De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Baruch

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6]

Hoofdstuk 1

1 {\cf2Dit is de inhoud van het boek, dat Baruk, de zoon van Neri-ja, zoon van Machseja, zoon van Sedekias, zoon van Chasadja, zoon van Chilki-ja, in Babel schreef, 2 in het vijfde jaar, op de zevende dag van dezelfde maand, waarop de Chaldeën Jerusalem hadden ingenomen en in brand gestoken. 3 Toen Baruk de inhoud van dit boek had voorgelezen ten aanhoren van Jekonias, den zoon van Jojakim en koning van Juda, en van al het volk, dat voor de lezing was samengekomen: 4 ten aanhoren van de edelen en prinsen, van de oudsten en heel het volk, klein en groot: ten aanhoren van allen, die in Babel bij de rivier Soed waren gevestigd, 5 weenden zij, en vastten en baden tot den Heer. 6 Zij zamelden geld in, zoveel ieder kon missen, 7 en zonden het naar Jerusalem aan den priester Jojakim, den zoon van Chilki-ja, zoon van Salom, en aan de andere priesters en heel de bevolking, die zich met hem in Jerusalem bevonden. 8 Zij gaven het Baruk mee, die reeds op de tiende van Siwan de vaten van het huis des Heren, die uit de tempel waren geroofd, in ontvangst had genomen, om ze naar het land van Juda terug te brengen. Het waren de zilveren vaten, die Sedekias, de zoon van Josias en koning van Juda, had laten vervaardigen, 9 nadat Nabukodonosor, de koning van Babel, Jekonias met de aanvoerders, bankwerkers, edelen en het gewone volk uit Jerusalem had weggevoerd, en naar Babel had overgebracht. 10 Zij schreven: "Hierbij zenden wij u geld; koopt voor dit geld brandoffers, zoenoffers en wierook, en richt een spijsoffer aan, om het op te dragen op het altaar van den Heer, onzen God. 11 Bidt ook voor het welzijn van Nabukodonosor, den koning van Babel, en van zijn zoon Baltassar, opdat hun dagen even lang mogen duren als die van de hemel boven de aarde; 12 en opdat de Heer ons kracht moge schenken en onze ogen verlichten, om in de schaduw van Nabukodonosor, den koning van Babel, en zijn zoon Baltassar te blijven leven, hun lange tijd dienstbaar te zijn, en genade in hun ogen te vinden. 13 Bidt ook voor ons tot den Heer, onzen God; want wij hebben gezondigd tegen den Heer, onzen God, en de grimmige toorn des Heren is tot heden toe niet van ons afgewend. 14 Bovendien moet gij dit boek, dat wij u ter lezing toezenden, op feestdagen en hoogtijden in het huis des Heren hardop voorlezen." 15 De Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten heden blozen van schaamte: wij, de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem, 16 met onze koningen en aanvoerders, met onze priesters en profeten, evenals onze vaderen. 17 Want wij hebben gezondigd tegen den Heer: 18 wij bleven tegen Hem in verzet, en luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, om naar de wetten des Heren te leven, die Hij ons had ge- geven. 19 Van de dag, dat de Heer onze vaders uit Egypteland heeft geleid, tot op de dag van vandaag, pleegden wij verzet tegen den Heer, onzen God, en waren wij lichtzinnig genoeg, om naar zijn stem niet te horen. 20 Zo moest ons de ramp en vloek wel treffen, die de Heer door Moses, zijn dienaar, had laten verkonden op de dag, dat Hij onze vaders uit Egypteland leidde, om ons een land te geven, dat druipt van melk en honing, zoals het heden nog doet. 21 Neen, wij luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, ondanks alle vermaningen der profeten, die Hij ons heeft gezonden. 22 Wij bleven allen de lusten volgen van ons verdorven hart, om vreemde goden te dienen, en kwaad te doen in de ogen des Heren.}

INHOUD | [Baruch]

