Hoffmann-samenvatting en partijenverklaringen, 5.4-5.5].
- Hoffmann-rapport is opgesteld en overgelegd aan partijen (rapport met samenvatting en bijlagen) [erkend door beide partijen; rnr. 5.3-5.4].
- [verzoeker] is op 10 juni 2020 op staande voet ontslagen door Buch [erkend door beide partijen; rnr. 5.6-5.7].
VERWEER (GEDAAGDE):
Juridische verweren (te late klacht, overmacht, geen tekortkoming, partiële ontbinding, enz.)
- Ontslag op staande voet rechtsgeldig; sprake van dringende reden (onzorgvuldigheid in controle, genegeerde signalen, onverantwoord financieel beleid).
- Onverwijldheidseis voldaan; subsidiair: billijke vergoeding nihil of beperkt (AOW-leeftijd).
- Punitieve en immateriële vergoedingen niet toewijsbaar.
Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden
- 7:677 BW, 7:678 BW, 7:671 BW, 7:681 BW (verweermotivering en subsidiariteit) [verweermotivering, rnr. 5.1 e.v.].
Geef de feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van de gedaagde. Met welke punten is de gedaagde het niet eens?
- Buch betwist dat er geen dringende reden bestond; stelt dat [verzoeker] onvoldoende toezicht hield en facturen onjuist accordeerde; betwist dat procedurele fouten van zodanige aard zijn dat ontslag niet toelaatbaar was; betwist omvang en grond voor billijke vergoeding en rehabilitatie.
Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding
- Geen aanbod tot herstel of vergoeding genoemd in uitspraak.
OORDEEL RECHTER:
Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie.
- Toetsing of dringende reden voor ontslag op staande voet bestond (7:677, 7:678 BW). Rechter weegt alle omstandigheden (aard ernst gedragingen, duur dienstverband, wijze vervulling, persoonlijke omstandigheden). Werkgever draagt bewijslast. (rnr. 5.1-5.2)
- Rechter constateert onvoldoende bewijs dat [verzoeker] wetenschap had van onjuiste facturatie of dat hij willens en wetens handelde; vast staat dat controles tekortschoten maar deze tekortkomingen leveren, gelet op samenhang van feiten en procedurele tekortkomingen door Buch, geen dringende reden op. (rnr. 5.7-5.12)
- Procedurele fouten (langdurig onderzoek, gebrekkig wederhoor, publicatie aangifte vóór hoor en vóór ontslag, weigering inzage relevante stukken) wegen mee bij oordeel over onverwijldheid en zorgvuldigheid. (rnr. 5.11-5.12)
- Vaststelling onregelmatige opzegging leidt tot vergoeding gelijk aan loon over opzegtermijn [toepassing 7:686a/7:671 BW en bijbehorende rechtsregels; rnr. 6.1-6.3].
- Toekenning billijke vergoeding op basis New Hairstyle en Zinzia criteria; rekening gehouden met mate verwijtbaarheid werkgever, inkomensverlies (verwacht ontbinding 1 nov 2020, derhalve ca. 4,5 maand), geen mindering voor vergoeding wegens onregelmatige opzegging; billijke vergoeding vastgesteld op € 30.000,- bruto. Geen punitieve vergoeding; gevraagde immateriële schadevergoeding afgewezen wegens ontbreken concrete psychiatrische schade. (rnr. 6.4-6.12)
Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen?
- Belang werkgever in integriteit en financieel beheer versus belang werknemer in zorgvuldige procedure en redelijk bewijs voor dringende reden. Rechter stelt dat tekortkomingen in controlestelsel wel vaststaan maar dat bewijs van opzet/wetenschap of daadwerkelijke financiële schade niet is geleverd; procedurele fouten van Buch (verdenkingen, publicatie, beperkt wederhoor, lange onderzoeksperiode, weigering inzage) zwaarder wegen en maken ontslag niet rechtsgeldig. Tevens meegewogen: functie-inhoud van [verzoeker], eerdere inrichting proces vóór zijn aantreden, en onduidelijkheid over daadwerkelijke schade door Buch.
UITSPRAAK SAMENVATTING:
Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.)
