De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Ester

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10]

Hoofdstuk 1

1 {\cf2[1 In het tweede jaar der regering van den groten koning Achasjwerosj, op de eerste dag van Nisan, had een zekere Mordokai een droom Hij was de zoon van Jaïr, den zoon van Sjimi, zoon van Kisj, uit de stam van Benjamin; 2 hij was een Jood, die in de stad Sjoesjan woonde, een man van aanzien, die aan het hof des konings diende, 3 en behoorde tot de bannelingen, die Nabukodonosor, de koning van Babel, tegelijk met koning Jekonias van Juda, uit Jerusalem had weggevoerd. 4 En dit was zijn droom: Er ontstond opeens een hevig lawaai; het donderde, de grond beefde en er kwam ontsteltenis over de aarde. 5 Nu verschenen er twee grote draken, die luid brullend gereed stonden om elkaar te bestrijden.6 Hun gebrul vuurde alle volkeren aan tot de strijd, om het volk der rechtvaardigen te bekampen. 7 Toen brak een dag van dikke duisternis aan; benauwdheid en verdrukking, rampen en grote verschrikking werden over de aarde uitgestort. 8 Heel het rechtvaardige volk werd met ontzetting geslagen; want het vreesde het ergste, en bereidde zich op de ondergang voor. Maar toen riep het ook tot God; 9 en zijn geroep groeide aan, zoals een klein, nietig beekje zwelt tot een grote, machtige waterstroom. 10 Daarop werd het licht en de zon ging op; de vernederden werden verheven en verzwolgen hen die in aanzien stonden. 11 Toen Mordokai in dit droomgezicht gezien had, wat God besloten had te doen, ontwaakte hij; maar tot aan de volgende nacht bleef zijn geest er mee bezig, en deed hij zijn best, de betekenis ervan te achterhalen. 12 Eens sliep Mordokai in de voorhof van het paleis, terwijl de twee koninklijke kamerlingen, Bigtan en Téresj, de wacht hielden. 13 Hij hoorde hen praten, bemerkte hun omzichtigheid, en vernam, dat zij een aanslag voorbereidden op koning Achasjwerosj. Hij bracht hen bij den koning aan, 14 en deze nam de twee kamerlingen in verhoor. Toen zij bekend hadden, werden ze terechtgesteld. 15 De koning liet dit alles in de kronieken opschrijven, en Mordokai schreef daarover eveneens een eigen bericht. 16 Daarna beval de koning Mordokai, in de voorhof dienst te nemen, en gaf hem ter beloning geschenken. 14 Maar de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, die bij den koning in hoog aanzien stond, zocht naar een gelegenheid, om Mordokai en zijn volk kwaad te doen, omdat de twee koninklijke kamerlingen waren gedood.]} Hierna gebeurde het, dat Achasjwerosj, die van Hoddoe tot Koesj over honderd zeven en twintig provincies regeerde, 2 en op zijn koninklijke troon in de vesting Sjoesjan zetelde, 3 in het derde jaar zijner regering een feest gaf voor al zijn vorsten en hovelingen. De leger oversten der Perzen en Meden, de adel en de vorsten der provincies waren daarbij tegenwoordig, en 4 honderd tachtig dagen lang spreidde hij de rijkdom van zijn koninklijke heerlijkheid en de luistervolle pracht van zijn grootheid ten toon. 5 Op het einde daarvan richtte de koning voor al het volk, dat zich in de vesting Sjoesjan bevond, van den aanzienlijksten tot den geringsten, in de tuin van het koninklijk paleis een feestmaal aan, dat zeven dagen duurde. 6 Over zilveren bogen, die op marmeren zuilen rustten, was wit linnen gespannen, en met rode en witte koorden waren daaraan bonte en violette doeken bevestigd. Daaronder stonden op een mozaiekvloer van wit en gekleurd marmer, van paarlemoer en kostbare steen, gouden en zilveren rustbedden. 7 In gouden bekers, de een al mooier dan de andere, schonk men met koninklijke mildheid kostelijke wijn in overvloed. 8 Maar op koninklijk bevel werd niemand tot drinken gedwongen; want de koning had al zijn hofmeesters last gegeven, dat men iedereen moest bedienen, zoals hij verkoos. 9 Intussen had ook koningin Wasjti in het paleis van koning Achasjwerosj een maaltijd aangericht voor de vrouwen. 10 Toen de koning nu, op de zevende dag, vrolijk was van de wijn, beval hij Mehoeman, Bizta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas, de zeven kamerlingen, die bij koning Achasjwerosj dienst deden, 11 koningin Wasjti met de koninklijke kroon op het hoofd voor den koning te geleiden, om haar schoonheid aan de volken en vorsten te tonen; want ze was bijzonder mooi. 12 Koningin Wasjti verzette zich echter tegen het bevel van den koning, dat haar door de kamerlingen werd overgebracht, en weigerde te komen. Toen ontstak de koning in vreselijk heftige toorn, 13 en raadpleegde terstond de wijzen, die de tijden berekenen. Want in zulke gevallen overlegt de koning met alle kenners van recht en wet, 14 die aan zijn hof zijn; het waren Karsjena, Sjetar, Admata, Tarsjisj, Méres, Marsena en Memoekan, de zeven vorsten der Perzen en Meden, vertrouwelingen van den koning, die de eerste plaatsen in het rijk bekleedden. 15 Hij vroeg hun, wat men volgens het recht met koningin Wasjti moest doen, nu zij niet gehoorzaamd had aan het bevel van koning Achasjwerosj, dat haar door de kamerlingen was overgebracht. 16 Hierop zei Memoekan tot den koning en de vorsten: Niet alleen tegen den koning heeft koningin Wasjti misdreven, maar ook tegen alle vorsten en volkeren in alle provincies van koning Achasjwerosj. 17 Want het optreden van de koningin zal aan alle vrouwen bekend worden, en zij zullen ongezeglijk worden voor haar mannen, wanneer men vertelt: Koning Achasjwerosj heeft koningin Wasjti bevolen, voor hem te verschijnen, maar zij is niet gekomen. 18 Ook de vorstinnen der Perzen en Meden zullen het optreden van de koningin vernemen, en het onmiddellijk aan al de vorsten van den koning vertellen; en het gevolg zal zijn: ongezeglijkheid en nukken. 19 Wanneer het dus den koning behaagt, worde namens hem een koninklijk bevel uitgevaardigd en in de wetten van Perzen en Meden opgenomen, zodat het onherroepelijk is: dat Wasjti niet meer voor Achasjwerosj mag verschijnen, en dat de koning haar koninklijke waardigheid overdraagt op een andere, die beter is dan zij. 20 Wanneer deze beslissing, door den koning genomen, in heel zijn koninkrijk, hoe groot dit ook is, bekend wordt, zullen alle vrouwen, van de aanzienlijkste tot de geringste, haar mannen eerbiedigen. 21 De raad van Memoekan vond bijval bij den koning en de vorsten, en de koning handelde er naar. 22 Hij zond brieven naar alle koninklijke provincies, naar iedere provincie in haar eigen schrift en naar ieder volk in zijn eigen taal, dat iedere man heer en meester zou zijn in zijn eigen huis, en bevelen kon wat hem goed dacht.

