| Eigendomsvoorbehoud Fashion Point |
Fashion Point stelde dat haar facturen het eigendomsvoorbehoud opnieuw hadden overeengekomen of de FMA hadden gewijzigd. |
De FMA sloot eigendomsvoorbehoud uit. Facturen en stilzitten van Scotch & Soda vormden geen geldige schriftelijke wijziging. |
Geen beroep op eigendomsvoorbehoud. |
“Als het op een factuur vermelden van een eigendomsvoorbehoud al kan worden gezien als een aanbod om de tussen partijen gesloten FMA te wijzigen, is het enkele niet-protesteren door Scotch & Soda tegen facturen van Fashion Point geen aanvaarding daarvan.” |
| Contractuele uitsluiting recht van reclame |
Leveranciers beriepen zich op art. 7:39 BW. |
De woorden “repossess unpaid goods” sloten ook het recht van reclame uit. |
Geen terugvordering van de voorraad. |
“Omdat het Nederlandse recht van reclame van artikel 7:39 BW er op neerkomt dat een leverancier dat wel mag, ligt in deze bepaling de bedoeling van partijen besloten dat zij het recht van reclame contractueel hebben willen uitsluiten.” |
| TSC Giyim |
TSC Giyim stelde dat zij geen partij bij de FMA was en daarom niet aan art. 8.9 FMA was gebonden. |
TSC Giyim had bovendien onvoldoende onderbouwd dat zij de goederen had geleverd; Karbel had haar als facturerende tussenpersoon aangeduid. |
Geen succesvol beroep op recht van reclame. |
“Ook TSC Giyim kan zich desondanks niet op het recht van reclame beroepen.” |
| Vernietiging art. 8.9 FMA |
Leveranciers stelden dat art. 8.9 FMA vernietigbaar was als onredelijk bezwarend beding. |
Zelfs bij succesvolle vernietiging was geen onzorgvuldig handelen van de curatoren gegeven, omdat dit standpunt niet tijdig aan hen was gemeld. |
Geen aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW. |
“Ook als de rechtbank ervan uit zou gaan dat artikel 8.9 FMA met succes kan worden vernietigd, maakt dit nog niet dat de curatoren onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW.” |
| Verkoop aan doorstarters |
Leveranciers vonden dat de voorraad of verkoopopbrengst apart moest worden gehouden. |
De curatoren hadden rechten van derden in de doorstartovereenkomst laten respecteren en een escrowbedrag aangehouden. |
Geen persoonlijke aansprakelijkheid. |
“Gezien deze omstandigheden bestaat geen enkele grond voor het oordeel dat de curatoren persoonlijk verwijtbaar onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW.” |
| Niet reageren op verzoek gestanddoening |
Leveranciers stelden dat zij door het uitblijven van een tijdige reactie mochten ontbinden en schadevergoeding konden vorderen. |
De curator is niet verplicht een overeenkomst gestand te doen; hij mag ervoor kiezen dat niet te doen. |
Alleen een concurrente vordering in het faillissement. |
“Anders gezegd, de curator is bevoegd zich tot nakoming van de overeenkomst bereid te verklaren, niet verplicht.” |
| Rechtstreekse schadeclaim tegen curatoren |
Leveranciers vorderden schadevergoeding q.q. en pro se. |
Het faillissementsrechtelijke systeem voorziet in de positie van de leveranciers als concurrente schuldeisers. |
Vorderingen afgewezen. |
“Voor toewijzing van deze vorderingen (IX tot en met XIV) van eisers jegens de curatoren, waarmee eisers in feite het systeem van de Faillissementswet proberen te omzeilen, bestaat geen grond.” |
| Volledige proceskosten |
Curatoren vorderden vergoeding van alle werkelijke proceskosten wegens lichtvaardig procederen. |
Geen misbruik van procesrecht voor alle onderdelen; wel reden voor dubbele proceskosten. |
€ 23.036,00, hoofdelijk, plus rente en nakosten. |
“Een volledige proceskostenveroordeling is daarom niet op zijn plaats. Wel ziet de rechtbank in een en ander aanleiding om eisers, en vanwege de gezamenlijke processtukken van eisers ook Fashion Point, te veroordelen in de dubbele proceskosten.” |
| Einduitspraak |
Leveranciers vorderden verklaringen voor recht en schadevergoeding. |
Alle vorderingen werden afgewezen. |
Leveranciers verloren de procedure. |
“De rechtbank is van oordeel dat de curatoren niet onrechtmatig hebben gehandeld en wijst de vorderingen af.” |