- Ontslag op staande voet door Buch is niet rechtsgeldig; [verzoeker] gerechtigd tot vergoeding en rehabilitatie.
Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren)
- Vordert loon over 10 juni–31 juli 2020: toegewezen: € 10.666,72 bruto. [exact bedrag in beschikking € 10.661,72 genoemd; in overwegingen verschil uitleg; beschikking vermeldt € 10.661,72] (beschikking: € 10.661,72 bruto toegewezen) [slotbeslissing rnr. slot].
- Vordert billijke vergoeding € 255.401,08 bruto: grotendeels afgewezen; toegewezen billijke vergoeding: € 30.000,- bruto. [rnr. 6.4-6.12]
- Vordert rectificatie in krant en intranet: recht op rehabilitatie toegewezen voor intranet en verzending aan gemeentebesturen; plaatsing in Noord-Hollands Dagblad afgewezen (naam niet genoemd in artikel) [rnr. 6.13-6.15].
- Vordert proceskosten: Buch veroordeeld in proceskosten aan zijde verzoeker tot nu toe € 803,00 (griffierecht € 83,00; salaris gemachtigde € 720,00) + nakosten voor zover daadwerkelijk gemaakt; verzoeker reeds in incident-kosten toegewezen bij beschikking in incident [slotbeslissing].
- Verklaard uitvoerbaar bij voorraad. Meer- of anders gevorderde afgewezen.
Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag?
- Buch veroordeeld tot betaling proceskosten aan verzoeker: totaal voorlopig vastgesteld € 803,00 (83 + 720) en nakosten voor zover daadwerkelijk gemaakt; nakosten verwijzing naar daadwerkelijke nasalaris. (slotbeschikking)
Uitvoerbaar-bij-voorraad?
- Ja, beschikking verklaard uitvoerbaar bij voorraad.
RECHTER:
Aardenburg, W.: kantonrechter
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:677 BW: ['7:677 BW', 'onverwijlde opzegging om dringende reden']
7:678 BW: ['7:678 BW', 'dringende redenen voor ontslag']
7:681 BW: ['7:681 lid 1 sub a BW', 'billijke vergoeding bij onregelmatige opzegging']
7:686a BW: ['7:686a lid 4 sub a BW', 'termijn voor indiening verzoek herstel bij onregelmatige opzegging']
7:671 BW: ['7:671 BW', 'ontbinding/beeindiging arbeidsovereenkomst en vergoeding bij onrechtmatig handelen werkgever']
6:106 BW: ['6:106 lid 1 BW', 'immateriële schadevergoeding bij aantasting persoon']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:RBAMS:2020:3982: RB Amsterdam 13 augustus 2020
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-04 04:18:05.923847 ============================================================
Aardenburg, W.: kantonrechter
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:677 BW: ['7:677 BW', 'onverwijlde opzegging om dringende reden']
7:678 BW: ['7:678 BW', 'dringende redenen voor ontslag']
7:681 BW: ['7:681 lid 1 sub a BW', 'billijke vergoeding bij onregelmatige opzegging']
7:686a BW: ['7:686a lid 4 sub a BW', 'termijn voor indiening verzoek herstel bij onregelmatige opzegging']
7:671 BW: ['7:671 BW', 'ontbinding/beeindiging arbeidsovereenkomst en vergoeding bij onrechtmatig handelen werkgever']
6:106 BW: ['6:106 lid 1 BW', 'immateriële schadevergoeding bij aantasting persoon']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:RBAMS:2020:3982: RB Amsterdam 13 augustus 2020
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-04 04:18:05.923847 ============================================================
44
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:HR:2018:2218 ===
INFORMATIE IN DE UITSPRAAK:
- ECLI_number: ECLI:NL:HR:2018:2218
- Instantie: Hoge Raad
- Datum uitspraak: 2018-11-30
- Datum publicatie: 2018-11-29
- Datum aangepast: 2026-01-06
- Zaaknummer: 18/00373
- Rechtsgebieden: Civiel recht; Arbeidsrecht
- Bijzondere kenmerken: Cassatie
- URL: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2018:2218
FORMELE RELATIES:
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:4337, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen; Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1029, Contrair
INHOUDSINDICATIE:
Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3, onder g, BW) wanneer ontbinding wegens disfunctioneren (art. 7:669 lid 3, onder d, BW) wordt afgewezen omdat de werknemer onvoldoende gelegenheid heeft gekregen zich te verbeteren. Toepassing criterium dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren; verwijtbaarheid handelen werkgever. Billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever, art. 7:671b lid 8, onder c, BW. Motivering; meewegen te verwachten duur arbeidsovereenkomst zonder de ontbinding. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).