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 2

1 Toen enige tijd later zijn toorn was bedaard, begon koning Achasjwerosj over Wasjti te tobben, over wat zij had gedaan en over de beslissing, die men tegen haar had getroffen. 2 Daarom zeiden de jongemannen, die den koning bedienden: Men moet voor den koning bekoorlijke jonge meisjes gaan zoeken. 3 De koning stelle dus in alle provincies van zijn rijk beambten aan, die alle bekoorlijke jonge meisjes moeten opzoeken en naar de vesting Sjoesjan in het vrouwenpaleis brengen, onder de hoede van ‘s konings kamerling Hege, die de vrouwen bewaakt. Men moet haar de nodige schoonheidsmiddelen bezorgen, 4 en het meisje, dat den koning behaagt, zal koningin worden in plaats van Wasjti. Deze raad beviel den koning, en hij volgde hem op. 5 Nu woonde er in de vesting Sjoesjan een Jood, Mordokai genaamd, de zoon van Jaïr, den zoon van Sjimi, zoon van Kisj, een Benjamiet. 6 Deze was tegelijk met de ballingen, die met koning Jekonias van Juda waren vertrokken, door den babylonischen koning Nabukodonosor uit Jerusalem weggevoerd. 7 Mordokai was voogd over Hadassa, ook Ester geheten, die de dochter was van zijn oom, maar vader noch moeder meer had. Zij was schoon van gestalte en bekoorlijk van gelaat. Mordokai had haar bij de dood van haar vader en moeder als dochter aangenomen. 8 Toen dus het bevel en de verordening van den koning werd afgekondigd, en men vele meisjes in de vesting Sjoesjan onder de hoede van Hege bijeenbracht, werd ook Ester naar het koninklijk paleis meegenomen en onder de hoede van Hege, den bewaker der vrouwen, gesteld. 9 En daar het meisje hem behaagde en zijn gunst verwierf, haastte hij zich, haar schoonheidsmiddelen met spijs en drank te verschaffen; ook stelde hij zeven handige meisjes uit het koninklijk paleis ter harer beschikking, en liet haar met deze meisjes verhuizen naar het beste gedeelte van het vrouwenverblijf. 10 Ester had niet over haar volk en haar afkomst gesproken; want Mordokai had haar dit verboden. 11 Dagelijks wandelde Mordokai langs de voorhof van het vrouwenverblijf, om te vernemen, hoe Ester het maakte, en wat er met haar zou gebeuren. 12 Elk meisje kwam aan de beurt, om bij koning Achasjwerosj te komen, nadat het twaalf maanden volgens de verordening voor de vrouwen verzorgd was. Want zo lang duurde de voorbereiding; zes maanden werd zij behandeld met mirreolie en zes maanden met verschillende balsems en schoonheidsmiddelen voor vrouwen. 13 Als dan zo’n meisje naar den koning ging, werd haar al wat zij vroeg, uit het vrouwenverblijf naar het paleis van den koning meegegeven. 14 ‘s Avonds ging zij er heen, keerde ‘s morgens terug en bleef dan onder de hoede van ‘s konings kamerling Sjaäsjgaz, die de bijvrouwen bewaakte; dan kwam zij niet meer bij den koning terug, tenzij de koning dit wenste, en zij persoonlijk geroepen werd. 15 Toen nu Ester, de dochter van Abicháil, den oom van Mordokai, die haar als dochter had aangenomen, aan de beurt was, om naar den koning te gaan, vroeg zij niets dan wat Hege, de kamerling des konings, die de vrouwen bewaakte, haar aanbeval; maar met dat al viel zij bij iedereen, die haar zag, in de smaak. 16 Zo werd Ester tot koning Achasjwerosj geleid in de maand Tebet, de tiende maand, in het zevende jaar van zijn regering. 17 En de koning kreeg Ester meer lief dan alle andere vrouwen; want zij behaagde en bekoorde hem meer dan alle andere meisjes. Daarom plaatste hij de koninklijke kroon op haar hoofd, en verhief haar tot koningin in plaats van Wasjti. 18 Daarop richtte de koning een groot feestmaal aan voor al zijn vorsten en hovelingen, het Estermaal; hij verordende in de provincies kwijtschelding van straffen, en deelde met koninklijke mildheid geschenken uit. 19 Toen er nu voor de tweede maal meisjes werden bijeengebracht, zat Mordokai in de koninklijke poort. 20 Ester had op bevel van Mordokai niets over haar afkomst en haar volk verteld; want zij gehoorzaamde hem, alsof zij nog onder zijn voogdij stond. 21 Terwijl Mordokai dus in de koninklijke poort zat, kwamen twee koninklijke kamerlingen-dorpelwachters, Bigtan en Téresj, tegen koning Achasjwerosj in opstand en trachtten de hand aan hem te slaan. 22 Mordokai kwam dit te weten, en maakte het aan koningin Ester bekend. Deze vertelde het in naam van Mordokai aan den koning. 23 Toen de zaak onderzocht en waar bevonden was, werden de twee samenzweerders aan een paal opgehangen. Dit feit werd in het koninklijk kroniekboek opgetekend.

