De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Het eerste boek Makkabeeën

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16]

Hoofdstuk 1

1 {\cf2Nadat Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, die uit het land Kittim was komen opzetten, Darius, den koning van Perzen en Meden, geheel had verslagen, volgde hij hem op als wereldheerser, na eerst alleen over Griekenland te hebben geregeerd. 2 Talrijk waren zijn krijgstochten: hij veroverde vestingen en vermoordde koningen; 3 tot aan de grenzen der aarde drong hij door, en brandschatte vele volkeren. De aarde durfde zich voor hem niet verroeren, en hij begon er hoogmoedig en verwaand van te worden. 4 Hij bracht een ontzaggelijk leger op de been, maakte zich meester van landen, volken en vorsten, en liet hen schatting opbrengen. 5 Toen werd hij ziek. En daar hij begreep, dat hij sterven ging, 6 ontbood hij zijn eerste vertrouwelingen, die van jongsaf met hem waren opgevoed, en verdeelde nog bij zijn leven zijn rijk onder hen. 7 Alexander had twaalf jaar geregeerd, toen de dood hem verraste. 8 Zijn vertrouwelingen, die het gebied bestuurden, dat ieder van hen was toegewezen, 9 lieten zich allen na zijn dood tot koning kronen. Later deden hun zonen jarenlang hetzelfde, en brachten veel ellende over het land. 10 Uit hen nu ontsproot een goddeloos wicht, Antiochus Epifanes, een zoon van koning Antiochus. Hij was in Rome gijzelaar geweest, en kwam aan de regering in het jaar 137 van de griekse heerschappij. 11 In die tijd nu trokken er enige afvallige Israëlieten op uit, om veel anderen voor het volgende plan te winnen: Laat ons vriendschap gaan sluiten met de heidenen uit onze omgeving; want sinds wij de omgang met hen hebben verbroken, worden we telkens door rampen getroffen. 12 Dit voorstel vond bijval; 13 en enige mannen uit het volk verklaarden zich aanstonds bereid, om naar den koning te gaan. Nadat deze hun volmacht verleend had, om de gebruiken der heidenen in te voeren, 14 bouwden zij in Jerusalem een athletenschool, zoals de heidenen hadden, 15 lieten bij zich de besnijdenis wegwerken en verzaakten aldus aan het heilig verbond. Ze heulden met de heidenen en verkochten zich aan de zonde. 16 Zodra Antiochus de overtuiging had, dat zijn heerschappij genoeg was bevestigd, vatte hij het plan op, zijn macht ook over Egypte uit te strekken en zodoende over twee landen te regeren. 17 Hij trok dus tegen Egypte op met een ontzaggelijk leger, met strijdwagens, olifanten en ruiters, en tevens met een grote vloot, 18 en viel Ptoleméus, den egyptischen koning, aan Ptoleméus sloeg voor hem op de vlucht en wist te ontkomen. Maar velen werden er gewond en gedood; 19 de vestingen in Egypte werden veroverd en het Egypteland leeggeplunderd. 20 Nadat Antiochus Egypte verslagen had, keerde hij in het jaar 143 terug, en trok met een geweldig leger op tegen Israël en Jerusalem. 21 Brutaalweg drong hij het heiligdom binnen, nam er het gouden reukofferaltaar weg, de kandelaar met alles wat daarbij behoorde, 22 de tafel der toonbroden, offerschalen en schotels, de gouden wierookvaten, het voorhangsel, en rukte alle gouden kransen en andere versieringen aan de tempelgevel af. 23 Hij stal het zilver en goud, de kostbare benodigdheden met al wat hij aan verborgen schatten kon vinden, 24 en trok met heel die buit terug naar zijn land. Ook richtte hij een bloedbad aan, en braakte godslasteringen uit. 25 Toen barstte er in heel Israëls gebied een luide weeklacht los, 26 En vorsten en oudsten begonnen te jammeren; Meisjes en jongelingen kwijnden weg, De schoonheid der vrouwen verwelkte. 27 Iedere bruidegom was in rouw, De bruid zat in haar kamer te klagen; 28 Het land was geschokt om zijn bewoners, Heel het huis van Jakob met schande bedekt. 29 Twee jaar later zond de koning den bevelhebber der Musiërs naar de steden van Juda. Toen deze met een groot leger voor Jerusalem verscheen, 30 bood hij hun zulke sluwe vredesvoorstellen aan, dat zij vertrouwen in hem stelden. Maar geheel onverwacht bestormde hij de stad, bracht haar een geweldige nederlaag toe, en vermoordde een groot aantal Israëlieten. 31 Hij plunderde de stad, stak haar in brand, en liet huizen en ringmuren omverhalen. 32 Vrouwen en kinderen werden gevangen genomen, en er werd beslag gelegd op het vee. 33 Daarna herbouwden ze de Davidstad met hoge sterke muren en zware torens zodat zij een burcht voor hen werd. 34 Zij legden er een bezetting van goddeloze soldaten en afvalligen, die er zich in versterkten. 35 Ook voorzagen zij haar van wapens en levensmiddelen, terwijl de buit, die zij uit Jerusalem hadden weggesleept, hier eveneens werd ondergebracht. Zo werd de burcht een grote valstrik. 36 Voor het heiligdom werd ze een hinderlaag, Voor Israël een steeds dreigende satan. 37 Rondom het heiligdom vergoten zij onschuldig bloed, En ontwijdden de heilige plaats. 38 Jerusalems burgers sloegen voor hen op de vlucht, En zij werd een woonplaats voor vreemden; Voor het eigen kroost een onbekende, Door haar eigen kinderen verlaten. 39 Haar heiligdom was leeg als een steppe, Haar feesten verkeerden in rouw; Haar sabbatdagen in spot, Haar waardigheid in verachting. 40 Naar de maat van haar vroegere luister Werd zij met schande vervuld; En haar glorie van vroeger Werd in kommer veranderd. 41 Daarna vaardigde koning Antiochus voor heel zijn rijk het bevel uit, dat allen één volk moesten worden, 42 en dat iedereen zijn eigen gebruiken moest opgeven. Alle volken legden zich neer bij dit koninklijk bevel, 43 en zelfs onder de Israëlieten waren er velen, die de godsdienst van den koning omhelsden, aan de afgoden offerden en de sabbat schonden. 44 Ook naar Jerusalem en de steden van Juda zond de koning beambten met brieven, waarin werd bevolen, dat zij zich moesten aanpassen aan de uitheemse levenswijze. 45 Men moest een eind maken aan de slacht-, brand- en plengoffers in de tempel, de sabbat en andere feesten ontheiligen, 46 en de tempel met de heilige personen ontwijden. 47 Men moest altaren, heilige plaatsen en afgodstempels oprichten, en er het vlees van varkens en andere onreine dieren offeren. 48 Men moest zijn zonen onbesneden laten, en hun zielen met allerlei bederf en onreinheid bezoedelen, 49 zodat zij de wet zouden vergeten en al haar bevelen laten varen. 50 En wie niet zou gehoorzamen aan het bevel van den koning, zou worden gedood. 51 Zo luidden de bevelschriften, die hij in heel zijn rijk liet verbreiden. Tegelijkertijd stelde hij toeziende beambten aan over de gehele bevolking met de opdracht, dat alle steden van Juda één voor één moesten offeren. 52 Nu sloot zich een groot gedeelte der bevolking bij hen aan, namelijk allen, die afvallig werden van de wet. 53 Overal in het land gaf men zich over aan het kwaad, zodat de goede Israëlieten gedwongen werden, zich op alle mogelijke schuilplaatsen verborgen te houden. 54 Op de vijftiende Kislew van het jaar 145 plaatsten ze de gruwel der ontheiliging op het offeraltaar, terwijl men overal in de steden van Juda altaren oprichtte, 55 en reukoffers ging brengen voor de huisdeuren en op de straten. 56 Alle wetboeken, die men kon opsporen, werden in stukken gescheurd en verbrand; 57 en iedereen, bij wien een boek van het verbond werd ontdekt, of die aan de wet vasthield, werd volgens koninklijk besluit ter dood gebracht. 58 Met dergelijke geweldmaatregelen gingen zij maandenlang tegen iederen Israëliet te keer, die zij in een of andere stad konden betrappen. 59 De vijf en twintigste van de maand offerden zij op het altaar, dat op het brandofferaltaar was geplaatst. 60 Volgens voorschrift vermoordden zij de vrouwen, die haar kinderen hadden laten besnijden, 61 hingen haar de kinderen aan de hals, en plunderden haar huizen; en men doodde hen, die de besnijdenis hadden voltrokken. 62 Toch waren er veel Israëten, die standvastig waren en vastbesloten bleven, geen onreine spijzen te eten. 63 Zij wilden liever sterven, dan zich aan spijzen verontreinigen en het heilig verbond verbreken. Zij stierven dan ook. 64 En ontzettend zwaar bleef Gods toorn op Israël drukken.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 2