Hoofdstuk 2

1 {\cf2Daarom deed ook de Heer zijn woord gestand, dat Hij gesproken had tegen ons, tegen onze leiders die Israël bestuurden, tegen onze koningen en vorsten, en tegen de mannen van Israël en Juda: 2 dat Hij over ons een grote rampspoed zou brengen, en dat Jerusalem zou worden getroffen, zoals nog nooit was gebeurd onder heel de hemel; dat zoals in Moses' wet staat geschreven, 3 ieder van ons het vlees van zijn eigen zoon, het vlees van zijn eigen dochter zou eten. 4 Hij leverde hen over in de macht van alle koninkrijken, die ons omringen, en maakte hen tot spot en hoon bij alle omliggende volken, waaronder de Heer hen had verstrooid. 5 Zo werden ze vernederd in plaats van te heersen, omdat wij gezondigd hadden tegen den Heer, onzen God, door niet te luisteren naar zijn stem. 6 Ja, de Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten blozen van schaamte, evenals onze vaderen. 7 Al de rampen, waarmee de Heer ons gedreigd had, zijn over ons uitgestort. 8 Wij hebben 's Heren aanschijn niet verzoend, door ons allen af te keren van de neigingen van ons verdorven hart. 9 Daarom bleef de Heer op de rampen bedacht, en stortte de Heer ze over ons uit. 10 Want de Heer is rechtvaardig in al zijn daden, die Hij over ons heeft besloten; maar wij luisterden niet naar zijn stem, en leefden niet naar de geboden, die de Heer ons had voorgeschreven. 11 Nu dan Heer, Israëls God, die uw volk uit het land van Egypte hebt geleid met krachtige hand, met tekens en wonderen, met grote macht en gespierde arm, en zó U een naam hebt verworven tot op de huidige dag: 12 Heer, onze God, wij hebben gezondigd, goddeloos gehandeld, misdaan tegen al uw geboden! 13 Ach, wend toch uw gramschap van ons af; want van ons zijn er maar weinigen overgebleven onder de volken, waaronder Gij ons hebt verstrooid. 14 Heer, verhoor ons bidden en smeken: Red ons toch om Uwentwil, en laat ons genade vinden bij hen, die ons hebben verbannen; 15 opdat de hele aarde wete, dat Gij de Heer zijt, onze God, en dat Israël en zijn geslacht naar Uw Naam is genoemd. 16 Heer, zie neer uit uw heilige woning, en wil ons gedenken; Heer, neig uw oren en luister, 17 open uw ogen en zie! Neen, niet de doden in de onderwereld, wie de adem uit de borst is genomen, kunnen de glorie des Heren en zijn gerechtigheid prijzen; 18 maar de ziel, die ten diepste bedroefd is, hij die gebukt gaat en gebroken, de smachtende ogen, de verhongerde geest prijzen uw glorie en gerechtigheid, o Heer! 19 Neen, niet op grond der verdiensten van onze vaderen en koningen leggen wij ons gebed voor U neer, Heer, onze God! 20 Neen, Gij hebt uw grimmige toorn op ons losgelaten, zoals Gij door de profeten, uw dienaars, gezegd had: 21 "Zo spreekt de Heer! Buigt uw nek, en dient den koning van Babel; dan zult ge in het land blijven wonen, dat Ik uw vaderen heb gegeven. 22 Maar wanneer ge niet luistert naar de stem van den Heer, en den koning van Babel niet dient, 23 dan zal Ik in de steden van Juda en in Jerusalems omgeving de kreten van vreugde en blijdschap verstommen, de jubel van bruidegom, de jubel der bruid, en het hele land zal een wildernis worden zonder bewoners". 24 Maar wij luisterden niet naar uw bevel, om den koning van Babel te dienen; toen hebt Gij uw woord in vervulling doen gaan, dat Gij gesproken hebt door de profeten, uw dienaars: dat het gebeente van onze koningen en onze vaderen uit de graven zou worden geworpen. 25 En zie, het is er uitgeworpen voor de hitte overdag, en voor de koude des nachts; ze zijn gestorven door de ergste plagen, door de honger, het zwaard en de pest; 26 en de tempel, waarover uw Naam was uitgeroepen, hebt Gij om de misdaad van het huis van Israël en Juda getroffen, zoals hij heden nog ligt. 27 Maar Gij zult met ons handelen, Heer onze God, naar heel uw goedheid en naar de volheid van uw grote ontferming, 28 zoals Gij beloofd hebt door Moses, uw dienaar, toen Gij hem hebt bevolen, uw wet aan de kinderen Israëls voor te schrijven: 29 "Wanneer ge niet luistert naar mijn stem, dan zal deze grote en talrijke schare een nietig hoopje worden onder de volkeren, waaronder Ik ze verstrooien zal; 30 ja, Ik weet, dat zij niet naar Mij zullen horen, want het is een halsstarrig volk. Maar in het land hunner ballingschap zullen zij tot inkeer komen, 31 en erkennen, dat Ik de Heer ben, hun God. Dan zal Ik hun een gewillig hart en gewillige oren verlenen: 32 en zij zullen Mij in het land hunner ballingschap loven, en mijn Naam weer gedenken; 33 zij zullen zich van hun halsstarrigheid en boze werken bekeren, indachtig het lot hunner vaderen, die gezondigd hebben tegen den Heer. 34 Dan breng Ik ze terug naar het land, dat Ik hun vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob, met een eed heb beloofd; zij zullen er bezit van nemen en Ik zal ze vermeerderen, en nooit meer worden ze klein. 35 Dan zal Ik een eeuwig verbond met hen sluiten: Ik zal hun God, zij zullen mijn volk zijn; en nooit meer zal Ik Israël, mijn volk, uit het land verdrijven, dat Ik hun heb geschonken!"}