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 3

1 Enige tijd later verhief koning Achasjwerosj dezen Haman, den Agagiet, den zoon van Hammedata, tot de hoogste waardigheid en plaatste zijn zetel hoger dan die der andere vorsten, die bij hem waren. 2 En alle dienaren van den koning, die zich in het koninklijke poortgebouw bevonden, bogen voor Haman en wierpen zich voor hem neer; want dit had de koning ter ere van Haman gelast. Maar Mordokai boog niet, en wierp zich niet ter aarde neer. 3 Daarom zeiden de dienaren van den koning, die zich in het koninklijke poortgebouw bevonden tot Mordokai: Waarom overtreedt gij het bevel van den koning? 4 Maar toen hij niet naar hen wilde luisteren, ofschoon ze hem dagen lang hetzelfde zeiden, gingen zij het aan Haman vertellen, om te zien, of Mordokai dit vol kon houden; want hij had hun geantwoord, dat hij een Jood was. 5 Toen Haman dus zag, dat Mordokai niet boog en zich niet voor hem neerwierp, werd hij hevig vertoornd. 6 Maar het was hem te min, de hand alleen aan Mordokai te slaan; want men had hem verteld, tot welk volk Mordokai behoorde. Daarom zocht Haman naar een middel, om al de Joden, het volk van Mordokai, in heel het rijk van Achasjwerosj te vernietigen. 7 In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde regeringsjaar van koning Achasjwerosj, werd in het bijzijn van Haman het Poer of lot geworpen, en daardoor bepaald, in welke maand en op welke dag het geslacht van Mordokai in een enkele dag zou worden uitgeroeid. En het lot viel op de dertiende dag van de maand Adar, de twaalfde maand. 8 Nu sprak Haman tot koning Achasjwerosj: Er is een heel eigenaardig volk, dat in al de provincies van uw rijk onder de volkeren is verstrooid, maar toch afgezonderd van hen leeft. Het heeft andere wetten dan alle andere volkeren, en gehoorzaamt niet aan de wetten des konings. Het is dus niet goed, dat de koning het ongemoeid laat. 9 Wanneer de koning het goed vindt, worde een schriftelijk bevel uitgevaardigd, om het uit te roeien, en ik zal aan de beambten tien duizend talenten zilver afwegen ten bate van de koninklijke schatkist. 10 Hierop nam de koning zijn zegelring van zijn hand, gaf die aan den Agagiet Haman, den zoon van Hammedata, den doodsvijand der Joden, 11 en sprak tot hem: Dat geld is voor u, en met dat volk kunt ge doen wat ge wilt. 12 Zo werden dan op de dertiende dag van de eerste maand de koninklijke geheimschrijvers ontboden, en schreven al wat Haman beval aan de koninklijke stadhouders, de landvoogden der provincies en de vorsten der verschillende volkeren, aan iedere provincie in haar eigen schrift en aan ieder volk in zijn eigen taal. Het werd in naam des konings geschreven, en met de zegelring van den koning verzegeld. 13 De brieven werden met ijlboden naar alle koninklijke provincies verzonden; zij hielden het bevel in, dat men alle Joden moest doden, verdelgen en uitroeien, van jong tot oud, met vrouwen en kinderen, en wel op één en dezelfde dag, namelijk de dertiende van Adar, de twaalfde maand, en dat men hun bezittingen kon plunderen. {\cf2[1 Dit is het afschrift van de brief: De grote koning Achasjwerosj schrijft aan de landvoogden en de hun onderworpen plaatselijke overheden der honderd zeven en twintig provincies van Hoddai tot Koesj als volgt: 2 Ofschoon ik over vele volkeren heers en de hele wereld mij onderworpen is, heb ik mij niet in overmoedig vertrouwen op mijn macht willen verheffen, maar steeds getracht, met gematigdheid en goedheid te regeren. Om nu het leven mijner onderdanen voor goed voor onrust te bewaren, en het koninkrijk tot aan de uiterste grenzen veilig en bereisbaar te houden, heb ik besloten, de door allen zo vurig gewenste vrede opnieuw te verzekeren. 3 Toen ik nu mijn raadslieden vroeg, hoe dit het best kon worden bereikt, heeft Haman, die bij ons steeds door zijn gematigdheid uitmuntte, die zich onwrikbaar trouw heeft getoond, en daarom de tweede plaats in het rijk inneemt, 4 ons er op gewezen, dat onder alle volksstammen der wereld een zeker vijandig volk vermengd is, dat door zijn wetten met alle andere volken in botsing komt, zich nooit aan de voorschriften der koningen stoort, en daardoor ons onberispelijk beleid in het rijksbestuur niet tot zijn recht laat komen. 5 Wij hebben dus ingezien, dat enkel en alleen dit volk altijd met iedereen overhoop ligt, dat het volgens vreemde wetten anders dan anderen leeft, en in zijn vijandige gezindheid tegen ons welzijn de ergste misdaden bedrijft, waardoor het koninkrijk niet tot bestendige rust kan komen. 6 Daarom hebben wij bevolen, dat allen, die u worden aangewezen door de brieven van Haman, die over de rijksaangegelegenheden is aangesteld en ons een tweede vader is, op de dertiende van Adar, de twaalfde maand van dit jaar, met vrouwen en kinderen zonder genade en zonder medelijden door het zwaard hunner vijanden volkomen moeten worden vernietigd. 7 Onze vroegere en tegenwoordige vijanden moeten dus op één dag door geweld in de onderwereld afdalen, opdat wij in het vervolg altijd rustig en onbezorgd onze aangelegenheden kunnen behartigen.]} 14 Dit bevelschrift, dat in alle provincies als wet zou worden uitgevaardigd, moest bij alle volkeren worden voorgelezen, opdat men zich op de bepaalde dag gereed kon houden. 15 De ijlboden vertrokken dus op koninklijk bevel. En terwijl de wet ook in de vesting Sjoesjan werd uitgevaardigd, en de stad Sjoesjan in beroering kwam, zaten de koning en Haman rustig te drinken.