1 {\cf2In die dagen trad Mattatias op, een zoon van Johannes en kleinzoon van Sjimon. Hij was priester uit het geslacht van Jojarib te Jerusalem, maar woonde in Modin. 2 Hij had vijf zonen: Johannes met de bijnaam Gaddi, 3 Sjimon met de bijnaam Tassi, 4 Judas die Makkabeër genoemd werd, 5 Elazar met de bijnaam Hauran, en Jonatan, die ook Affoes heette. 6 Toen hij nu de gruwelen in Juda en Jerusalem aanschouwde, 7 sprak hij: Wee mij! Waartoe werd ik geboren, Nu ik de ondergang van mijn volk aanschouw, de ruïne der heilige stad; Nu ik machteloos zit, terwijl zij aan den vijand wordt overgeleverd En het heiligdom in de handen van vreemden valt. 8 Haar tempel werd als een onteerde man, Nu haar heerlijke vaten als buit zijn geroofd. 9 Haar kinderen werden in haar straten vermoord, Haar jongemannen door het vijandig zwaard. 10 Is er nog een volk, dat niet over haar heerste, En dat geen beslag heeft gelegd op een deel van de buit? 11 Al haar sieraden zijn haar ontnomen; Die vroeger vrij was, werd een slavin. 12 Ziet eens, hoe ons heiligdom, ons juweel, Hoe onze trots is verwoest, En hoe de heidenen het hebben onteerd! 13 Waartoe leven wij nog? 14 Mattatias en zijn zonen scheurden hun klederen, hulden zich in boetezakken en waren diep bedroefd. 15 Op zekere dag verschenen er ook koninklijke beambten in Modin, om de stad tot afval en tot offeren te dwingen. 16 Vele Israëlieten liepen naar hen over, maar Mattatias en zijn zonen bleven standvastig. 17 Daarom spraken de koninklijke beambten Mattatias hierover aan, en zeiden tot hem: In deze stad zijt gij een der leiders; ge staat hoog in aanzien en hebt grote invloed; bovendien staan uw zonen en uw familie achter u. 18 Treed gij dus het eerst naar voren, en doe wat de koning beveelt; alle volken hebben het reeds gedaan, en de mannen uit Juda met die in Jerusalem zijn achtergebleven, eveneens. Dan zult gij en uw zonen tot de vrienden van den koning worden gerekend, en goud, zilver en veel andere eregeschenken ontvangen. 19 Maar Mattatias antwoordde met luider stem: Al gehoorzamen hem alle volken in het rijksgebied van den koning, al valt iedereen van de godsdienst zijner vaderen af en voegt zich naar het bevel van den koning, 20 ik, mijn zonen en mijn familie blijven trouw aan het verbond onzer vaderen! 21 Wij denken er niet aan, de wet te verzaken en haar geboden. 22 Nooit gehoorzamen wij aan het bevel van den koning; van onze godsdienst wijken we niet af, niet rechts en niet links! 23 Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of er trad een jood voor aller ogen naar voren, om volgens het bevel van den koning een offer te brengen op het altaar van Modin. 24 Toen Mattatias dit zag, ontstak hij in heilige woede, en heel zijn wezen kwam in opstand. Hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige toorn, sprong vooruit, en sloeg hem neer bij het altaar. 25 Tegelijkertijd doodde hij den koninklijken beambte, die het offer had doorgedreven, en vernielde het altaar. 26 Zo kwam hij op voor de wet, evenals Pinechas tegen Zimri, den zoon van Sjalloem. 27 Nu liet Mattatias met luider stem in de stad afkondigen: Iedereen die het opneemt voor de wet en trouw blijft aan het verbond, volge mij! 28 Daarop vluchtte hij met zijn zonen naar het gebergte, en ze lieten have en goed in de stad. 29 Toen trokken er velen, die naar recht en gerechtigheid snakten, naar de woestijn, en bleven daar wonen 30 met vrouwen, kinderen en vee, omdat de nood te hoog was geklommen. 31 Maar zodra de koninklijke beambte en de bezetting, die zich te Jerusalem in de Davidstad ophield, te weten waren gekomen, dat velen van hen, die het koninklijk bevel in de wind hadden geslagen, naar de holen in de woestijn waren gevlucht, 32 trokken ze hen met een groot leger achterna, haalden hen in en omsingelden hen. Doch eerst op de sabbat gingen ze tot de aanval over, 33 en riepen hun toe: Nu is het genoeg; komt er uit! Als gij u onderwerpt aan het bevel van den koning, blijft gij in leven! 34 Men riep hun terug: Wij komen er niet uit; wij onderwerpen ons niet aan het bevel van den koning, en willen nog minder de sabbat schenden. 35 Nu vielen ze hen onmiddellijk aan. 36 Maar de anderen verweerden zich niet; ze wierpen geen enkele steen naar hen, en sloten zelfs de holen niet af. 37 Ze riepen: We willen allen sterven met een rein geweten! Hemel en aarde zijn onze getuigen, dat gij ons wederrechtelijk vermoordt. 38 Zij vielen hen dus op sabbat aan, en ongeveer duizend mannen, vrouwen en kinderen vonden de dood met het vee. 39 Toen Mattatias en zijn vrienden dit vernamen, betreurden ze hen diep. 40 Maar ze zeiden ook tegen elkander: Wanneer wij allen doen als onze broeders, en ons leven en onze wet niet tegen de heidenen verdedigen dan zullen ze ons al heel gauw van de aarde verdelgen. 41 Nog diezelfde dag maakten ze dan ook het besluit: We grijpen iedereen aan, die ons aanvalt op sabbat, en laten ons niet tot den laatsten man uitmoorden, zoals onze broeders, die in de holen gedood zijn. 42 Nu sloot zich ook een groep chasidéen bij hen aan; het waren dappere Israëlieten, die allen met hart en ziel voor de wet opkwamen. 43 Ook allen, die voor de nood moesten vluchten, sloten zich bij hen aan, en versterkten hun macht. 44 Zo vormden zij een legerschare, en In hun verbittering sloegen zij de goddelozen neer, En de afvalligen in hun woede! De rest wist zich te redden, door naar de heidenen te vluchten. 45 Nu trokken Mattatias en zijn vrienden overal rond, en vernielden de altaren. 46 En wanneer ze ergens binnen het gebied van Israël een onbesneden kind ontdekten, lieten zij het desnoods met geweld besnijden; 47 die zich hooghartig verzetten, joegen ze er uit. Hun werk werd met goede uitslag bekroond: 48 ze beschermden de wet tegen heidenen en koningen, en gaven de goddelozen geen kans. 49 Toen de tijd aanbrak, dat Mattatias zou sterven, sprak hij tot zijn zonen: Nu hebben trots en geweld de overhand, Het is een tijd van verwoesting en grimmige woede. 50 Strijdt dus, mijn kinderen, voor de wet, En geeft uw leven voor het verbond onzer vaderen. 51 Denkt aan het werk van uw vaderen, Dat zij bij hun leven hebben verricht: Dan valt u grote eer ten deel, En eeuwige roem! 52 Toonde Abraham zich niet trouw in de beproeving, En werd hem dit niet tot gerechtigheid gerekend? 53 In zijn nood hield Josef vast aan de wet, En hij werd heer van Egypte. 54 Pinechas, onze vader, was een voorbeeld van ijver; Daarom werd hem een priesterschap voor eeuwig beloofd. 55 Omdat Josuël zijn plicht vervulde, Werd hij rechter in Israël. 56 Omdat Kaleb voor het volk heeft getuigd, Kreeg hij een erfdeel in bezit. 57 David ontving voor zijn vroomheid De koningstroon voor altijd. 58 Omdat Elias voor de wet had geijverd, Werd hij in de hemel opgenomen. 59 Ananja, Azarja en Misjaël werden door hun geloof Voor de vuurdood behoed. 60 De onschuld van Daniël Redde hem uit de muil van de leeuwen. 