INHOUD | [Baruch]

Hoofdstuk 3

1 {\cf2Welnu dan, almachtige Heer, Israëls God: een bedrukte ziel en een bekommerd gemoed roept tot U! 2 Luister toch, Heer, en ontferm U onzer, want wij hebben gezondigd tegen U! 3 Gij troont voor eeuwig; en wij zouden voor immer te gronde gaan? 4 Almachtige Heer, Israëls God; verhoor toch het smeken van Israël, dat de dood zo nabij is; van de zonen van hen, die tegen U hebben gezondigd, die niet naar de stem van U, hun God, wilden horen, en over zich de rampen hebben gebracht. 5 Neen, gedenk niet de zonden onzer vaderen; denk thans aan uw macht en uw Naam! 6 Gij zijt de Heer, onze God; wij willen U loven, o Heer! 7 Want daarom hebt Gij de vrees voor U in ons hart gelegd, dat wij uw Naam zouden aanroepen. Nu loven wij U in het land onzer ballingschap; want wij hebben ons hart ontlast van al de boosheid onzer vaderen, die tegen U hebben gezondigd. 8 En toch moeten wij thans nog in onze ballingschap blijven, op de plaats waar Gij ons hebt verstrooid als een hoon en een vloek, als een boete voor de zonden onzer vaderen, die den Heer, hun God, hebben verlaten! 9 Israël, hoor de geboden des levens, Luister aandachtig, om verstandig te worden! 10 Hoe komt het Israël, Dat gij in het land der vijanden toeft, En op vreemde bodem verkwijnt; Dat gij onrein zijt geworden als lijken, 11 Op één lijn gesteld met die in het graf zijn gedaald? 12 Gij hebt de Bron der wijsheid verlaten! 13 Wanneer ge de weg van God hadt bewandeld, Dan hadt ge in eeuwige vrede gewoond. 14 Leer derhalve, waar de wijsheid is, Waar kracht, waar beleid zijn te vinden: Dan weet ge meteen, waar lengte van dagen en leven, Waar stralende ogen en vrede zijn! 15 Maar wie heeft ooit haar plaats gevonden, Wie drong tot haar schatkamers door? 16 Waar zijn de heersers der volken, Die zelfs de dieren der aarde temden, 17 En speelden met de vogels uit de lucht? Waar zijn ze, die goud en zilver hebben geschraapt, Waarop de mensen vertrouwen; Wier bezittingen eindeloos zijn, 18 Maar die toch voor wat geld Blijven zwoegen en slaven? Hun werken vindt men niet meer, 19 Zelf zijn ze verdwenen, neergedaald in het graf; Anderen zijn in hun plaats gekomen, 20 Een nieuw geslacht heeft het licht aanschouwd, de aarde bewoond! Maar ook zij kenden de weg naar de wijsheid niet, 21 Noch waren met haar paden vertrouwd; Ook hun zonen begrepen haar niet, En hielden zich ver van haar wegen. 22 Nooit werd zij in Kanaän vernomen, Nooit in Teman aanschouwd. 23 Ook de zonen van Hagar, Die aardse schranderheid zoeken, De kooplui van Medan en Tema, Die spreuken dichten, en zo knap willen zijn, Kenden de weg naar de wijsheid niet, Noch waren vertrouwd met haar paden. 24 Israël, hoe groot is Gods woning, hoe uitgestrekt zijn bezit, 25 Hoe groot en eindeloos, hoe hoog en onmetelijk! 26 Daar werden de reuzen geboren, de beroemde mannen van vroeger, Hoog van gestalte, bekwaam in de strijd; 27 Maar hen heeft God niet uitverkoren, De weg der wijsheid niet geleerd: 28 Ze gingen te gronde, omdat hun de wijsheid ontbrak, Door hun dwaasheid kwamen zij om! 29 Wie steeg op naar de hemel, en haalde ze daar; Wie bracht ze uit de wolken omlaag; 30 Wie ploegde de zee, en ontdekte haar, En verwierf haar voor het kostbaarste goud? 31 Neen, geen mens kent haar wegen, Niemand is vertrouwd met haar pad: 32 Hij alleen kent ze, die alles weet; Hij heeft ze met zijn blik doorvorst. Hij, die de aarde grondde voor eeuwig, En ze met dieren heeft bevolkt; 33 Die het licht uitzendt, en het gaat, Het terugroept, en het gehoorzaamt al bevend! 34 De sterren flonkeren op haar posten, En stralen van vreugd; (3-35) Hij roept haar, ze zeggen: Hier zijn we! Ze lichten vol vreugde voor Hem, die ze schiep. 35 (3-36) Dat is onze God: Geen ander is aan Hem gelijk! 36 (3-37) Hij heeft al de wegen der wijsheid gevonden, Haar geopenbaard aan Jakob, zijn dienaar, en Israël zijn vriend. 37 (3-38) Toen is zij op de aarde verschenen, En heeft met de mensen verkeerd:}

INHOUD | [Baruch]