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 4

1 Toen Mordokai vernam, wat er allemaal was gebeurd, scheurde hij zijn klederen, deed een boetekleed aan, strooide as op zijn hoofd, en liep luid en bitter schreiend de stad door. 2 Voor het koninklijke poortgebouw bleef hij staan; want men mocht het in een rouwgewaad niet binnengaan. 3 Ook in de provincies brak bij de Joden overal een luid gejammer los, zodra het bevelschrift bekend werd; zij vastten, weenden en klaagden, en velen sliepen in zak en as. 4 Toen de meisjes en de kamerlingen van koningin Ester het haar kwamen melden, verschrok zij hevig. Zij zond klederen voor Mordokai, om ze in plaats van zijn boetekleed aan te trekken; maar hij nam ze niet aan. 5 Toen riep Ester een van ‘s konings kamerlingen, Hatak, die voor haar persoonlijke dienst was aangewezen, en beval hem, Mordokai te vragen, wat er gaande was en waarom hij dit deed. 6 Hatak ging dus naar Mordokai op het stadsplein voor de koninklijke poort. 7 Deze deelde hem mede, wat hem overkomen was, en welk bedrag aan zilver Haman beloofd had, ten bate van de koninklijke schatkist te zullen afwegen, als hij de Joden mocht ombrengen. 8 Ook gaf hij hem een afschrift van het bevel tot uitroeiing der Joden, dat te Sjoesjan was uitgevaardigd. Dit moest hij aan Ester laten zien, haar de zaak uiteenzetten en haar bevelen, naar den koning te gaan, om hem medelijden en genade voor haar volk af te smeken. {\cf2[1Hij moest haar zeggen: Herinner u de tijd, dat het u slecht ging, en hoe gij door mij werdt gevoed; 2 want Haman, de eerste na de koning, heeft een doodvonnis tegen ons uitgelokt. 3 Roep dus den Heer aan, en spreek voor ons bij den koning, opdat wij van die dood worden gered.]} 9 Hatak ging dus naar Ester, en vertelde haar wat Mordokai gezegd had. 10 Maar Ester stuurde hem naar Mordokai terug, en liet hem zeggen: 11 Alle dienaren des konings en ook de bewoners der koninklijke provincies weten, dat iedere man of vrouw, die ongeroepen bij den koning in de binnenhof komt, volgens de wet moet sterven, tenzij de koning hem als tegen van begenadiging de gouden schepter toereikt. En ik ben al sinds dertig dagen niet meer bij den koning ontboden. 12 Toen hij met deze boodschap van Ester bij Mordokai kwam, 13 liet deze haar antwoorden: Beeld u niet in, dat gij alleen van alle Joden gespaard zult blijven, omdat gij u in het koninklijk paleis bevindt. 14 Wanneer gij nu nog blijft zwijgen, zal er voor de Joden wel op een of andere wijze uitkomst en redding komen, maar dan zult gij met het huis van uw vader te gronde gaan. Wie weet, of ge niet juist voor een tijd als deze tot de koninklijke waardigheid verheven zijt. 15 Nu liet Ester aan Mordokai berichten: 16 Ga alle Joden uit Sjoesjan bijeen roepen, om voor mij te vasten. Eet en drinkt niet gedurende drie dagen en drie nachten. Ook ik zal met mijn meisjes vasten, en daarna tegen de wet in bij den koning binnengaan. Moet ik dan sterven, dan sterf ik maar. 17 Mordokai ging dus rond, en deed al wat Ester hem bevolen had. {\cf2[1 En al de wonderwerken des Heren indachtig, bad Mordokai aldus: 2 Heer, Jahweh, almachtige Koning! Gij hebt macht over alles, en niemand kan U weerstaan, wanneer Gij Israël wilt redden. 3 Want Gij hebt hemel en aarde geschapen met al wat men onder de hemel bewondert. Gij zijt Heer over alles, en omdat Gij er de Heer van zijt, kan niemand U weerstreven. 4 Heer, Gij weet alles, en het is U bekend, dat ik niet uit overmoed, trots of eerzucht handelde, toen ik mij niet wilde neerwerpen voor dien hoogmoedigen Haman. Graag had ik zijn voetzolen gekust, om Israël te redden. 5 Maar ik heb zo gehandeld, om aan een mens geen groter eer te geven dan aan God, en voor niemand anders mij neer te werpen dan voor U, mijn Heer; ik heb het dus niet uit hoogmoed gedaan. 6 En nu Heer, God en Koning, God van Abraham, spaar uw volk! Want men belaagt ons, om ons te verderven, en doet pogingen, om ons, uw erfdeel van ouds, te vernietigen. 7 Veracht toch niet uw bezit, dat Gij U uit Egypte hebt vrijgekocht. 8 Verhoor mijn gebed, wees uw erfdeel genadig en verander onze droefheid in vreugde, opdat wij het leven behouden en uw Naam mogen prijzen, o Heer; laat toch de mond niet verstommen van hen die U loven! 9 En heel Israël jammerde uit alle macht; want het had de dood voor ogen. 10 Ook koningin Ester nam in haar dodelijke angst haar toevlucht tot den Heer. Ze legde haar prachtige gewaden af, trok een rouw- en boetekleed aan en strooide haar hoofd, dat anders met kostbare balsem gezalfd was, vol as en stof; ze kastijdde haar lichaam, en bedekte haar schoon en vreugdig gelaat geheel met haar loshangend haar. En ze bad tot den Heer, Israëls God: 11 Heer, Gij alleen zijt onze Koning! Help mij, want ik ben verlaten, en heb geen anderen helper dan U, en de nood is hoog. 12 Van kindsbeen af heb ik gehoord bij mijn vaderlijke stam, dat Gij Israël uit alle volkeren hebt uitverkoren, o Heer, en onder al hun voorvaderen onze stamouders tot een eeuwig erfdeel hebt aangenomen, en dat Gij uw beloften jegens hen hebt gehouden. 13 Maar nu hebt Gij ons aan onze vijanden overgeleverd, omdat wij tegen U hebben gezondigd en hun goden hebben vereerd. Gij zijt rechtvaardig, o Heer! 14 Doch nu zijn ze niet tevreden met onze bittere slavernij, maar hebben ze zich tegenover hun goden door handslag verplicht, om uw belofte te verijdelen en uw erfdeel uit te roeien, om de mond te stoppen van hen, die U loven, en de glorie van uw tempel en uw altaar te doen verbleken, 15 om de mond der heidenen te openen voor de verheerlijking van waangoden, en een vleselijken koning als onsterfelijk te vereren. 16 Heer, sta uw schepter niet af aan wezens die niet bestaan, en laat niet toe, dat men zich vrolijk maakt over onze ondergang. Maak, dat hun plan zich tegen henzelf keert, en stel hem aan de kaak, die tegen ons is begonnen! 17 Wees ons indachtig, o Heer, en openbaar U in de tijd van onze verdrukking. Koning der goden, heerser over alle macht, geef mij moed; 18 leg mij passende woorden in de mond bij den leeuw, en leg hem haat in het hart tegen onzen bestrijder, opdat hij omkome met zijn trawanten. 19 Red ons door uw hand, en help mij, o Heer; want ik ben alleen, en heb niemand dan U. 20 Het is U, die alles weet, bekend, dat ik de glorie der goddelozen steeds haatte, en dat ik de sponde der onbesnedenen en van alle vreemden verafschuw. 21 Gij kent de dwang, waarin ik verkeer, en weet, hoe ik het teken mijner verheffing, dat ik in het publiek op mijn hoofd moet dragen, verafschuw; ik veracht het als een stondendoek, en draag het nooit, wanneer ik alleen ben. 22 Ook heeft uw dienares nog nooit aan de tafel van Haman gegeten, geen maaltijd van den koning eer aangedaan en geen offerwijn gedronken. 23 Sinds de dag, dat men mij hierheen heeft gebracht tot heden toe, heeft uw dienares in niets behagen gehad dan in U, o Heer, God van Abraham. 24 O God. Gij die sterker zijt dan allen, verhoor onze vertwijfelde bede, red ons uit de hand van de zondaars en verlos mij uit mijn benauwing!]}