61 Zo kunt gij nagaan van geslacht tot geslacht, Dat niemand, die op God vertrouwt, het onderspit delft. 62 Weest dus niet bang voor het dreigen van den goddeloze; Want zijn pracht vervuilt en valt de wormen ten prooi. 63 Vandaag nog is hij hoog verheven, Morgen niet eens meer te vinden; Tot zijn stof keert hij terug, En met zijn plannen is het gedaan. 64 Dus kinderen, weest moedig, en staat pal voor de wet, Want daarin alleen ligt uw roem! 65 En omdat ik weet, dat uw broer Sjimon een man is met doorzicht, moet gij altijd naar hem luisteren; hij zal uw vader zijn. 66 Maar Judas de Makkabeër moet uw legeraanvoerder zijn, omdat hij van jongsaf een dapper held is geweest; hij moet de leiding nemen in de oorlog tegen de heidenen. 67 Verzamelt dan allen, die de wet onderhouden, om u heen, en neemt wraak voor uw volk. 68 Vergeldt de heidenen wat ze ons deden, en houdt vast aan de wet en haar geboden. 69 Daarna zegende hij hen, en ging tot zijn vaderen. 70 Hij stierf in het jaar 146, en werd in het familiegraf te Modin begraven. Heel Israël hield over hem een plechtige rouwklacht.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 3

1 {\cf2 Zijn zoon Judas, de Makkabeër genaamd, volgde hem op. 2 Al zijn broers met heel de aanhang van zijn vader stonden hem terzijde, en streden geestdriftig voor Israël. 3 Hij maakte alom zijn volk beroemd! Hij schoot in het harnas als een held, In zijn wapenrusting trok hij ten strijde, En beschutte het legerkamp met zijn schild. 4 Hij was als een leeuw in al zijn daden, Een leeuwenwelp, die brult om prooi. 5 Afvalligen speurde hij op, en jaagde ze na, Die zijn volk durfden kwellen, wierp hij in het vuur. 6 De trouwelozen krompen voor hem ineen van schrik, En alle boosdoeners stonden te beven. Door hem werd de weg ter redding gebaand, 7 Maar vele koningen heeft hij verbitterd. Hij bracht Jakob in verrukking om wat hij deed, En bracht de verstrooiden bijeen; 8 Hij doorkruiste Juda van stad tot stad, de goddelozen verdelgend, Maar van Israël wendde hij Gods gramschap af. 9 Tot de grenzen der aarde reikt zijn roem, Zijn gedachtenis blijft eeuwig in ere! 10 Nu riep Apollónius zijn heidense troepen en een grote legermacht uit Samaria op, om tegen Israël te strijden. 11 Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij bracht hem de nederlaag toe, en doodde hem; velen werden gewond en sneuvelden, en de overigen sloegen op de vlucht. 12 Men bemachtigde de legerbuit, en Judas legde beslag op het zwaard van Apollónius, en bleef er heel zijn leven mee strijden. 13 Intussen had Séron, de aanvoerder van het syrische leger, vernomen, dat Judas een leger had bijeengebracht met een groep getrouwen, die met hem in de strijd wilden trekken. 14 En nu dacht hij bij zichzelf: Ik zal mij in het rijk bekend en beroemd maken, door Judas te verslaan met zijn aanhang, die het bevel van den koning verachten. 15 Zo rukte ook hij op, door een machtig leger van goddelozen gevolgd, die hem helpen wilden, om op de zonen van Israël wraak te nemen. 16 Zodra hij de bergpas van Bet-Choron bereikt had, trok Judas hem met een klein troepje soldaten tegemoet. 17 Toen dezen dan ook dat leger op zich zagen afkomen, zeiden ze tot Judas: Hoe zal een kleine troep als de onze tegen zulk een overmacht kunnen strijden? En daar komt nog bij, dat wij uitgeput zijn, omdat wij vandaag nog niets hebben gegeten. 18 Maar Judas sprak: Het is gemakkelijk genoeg, om een grote troep in de handen van een kleinere over te leveren; want voor de hemel blijft het gelijk, redding te brengen door velen of weinigen! 19 In de strijd hangt de zege niet af van de legersterkte, maar van de kracht uit de hemel. 20 Vol trots en boosheid komen zij op ons af, om ons te verdelgen met vrouwen en kinderen, en ons leeg te plunderen. 21 Maar wij, wij strijden voor ons leven en voor onze wet, 22 en God zal hen voor onze ogen verpletteren. Weest dus voor hen maar niet bang! 23 Nauwelijks had hij dit gezegd, of onverwacht stormde hij op hen los, zodat Séron met zijn leger door hem werd verpletterd. 24 Ze achtervolgden hen in de pas van Bet-Choron tot aan de vlakte; er sneuvelden van hen ongeveer achthonderd man, en de overigen vluchtten naar het land der Filistijnen. 25 Van nu af kreeg men ontzag voor Judas en zijn broers, en een radeloze angst maakte zich meester van de heidenen uit hun omgeving. 26 De naam van Judas drong door tot den koning, en de hele wereld sprak over zijn vechten. 27 Toen koning Antiochus dit alles vernam, werd hij woedend, en liet uit de gehele weermacht van zijn rijk een ontzaggelijk leger samenstellen. 28 Hij opende zijn schatkist, betaalde zijn troepen een jaar soldij vooruit, en wees hen er op dat zij voor alle mogelijke gebeurtenissen klaar moesten staan. 29 Maar hij bemerkte al gauw, dat het geld in zijn schatkist dreigde op te raken; want de inkomsten uit de belasting waren in zijn gebied sterk geslonken tengevolge van het oproer en de noodtoestand, waarin hij zelf het land had gebracht door het afschaffen der aloude gebruiken. 30 Hij begon dus te vrezen, dat hij evenals bij vorige gelegenheden geen geld meer zou hebben voor zijn spilzucht en voor de geschenken, die hij vroeger met kwistige hand had uitgedeeld, en waarin hij vorige koningen verre overtrof. 31 Ten einde raad besloot hij naar Perzië te trekken, om de belastingen der provincies te innen en zó veel geld bijeen te brengen. 32 Hij liet echter Lúsias achter, een hooggeplaatst persoon van koninklijke adel, om de staatszaken te regelen in de landen tussen de Eufraat en de grens van Egypte, 33 en om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou zijn teruggekeerd. 34 Hij stelde hem de helft der weermacht en de olifanten ter beschikking, en gaf hem aanwijzingen, wat hij allemaal wenste, vooral met betrekking tot de bewoners van Juda en Jerusalem. 35 Hij moest namelijk een leger op hen afzenden, om het verzet van Israël te breken, en wat er van Jerusalem nog over was te verwoesten; 36 al wat in die streek aan hen kon herinneren, moest hij uitroeien, hun hele gebied met vreemdelingen bevolken, en hun land onder dezen door het lot verdelen. 37 De koning zelf nam de andere helft van de troepen, vertrok in het jaar 147 uit zijn hoofdstad Antiochië, stak de Eufraat over en doorkruiste de hoger gelegen gebieden. 38 Nu wees Lúsias onder de vertrouwelingen van den koning enkele dappere mannen aan; het waren Ptoleméus, de zoon van Dorúmenes, Nikánor en Górgias. 39 Hij zond hen met veertigduizend man voetvolk en zevenduizend ruiters uit, om Juda binnen te vallen en het volgens koninklijk bevel geheel te verwoesten. 40 Zij trokken dus op met al hun troepen, rukten er binnen, en sloegen hun legerkamp op in de vlakte bij Emmaus. 41 Toen de handelaars uit de omtrek het gerucht ervan hoorden, namen zij grote hoeveelheden zilver en goud en tevens voetboeien mee, en gingen het legerkamp binnen, om straks de Israëlieten als slaven te kopen. Ook sloten zich troepen uit Syrië en uit het Filistijnenland bij hen aan. 42 Judas en zijn broers zagen het gevaar steeds dreigender worden, nu het leger reeds zijn kamp in hun gebied had opgeslagen. Ook wisten ze maar al te goed, dat de koning het bevel had uitgevaardigd, om het volk geheel en al te verdelgen. 43 Daarom zeiden ze tegen elkander: Wij moeten ons verzetten tegen de vernietiging van ons volk, en strijden voor ons volk en het heiligdom! 44 Er werd dus een volksvergadering belegd, zowel om gevechtsklaar te zijn, als om te bidden en genade en barmhartigheid af te smeken. 