VINDPLAATSEN:
Rechtspraak.nl; NJB 2018/2261; RvdW 2018/1294; JAR 2019/15 met annotatie van Vegter, M.S.A.; AR-Updates.nl 2018-1350; Prg. 2019/43; RAR 2019/41; NJ 2019/173 met annotatie van E. Verhulp; VAAN-AR-Updates.nl 2018-1350
SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK:
ZAAKIDENTIFICATIE:
ECLI-nummer
ECLI:NL:HR:2018:2218
Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR)
HR
Datum uitspraak
2018-11-30
FORMELE RELATIES LEGALLINK:
ECLI:NL:GHAMS:2017:4337, Hof Amsterdam, 2017-10-24 (gedeeltelijke vernietiging en verwijzing)
ECLI:NL:PHR:2018:1029, Conclusie P-G Hoge Raad, 2018 (contrair)
PARTIJEN:
Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer)
Werknemer (geboren 1962), Senior Solution Development Manager (eiser tot cassatie)
Naam of typering gedaagde
ServiceNow Nederland B.V. (werkgever, verweerder in cassatie)
CASUS:
Dispuut over ontbinding arbeidsovereenkomst. Werkgever vordert ontbinding wegens disfunctioneren (7:669 lid 3 sub d BW); kantonrechter en hof ontbinden uiteindelijk op grond van verstoorde arbeidsverhouding (7:669 lid 3 sub g BW). Geschil over toerekening van de schuld aan werkgever wegens gebrek aan voorafgaande verbeterkansen en over omvang billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever (7:671b lid 8 sub c BW). [rov. 3.1.1; 3.2.2; 3.3.2; 3.4.2]
VORDERING (EISER):
Beoogd rechtsgevolg (ontbinding, schadevergoeding, herstel, betaling, e.d.)
Ontbinding arbeidsovereenkomst en toekenning billijke vergoeding aan werknemer.
Juridische grondslag (relevante wetsartikelen)
7:669 lid 3 BW (ontbinding wegens d: disfunctioneren; g: verstoorde arbeidsverhouding)
7:671b lid 8 sub c BW (billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever)
7:683 lid 3 en lid 4 BW (herstel/geen aanspraak op vergoeding bij herstel)
(ook relevante overwegingen New Hairstyle: HR 30-6-2017 ECLI:NL:HR:2017:1187) [rov. 3.2.1; 3.2.2; 3.4.2]
Feitelijke stellingen ter onderbouwing
- Werknemer in juni 2015 in dienst op onbepaalde tijd; korte dienstbetrekking. [concl. AG 1.1-1.14; rov. 3.2.2]
- Vanaf eind 2015/ begin 2016 signalen over onvoldoende functioneren door collega’s/leidinggevende. [concl. AG; rov. 3.2.2]
- Op 16 maart 2016 voorstel tot beëindiging; werknemer op non-actief gesteld; verwezen naar advocaat; later gevraagd werkzaamheden te hervatten en PIP voor 2 maanden per 12 mei 2016; werknemer startte traject maar verbetertraject faalde volgens werkgever; op 5 juli 2016 opnieuw beëindigingsvoorstel. [concl. AG i-xiv; rov. 3.2.2]
Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen”
- Werknemer in dienst sinds juni 2015 en functieomschrijving; (erkend door beide partijen) [concl. AG 1.1]
- Data van gesprekken, op non-actiefstelling en voorliggende PIP en dat verbetertraject niet volgens werkgever is geslaagd; (erkend door beide partijen) [concl. AG 1.6-1.14; rov. 3.2.2]
VERWEER (GEDAAGDE):
Juridische verweren (te late klacht, overmacht, geen tekortkoming, partiële ontbinding, enz.)