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 5

1 {\cf2[1 De derde dag hield zij op met bidden, legde haar boetekleed af, en trok haar kostbare gewaden weer aan. Toen riep zij in haar prachtgewaad nogmaals den alzienden God en Redder aan, en nam twee vertrouwde meisjes mee; op een van haar leunde zij, als een edele dame, en de andere volgde haar, om de sleep van haar kleed op te houden. 2 Zij was stralend in haar blozende schoonheid, en ofschoon haar hart ineenkromp van vrees, was haar gelaat beminnelijk en blij. 3 Toen zij alle deuren was doorgegaan, stond zij voor den koning stil. Deze zat in vol ornaat op zijn koninklijke troon, en boezemde door de schittering van goud en edelstenen groot ontzag in. 4 Vol majesteit hief hij het hoofd omhoog, en zag uiterst streng en verstoord voor zich uit. De koningin wankelde en verbleekte van schrik, en leunde om steun op de schouder van de trouwe dienares, die haar vergezelde. 5 Maar nu vertederde God het gemoed van den koning. Hij sprong angstig van zijn troon, en ving haar op in zijn armen, totdat ze weer bijkwam. Hij sprak haar liefdevol toe en zeide: 6 Wat is er Ester? Ik ben uw broeder; wees maar gerust, gij behoeft niet te sterven; want ons gebod geldt alleen voor het gewone volk. Kom hier, en raak de schepter aan! 7 En hij nam de gouden schepter, legde die op haar hals en kuste haar. Toen zeide hij: Spreek maar gerust. 8 En zij antwoordde: Ik zag u, heer, als waart gij een engel Gods, en ik raakte van streek uit vrees voor uw glorie. Want heer, gij zijt wonderbaar schoon, en uw gelaat is stralend van majesteit! 9 En terwijl ze dit zeide, viel zij in onmacht. Nu schrok de koning nog meer, en heel zijn hofhouding trachtte haar bij te brengen.]} De derde dag bekleedde Ester zich met een koninklijk gewaad, begaf zich naar de binnenhof van het koninklijk paleis, en bleef tegenover de ingang van de troonzaal staan. Daar zat de koning tegenover de ingang der zaal op zijn koningstroon. 2 Maar zodra hij koningin Ester in de voorhof zag staan, was hij haar goedgunstig gezind, en reikte haar de gouden schepter toe, die hij in de hand had. Daarop kwam Ester naderbij en raakte de punt van de schepter aan. 3 Daarop sprak de koning haar toe: Wat hebt ge koningin Ester, en wat verlangt ge? Al is het de helft van mijn koninkrijk, het zal u worden gegeven. 4 Ester antwoordde: Als het den koning behaagt, kome hij vandaag met Haman aan de maaltijd, die ik voor hem heb bereid. 5 De koning beval: Gaat onmiddellijk Haman halen, opdat wij aan Esters verlangen kunnen voldoen. Zo kwam de koning met Haman aan de maaltijd. die Ester bereid had. 6 En bij het wijndrinken vroeg de koning aan Ester: Wat is uw verlangen? Het wordt ingewilligd. Al wat ge vraagt, al was het ook de helft van mijn rijk, het zal u worden gegeven. 7 Ester antwoordde: Mijn verlangen en bede? 8 Als ik bij den koning genade heb gevonden en het hem behaagt, mijn wens te vervullen en mijn bede te verhoren, dan kome hij met Haman morgen weer aan de maaltijd, die ik hem zal bereiden; dan zal ik ‘s konings vraag beantwoorden. 9 Die dag verliet Haman vrolijk en welgemoed het paleis; maar toen hij in het koninklijke poortgebouw Mordokai zag, die niet opstond en zich niet voor hem verroerde, werd hij woedend op Mordokai. 10 Hij bedwong zich echter en ging naar huis. Daar liet hij zijn vrienden en zijn vrouw Zéresj bij zich komen, 11 en pochte voor hen op zijn grote rijkdom en zijn talrijke zonen, op de grootheid, waartoe hij door ‘s konings gunst gekomen was, en zijn verheffing boven alle vorsten en koninklijke beambten. 12 En hij zeide: Zelfs koningin Ester heeft niemand anders dan mij uitgenodigd tot een maaltijd, die zij bereid had; ook voor morgen ben ik weer met den koning bij haar gevraagd. 13 Maar dat alles is niets, zolang ik dien jood Mordokai in het koninklijke poortgebouw zie zitten. 14 Daarom gaven zijn vrouw Zéresj en al zijn vrienden hem de raad: Laat een hoge paal maken, vijftig el hoog, en vraag morgenvroeg den koning verlof, daar Mordokai aan op te hangen; dan kunt ge vrolijk met den koning naar de maaltijd gaan. Deze raad beviel Haman, en hij liet de paal oprichten.

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 6

1 In diezelfde nacht kon de koning niet slapen. Daarom liet hij het gedenkboek, het boek der kronieken halen, en er zich uit voorlezen. 2 Zo kwam men aan de plaats, waar vermeld stond, dat Mordokai aangifte had gedaan van de aanslag, die de twee koninklijke kamerlingen-dorpelwachters, Bigtan en Téresj, tegen koning Achasjwerosj hadden gesmeed. 3 De koning vroeg: Welke eer en onderscheiding heeft Mordokai daarvoor ontvangen? De jongemannen, die den koning bedienden, antwoordden: Hij heeft niets ontvangen. 4 Toen sprak de koning: Wie is er in de voorhof? Nu was Haman juist in de buitenhof van het koninklijk paleis gekomen, om den koning te vragen, of hij Mordokai mocht laten ophangen aan de paal, die hij voor hem had opgericht. 5 De bedienden van den koning antwoordden: Haman staat in de voorhof. En de koning beval, hem binnen te roepen. 6 Toen Haman was binnengekomen, vroeg de koning hem: Wat moet er gebeuren met den man, wien de koning eer wil bewijzen? Haman dacht bij zichzelf: Wien zou de koning anders willen eren dan mij? 7 Daarom gaf hij den koning ten antwoord: Wat er moet gebeuren met den man, wien de koning eer wil bewijzen? 8 Men brenge een koninklijk gewaad, dat door den koning zelf wordt gedragen, en een paard, dat de koning zelf berijdt, en dat op zijn kop de koninklijke tekenen voert. 9 Dat kleed en dat paard moet aan iemand van de rijksgroten worden gegeven, die tot de hoogste adel behoort, en deze moet den man, dien de koning wil eren, met dat gewaad bekleden, hem op dat paard rondleiden door de straten der stad, en voor hem uit roepen: Dit moet gebeuren met den man, dien de koning wil eren! 10 Nu sprak de koning tot Haman: Haal terstond dat kleed en dat paard, en doe, zoals ge gezegd hebt, met den jood Mordokai, die in het koninklijke poortgebouw zit. Laat niets achterwege van wat ge gezegd hebt. 11 Haman haalde nu het kleed en het paard, trok Mordokai het kleed aan, en geleidde hem te paard door de straten der stad, terwijl hij voor hem uitriep: Dit moet gebeuren met den man, dien de koning wil eren! 12 Daarna keerde Mordokai naar het koninklijke poortgebouw terug. Maar Haman spoedde zich naar huis, het hart vol spijt en het hoofd bedekt, 13 en verhaalde aan zijn vrouw Zéresj en al zijn vrienden wat er gebeurd was. Zijn raadgevers en zijn vrouw Zéresj gaven hem enkel ten antwoord: Als Mordokai, tegen wien ge het nu verloren hebt, tot het geslacht der Joden behoort, zijt ge niet tegen hem opgewassen, maar is uw ondergang zeker. 14 Terwijl zij nog met Haman spraken, kwamen ‘s konings kamerlingen hem haastig halen voor de maaltijd, die Ester bereid had.