45 Jerusalem lag onbewoond. Aan een steppe gelijk; Niet een van zijn kinderen ging er in of uit. En het heiligdom was plat getrapt. Er huisden vreemden in de burcht, Het werd een herberg voor de heidenen. De vreugde was van Jakob verdwenen, Fluit en citer waren verstomd. 46 In dichte drommen trokken ze daarom naar Mispa, dat tegenover Jerusalem ligt; want Mispa was vroeger de plaats geweest waar Israël kwam bidden. 47 Zij vastten die dag, hulden zich in boetezakken, strooiden as op hun hoofd en scheurden hun klederen. 48 Daarna rolden zij het wetboek open, met hetzelfde doel, waarmee de heidenen hun afgodsbeelden ondervragen. 49 Ook hadden zij de priesterlijke gewaden, de eerstelingen en tienden meegenomen, en de Nazireërs opgeroepen, wier tijd was verstreken. 50 Nu begonnen ze met luider stem naar de hemel te roepen: Wat vangen we hiermee toch aan, waar brengen we ze heen? 51 Want uw heiligdom is vertrapt en ontwijd, uw priesters treuren en zijn vernederd. 52 Zie, hoe de heidenen samenspannen, om ons te vernielen; U is het bekend, welke plannen ze tegen ons smeden. 53 Als Gij ons niet helpt, hoe houden wij dan tegen hen stand? 54 Toen bliezen zij op de trompetten en begonnen hardop te schreeuwen. 55 Nu benoemde Judas aanvoerders van het volk, die het bevel moesten voeren over duizend, honderd, vijftig en tien. 56 Maar hij beval, dat allen, die een huis hadden gebouwd, een vrouw hadden getrouwd of een wijnberg geplant, met de vreesachtigen naar huis zouden gaan, zoals de wet het had voorgeschreven. 57 Daarna zette het leger zich in beweging en sloeg het kamp op ten zuiden van Emmaus. 58 Toen sprak Judas: Houdt u gereed en weest dappere mannen! Morgen vroeg moet gij klaar staan, om tegen deze heidenen te strijden, die tegen ons zijn verenigd, om ons en ons heiligdom te verdelgen. 59 Want het is beter voor ons, op het slagveld te sterven, dan de ellende te zien van ons volk en ons heiligdom. 60 Maar het geschiede, zoals in de Hemel is besloten!}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 4

1 {\cf2Intussen had Górgias vijfduizend man voetvolk en duizend uitstekende ruiters uitgekozen, en was in de nacht uit de legerplaats opgetrokken, 2 om het kamp der Joden te overrompelen en hen onverwacht neer te slaan; soldaten uit de burcht zouden hem de weg wijzen. 3 Zodra Judas dit vernam, rukte ook hij met zijn troepen op; hij wilde de koninklijke weermacht, die bij Emmaus lag, een slag toebrengen, 4 terwijl de andere troep nog ver van de legerplaats was verspreid. 5 Toen Górgias dus in de nacht bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand meer aan. Hij ging ze nu in de bergen zoeken; want hij dacht bij zichzelf: Die zijn voor ons op de vlucht! 6 In alle vroegte verscheen Judas in de vlakte met drieduizend man. Ze beschikten echter niet over pantsers en zwaarden, zoals ze zo gaarne hadden gehad, 7 nu ze de zware verschansingen van het heidenkamp zagen, met ruiterij in de flank, en met geschoolde soldaten. 8 Maar Judas sprak tot zijn mannen: Weest niet bang voor hun overmacht en laat de moed niet zinken, als zij aan komen stormen. 9 Denkt er aan, hoe onze vaderen in de Rode Zee werden gered, toen Farao hen met zijn leger achtervolgde. 10 Roepen wij thans de Hemel aan, dat Hij Zich onzer ontfermt, het verbond onzer vaderen gedenkt, en dit leger vandaag nog voor onze ogen vernietigt. 11 Dan zal de hele wereld weten, dat er Iemand is, die voor Israël opkomt, en het redding brengt! 12 Toen nu de heidenen opkeken en hen zagen aanrukken, 13 verlieten zij het kamp, om de strijd aan te binden. En terwijl de mannen van Judas op de trompetten bliezen, 14 stormde men op elkander in. De heidenen werden verslagen, en namen de vlucht naar de vlakte. 15 Die achteraan kwamen werden over de kling gejaagd; de anderen werden vervolgd tot aan Gézer en het laagland van Judea en tot Asjdod en Jámnia. Er sneuvelden van hen ongeveer drieduizend man. 16 Nadat Judas met zijn leger van de achtervolging was teruggekeerd, 17 sprak hij tot het volk: Begeert thans geen buit; er staat ons nog een veldslag te wachten. 18 Want Górgias staat vlak bij ons met zijn leger in de bergen. Stelt u dus tegen onze vijanden op, en slaat ze neer; dan kunt gij buit maken, zolang als gij wilt. 19 Terwijl Judas nog sprak, zag men een legerafdeling omzichtig uit het gebergte te voorschijn komen. 20 Maar die begrepen terstond, dat zij de nederlaag hadden geleden, en dat het kamp stond te branden; want uit de rook, die zichtbaar was, bleek duidelijk, wat er gebeurd was. 21 Bij deze ontdekking schrokken ze hevig, en daar ze zagen, dat het leger van Judas in de vlakte voor de aanval gereed stond, 22 sloegen ze allen op de vlucht naar het land der Filistijnen. 23 Nu eerst trok Judas op de legerplaats af, om ze te plunderen; zij maakten veel goud en zilver buit, met violetten en echt purperen stoffen en allerlei kostbaarheden. 24 En op de terugtocht zongen ze de Hemel lof- en dankliederen toe: "Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid!" 25 Want die dag was Israël een grote redding geschonken. 26 De heidenen, die ontkomen waren, gingen allen naar Lúsias en deelden hem alles mee, wat er gebeurd was. 27 Deze berichten brachten hem geheel en al van zijn stuk, omdat het met Israël niet gegaan was, zoals hij zich had voorgesteld, en er niets was terechtgekomen van wat de koning hem had opgedragen. 28 Daarom wierf hij het volgende jaar een leger aan van zestigduizend uitstekende soldaten en vijfduizend ruiters, om voor goed met hen af te rekenen. 29 Zij rukten Idumea binnen, en sloegen hun kamp op in Bet-Soer. Maar Judas trok hun met tienduizend man tegemoet. 30 Bij het zien van het geweldige leger begon hij te bidden, en sprak: Geprezen zijt Gij, Redder van Israël, die de aanval van den reus door de hand van uw dienaar David gebroken, en die het legerkamp der Filistijnen hebt overgeleverd in de handen van Jonatan, den zoon van Saul, en van diens wapendrager. 31 Breng nu ook dit leger in de hand van uw volk, zodat ze voor schande komen te staan met hun legermacht en hun ruiterij. 32 Jaag ze de schrik op het lijf, verlam hun brutaal geweld, verbijster hen om hun nederlaag, 33 en sla ze neer met het zwaard van hen, die U liefhebben. Dan zullen allen, die uw Naam kennen, U met lofzangen prijzen! 34 Daarna stormden zij op elkander in; het werd een strijd van man tegen man, en van Lúsias' leger sneuvelden ongeveer vijfduizend soldaten. 35 Toen Lúsias de nederlaag van zijn eigen leger moest aanzien, en de moed zag stijgen van Judas' troepen, die vast besloten waren te leven of eervol te sterven, trok hij naar Antiochië terug. Daar wierf hij huurtroepen aan, om opnieuw Judea binnen te rukken, als het leger weer voltallig zou zijn. 36 Nu spraken Judas en zijn broers: Ziet, onze vijanden zijn verslagen! Laat ons nu optrekken, om het heiligdom te reinigen en het wederom in te wijden. 37 En het gehele leger kwam weer bijeen, en rukte op naar de Sionsberg. 38 Maar toen ze het heiligdom verwoest zagen liggen, het altaar ontwijd, de poorten verbrand, de voorhoven vol onkruid, opgeschoten als in een bos of op een van de bergen, en de zijvertrekken vernield: 39 scheurden zij hun klederen, hieven een luide jammerklacht aan, bestrooiden zich met as, 40 wierpen zich plat ter aarde, bliezen op de alarmbazuinen en schreiden ten hemel. 41 Daarop wees Judas een groep soldaten aan, die de burchtbezetting in bedwang moesten houden, totdat hij de tempel had gereinigd. 