- Ontbinding gevorderd op grond van disfunctioneren (7:669 lid 3 sub d BW). Hof oordeelt dat d-grond niet is voldaan omdat werkgever werknemer niet tijdig van kritiek op de hoogte stelde en geen voldoende gelegenheid gaf tot verbetering; voert tevens aan dat g-grond wel op haar merites kan slagen ondanks verwijt aan werkgever. [rov. 3.2.2; 3.3.2-3.3.3]
Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden
- 7:669 lid 3 BW (d en g), 7:671b lid 8 sub c BW, 7:683 BW; verwijzing naar parlementaire geschiedenis. [rov. 3.3.2; 3.4.2]
Geef de feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van de gedaagde. Met welke punten is de gedaagde het niet eens?
- Gedaagde stelde disfunctioneren en heeft betoogd dat ontbinding terecht is; hof en kantonrechter hebben ontbinding toegewezen op g-grond ondanks tekortkomingen in procedure door werkgever. ServiceNow vordert verwerping cassatie (zij verdedigt beslissingen in lagere instanties). [rov. 3.2.1-3.2.2; slotbeschikking]
Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding
- Werkgever heeft in onderhandelingen een vaststellingsovereenkomst voorgesteld; onderhandelingen liepen stuk; geen blijvend herstelaanbod als ter zake genoemde PIP; geen concreet herstelaanbod dat door werknemer is geaccepteerd. (onderhandelingen en voorstel tot vaststellingsovereenkomst genoemd) [concl. AG 1.11; 1.13]
OORDEEL RECHTER:
Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie.
- Hoge Raad bevestigt dat g-grond (7:669 lid 3 sub g BW) ook kan leiden tot ontbinding wanneer werkgever de werknemer niet in gelegenheid heeft gesteld zich te verbeteren; wetgever heeft dat bedoeld en werkgever loopt dan risico op betaling van billijke vergoeding als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Rechter moet bij toepassing van g-grond de mate van verwijtbaarheid van de werkgever betrekken en kan daarbij meenemen of werknemer (voldoende) gelegenheid tot verbetering is gegeven. (parl. geschiedenis aangehaald) [rov. 3.3.2]
Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen?
- Motieven: parlementaire geschiedenis laat ruimere toepassing van g-grond toe; het feit dat verstoring (grotendeels) aan werkgever is te wijten sluit ontbinding op g-grond niet uit; echter rechter moet verwijtbaarheid betrekken bij de vraag of van werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd de overeenkomst te laten voortduren. Praktische afweging: ondanks tekortkomingen van werkgever waren leidinggevende/collega’s niet bereid voort te werken met werknemer, waardoor voortzetting onredelijk is. [rov. 3.3.2-3.3.3]
UITSPRAAK SAMENVATTING:
Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.)
- Hoge Raad vernietigt het arrest van Hof Amsterdam d.d. 24-10-2017 en verwijst de zaak naar Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. ServiceNow wordt veroordeeld in cassatiekosten. [slotbeslissing]
Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren)
- Vernietiging beschikking Hof Amsterdam van 24 oktober 2017; verwijzing naar Gerechtshof Den Haag. (vernietigd en verwezen) [slotbeslissing]
Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag?
- ServiceNow veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie: verschotten € 374,38 en salaris € 2.200,-- ten gunste van werknemer. [slotbeslissing]
Uitvoerbaar-bij-voorraad?