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 7

1 En weer gingen de koning en Haman ter maaltijd bij koningin Ester. 2 Ook de tweede dag vroeg de koning bij het drinken van de wijn aan Ester: Wat is uw verlangen, koningin Ester; het wordt ingewilligd. Al wat ge vraagt, al was het ook de helft van mijn rijk, het zal u worden gegeven. 3 Toen sprak koningin Ester: Als ik genade heb gevonden bij den koning, en het den koning behaagt, dan spare hij. op mijn verzoek en mijn bede, mijn leven en dat van mijn volk. 4 Want ik en mijn volk zijn verkocht, om gedood te worden, verdelgd en uitgeroeid. Waren we nog als slaven en slavinnen verkocht, ik zou. hebben gezwegen; want dan was de ramp niet groot genoeg, om den koning erover lastig te vallen. 5 Toen vroeg koning Achasjwerosj aan koningin Ester: Wie en waar is die man, die zo iets heeft durven bestaan? 6 Ester antwoordde: Die belager en vijand is Haman, die lelijke booswicht daar! En van schrik kromp Haman ineen voor de blik van den koning en de koningin. 7 Woedend stond de koning van tafel op, en liep de tuin in van het paleis. Maar Haman bleef bij koningin Ester, om haar voor zijn leven te smeken; want hij begreep, dat bij den koning zijn ondergang vaststond. 8 Toen de koning daarop uit de tuin van het paleis naar de eetzaal terugkeerde, vond hij Haman op het rustbed, waarop Ester lag. En de koning riep uit: Wat, nu de koningin in mijn eigen huis nog geweld aandoen! Nauwelijks was dit woord den koning over de lippen, of men bedekte Hamans gelaat. 9 En Charbona, een van de dienstdoende kamerlingen zei tot den koning: Zie, er staat juist bij het huis van Haman een paal, vijftig el hoog, welke Haman heeft laten maken voor Mordokai, die in ‘s konings belang heeft gesproken. En de koning beval: Hangt hem daaraan op. 10 Zo werd Haman opgehangen aan de paal, die hij voor Mordokai had opgericht. Toen eerst bedaarde de woede van den koning.

