Tables

Onderdeel Samenvatting Exacte overwegingen en woorden van de Hoge Raad
Feiten van de zaak De voormalig bestuurder van Delcon Nederland B.V. was door de curator aansprakelijk gesteld op grond van art. 2:248 BW. Hij wilde de rechter-commissaris op grond van art. 69 Fw laten bevelen dat de curator naheffingsaanslagen en UWV-correctienota’s zou laten verminderen of verhalen op werknemers. De Hoge Raad vermeldt dat de bestuurder “op de voet van art. 2:248 BW aansprakelijk” was gesteld en vervolgens een bevel aan de curator verlangde om bepaalde handelingen te verrichten op grond van art. 69 Fw.¹
Centrale rechtsvraag Is de aangesproken bestuurder, omdat hij mogelijk later regres zou kunnen nemen op de vennootschap nadat hij het tekort heeft aangezuiverd, een schuldeiser van de failliete vennootschap onder opschortende voorwaarde? De Hoge Raad formuleert de rechtsopvatting van de bestuurder als volgt: “de bestuurder van een vennootschap die op de voet van art. 2:248 BW jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is (…) crediteur is van de (failliete) vennootschap (onder de opschortende voorwaarde van voldoening aan de boedel).”¹
Oordeel over het mogelijke regresrecht Die rechtsopvatting wordt verworpen. Betaling aan de boedel leidt niet tot een regresrecht op de boedel of de failliete vennootschap. “Die opvatting kan echter niet worden aanvaard.”¹
Waarom geen regres? De betaling van de bestuurder strekt ertoe het faillissementstekort aan te vullen, zodat de schulden van de vennootschap kunnen worden voldaan. Een regresrecht zou dat doel doorkruisen. “De bestuurder die uit hoofde van art. 2:248 een bedrag aan de boedel betaalt teneinde deze in staat te stellen schulden van de vennootschap te betalen voorzover deze niet door vereffening kunnen worden voldaan, krijgt daardoor niet een regresrecht op de boedel en wordt dus door deze betaling ook niet (voorwaardelijk) schuldeiser van de boedel.”¹
Aard van art. 2:248 BW De aansprakelijkheid is geen gewone interne schuld van de vennootschap aan de bestuurder. Zij is gericht op aanvulling van het tekort ten behoeve van de boedel en de gezamenlijke schuldeisers. Art. 2:248 lid 1 BW bepaalt dat de bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het niet-verhaalbare tekort.² “Het toekennen van een regresrecht valt immers niet te rijmen met de verplichting van de bestuurder om het tekort van de boedel aan te vullen, omdat daardoor het boedeltekort in feite in stand zou blijven. Het is ook niet in overeenstemming met de aard van de aansprakelijkheid die op de bestuurder rust op grond van art. 2:248.”¹
Gevolg voor art. 69 Fw Art. 69 lid 1 Fw staat open voor iedere schuldeiser, de schuldeiserscommissie en de gefailleerde.³ De voormalig bestuurder kan niet uitsluitend op basis van zijn mogelijke 2:248-aansprakelijkheid als schuldeiser worden aangemerkt. De Hoge Raad concludeert dat de bestuurder geen voorwaardelijk schuldeiser is. Daardoor ontbrak de grond om hem als schuldeiser toegang tot art. 69 Fw te geven.¹
Betekenis van een afzonderlijke vordering van een verbonden vennootschap In de zaak had Wero, een vennootschap waarvan de bestuurder indirect aandeelhouder was, mogelijk zelf de positie van schuldeiser. Dat betekende echter niet dat Wero zonder meer haar positie kon gebruiken om de bestuurder persoonlijk toegang tot art. 69 Fw te verschaffen. De Hoge Raad achtte niet onbegrijpelijk het oordeel dat Wero haar positie als schuldeiser misbruikte “met het doel door middel van lastgeving aan [verzoeker] een rechtsingang te creëren voor [verzoeker], welke hem krachtens de wet niet toekomt.”¹
Reikwijdte ten aanzien van de naheffingsaanslagen en correctienota’s De Hoge Raad heeft niet inhoudelijk beslist of de curator de naheffingsaanslagen of UWV-correctienota’s had moeten aanvechten. De beschikking gaat primair over de ontvankelijkheid en het ontbreken van een schuldeiserspositie. De Hoge Raad kwam na het oordeel over het ontbreken van een regresrecht en het misbruik van de schuldeiserspositie tot de conclusie: “Uit het vorenoverwogene volgt dat [verzoeker] geen belang heeft bij een behandeling van de overige middelen.”¹
Verhouding tot curatorbeleid De curator heeft op grond van art. 68 Fw de taak de boedel te beheren en te vereffenen.³ Een bestuurder kan niet via de constructie van een toekomstig regresrecht afdwingen dat de curator bepaalde fiscale of arbeidsrechtelijke procedures voert. Of concreet curatorbeleid onjuist is, moet worden beoordeeld binnen de grenzen van art. 69 Fw door iemand die daadwerkelijk de vereiste hoedanigheid heeft. De in deze zaak aangevoerde bestuurder kreeg geen toegang op grond van een vermeend voorwaardelijk regresrecht. De Hoge Raad heeft daarmee niet geoordeeld dat een curator nooit op naheffingsaanslagen of correctienota’s hoeft te reageren.¹
Mogelijke matiging Volgens de in de conclusie beschreven rechtsgang kan een aangesproken bestuurder zijn belangen tegen de omvang van de 2:248-aansprakelijkheid onder omstandigheden aan de orde stellen via het matigingsmechanisme van art. 2:248 lid 4 BW, niet door zichzelf als schuldeiser van de boedel te presenteren.² Dit punt staat in de verstrekte conclusie bij de zaak als mogelijke route vermeld; het is niet de kern van de geciteerde eindoverweging van de Hoge Raad. Daarom moet het worden onderscheiden van het bindende oordeel in de beschikking zelf.²
Uitkomst Het cassatieberoep werd verworpen. De bestuurder was geen schuldeiser onder opschortende voorwaarde en kon zijn verzoek niet dragen op een mogelijk regresrecht. “Derhalve faalt het middel in zijn beide onderdelen.”¹