42 Vervolgens koos hij enige priesters uit van onbesproken gedrag en trouw aan de wet; 43 en dezen reinigden het heiligdom, en smeten de stenen van het afgodsaltaar op een onreine plaats. 44 Daarna beraadslaagden zij, wat ze met het ontheiligde brandofferaltaar zouden doen; 45 en ze kwamen op de goede gedachte, het maar af te breken, om er later niet mee te worden bespot, omdat het door de heidenen was ontreinigd. Zij braken dus het altaar af, 46 maar legden de stenen op een passende plaats van de tempelberg, totdat een profeet zou opstaan, die beslissen kon, wat er mee moest gebeuren. 47 Nu namen zij, zoals het was voorgeschreven, ongehouwen stenen en bouwden een nieuw altaar, gelijk aan het vorige. 48 Daarna herstelden ze het heiligdom, en wijdden het inwendige van de tempel en de voorhoven in. 49 Ze lieten nieuwe heilige vaten vervaardigen, brachten de kandelaar, het reukofferaltaar en de tafel in de tempel, 50 lieten wierook branden op het reukofferaltaar, staken de lampen op de kandelaar aan, zodat ze de tempel weer verlichtten, 51 legden de broden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Toen ze alles, wat ze hadden ondernomen, gelukkig hadden voltooid, 52 brachten ze in de vroege morgen van de vijf en twintigste der negende maand, dus in de maand Kislew van het jaar 148, 53 een offer volgens de wet op het nieuw gebouwde brandofferaltaar. 54 Het was juist op hetzelfde uur en op dezelfde dag waarop de heidenen het hadden ontheiligd, dat het weer werd ingewijd onder lofgezang, begeleid met citers, harpen en cymbalen. 55 En heel het volk viel in aanbidding neer, en loofde de Hemel, die hun zoveel voorspoed had geschonken. 56 Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaarwijding, waarbij ze vol blijdschap brandoffers opdroegen, en dank- en lofoffers brachten. 57 Ze versierden de tempelgevel met gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en zijvertrekken, en zetten de deuren erin. 58 En er heerste een grote vreugde onder het volk, omdat de ontering der heidenen was weggenomen. 59 Daarom nam Judas met zijn broers en heel het volk van Israël het besluit, om zolang zij leefden, elk jaar de dagen van de altaarwijding in vreugde en blijdschap te vieren, en wel acht dagen lang, te beginnen met de vijf en twintigste dag van de maand Kislew. 60 Tegelijkertijd begonnen ze met de aanleg van hoge ringmuren en zware torens rond de berg Sion, om te verhinderen dat de heidenen het heiligdom zouden binnendringen en het evenals vroeger vernielen; 61 hij legde er een bezetting in, om ze te bewaken. Bovendien versterkte hij Bet-Soer tot een verdedigingspost, om de bevolking tegen Iduméa te beschermen.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 5

1 {\cf2Toen de heidenen uit de omtrek hadden vernomen, dat het brandofferaltaar weer was opgebouwd en het heiligdom weer in zijn vroegere staat was hersteld, werden ze woedend; 2 ze besloten, het geslacht van Jakob, dat in hun midden leefde, uit te roeien, en begonnen reeds het volk te moorden en te vernielen. 3 Daarom trok Judas op tegen de zonen van Esau in Judea, die zich in Akrabatténe hadden gevestigd, en die het Israël in de omtrek lastig maakten. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, maakte ze weerloos en plunderde ze uit. 4 Daarbij herinnerde hij zich de laagheid van de bewoners van Bajan, die het volk valstrikken en hinderlagen hadden gelegd en langs de wegen op hen hadden geloerd. 5 Hij sloot ze op in hun torens, belegerde hen, trof ze met de banvloek, en stak de torens met allen, die erin waren, in brand. 6 Vandaar trok hij verder naar de zonen van Ammon, waar hij op een sterke weermacht stiet met veel soldaten, die onder bevel van Timóteus stonden. 7 In een reeks gevechten, die hij hun leverde, werden zij door hem in het nauw gedreven, en geheel verslagen. 8 En nadat hij ook Jazer had bedwongen met de onderhorige plaatsen, keerde hij naar Judea terug. 9 Ook de heidenen van Gilad hadden tegen de Israëlieten, die hun gebied bewoonden, samengespannen, om hen uit te roeien. Dezen waren naar de vesting Dátema gevlucht, 10 en zonden nu brieven aan Judas en zijn broers met de volgende inhoud: De heidenen uit onze omgeving hebben tegen ons samengespannen, om ons uit te roeien. 11 Ze staan klaar, om een aanval te doen en de vesting te veroveren, waarin wij gevlucht zijn, en Timóteus heeft de leiding over hun troepen. 12 Kom ons dus uit hun handen redden! Reeds velen van ons zijn gesneuveld. 13 Al onze broeders, die de streek Toebi bewoonden, hebben ze vermoord, en hun vrouwen, kinderen en bezittingen meegenomen; ze hebben ongeveer duizend man omgebracht. 14 Nog was men bezig de brieven te lezen, toen er ook uit Galilea boden in gescheurde kleren aankwamen, die hetzelfde berichtten: 15 Ptolemáis, Tyrus en Sidon, ja het gehele heidense Galilea heeft samengespannen, om ons uit de weg te ruimen. 16 Toen Judas en het volk deze berichten vernamen, belegden zij een grote vergadering, om te beraadslagen, wat zij konden doen voor hun broeders, die in nood verkeerden en door de heidenen werden bestookt. 17 En Judas zeide tot zijn broer Sjimon: Kies mannen uit, en trek naar Galilea op, om uw broeders aldaar te bevrijden; ikzelf zal met mijn broer Jonatan naar Gilad gaan. 18 Josef, den zoon van Zekarja, en Azarja liet hij als aanvoerders met de rest van het leger in Judea als dekking achter; 19 hij gaf hun echter bevel: Neemt de leiding over deze mannen; maar begint geen gevecht met de heidenen, voordat wij terug zijn. 20 Sjimon kreeg drieduizend man, om tegen Galilea op te trekken, en Judas achtduizend man voor zijn tocht tegen Gilad. 21 Nu rukte Sjimon naar Galilea op, en leverde een reeks veldslagen tegen de heidenen. Ze werden door hem verslagen, en hij zette ze na tot aan de poort van Ptolemáis. 22 Van de heidenen sneuvelden er ongeveer drieduizend man, wier krijgsuitrusting hij in beslag nam. 23 Daarna nam hij de Joden uit Galilea en Arbátta met vrouwen, kinderen en al hun bezittingen mee, en bracht hen onder groot gejubel naar Judea. 24 Intussen was Judas de Makkabeër met zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken, en drie dagmarsen ver de woestijn ingetrokken. 25 Daar stieten ze op de Nabateërs die hen echter vriendelijk bejegenden, en hun uitvoerig vertelden, wat hun broeders in Gilad was overkomen: 26 dat er namelijk velen van hen waren opgesloten in Bossora, Bossor, Alama, Kasfon, Maked en Karnáin, allemaal versterkte en grote steden; 27 dat er ook in de overige steden van Gilad zaten ingesloten, en dat men bepaald had, de vestingen de volgende dag te belegeren en in te nemen, en alle Joden op één en dezelfde dag te vermoorden. 28 Toen maakte Judas dadelijk met zijn leger rechtsomkeer, in de richting van de woestijn, waar Bossora lag. Hij veroverde de stad, joeg alle mannen over de kling, nam hun gehele buit in beslag, en stak de stad in brand. 29 Nog in dezelfde nacht brak hij op, en trok naar de vesting Dátema. 30 Toen het morgen geworden was, en ze rond konden kijken, zie: daar was een ontelbare drom van soldaten, die ladders en oorlogswerktuigen aansleepten, om de vesting te belegeren en in hun macht te krijgen. 31 Judas begreep, dat de strijd was begonnen. En terwijl uit de stad het rumoer van trompetten en krijgsgeschreeuw de lucht vervulde, 32 riep hij zijn soldaten toe: Het zijn uw broeders, voor wie gij vandaag hebt te strijden! 33 Toen viel hij hen in drie afdelingen van achteren aan, terwijl zij op de trompetten bliezen en hun gebeden lieten weergalmen. 