Hoofdstuk 4

1 {\cf2(1a) Zij is het Boek van Gods geboden, De Wet, die voor eeuwig bestaat! (1b) Die haar behouden, verkrijgen het leven, Die haar verlaten, de dood. 2 Jakob, wend u tot haar, en houd haar vast, En wandel in de glans van haar licht. 3 Geef aan anderen uw glorie niet weg, Uw voorrecht niet aan vreemde volken! 4 Israël, hoe zijn wij gelukkig: Want ons is bekend, wat Gode behaagt! 5 Houd moed, mijn volk; Israël, blijf het gedenken: 6 Niet ter vernieling zijt ge aan de heidenen verkocht, Maar aan uw vijand uitgeleverd, omdat ge God hebt getart. 7 Want ge hebt uw Schepper vergramd, Door aan duivels te offeren, niet aan God; 8 Ge hebt den eeuwigen God vergeten, die u spijsde, Jerusalem bedroefd, die u voedde! 9 Zo zag zij Gods gramschap over u komen, en sprak: Hoort, gij volken rond Sion: Een grote droefheid heeft God mij bereid; 10 Want ik heb de verbanning moeten aanschouwen Van mijn zonen en dochters, Die de Eeuwige over hen heeft gebracht! 11 Met vreugde heb ik ze groot gebracht; Met wenen en klagen liet ik ze gaan! 12 Laat niemand zich vrolijk over mij maken: Een weduwe, door zo velen verlaten, Eenzaam geworden, omdat mijn kinderen hebben gezondigd, Zijn afgeweken van Gods wet; 13 Omdat zij zijn rechten hebben miskend, De wegen van Gods geboden niet hebben bew andeld, De paden der tucht niet hebben betreden Volgens zijn gerechtigheid. 14 Komt, gij volken rond Sion; Denkt aan de ballingschap van mijn zonen en dochters! 15 Want Hij joeg een ver-verwijderd volk op hen af, Een schaamteloos volk, met vreemde spraak: Dat geen eerbied had voor den grijsaard, Geen medelijden met het kind, 16 De lievelingen der weduwen heeft weggesleurd, De eenzame van haar dochters beroofd! 17 Hoe zou ik u kunnen helpen? 18 Die uw onheil voltrok, redt u uit de macht van uw vijand! 19 Trekt weg, kinderen; ach, trekt weg; Want ik moet eenzaam achterblijven. 20 Ik legde het kleed van vrede af, En sloeg de zak van mijn ellende om; Maar ik zal tot den Eeuwige blijven roepen, Mijn leven lang! 21 Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Hij zal u redden uit het geweld En uit de macht der vijanden. 22 Ja, ik vertrouw, dat de Eeuwige u zal bevrijden, En dat ik van den Heilige vreugde zal ontvangen, Om de ontferming, waaraan ge spoedig deelachtig zult worden, Van den Eeuwige, uw Verlosser! 23 Met wenen en klagen liet ik u gaan, Maar God brengt u mij terug Tot eeuwige blijdschap en vreugde! 24 Zoals Sions buren thans uw verbanning aanschouwen, Zo zullen ze spoedig uw verlossing zien, Die door God wordt bewerkt, Die uw deel zal worden Met grote luister en eeuwige glorie. 25 Kinderen, verdraagt dan geduldig de gramschap, Die God over u heeft uitgestort. Zeker, de vijand heeft u vervolgd, Maar spoedig zult ge zijn ondergang zien, Uw voeten zetten op zijn nek. 26 Mijn tere kinderen moesten ruwe wegen begaan, Weggesleept als een kudde, Buit gemaakt door den vijand. 27 Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Want Hij, die u dit heeft berokkend, Zal u gedenken. 28 Zoals ge geneigd waart, af te dwalen van God, Zo beijvert u tienmaal meer, Hem te zoeken; 29 Want Hij, die over u de rampen deed komen, Zal u redding en eeuwige vreugde verschaffen! 30 Jerusalem, houd moed; Die u zijn naam gaf, zal u troosten! 31 Maar wee over hen, die u hebben mishandeld, En zich verheugden over uw val. 32 Wee over de steden, Waaraan uw kinderen dienstbaar werden; Wee over haar, Die uw zonen in ballingschap nam. 33 Waarachtig, zoals ze zich over uw val heeft verheugd, En over uw ondergang zich vrolijk gemaakt, Zo zal zij jammeren Over haar eigen verwoesting. 34 Ik zal haar de vreugde over haar grote bevolking ontnemen, En haar trots zal in droefheid vergaan; 35 Want de Eeuwige stort vuur op haar uit in lengte van dagen, Door duivels zal zij worden bewoond, lange tijd! 36 Jerusalem, sla uw ogen op naar het oosten, En aanschouw de vreugde, die God u zendt! 37 Zie daar komen uw zonen, Die gij moest laten vertrekken; Daar komen zij van de opgang der zon Tot haar ondergang, Bijeengebracht door het woord van den Heilige, Stralend van vreugde door de glorie van God!}

INHOUD | [Baruch]