- Niet expliciet vermeld; standaard beschikking Hoge Raad zonder uitvoerbaar bij voorraad-aanduiding in slottekst. [slotbeslissing]
RECHTER:
Streefkerk, C.A.: Vice-president en voorzitter
Snijders, G.: Raadsheer
du Perron, C.E.: Raadsheer
Kroeze, M.J.: Raadsheer
Wattendorff, H.M.: Raadsheer
Polak, M.V.: uitsprekende raadsheer
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:669 BW: ['7:669 lid 3 BW', 'ontbinding arbeidsovereenkomst: gronden d (disfunctioneren) en g (verstoorde arbeidsverhouding)']
7:671b BW: ['7:671b lid 8 BW', 'billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever']
7:683 BW: ['7:683 lid 3 en lid 4 BW', 'herstel van de arbeidsovereenkomst en gevolgen voor vergoeding']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:2017:1187: HR 30 juni 2017 (New Hairstyle)
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-19 19:29:35.700618 ============================================================
Streefkerk, C.A.: Vice-president en voorzitter
Snijders, G.: Raadsheer
du Perron, C.E.: Raadsheer
Kroeze, M.J.: Raadsheer
Wattendorff, H.M.: Raadsheer
Polak, M.V.: uitsprekende raadsheer
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:669 BW: ['7:669 lid 3 BW', 'ontbinding arbeidsovereenkomst: gronden d (disfunctioneren) en g (verstoorde arbeidsverhouding)']
7:671b BW: ['7:671b lid 8 BW', 'billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever']
7:683 BW: ['7:683 lid 3 en lid 4 BW', 'herstel van de arbeidsovereenkomst en gevolgen voor vergoeding']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:HR:2017:1187: HR 30 juni 2017 (New Hairstyle)
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2026-05-19 19:29:35.700618 ============================================================
45
=== RECHTSZAAK: ECLI:NL:HR:2017:1187 ===
INFORMATIE IN DE UITSPRAAK:
- ECLI_number: ECLI:NL:HR:2017:1187
- Instantie: Hoge Raad
- Datum uitspraak: 2017-06-30
- Datum publicatie: 2017-06-29
- Datum aangepast: 2025-03-22
- Zaaknummer: 16/03200
- Rechtsgebieden: Civiel recht
- Bijzondere kenmerken: Cassatie
- URL: https://data.rechtspraak.nl/uitspraken/content?id=ECLI:NL:HR:2017:1187
FORMELE RELATIES:
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:414, Gevolgd; In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:2601, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
INHOUDSINDICATIE:
Arbeidsrecht, Wet werk en zekerheid. Billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:681 lid 1, onder a, BW (vernietigbare opzegging). Omvang billijke vergoeding; punitief karakter; gevolgencriterium; verhouding tot transitievergoeding. Vergoeding van eerder gemaakte kosten rechtsbijstand werknemer? Goed werkgeverschap, art. 6:96 BW, art. 7:686a lid 3 BW.
VINDPLAATSEN:
Rechtspraak.nl; RAR 2017/121; Prg. 2017/228 met annotatie van J.J.M. de Laat; NJ 2017/298 met annotatie van E. Verhulp; AR 2017/6114; NJB 2017/1523; RvdW 2017/764; AR 2017/3360; TRA 2017/92 met annotatie van mr. dr. M.S.A. Vegter; AR 2018/198; JIN 2017/171 met annotatie van I.H. Kersten; TvPP 2017, afl. 4, p. 146; JAR 2017/188 met annotatie van Mr. dr. A. van Zanten-Baris; AR-Updates.nl 2017-0826 met annotatie van P. Kruit; UDH:TvAO/14818 met annotatie van mr. K. Teuben en mr. A.A.T.M. de Jong; Brightmine 2017-20000667
SAMENVATTING VAN DE UITSPRAAK:
ZAAKIDENTIFICATIE:
ECLI-nummer
ECLI:NL:HR:2017:1187
Rechterlijke instantie (Rb / Hof / HR)
HR
Datum uitspraak
30-06-2017
FORMELE RELATIES LEGALLINK:
Conclusie parket Hoge Raad: ECLI:NL:PHR:2017:414 (gevolgd) [conclusie AG R.H. de Bock; rov. vermeld] [r.3.1-3.2]
In cassatie op (onderliggende hofsaak): ECLI:NL:GHARL:2016:2601 (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-03-2016) (vernietiging en verwijzing) [slotbeschikking en rov. verwijzingen] [slot]
PARTIJEN:
Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer)
[verzoekster] (werknemer/kapster sinds 1989) [i), iv)] [feiten]
Naam of typering gedaagde
HAIRSTYLING 2000 B.V. handelend als New Hairstyle (werkgever) [ii)] [feiten]
CASUS:
Samenvatting waar de casus over gaat.