34 Maar zodra het leger van Timóteus bemerkte, dat het de Makkabeër was, sloeg het voor hem op de vlucht. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, en die dag vielen er van hen ongeveer achtduizend man. 35 Daarna boog hij af naar Alama, viel het aan, en veroverde het; hij doodde er alle mannen, nam de buit in beslag en stak de stad in brand. 36 Vandaar trok hij verder, en veroverde Kasfon, Maked, Bossor en de overige steden van Gilad. 37 Enige tijd later bracht Timóteus een nieuw leger op de been, en stelde het op voor Rafon aan de overzijde van de beek. 38 Judas had spionnen naar de legerplaats gezonden, en dezen deelden hem mee: Het is een ontzaglijk leger; alle heidenen hier uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten, 39 en zelfs Arabieren hebben zij als hulptroepen in dienst genomen. Hun kamp hebben ze opgeslagen aan de overkant van de beek, en ze staan klaar, om tegen u op te trekken. Judas ging dus op hen af. 40 Toen Judas met zijn leger de beek naderde, sprak Timóteus tot zijn legeraanvoerders: Wanneer hij het eerst naar ons oversteekt, kunnen we hem geen weerstand bieden; want dan is hij ons de baas. 41 Maar is hij bang, en blijft hij aan de overkant van de stroom, dan moeten wij naar hem oversteken, en zullen wij hem verslaan. 42 Toen Judas dus dicht bij de beek was gekomen, liet hij de leiders van het volk bij de rivier postvatten, en gaf hun bevel: Niemand mag hier blijven, maar allen moeten de strijd in. 43 Zelf stak hij het eerst naar hen over, en al zijn soldaten kwamen achter hem aan. Heel het heidenleger bezweek voor hen; ze wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Karnáin. 44 Maar de Joden veroverden de stad en staken de tempel, met allen die er in waren, in brand. Zo werd Karnáin diep vernederd, en kon zich niet langer tegen Judas verzetten. 45 Daarop bracht Judas alle Israëlieten uit Gilad bijeen, groot en klein, met vrouwen, kinderen, have en goed, om met die geweldige massa naar het land van Juda te gaan. 46 Zo bereikten ze Efron. Dit was een grote en zeer sterke stad, aan een pas gelegen, waar men niet uitwijken kon naar links of naar rechts, doch waar men midden door moest trekken. 47 Maar de inwoners der stad sloten de poorten voor hen dicht, en hoopten er stenen tegen op. 48 Judas liet hun vriendelijk vragen: Geef ons verlof, door uw gebied te trekken, om in ons land te komen. Niemand zal u kwaad doen; wij willen er alleen maar doorheen. Maar zij weigerden, de poorten voor hen te openen. 49 Toen liet Judas in zijn leger het bevel uitvaardigen, dat iedereen moest halt houden op de plaats, waar hij was. 50 En zodra zijn manschappen halt hadden gehouden, deed hij een aanval op de stad, de hele dag en de hele nacht lang, totdat de stad zich aan hem overgaf. 51 De mannen joeg hij over de kling, en maakte de stad met de grond gelijk; hij legde beslag op de buit, en rukte over de lijken heen door de stad. 52 Daarna trokken ze over de Jordaan en bereikten de grote vlakte tegenover Bet-Sjan. 53 Intussen bleef Judas er voor zorgen, dat zij die achteraan kwamen, bij konden blijven, en de gehele tocht sprak hij het volk moed in, totdat hij in het land van Juda kwam. 54 Verrukt en opgetogen bestegen zij nu de Sionsberg, en droegen brandoffers op, omdat er niemand van hen onderweg was gevallen, maar allen behouden waren teruggekeerd. 55 Terwijl Judas met Jonatan in Gilad vertoefde, en zijn broer Sjimon in Galilea voor Ptolemáis lag, 56 hoorden de legerbevelhebbers Josef, de zoon van Zekarja, en Azarja van hun heldendaden en gevechten gewagen. 57 En ze zeiden: Ook wij willen ons een naam veroveren, door ten strijde te trekken tegen de heidenen in onze omgeving. 58 En zij gaven hun mannen bevel tot de opmars, en rukten tegen Jámnia uit. 59 Maar Górgias deed met zijn mannen een uitval uit de stad, en bond de strijd met hen aan. 60 Josef en Azarja werden verslagen en achterna gezet tot aan de grenzen van Judea; die dag vielen er van de Israëlieten ongeveer tweeduizend man. 61 Deze pijnlijke slag trof het volk, omdat zij niet naar Judas en zijn broers hadden geluisterd, maar van heldendaden hadden gedroomd; 62 bovendien behoorden zij niet tot het geslacht van die mannen, door wie Israël de vrijheid moest krijgen. 63 Niettemin bleven Judas, de held, en zijn broers in het hoogste aanzien staan bij heel Israël en zelfs bij al de heidenen; en waar maar hun naam werd bekend, 64 ging men naar hen toe en wenste hun geluk. 65 Daarna rukte Judas uit met zijn broers, om tegen de zonen van Esau te strijden in het land, dat naar het zuiden ligt. Hij veroverde Hebron en de onderhorige plaatsen, slechtte de vestingwerken, en stak op alle punten de torens in brand. 66 Vandaar rukte hij verder op voor een tocht tegen het land der Filistijnen, en trok door Maresja. 67 Op die dag vielen er verschillende priesters op het slagveld, omdat ook zij heldendaden wilden verrichten, en zich onbekookt in de strijd hadden gewaagd. 68 Daarna boog Judas af naar Asjdod in het land der Filistijnen, vernielde er de altaren, verbrandde hun afgodsbeelden, nam uit de steden de buit met zich mee, en keerde naar het land van Juda terug.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 6

1 {\cf2Intussen doorkruiste koning Antiochus de hoger gelegen gebieden. Daar hoorde hij, dat er in Elumáis van Perzië een stad moest liggen, die beroemd was om haar rijkdom, haar zilver en goud. 2 Ook haar tempel moest buitengewoon rijk zijn, en in het bezit van gouden wapenrustingen, pantsers en zwaarden, die de macedonische koning Alexander, de zoon van Filippus en eerste koning der Grieken, daar had achtergelaten. 3 Hij trok er derhalve op af, en trachtte de stad in te nemen en leeg te plunderen. Maar het gelukte hem niet, omdat zijn plan aan de inwoners verraden werd. 4 Integendeel, zij rukten tegen hem op; hij moest de vlucht nemen, en trok hevig teleurgesteld vandaar naar Babylonië terug. 5 Bovendien kwam men hem in Perzië berichten, dat de legers, die tegen het land Juda waren opgetrokken, de nederlaag hadden geleden; 6 dat ook Lúsias aan het hoofd van een machtig leger was opgerukt, maar eveneens door de Joden verslagen was; dat de Joden hun bewapening hadden versterkt door de grote buit, die zij op het verslagen leger hadden behaald; 7 dat zij de gruwel hadden neergehaald, die hij op het brandofferaltaar te Jerusalem had opgericht, en evenals vroeger het heiligdom aan alle kanten met hoge muren hadden omringd; en dat zij hetzelfde met zijn stad Bet-Soer hadden gedaan. 8 Bij het horen van deze berichten stond de koning verbijsterd en hevig geschokt. Hij moest zich te bed leggen en werd ziek van ergernis, omdat het hem niet was gegaan, zoals hij verwacht had. 9 Zo lag hij daar vele dagen lang, telkens opnieuw door grote ergernis verbitterd. Toen hij dacht, dat hij sterven ging, 10 ontbood hij al zijn vertrouwelingen, en sprak tot hen: De slaap is van mijn ogen geweken, en van kommer is mij de moed ontzonken. 11 Ik denk bij mijzelf: In wat een ellende ben ik geraakt, en hoe groot is de rampspoed, waarin ik mij nu bevind: ik die heel mijn regering in aanzien stond en bemind was. 12 Nu eerst herinner ik mij al het leed, dat ik Jerusalem heb berokkend: hoe ik daar al de gouden en zilveren vaten heb weggeroofd, en soldaten heb afgezonden, om de bewoners van Juda eenvoudig te vermoorden. 13 Nu zie ik in, dat dit de reden is, waarom deze rampen mij treffen, en waarom ik van grote ellende in een vreemd land zal moeten sterven. 