Hoofdstuk 5

1 {\cf2Jerusalem, leg af het gewaad van uw droefheid en nood, En bekleedt u voor eeuwig met de stralende glorie van God; 2 Sla de mantel der gerechtigheid om, door God u geschonken, Zet op uw hoofd de gloriekrans, waarmee de Eeuwige u kroont! 3 Want God zal uw stralenkrans tonen Aan heel de aarde onder de hemel; 4 Een naam voor eeuwig zal God u geven: "Vrede der gerechtigheid, Glorie van vroomheid!" 5 Op, Jerusalem, bestijg de hoogte, en blik naar het oosten: Zie uw zonen, bijeengebracht door het woord van den Heilige Van de opgang der zon tot haar ondergang, Vol vreugde, dat God ze gedenkt! 6 Waarachtig, te voet zijn ze van u heengegaan, Weggesleept door den vijand, Maar God brengt ze tot u terug, In glorie gedragen als op een koningstroon. 7 Want God heeft bevolen, iedere hoge berg En eeuwige heuvelen te slechten, De dalen tot een effen bodem te vullen, Opdat Israël veilig kan gaan in de glorie van God; 8 En de wouden en alle geurende bomen Werpen op Israël hun schaduw, naar Gods bevel! 9 Ja, God geleidt Israël, vol vreugd door het licht van zijn glorie, Met zijn ontferming en gerechtigheid!}

INHOUD | [Baruch]