Betwist beëindiging van arbeidsovereenkomst door werkgever via opzegging zonder schriftelijke instemming; werknemer vordert op grond van 7:681 lid 1, aanhef en onder a BW toekenning van een billijke vergoeding wegens vernietigbare opzegging; hof kende €4.000 bruto; Hoge Raad vernietigt en verwijst voor nieuwe beoordeling met richtlijnen over omvang billijke vergoeding, punitief karakter, rol van transitievergoeding en vergoeding van kosten rechtsbijstand. [i)-xiii); rov. samenvatting 3.4 e.v.]
VORDERING (EISER):
Beoogd rechtsgevolg (ontbinding, schadevergoeding, herstel, betaling, e.d.)
Toekenning van een billijke vergoeding ter grootte van €57.699,07 bruto (subsidiair netto equivalent of anderszins billijke vergoeding) op grond van 7:681 lid 1, aanhef en onder a BW. [eis]
Juridische grondslag (relevante wetsartikelen)
7:681 lid 1 BW (billijke vergoeding bij vernietigbare opzegging) [rov. 3.4.2-3.4.5]; aanvullend genoemd: 7:673 BW (transitievergoeding) [rov. 3.4.1-3.4.3]; 6:95 e.v. BW (schadevergoedingregels) [rov. 3.4.3]; 7:680a BW (matiging loonvordering) [rov. 3.4.3]; 7:686a lid 3 BW en art. 6:96 BW (goed werkgeverschap, vergoeding kosten rechtsbijstand) [rov. 3.4.4 laatste alinea]
Feitelijke stellingen ter onderbouwing
- Werkgever wilde van verzoekster af en heeft bewust opgezegd in strijd met wettelijke voorschriften; werkgever nam de gevolgen op de koop toe (“er klaar mee”): door partijen erkend in procesverklaring van werkgever en door hof vastgesteld. [rov. 5.7]
- Verzoekster werkte sinds 1989 en had 4,5 uur per week; laatste salaris €224,51 bruto p/m; gezins- en zorgsituatie (gehuwd, vier schoolgaande kinderen, echtgenoot beperkt door bouwvak) [i), iii)]
- Werkgever had in januari 2014 vaststellingsovereenkomst zonder vergoeding aangeboden; verzoekster weigerde; daarna gedragsmaatregelen (schoonmaakwerk) en later aanvraag UWV ontslagvergunning geweigerd [v), vi), vii)]
- Vakantiegeschil (weigering door werkgever van week 31-32) en werknemer ongewijzigd afwezig; werkgever zette op non-actief en opzeggingsbrief 4-8-2015 [viii)-xii)]
Vaststellingen: markeer erkende / bewezen / onweersproken stellingen met “erkend door beide partijen”
- Langdurig dienstverband sinds 1989 en arbeidsovereenkomst 4,5 uur per week, salaris €224,51 bruto p/m: erkend door beide partijen [i)]
- Verzoekster was in week 31-32 2015 niet op het werk verschenen; werkgever had geen toestemming gegeven: feitelijk vaststaan in processtukken [xi), ix)]
- Werkgever heeft transitievergoeding €1.596,-- bruto betaald: erkend door beide partijen/hof vaststelling [rov. 5.20]
VERWEER (GEDAAGDE):
Juridische verweren (te late klacht, overmacht, geen tekortkoming, partiële ontbinding, enz.)
- New Hairstyle heeft betoogd dat beëindiging (opzegging) plaatsvond met inachtneming van wettelijke opzegtermijn (regelmatig) en dat werknemer over periode 4-8-2015 tot 1-12-2015 financieel heeft gekregen waar zij recht op had (7:672 lid 1 en 2 BW). Geen onregelmatige opzegging in de zin van 7:672 lid 9 BW. [rov. 5.22]
Aangehaalde wetsartikelen of algemene voorwaarden
- 7:672 lid 1, 2 en lid 9 BW (opzegtermijn en onregelmatige opzegging) [rov. 5.22]
- CAO Kappersbedrijf (toestemming en opnemen vakantiedagen) in arbeidsovereenkomst van toepassing (art. 7 CAO) [iv)]
Geef de feitelijke betwistingen vanuit het perspectief van de gedaagde. Met welke punten is de gedaagde het niet eens?