14 Daarna ontbood hij Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over heel zijn rij; 15 hij reikte hem de diadeem, zijn mantel en de zegelring over, daar hij zijn zoon Antiochus moest opvoeden en nog op het koningschap moest voorbereiden. 16 Zo stierf koning Antiochus daar in het jaar 6:149. 17 Maar toen Lúsias hoorde, dat de koning gestorven was, riep hij diens zoon Antiochus, dien hij in zijn jeugd had opgevoed, tot koning uit, en gaf hem de bijnaam Eúpator. 18 Ondertussen bleef de burchtbezetting rondom het heiligdom Israël lastig vallen; ze waren er op uit, hun op alle mogelijke manieren schade toe te brengen en de heidenen te beschermen. 19 Daarom besloot Judas, hen uit de weg te ruimen, en riep hij het gehele volk op, om hen te gaan belegeren. 20 Ze sloten zich dus aaneen, en begonnen met de belegering in het jaar 150, waarbij gebruik werd gemaakt van schiettorens en belegeringswerktuigen. 21 Toch wisten enkelen door de omsingeling heen te breken. Bij hen sloten zich ook enige afvallige Israëlieten aan, 22 en samen reisden ze naar den koning, en zeiden: Hoe lang nog talmt gij, om recht te doen, en laat gij onze broeders ongewroken? 23 Wij hebben uw vader graag gediend; we hielden ons aan zijn voorschriften en volgden zijn bevelen op. 24 Maar hierom zijn onze volksgenoten ons vijandig geworden; meer nog: al de onzen, die hun in handen vielen, werden vermoord, en onze bezittingen hebben ze in beslag genomen. 25 En niet alleen naar ons, maar ook naar alle grensgebieden hebben ze de hand uitgestoken. 26 En nu zijn ze weer begonnen, de burcht van Jerusalem te belegeren, om hem in te nemen, nadat ze de tempel en Bet-Soer al hebben versterkt. 27 Wanneer gij niet onmiddellijk ingrijpt, zullen zij nog erger dingen doen, en zult gij hen niet kunnen tegenhouden. 28 Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend, en riep al zijn rijksgroten op met de bevelhebbers van het voetvolk en van de ruiterij. 29 Ook uit het buitenland en van de eilanden stroomden hem huurtroepen toe; 30 het getal van zijn leger bedroeg honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en twee en dertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht. 31 Dezen trokken door Iduméa, en begonnen Bet-Soer te belegeren. Lang duurde de strijd, waarbij men gebruik maakte van belegeringswerktuigen; maar de Joden deden telkens een uitval, staken ze in brand en streden moedig. 32 Daarom liet Judas de burcht maar liggen, trok het leger van den koning tegemoet, en sloeg bij Bet-Zekarja zijn legerplaats op. 33 Maar voor dag en dauw brak de koning op, en liet zijn leger in allerijl naar Bet-Zekarja trekken, waar de troepen onder het schetteren der trompetten zich in slagorde stelden. 34 Ook maakte men de olifanten dronken met druivennat en moerbeiensap, om ze strijdlustig te maken. 35 Daarna deelde men de dieren bij de verschillende afdelingen in. Bij elken olifant stelde men duizend man op, die met schubbenpantsers waren bedekt en koperen helmen droegen. Bovendien werd bij elk dier nog een afdeling van vijfhonderd uitstekende ruiters gevoegd, 36 die het dier reeds enige tijd overal hadden vergezeld, en er overal mee waren opgetrokken, zonder zich er ooit van te scheiden. 37 Op elk dier bevond zich een sterke, goed beschutte houten toren, die er op een bijzondere wijze op was vastgemaakt, en waarin zich, behalve een Indiër als drijver, twee of drie mannen bevonden, die erop moesten vechten. 38 De rest van de ruiterij stelde hij op aan weerskanten van de beide legervleugels, met het doel, om verwarring te stichten en de legerkorpsen te dekken. 39 Toen nu de zon op de gouden en koperen schilden schitterde, weerkaatste het licht op de bergen, die als vlammende fakkels begonnen te gloeien. 40 Een gedeelte van het koninklijk leger verspreidde zich over de bergen en een ander over de vlakte; zo rukten zij zelfverzekerd en in volmaakte orde vooruit. 41 En allen, die de dreun dezer drommen, de opmars dezer massa en het wapengekletter hoorden, begonnen te sidderen. Want het leger was buitengewoon groot en sterk. 42 Nu rukte Judas ook met zijn leger vooruit, en begon de strijd; en van het koninklijk leger sneuvelden zeshonderd man. 43 Intussen had Elazar, ook Hauran genoemd, bemerkt, hoe een der dieren met de koninklijke pantserversiering was opgetuigd en boven de andere dieren uitstak. Hij besloot er uit, dat de koning zich daarop moest bevinden. 44 Toen offerde hij zich op, om zijn volk te redden en zichzelf voor altijd beroemd te maken. 45 Moedig stormde hij er op af, midden door de slaglinie heen; links en rechts sloeg hij er neer, zodat men aan beide kanten voor hem moest wijken. 46 Nu kroop hij onder den olifant, doorstak hem van onderen, en doodde hem. Het dier zakte bovenop hem in elkaar, en hij vond hier de dood. 47 Toen zij nu echter de kracht van het koninklijk leger en de druk van de troepen gewaar werden, weken ze voor hen terug. 48 Het koninklijk leger trok nu naar Jerusalem op, om hen onder schot te krijgen, en de koning sloeg daar zijn kamp op, om tegen Judea en de berg Sion te strijden. 49 Hij had vrede gesloten met de bevolking van Bet-Soer, die de stad had moeten verlaten, omdat ze geen voedsel meer had, om de belegering uit te houden, daar het een sabbatjaar was voor het bouwland. 50 Zo alleen was de koning in het bezit van Bet-Soer gekomen, en had hij er een bezetting in kunnen leggen, om het te bewaken. 51 Nu belegerde hij gedurende lange tijd het heiligdom, en stelde er schiettorens tegen op en andere belegeringswerktuigen: toestellen, om brandpijlen en steenblokken te schieten, en katapulten voor speren en slingers. 52 Maar ook de Joden stelden werktuigen tegen de hunne op, en verdedigden zich lange tijd. 53 Intussen echter waren de levensmiddelen in de opslagplaatsen opgeraakt, omdat men in het sabbatjaar was, en het overschot van de vroegere oogst was opgeteerd door hen, die uit vrees voor de heidenen in Judea een onderkomen hadden gevonden. 54 Zo waren er nog maar weinig mannen in het heiligdom achtergebleven; want de hongersnood had hen gedwongen, uit elkaar te gaan, iedereen naar zijn eigen woonplaats. 55 Toen Lúsias echter vernam, dat Filippus, dien koning Antiochus nog bij zijn leven had aangewezen, om zijn zoon Antiochus voor het koningschap op te leiden, 56 uit Perzië en Medië was teruggekomen met de troepen, die den koning waren gevolgd, en nu probeerde, de regering in handen te krijgen, 57 zette hij er alles op, om zo spoedig mogelijk weg te trekken. Daarom sprak hij tot den koning, de legerbevelhebbers en manschappen: Wij worden met de dag zwakker en hebben maar weinig levensmiddelen meer; en de plaats, die wij belegeren, is sterk. Bovendien vraagt het rijk zelf al onze zorgen. 58 Laat ons daarom deze mensen de hand bieden, vrede met hen sluiten en met geheel hun volk, 59 en hun verlof geven volgens hun eigen zeden te leven evenals vroeger. Want omdat wij hun gebruiken hebben afgeschaft, zijn zij woedend geworden, en hebben al deze dingen gedaan. 60 Dit voorstel beviel den koning en zijn legeraanvoerders, en hij liet hun dus de vrede aanbieden. Zij namen hem aan; 61 en omdat de koning en zijn veldheren hem met een eed hadden bekrachtigd, verlieten zij de vesting, 62 en hield de koning zijn intocht op de Sionsberg. Maar toen hij zag, hoe sterk dit punt was verdedigd, verbrak hij de eed, die hij gezworen had, en gaf bevel, de muren aan alle kanten te slechten. 63 Daarop trok hij haastig weg, en keerde naar Antiochië terug; daar vond hij Filippus, die de stad in zijn macht hield; hij viel hem aan, en nam de stad met geweld in.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 7