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 8

1 Nog diezelfde dag gaf koning Achasjwerosj aan koningin Ester het huis van Haman, den Jodenvervolger. En toen Ester verteld had, in welke betrekking zij tot Mordokai stond, moest deze voor den koning verschijnen; 2 en de koning nam de zegelring, die hij Haman had afgenomen, van zijn vinger, en reik te hem aan Mordokai over, terwijl Ester Mordokai over het huis van Haman aanstelde. 3 Daarna trad Ester nogmaals als middelares bij den koning op; zij viel aan zijn voeten neer, en smeekte hem onder tranen, dat hij het boze plan, dat de Agagiet Haman tegen de Joden beraamd had, zou verijdelen. 4 Toen de koning haar de gouden schepter had toegereikt, stond zij op, ging voor den koning staan, 5 en sprak: Wanneer het den koning behaagt en ik genade bij hem heb gevonden, wanneer het den koning billijk voorkomt en ik hem welgevallig ben, laat hij dan een bevelschrift uitvaardigen, om de brieven te herroepen, die de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, geschreven heeft met het doel, alle Joden in de koninklijke provincies te verdelgen. 6 Want hoe zou ik het onheil, dat mijn volk overkomt, kunnen aanzien, en de ondergang van mijn geslacht kunnen aanschouwen? 7 Toen sprak koning Achasjwerosj tot koningin Ester en den Jood Mordokai: Zie, ik heb het huis van Haman aan Ester gegeven en hemzelf aan een paal laten ophangen, omdat hij de hand naar de Joden had uitgestoken. 8 Schrijft gij nu in naam des konings ten gunste van de Joden wat u goeddunkt, en verzegelt het met ‘s konings zegelring; want wat in naam des konings geschreven en met ‘s konings zegelring verzegeld is, kan niet meer herroepen worden. 9 Nog diezelfde dag, de drie en twintigste van Siwan, de derde maand, werden de koninklijke geheimschrijvers ontboden, en dezen schreven al wat Mordokai gelastte, aan de Joden, aan de stadhouders, de landvoogden en de vorsten der provincies van Hoddoe tot Koesj, tezamen honderd zeven en twintig provincies, en wel aan iedere provincie in haar eigen schrift, en aan ieder volk in zijn eigen taal, ook aan de Joden in hun eigen schrift en hun eigen taal. 10 Het bevelschrift werd in naam van koning Achasjwerosj ui tgevaardigd en met het koninklijke zegel verzegeld. en de brieven door bereden ijlboden, op vorstelijke raspaarden gezeten, naar hun bestemming gebracht. 11 Daarin stond de koning aan de Joden van alle steden toe, zich te verenigen, voor hun leven op te komen en al de manschappen uit volkeren en provincies die hen zouden mishandelen, met hun vrouwen en kinderen te doden, te verdelgen en uit te roeien, en hun bezit buit te maken; 12 en wel in alle provincies van koning Achasjwerosj op een en dezelfde dag, namelijk op de dertiende van Adar, de tweede maand. {\cf2[1 Dit is het afschrift van de brief: 2 ,,De grote koning Achasjwerosj aan de bestuurders der honderd zeven en twintig provincies van Hoddoe tot Koesj, en aan hen, die onze belangen behartigen, heil! 3 Velen, die door de ongemeen grote goedheid hunner weldoeners al te veel geëerd werden, kregen daardoor een te hoge dunk van zichzelf. Zij trachten, niet alleen onze onderdanen kwaad te doen, maar omdat ze de weelde niet kunnen dragen, beginnen ze zelfs tegen hun eigen weldoeners samen te spannen. 4 De menselijke dankbaarheid treden zij met voeten, en terwijl zij zich pochend op onbegrensde rijkdommen verheffen, menen zij ook de straf van den alzienden God te kunnen ontgaan. 5 Dikwijls ook werden machthebbers door kuiperijen van vertrouwelingen, die zij met de zorg over de staatszaken belast hebben, medeplichtig aan het vergieten van onschuldig bloed. 6 In hun argeloze welwillendheid werden deze heersers door listige schijnredenen bedrogen, en zo onherstelbaar ongelukkig gemaakt. 7 Dit blijkt niet alleen uit de oude, ons overgeleverde geschiedverhalen, maar valt ook op, wanneer men letten wil op wat zich aan goddeloosheid voor onze ogen heeft afgespeeld door de kwaadaardigheid van hen, die op onwaardige wijze hunne macht misbruikten. 8 Men gelieve derhalve in het vervolg op te merken, dat wij in het koninkrijk voor alle mensen een ongestoorde vrede wensen te bewaren, 9 en dat wij ons niet aan valse aanklachten zullen storen, maar al wat ons onder de ogen komt steeds met gepaste tegemoetkomendheid zullen beoordelen. 10 Zo ging het ook met Haman, den zoon van Hammedata. Als Macedoniër was hij ongetwijfeld niet van perzisch bloed, en bij lange niet zo trouwhartig als wij. Toch werd hij als gast bij ons opgenomen, 11 en genoot in zulke hoge mate de menslievendheid, die wij alle volkeren betonen, dat hij openlijk onze vader genoemd werd, en door allen als de tweede persoon in het koninkrijk werd vereerd. 12 Maar hij kon die verheffing niet dragen, en trachtte ons van troon en leven te beroven. 13 Door uiterst listige redeneringen en kuiperijen beproefde hij, onzen redder en gestadigen weldoener, Mordokai, en onze onberispelijke deelgenote in het koningschap, Ester, met heel hun volk ten onder te brengen. 14 Zo meende hij, ons op sluwe wijze te kunnen vereenzamen, om daarna de opperheerschappij van de Perzen aan de Macedoniërs over te dragen. 15 Wij echter bevinden, dat de Joden, die door dien aartsschurk tot verdelging gedoemd waren, geen boosdoeners zijn, maar dat zij integendeel door zeer rechtvaardige wetten bestuurd worden. 16 als zonen van den allerhoogsten, grootsten en levenden God, door wiens voorzienigheid het rijk van ons en onze voorvaderen tot grote bloei en welvaart gekomen is. 17 Gij zult dus goed doen, de door Haman, den zoon van Hammedata, afgezonden brieven, als niet geschreven te beschouwen; temeer daar hij, die dit schelmstuk heeft beraamd, met heel zijn huis voor de poorten van Sjoesjan aan palen is opgehangen, en de albeheersende God zijn zeer rechtvaardig vonnis bijtijds aan hem heeft voltrokken. 18 Het afschrift van deze brief moet gij overal in het openbaar aanslaan, en er voor zorgen, dat de Joden ongestoord volgens hun eigen wetten kunnen leven, en zich door uw hulp, op de bewuste dag, de dertiende van de twaalfde maand Adar, kunnen verweren tegen hen, die hen op die dag zouden willen aanranden. 19 Want deze vreugde heeft de albeheersende God hun bereid, in plaats van de ondergang van het uitverkoren geslacht. 20 Derhalve moet gij tijdens de feesten, die Poerim worden genoemd, één dag bijzonder feestelijk en met gulle maaltijden vieren, opdat hij u en alle Perzen, zowel nu als later, een teken van heil moge zijn, maar hun, die verraderlijke bedoelingen tegen ons hebben, een herinnering aan hun ondergang. 21 Iedere stad en iedere landstreek, die zich niet naar deze voorschriften richten wil, zal zonder uitzondering te vuur en te zwaard gruwzaam worden verwoest; voor altijd zullen zij ontoegankelijke en onherbergzame plaatsen worden, niet alleen voor de mensen, maar zelfs voor wilde dieren en vogels.]} 13 Dit bevelschrift, dat in alle provincies als wet zou worden uitgevaardigd, moest bij alle volkeren worden voorgelezen, opdat de Joden zich tegen die dag gereed konden houden, om zich op hun vijanden te wreken. 14 Zo vertrokken op ‘s konings bevel in alle haast de ijlboden, op vorstelijke paarden gezeten, terwijl ook in de vesting Sjoesjan de wet werd afgekondigd. 15 Daarna verliet Mordokai den koning in een koninklijk gewaad van violet en wit, met een grote gouden diadeem, en een mantel van byssus en purper. De stad Sjoesjan jubelde van blijdschap, 16 en bij de Joden was het nu licht en blijdschap, vreugde en glorie. 17 Ook in alle provincies en steden, waar het bevelschrift van den koning aankwam, heerste bij de Joden vreugde en blijdschap, en er werden maaltijden gehouden en feesten gevierd. Zelfs gingen velen van de bevolking tot het Jodendom over; zo bang was men nu voor de Joden geworden!