Hoofdstuk 6

1 {\cf2Afschrift van de brief, die Jeremias gericht heeft aan hen, die op het punt stonden, door den koning der Babyloniërs in ballingschap naar Babel te worden gebracht, om hun te verkonden, wat hem door God was gelast. 2 (6-1) Om de zonden, die gij tegen God hebt bedreven, wordt gij door Nabukodonosor, den koning der Babyloniërs, in ballingschap naar Babel gebracht. 3 (6-2) En wanneer ge in Babel zijt aangekomen, zult ge daar vele jaren en lange tijd verblijven, gedurende zeven geslachten; maar dan breng Ik u vandaar in vrede terug. 4 (6-3) Nu zult ge in Babel zilveren, gouden en houten goden aanschouwen, die op de schouders worden rondgedragen, en die de heidenen vrees aanjagen. 5 (6-4) Zorgt er dan voor, dat ge die onbesnedenen niet navolgt, en dat ook gij ze niet vreest, 6 (6-5) wanneer ge ziet, hoe de drommen, die hen vooruitgaan en volgen, hen aanbidden. Neen, ge moet bij uzelve zeggen: U moet men aanbidden, o Heer! 7 (6-6) Want mijn engel is in uw midden, die het op u wreken zal. 8 (6-7) Want hun tong is door een werkman glad gepolijst, en al zijn ze met goud en zilver overtrokken, ze blijven een leugen, en kunnen niet spreken. 9 (6-8) Als voor een pronkerig meisje neemt men goud, 10 (6-9) om er kronen van te maken voor de hoofden van hun goden; zo de priesters tenminste hun goden niet van het goud en zilver beroven, en het voor zichzelf behouden, 11 (6-10) of er de hoeren van geven in de bordelen. Dan trekken zij die zilveren, gouden en houten goden als mensen mooie kleren aan; 12 (6-11) maar daardoor zijn ze nog niet bestand tegen roest en mot. En al zijn ze in purper gestoken, 13 (6-12) toch moeten ze hun gezicht laten wassen van het stof van de tempel, dat er vingerdik op ligt. 14 (6-13) Dan heeft hij nog een schepter als een plattelandsrechter, die niet eens kan doden, die zich tegen hem vergrijpt. 15 (6-14) Ook draagt hij in zijn rechterhand een zwaard en een bijl, maar hij kan zich tegen vijand noch rovers verweren. Zo is het duidelijk, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet! 16 (6-15) Zoals een schotel iemand nergens toe dient, als hij stuk is, 17 (6-16) zo is het ook met hun goden gesteld. Wanneer ze in hun tempels staan, raken hun ogen vol stof, opgejaagd door de voeten van hen die binnenkomen; 18 (6-17) en zoals men voor iemand, die majesteitsschennis bedreef en ter dood is veroordeeld, aan alle kanten de gevangenis afsluit, zo sluiten de priesters ze in hun tempels op achter deuren, sloten en balken, opdat ze niet door rovers worden gestolen. 19 (6-18) Dan steken ze veel licht voor hen aan, ofschoon niemand hunner kan zien. 20 (6-19) Ze lijken op balken in de tempel, wier hart wordt weggevreten, zoals men dat zegt; ze merken niet eens, wanneer ze met kleren en al door wormen uit de aarde worden weggeknaagd. 21 (6-20) Hun gezicht wordt zwart van de rook in de tempel; 22 (6-21) op hun lijf en hun hoofd fladderen vleermuizen, zwaluwen en andere vogels; ook de katten springen er op. 23 (6-22) Zo kunt ge zien, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet! 24 (6-23) Wanneer men de roest niet wegpoetst van het goud, waarmee ze zijn opgesmukt, dan blinken ze niet; ze voelen het niet eens, wanneer ze worden gegoten. 