- Werkgever stelt dat vakantieopname roostertechnisch niet kon en dat afwezigheid van verzoekster oncollegiaal was; er ontstond onhoudbare situatie en impulsieve beëindigingshandeling; werkgeverszijde meent handelen niet juridisch geëxpliciteerd te hebben maar was “er klaar mee”. [proces-verbaal; rov. 5.7 & feiten]
Eventueel gedaan aanbod tot herstel of vergoeding
- Werkgever betaalde transitievergoeding €1.596,-- bruto; geen aanbod herstel of aanvullende vergoeding vóór procedure geaccepteerd; vaststellingsovereenkomst in januari 2014 zonder vergoeding aangeboden door werkgever (geen instemming werknemer). [v), rov. 5.20]
OORDEEL RECHTER:
Wat is de wijze waarop de rechter de rechtsvraag beoordeelt, inclusief uitleg van relevante wetsartikelen of jurisprudentie.
- Hoge Raad geeft uitleg van art. 7:681 lid 1 BW: billijke vergoeding is mogelijk naast transitievergoeding; rechter moet vergoeding bepalen aansluitend bij uitzonderlijke omstandigheden en motiveren welke omstandigheden leidden tot hoogte. [rov. 3.4.2]
- Uitleg over rol van gevolgen van ontslag: uitgangspunt Wwz is dat gevolgen veelal door transitievergoeding worden bestreken, maar bij vernietigbare opzegging (7:681 lid 1 onder a) kunnen de gevolgen van het ontslag voor zover toe te rekenen aan het aan de werkgever te maken verwijt meewegen bij omvang billijke vergoeding; de loonvordering die bij vernietiging zou bestaan kan bij de billijke vergoeding worden betrokken. [rov. 3.4.3]
- Over punitief karakter: parlementaire toelichting geeft niet signalen dat wetgever een specifiek punitief karakter wilde toekennen; derhalve mag bij vaststellen van billijke vergoeding geen rekening worden gehouden met een op punitie of afschrikking gericht uitgangspunt. Het doel is compensatie voor ernstig verwijtbaar handelen/nalaten. [rov. 3.4.2-3.4.5]
- Over duur dienstverband en gevolgen: hof mocht de duur van het dienstverband en gevolgen van het ontslag niet buiten beschouwing laten; deze factoren kunnen relevant zijn bij begroting van billijke vergoeding omdat strekking Wwz niet uitsluit dat gevolgen worden betrokken indien toerekenbaar aan werkgever. [rov. 3.4.3-3.4.5]
- Over kosten rechtsbijstand: advocaatkosten die vóór procedure zijn gemaakt behoren niet tot art. 237 Rv-kosten (niet gemaakt met het oog op deze procedure); vergoeding daarvan kan wel worden gevorderd op grond van goed werkgeverschap (6:96 BW) en 7:686a lid 3 BW. Hof had verzoek daartoe niet mogen passeren; na verwijzing moet dat verzoek worden beoordeeld. [rov. 3.4.4]
Wat zijn de dragende motieven van het oordeel: waarom oordeelt de rechter zoals hij doet? Wat is de afweging tussen de belangen?
- Motieven: wils- en stelseloverwegingen van Wwz (beperking transitievergoeding, doelstelling om vaste contracten te bevorderen) maar behoud van rechtsbescherming tegen ernstig verwijtbaar handelen van werkgever. Balans tussen compensatie voor werknemer en vermijden van dubbele punitieve effecten; erkenning dat gevolgen van ontslag al (deels) door transitievergoeding worden bestreken maar niet in alle gevallen volledig, zeker niet bij vernietigbare opzeggingen waar keuze werknemer om vernietiging of vergoeding te vorderen relevant is. Daarom: geen punitief uitgangspunt maar wel rekening houden met toerekenbare gevolgen en met loon dat werknemer zou hebben genoten bij vernietiging. [rov. 3.4.1-3.4.5]
UITSPRAAK SAMENVATTING:
Wat beslist de rechter uiteindelijk? (bijv. vordering toegewezen, vernietiging, bekrachtiging, etc.)
- Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 31-03-2016 en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. [slotbeslissing]
Toe- of afwijzing vorderingen (exact formuleren)
- Niet inhoudelijk toegewezen/afgewezen door HR; zaak terugverwezen ter herbeoordeling van omvang billijke vergoeding en verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand op grond van 6:96 BW en 7:686a lid 3 BW. [slot; rov. oordeel over onderdelen]
Proces-, buitengerechtelijke en nakosten. Wie betaalt welke kosten inclusief bedrag?
- New Hairstyle veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van verzoekster: verschotten €866,18 en salaris advocaat €2.200,--. [slot]
Uitvoerbaar-bij-voorraad?
- Niet expliciet vermeld in beschikking; geen uitvoerbaar-bij-voorraad-aanduiding in slottekst van HR. [slot]
RECHTER:
Numann, E.J.: Vice-president en voorzitter
Snijders, G.: Raadsheer
de Groot, G.: Raadsheer (uitspraak in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot)
du Perron, C.E.: Raadsheer
Kroeze, M.J.: Raadsheer
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:681 BW: ['7:681 lid 1 BW', 'billijke vergoeding/vernietigbare opzegging en keuze werknemer tussen vernietiging en vergoeding']
7:673 BW: ['7:673 BW', 'transitievergoeding']
6:95 BW: ['6:95 e.v. BW', 'schadevergoedingregels (toepasbaarheid bij elementen van schadevergoeding)']
7:680a BW: ['7:680a BW', 'matiging van loonvordering']
7:672 BW: ['7:672 lid 1 en 2 en lid 9 BW', 'opzegtermijn en onregelmatige opzegging']
6:96 BW: ['6:96 BW', 'goed werkgeverschap/verplichting werkgever']
7:686a BW: ['7:686a lid 3 BW', 'mogelijkheid vergoeding van kosten op grond van goed werkgeverschap in kantonzaken']
237 Rv: ['237 Rv', 'proceskostenveroordeling (kosten gemaakt met het oog op procedure)']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:GHARL:2016:2601: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-03-2016
ECLI:NL:PHR:2017:414: Conclusie AG, datum conclusie vermeld in dossier
ECLI:NL:HR:2017:1187: HR 30-06-2017
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2025-10-09 15:09:22.341000 ============================================================
Numann, E.J.: Vice-president en voorzitter
Snijders, G.: Raadsheer
de Groot, G.: Raadsheer (uitspraak in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot)
du Perron, C.E.: Raadsheer
Kroeze, M.J.: Raadsheer
GENOEMDE WETSARTIKELEN:
7:681 BW: ['7:681 lid 1 BW', 'billijke vergoeding/vernietigbare opzegging en keuze werknemer tussen vernietiging en vergoeding']
7:673 BW: ['7:673 BW', 'transitievergoeding']
6:95 BW: ['6:95 e.v. BW', 'schadevergoedingregels (toepasbaarheid bij elementen van schadevergoeding)']
7:680a BW: ['7:680a BW', 'matiging van loonvordering']
7:672 BW: ['7:672 lid 1 en 2 en lid 9 BW', 'opzegtermijn en onregelmatige opzegging']
6:96 BW: ['6:96 BW', 'goed werkgeverschap/verplichting werkgever']
7:686a BW: ['7:686a lid 3 BW', 'mogelijkheid vergoeding van kosten op grond van goed werkgeverschap in kantonzaken']
237 Rv: ['237 Rv', 'proceskostenveroordeling (kosten gemaakt met het oog op procedure)']
GENOEMDE RECHTZAKEN:
ECLI:NL:GHARL:2016:2601: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-03-2016
ECLI:NL:PHR:2017:414: Conclusie AG, datum conclusie vermeld in dossier
ECLI:NL:HR:2017:1187: HR 30-06-2017
METADATA: - Created at: None - Last modified: 2025-10-09 15:09:22.341000 ============================================================