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 9

1 Op de dertiende van Adar, de twaalfde maand, de dag, waarop de verordening van den koning ten uitvoer moest worden gebracht, en waarop de vijanden der Joden gehoopt hadden, zich van hen meester te maken, geschiedde dus juist het tegenovergestelde: de Joden overweldigden hun vijanden! 2 De Joden verzamelden zich in hun steden in alle provincies van koning Achasjwerosj, en sloegen de hand aan allen, die hun ongeluk hadden gezocht. Niemand kon hun weerstaan; want alle volkeren waren voor hen met schrik bevangen. 3 Alle vorsten der provincies, de stadhouders, de landvoogden en de koninklijke beambten ondersteunden de Joden, daar zij bang waren voor Mordokai. 4 Want Mordokai had grote invloed aan het koninklijk hof, en daar hij steeds machtiger werd, verbreidde zijn roem zich in alle provincies. 5 Zo joegen de Joden al hun vijanden over de kling, en brachten hun dood en verderf; ze deden met hun vijanden juist wat ze wilden. 6 In de vesting Sjoesjan doodden en verdelgden de Joden vijfhonderd man, 7 onder wie ook Parsjandata, Dalfon, Aspata, 8 Porata, Adalja, Aridata, 9 Parmasjta, Arisai, Aridai en Waizata, 10 de tien zonen van den Jodenvervolger Haman, den zoon van Hammedata; maar ze staken hun handen niet uit naar hun bezit. 11 Toen men die dag het getal der vermoorden in de vesting Sjoesjan aan den koning had medegedeeld, 12 zeide hij tot koningin Ester: In de vesting Sjoesjan hebben de Joden vijfhonderd man gedood en verdelgd, met de tien zonen van Haman. Wat zullen ze dan wel in de overige koninklijke provincies hebben gedaan! Hebt ge nu soms nog een verlangen? Het zal vervuld worden. Wenst ge nog iets? Het zal gebeuren. 13 Nu sprak Ester: Wanneer het den koning goeddunkt, worde aan de Joden van Sjoesjan toegestaan, morgen te herhalen wat ze vandaag hebben gedaan, en hange men bovendien de zonen van Haman aan palen ten toon. 14 En de koning gaf order, dat dit zou gebeuren; de verordening voor Sjoesjan werd uitgevaardigd, en de tien zonen van Haman werden ten toon gehangen. 15 De Joden van Sjoesjan verzamelden zich dus ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden toen te Sjoesjan nog driehonderd man; maar naar hun bezit staken zij de handen niet uit. 16 De andere Joden, die in de koninklijke provincies woonden, en zich verenigd hadden, om voor hun leven te strijden, hadden zich dus van hun vijanden ontdaan, en vijf en zeventigduizend man van hun vervolgers gedood, zonder de hand aan hun bezit te slaan. 17 Dit was gebeurd op de dertiende dag van de maand Adar; op de veertiende dag rustten ze uit, en maakten die tot een dag van vreugde en maaltijden. 18 Maar de Joden van Sjoesjan hadden zich op de dertiende en de veertiende van de maand verenigd; zij rustten daarom op de vijftiende uit, en maakten van die dag een dag van vreugde en maaltijden. 19 Daarom vieren de Joden op het land, die in de open steden wonen, de veertiende van de maand Adar als een dag van vrolijkheid en maaltijden, als een feestdag, waarop men elkaar geschenken stuurt. 20 Daarna schreef Mordokai dit alles op, en zond brieven naar alle Joden in alle provincies van koning Achasjwerosj, ver en dichtbij, 21 om hen te verplichten, jaarlijks de veertiende en de vijftiende van de maand Adar feest te vieren. 22 Want op die dagen hadden ze zich van hun vijanden ontdaan, en in die maand was hun droefheid in vreugde veranderd hun rouw in een feest. Daarom moesten ze op die dagen feest vieren en maaltijden houden, elkaar geschenken sturen en de armen met gaven bedenken. 23 De Joden moesten dus als een instelling aanvaarden, wat ze zelf reeds begonnen waren te doen, en wat Mordokai hun nu schriftelijk beval. 24 Want de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, de vervolger van alle Joden, had besloten, de Joden te verdelgen, en daarom het Poer, of lot geworpen, om hen op te jagen en uit te roeien. 25 Maar toen Ester bij den koning kwam, heeft deze mondeling en schriftelijk bevolen, dat het boze plan dat Haman tegen de Joden beraamd had, op zijn eigen hoofd zou neerkomen, en dat hij met zijn zonen aan palen zou worden opgehangen. 26 Daarom moest men deze dagen Poerim noemen, naar het woord Poer. Zowel om de inhoud van de brief, als om wat zij zelf hadden gezien en ondervonden, 27 aanvaardden de Joden voor zichzelf, voor hun nakomelingen en voor allen, die zich bij hen zouden aansluiten. voor altijd de verplichting, jaarlijks twee dagen feest te vieren op de tijd, die door het schrijven was vastgesteld, 28 en deze dagen van geslacht tot geslacht door alle families in alle provincies en steden te laten herdenken en vieren. Zo zouden deze Poerimdagen bij de Joden niet verdwijnen, en de viering ervan ook bij het nageslacht in ere blijven. 29 Bovendien schreven koningin Ester, de dochter van Abicháil, en de Jood Mordokai nog een tweede brief, waarin zij er krachtig op aandrongen, dat men zich aan het schrijven over de Poerim zou houden. 30 Hij zond beide brieven naar alle Joden van de honderd zeven en twintig provincies van het rijk van Achasjwerosj met betuigingen van vriendschap en trouw, 31 om hen op te wekken, dat ze zich zouden houden aan de vastgestelde tijd der Poerimdagen, zoals deze door koningin Ester en den Jood Mordokai was vastgelegd, en aan de voorschriften, die zij zelf over het vasten en de daarbij behorende weeklachten voor zich en hun nakomelingen hadden vastgesteld. 32 Zo werden de Poerimvoorschriften door een uitspraak van Ester geregeld en in een boek opgeschreven.

INHOUD | [Ester]

Hoofdstuk 10

1 Koning Achasjwerosj maakte zowel de eilanden als het vaste land schatplichtig. 2 Al zijn geweldige en machtige daden, met het bericht over de waardigheid, waartoe de koning Mordokai verhief, staan beschreven in het boek der Kronieken van de koningen der Meden en Perzen. 3 Want de Jood Mordokai bleef de eerste na koning Achasjwerosj. Ook stond hij in aanzien bij de Joden, en was bemind bij zijn talrijke broeders; want hij meende het goed met zijn volk, en zocht het welzijn van heel zijn geslacht. {\cf2[1 Nu sprak Mordokai: Dit is het werk van God geweest! 2 Want nu herinner ik mij, dat ik dit alles in een droom heb gezien; niets er van is onvervuld gebleven: 3 het kleine beekje, dat een stroom werd, waarop licht, zon en grote watervloed kwam. Die stroom is Ester, die met den koning huwde en tot koningin werd verheven. 4 De twee draken zijn ik en Haman. 5 De volkeren zijn zij, die zich hebben verzameld, om de naam der Joden uit te roeien. 6 Mijn volk is Israël, dat tot God heeft geroepen en gered werd. Ja, de Heer heeft zijn volk gered, en ons verlost van al deze rampen! God heeft grote tekenen en wonderen gewrocht, zoals Hij nooit onder de heidenen deed! 7 Daarom heeft Hij een dubbel lot gemaakt: één voor het volk Gods en één voor alle andere volkeren. 8 Dat dubbele lot kwam voor het aanschijn van God op de dag en het uur, waarop Hij tussen zijn volk en alle andere volkeren zou richten. 9 En God was zijn volk indachtig, en heeft zijn erfdeel recht verschaft. 10 Daarom zullen de veertiende en de vijftiende dag van de maand Adar feestdagen voor hen zijn; onder Israël, het volk Gods, zullen zij, alle geslachten door, steeds in feestelijke bijeenkomst met vreugde en blijdschap voor zijn aanschijn worden gevierd. 11 In het vierde jaar van de regering van Ptoleméus en Kléopatra brachten Dositéus, die zeide, dat hij priester en leviet was, met zijn zoon Ptoleméus deze brief over Poerim naar Egypte. Zij hebben verzekerd, dat hij echt was, en dat Lusímachus, de zoon van Ptoleméus uit Jerusalem hem had vertaald.]}