25 (6-24) En ofschoon ze geen levensadem hebben, worden ze voor de duurste prijs gekocht. 26 (6-25) Ze hebben geen voeten, en moeten op de schouders worden gedragen; zo laten zij de mensen hun nietigheid zien; maar ook die ze dienen, moeten zich schamen. 27 (6-26) En wanneer er dan een op de grond valt, kan hij uit zichzelf niet meer opstaan; wanneer iemand hem overeind heeft gezet, beweegt hij zich niet; wanneer hij scheef staat, komt hij niet recht. Neen, als aan doden zet men hun offergaven voor; 28 (6-27) hun priesters verkopen hun offers voor eigen gewin, of de vrouwen pekelen ze in, zonder er iets aan de armen en behoeftigen van te geven; 29 (6-28) en vrouwen in maandstonden en bij bevalling raken ze aan. Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet! 30 (6-29) Hoe kan men ze dan nog goden noemen? Vrouwen zetten die zilveren, gouden en houten goden spijzen voor; 31 (6-30) de priesters lopen in hun tempels rond met gescheurde kleren geschoren hoofden en baarden, het hoofd onbedekt, 32 (6-31) en huilen en gillen voor hun goden, zoals men dat doet bij een dodenmaal; 33 (6-32) de priesters nemen hun de kleren af, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen. 34 (6-33) Of ze van iemand kwaad of goed ondervinden, ze zijn niet in staat, het te vergelden. Ze kunnen een koning aanstellen noch afzetten; 35 (6-34) evenmin kunnen ze rijkdom schenken of geld. Wanneer iemand hun een gelofte doet, die hij niet houdt, kunnen ze niet straffen. 36 (6-35) Ze redden geen mens van de dood, en bevrijden geen zwakke uit de macht van den sterke. 37 (6-36) Een blinde geven ze het gezicht niet terug; die in nood verkeert, helpen ze niet. 38 (6-37) Over een weduwe weten ze zich niet te ontfermen, voor een wees niet te zorgen. 39 (6-38) Neen, ze lijken op steenklompen uit de bergen, die houten, vergulde en verzilverde maaksels; en die ze dienen, moeten zich schamen. 40 (6-39) Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn? 41 (6-40) De Chaldeën zelf onteren ze. Want wanneer ze een stomme zien, die niet kan spreken, dan halen ze Bel, en vragen hem, dat hij den stomme laat spreken, alsof hij iets kon verstaan. 42 (6-41) En ofschoon ze het tegendeel weten, houden zij er toch niet mee op, omdat ze te dom zijn. 43 (6-42) De vrouwen zitten, met strikken omhangen, langs de wegen, zemelen te branden. 44 (6-43) Zo dikwijls dan een van haar door een voorbijganger is meegenomen, en gemeenschap met hem heeft gehad, hoont ze haar buurvrouw, omdat die dezelfde eer nog niet heeft genoten, en haar strikken nog niet zijn verscheurd. 45 (6-44) Leugen is al wat er voor hen gebeurt. Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn? 46 (6-45) Ze worden door werklui en goudsmeden gemaakt, en kunnen niets anders worden, dan de werklieden er van willen maken. 47 (6-46) Welnu, die ze maken, worden niet oud; 48 (6-47) hoe zou het dan anders gaan met hun maaksel? Zo laten ze hun nageslacht enkel ontgoocheling achter, en smaad. 49 (6-48) Want als er oorlog of onheil over hen losbarst, beraadslagen de priesters onder elkander, waar zich met hen te verschuilen. 50 (6-49) Hoe is het dan mogelijk, dat men niet inziet, dat ze geen goden kunnen zijn, daar ze zichzelf niet kunnen redden uit oorlog en onheil? 