ποΈ Rechtbank:
Hoge Raad
π
Datum uitspraak:
2010-04-09
βοΈ Rechtsgebieden:
Civiel recht
π Formele relaties rechtspraak.nl :
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4549; In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0619, Bekrachtiging/bevestiging
π€ Formele relaties LegalLink:
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4549 [rov.2]
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2007:BC0619 (bekrachtiging/bevestiging) [inhoudsindicatie en rov.1]
π¨ββοΈ Rechter(s):
Beukenhorst, D.H. (vice-president en voorzitter)
van Buchem-Spapens, A.M.J. (raadsheer)
Hammerstein, A. (raadsheer)
Streefkerk, C.A. (raadsheer)
Asser, W.D.H. (raadsheer)
Numann, E.J. (raadsheer en openbaar uitgesproken)
π Wetsartikelen:
3:305a BW
7 VN-Vrouwenverdrag
4 Gw.
25 IVBPR
2 IVBPR
93 Gw.
94 Gw.
Wspp
π₯ Partijen:
Naam of typering eiser (bv. consument, verhuurder, aannemer)
- In zaak 08/01354: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van BZK (eiser tot cassatie) [titel en rolomschrijving slot en procesverloop]
- In zaak 08/01394: DE STAATKUNDIG GEREFORMEERDE PARTIJ (SGP) (eiseres tot cassatie) [titel en rolomschrijving slot]
Naam of typering gedaagde
- STICHTING PROEFPROCESSENFONDS CLARA WICHMANN c.s.; Nederlandse JuristencomitΓ© voor de Mensenrechten; Stichting Humanistisch Overleg Mensenrechten; Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen e.a. (verweerders/verweersters) [procespartijen rov.2]
π Inhoudsindicatie:
Vrouwenstandpunt SGP t.a.v. passief kiesrecht vrouwen voor gekozen algemeen vertegenwoordigende overheidsorganen. Art. 7, aanhef en onder a en c VN-Vrouwenverdrag. Algemeen belangactie 3:305a BW. Ontvankelijkheid cassatieberoep partij die zich voegt in een tussen andere partijen aanhangig geding (art. 217 Rv.). Botsing grondrechten: grondrecht op gelijke behandeling, neergelegd in (o.m.) art. 7 Vrouwenverdrag, vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging. Aan de partij ten aanzien van wie reeds in hoger beroep is geoordeeld dat zij voldoende belang had om zich in het geding te mogen voegen, komt het recht toe zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden tegen de uitspraak een rechtsmiddel aan te wenden teneinde kracht van gewijsde van die uitspraak en gezag van gewijsde van daarin vervatte beslissingen jegens haar te voorkomen. Gevoegde partij dan ook ontvankelijk Γ³Γ³k voor zover zij middelen aanvoert die niet zijn voorgesteld door partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd. HR 4 maart 2008, NJ 2008, 168 niet van toepassing op dit geval waarin voeging niet pas in cassatie plaatsvindt. Aan eis van gelijksoortigheid van art. 3:305a BW is voldaan, nu het de stichting met haar vorderingen te doen is om handhaving van het grondrecht op gelijke behandeling - door optreden van de Staat tegen discriminatie wegens geslacht. Hieraan doet niet af dat vrouwen die zich eventueel voor de SGP kunnen kandideren geen behoefte hebben aan de actie van de Stichting, juist vanwege het algemene karakter van het belang van alle burgers waarvoor die stichting beoogt op te komen. Rechtstreekse werking art. 7a VN-Vrouwenverdrag brengt rechtstreekse werking (in de zin van art. 93 en 94 Gw.) van art. 7c VN-Vrouwenverdrag mee, voor zover deelname aan een politieke partij een voorwaarde is voor effectieve uitoefening van het onder (a) gewaarborgde passief kiesrecht. Vrouwenverdrag eist dat Staat passief kiesrecht voor vrouwen effectief verzekert. Verdrag laat Staat op dit punt geen beleidsvrijheid. Discriminatieverbod weegt, in zoverre het de kiesrechten van alle burgers waarborgt - neergelegd in art. 4 Gw., art. 25 in verband met art. 2 IVBPR en, toegespitst op de onderhavige kwestie, art. 7 Vrouwenverdrag - zwaarder dan de andere grondrechten die in het geding zijn. Staat is gehouden maatregelen te nemen die er daadwerkelijk toe leiden dat SGP passief kiesrecht aan vrouwen toekent, waarbij de Staat een effectieve maatregel moet kiezen die zo min mogelijk inbreuk maakt op de grondrechten van de SGP. Rechter niet bevoegd Staat te bevelen wetgeving in formele zin tot stand te brengen (vgl. HR 21 maart 2003, NJ 2003, 691). Voor een rechterlijk gebod tot treffen van maatregelen ter voldoening aan art. 7 Vrouwenverdrag is in beginsel evenmin plaats. Dit geldt ook voor een bevel tot stopzetting subsidie SGP. Staat handelt in strijd met art. 7, aanhef en onder a en c, VN-Vrouwenverdrag en daarmee onrechtmatig door ten aanzien van politieke partij volgens welke aan vrouwen geen passief kiesrecht toekomt voor algemeen vertegenwoordigende overheidsorganen, niet de maatregelen te nemen die art. 7, aanhef en onder a en c, van het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van hem vergt.
π Historie inkomende referenties:
Geen referenties gevonden