51 (6-50) Maar tenslotte zal men erkennen, dat die houten, vergulde en verzilverde maaksels leugen zijn; alle volken en koningen zal het duidelijk worden, dat ze geen goden zijn, maar enkel maaksel van mensenhanden, en dat men bij hen geen goddelijke daden moet zoeken. 52 (6-51) Wie wil dan nog een bewijs, dat ze geen goden zijn? 53 (6-52) Ze stellen over een land geen koning aan, noch kunnen ze de mensen een heerser geven. 54 (6-53) Ze zijn niet in staat, hun recht te verschaffen, noch hen voor onrecht te hoeden. 55 (6-54) Ze lijken op kraaien tussen hemel en aarde. Want als er brand uitbreekt in de tempel van die houten, vergulde en verzilverde goden, dan slaan wel de priesters op de vlucht en worden gered, maar zelf branden ze als balken middendoor. 56 (6-55) Ook koningen en vijanden kunnen ze geen weerstand bieden. 57 (6-56) Hoe kan men dan aannemen of denken, dat zij goden zijn! Ook voor dieven en rovers zijn die houten, verzilverde en vergulde goden niet veilig. 58 (6-57) Die zijn hun de baas, stelen het goud en het zilver, en gaan aan de haal met de kleren, waarmee ze bekleed zijn, zonder dat ze zich kunnen verdedigen. 59 (6-58) Daarom is een koning die zijn macht kan tonen, of nuttig huisraad waarvan de eigenaar zich kan bedienen, er beter aan toe dan die valse goden; of een huisdeur, die wat binnen is beveiligt, er beter aan toe dan die valse goden; of een houten zuil in het koninklijk paleis er beter aan toe dan die valse goden. 60 (6-59) De zon, de maan en de sterren, hoe mooi zij ook glanzen, moeten gehoorzamen en op hun post blijven staan tot nut van de mensen. 61 (6-60) Ook de bliksem is mooi, als hij flikkert; ook de wind, die over alle landen waait. 62 (6-61) En als God de wolken gebiedt, over heel de aarde te trekken, dan volbrengen zij het bevel; 63 (6-62) ook het vuur, van boven gezonden om bergen en wouden te verteren, volbrengt het bevel. Maar die maaksels evenaren hen in schoonheid noch kracht. 64 (6-63) Daarom mag men denken noch zeggen, dat ze goden zijn; want ze hebben geen macht om te richten, of goed te doen aan de mensen. 65 (6-64) Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet! 66 (6-65) De koningen kunnen zij vloeken noch zegenen; 67 (6-66) de volkeren geen tekens geven aan de hemel, niet eens stralen als de zon, of glans verspreiden als de maan. 68 (6-67) De dieren zijn er beter aan toe; die kunnen naar een schuilplaats vluchten, en zichzelf tenminste nog redden. 69 (6-68) Zo is het onder ieder opzicht klaar, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet! 70 (6-69) Die houten, vergulde en verzilverde goden be- veiligen evenmin als een vogelverschrikker op een veld met komkommers, 71 (6-70) of een doornhaag om een tuin, waarop alle vogels gaan zitten. Ook gelijken hun houten, vergulde en verzilverde goden op lijken, die men in de duisternis werpt; 72 (6-71) aan het purper en lijnwaad 8, dat op hen ligt te rotten, kan men erkennen, dat ze geen goden zijn; tenslotte worden zij zelf weggevreten, en worden een schande voor het land. 73 (6-72) De rechtvaardige, die geen goden bezit, is er dus beter aan toe; want hij blijft van schande bevrijd!}