1 {\cf2In het jaar 151 wist Demétrius, de zoon van Seleúkus, uit Rome te ontsnappen. Hij landde met een klein gevolg bij een kustplaats, en begon daar als koning op te treden. 2 Toen hij nu het paleis van zijn voorvaderen was binnengetrokken, namen de troepen Antiochus en Lúsias gevangen en wilden hen voor hem brengen. 3 Maar toen men hem dit berichtte, zeide hij: Ik wil hun gezicht niet zien! 4 Daarop brachten zijn troepen hen om het leven, en besteeg Demétrius zijn koningstroon. 5 Nu gingen alle afvallige en goddeloze Israëlieten naar hem toe, met Alkimus aan het hoofd, die het er op aanlegde, hogepriester te worden. 6 Zij klaagden het volk bij den koning aan, en zeiden: Judas en zijn broers hebben al uw vrienden omgebracht en ons uit ons land verjaagd. 7 Zend derhalve een vertrouwd iemand, om de gehele ontreddering te komen opnemen, die zij over ons en in het gebied van den koning hebben aangericht, en om hen te straffen met allen, die ze hebben geholpen. 8 Daarom wees de koning onder zijn vertrouwelingen Bakchides aan, die landvoogd was aan de overkant der Rivier, grote invloed had in het rijk en den koning zeer verknocht was. 9 Hem zond hij nu op de Israëlieten af tegelijk met den goddelozen Alkimus, dien hij als hogepriester aanstelde, en beval hem, wraak op hen te nemen. 10 Ze rukten dus op, en drongen met een groot leger in het land van Juda binnen. Nu zond hij boden naar Judas en diens broers met vredelievende, maar listige voorstellen. 11 Dezen gingen er echter niet op in, omdat zij heel goed wisten, dat hij met een groot leger was binnengetrokken. 12 Maar een groep schriftgeleerden ging met Alkimus en Bakchides besprekingen voeren, om de rechtsvraag te onderzoeken, en 13 de chasidéen waren thans de eersten onder de Israëlieten, die hun om vrede verzochten. 14 Want ze dachten: Er is een priester uit het geslacht van Aäron met dit leger meegekomen; die zal ons zeker geen onrecht doen. 15 Toen Bakchides hun dan ook de vrede beloofde, en hun onder ede verzekerde, dat zij hun en hun vrienden niet het minste kwaad zouden doen, 16 vertrouwden zij hem. Hij liet echter zestig van hen gevangen nemen en op één dag vermoorden, naar het woord dat geschreven staat: 17 Het vlees uwer heiligen en hun bloed Hebben zij rondom Jerusalem geworpen; En er was niemand, die hen begroef. 18 En het gehele volk werd van angst en schrik voor hen vervuld; want ze zeiden: Er is bij hen geen waarheid en recht; want ze verbreken de belofte en de eed, die ze hebben gezworen. 19 Daarna trok Bakchides van Jerusalem weg, en sloeg zijn legerplaats bij Bezet op. Hier liet hij vele overlopers en verschillende burgers gevangen nemen, hen vermoorden en in de grote put werpen. 20 En nadat Bakchides het land onder het bestuur van Alkimus had gesteld, en een legermacht bij hem had achtergelaten, om hem te steunen, keerde hij naar den koning terug. 21 Nu spande Alkimus al zijn krachten in, om zich als hogepriester te laten gelden, 22 en allen, die hun eigen volk hadden gekweld, sloten zich bij hem aan; zij bemachtigden het land Juda, en richtten een grote slachting onder de Israëlieten aan. 23 Bij het zien van al de ellende, die Alkimus en zijn aanhang, nog meer dan de heidenen, over de zonen van Israël hadden gebracht. 24 trok Judas heel het gebied van Judea rond, wreekte zich op de overlopers, en maakte het hun onmogelijk, zich in het land te bewegen. 25 Toen Alkimus dus bemerkte, dat Judas en zijn aanhang weer sterker waren geworden, en het hem bleek, dat hij hun geen tegenstand zou kunnen bieden, ging hij naar den koning terug, en bracht gemene beschuldigingen tegen hen in. 26 Daarom zond de koning een van zijn beste veldheren, Nikánor die een ingekankerde haat tegen de Joden had, en beval hem, het volk te vernietigen. 27 Maar toen Nikánor met een groot leger tot Jerusalem was doorgedrongen, zond hij Judas en zijn broeders het volgende vredesaanbod vol huichelarij: 28 Laat er toch geen oorlog zijn tussen u en mij; ik zal met een klein gevolg naar u toe komen, om vriendschappelijk met u de zaken te regelen. 29 Hij kwam dus bij Judas, en zij begroetten elkander vriendschappelijk; maar de vijanden stonden al klaar, om Judas te ontvoeren. 30 Judas doorzag de opzet, en begreep, dat zijn komst louter veinzerij was geweest. Daarom vermeed hij hem in de toekomst angstvallig, en wilde hem niet meer ontmoeten. 31 Toen Nikánor dan ook begreep, dat zijn toeleg ontdekt was, rukte hij tegen Judas op, en stiet op hem bij Kafarsalama. 32 Maar van Nikánors leger vielen er ongeveer vijfhonderd man, terwijl de overigen naar de Davidstad vluchtten. 33 Enige tijd later ging Nikánor eens naar de Sionsberg, waar enkele priesters en ouderlingen van het volk uit de tempel kwamen, om hem vriendschappelijk te begroeten en hem te wijzen op het brandoffer, dat voor den koning gebracht werd. 34 Maar hij spotte met hen en lachte ze uit; hij durfde hen zelfs onteren en brutaal bejegenen, 35 en zwoer vol woede: Wanneer Judas en zijn leger mij niet onmiddellijk worden uitgeleverd, steek ik deze tempel in brand, zodra ik als overwinnaar ben teruggekeerd. En hij ging woedend heen. 36 Nu gingen de priesters naar binnen, stelden zich op voor het altaar en het tempelgebouw, en begonnen wenend te bidden: 37 Gij zelf hebt deze tempel uitverkoren, om uw Naam te dragen en voor uw volk een huis te zijn, waar het kan bidden en smeken. 38 Wreek U dus op dezen man met zijn leger, en laat hen vallen door het zwaard; gedenk hun godslasteringen, en laat hen niet langer in leven! 39 Daarop trok Nikánor van Jerusalem weg. Hij sloeg zijn legerplaats op bij Bet-Choron, waar een syrisch leger zich bij hem aansloot, 40 terwijl Judas met drieduizend man bij Adasa lag. Nu bad Judas: 41 Toen de gezanten van den koning der Assyriërs eens lastertaal hadden uitgebraakt, trok uw engel uit, en sloeg honderd vijf en tachtigduizend man van hen neer 42 Verpletter zo ook vandaag dit leger voor onze ogen, opdat de overigen mogen erkennen, dat hij uw heiligdom heeft gelasterd; straf hem, zoals zijn boosheid verdient. 43 Op de dertiende Adar werden de legers handgemeen. Nikánors leger werd totaal verslagen, en hijzelf viel het eerst in de slag. 44 Toen Nikánors leger zag, dat hij gesneuveld was, wierpen zij hun wapens weg en sloegen op de vlucht. 45 Maar de Joden vervolgden hen een dagreis ver, van Adasa af tot in de omgeving van Gézer, en bliezen de alarmbazuinen bij hun achtervolging. 46 Daarom kwam men uit alle naburige dorpen van Judea te voorschijn en omsingelde hen. Zij poogden nog, zich tegen hen te verweren, maar zij vielen allen door het zwaard; niet één van hen bleef er over. 47 Nu maakte men zich meester van de buit en van wat er geroofd was; ze onthoofden Nikánor en kapten hem de rechterhand af, die hij brutaal had uitgestoken, brachten die naar Jerusalem, en hingen ze daar op. 48 Het volk was uitbundig van blijdschap, en vierde die dag als een plechtige jubeldag. 49 En men besloot, deze dag elk jaar op de dertiende Adar te vieren. 50 Het land Juda genoot nu voor korte tijd rust.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 8

1 {\cf2Judas had van de roem der Romeinen gehoord: dat ze buitengewoon machtig waren; dat ze allen, die toenadering zochten, welwillend bejegenden, en met eenieder, die zich bij hen wilde aansluiten, een bondgenootschap sloten; kortom, dat ze machtig waren en sterk. 2 Zo vertelde men hem van hun oorlogen en heldendaden tegen de Galliërs; hoe zij hen hadden overwonnen en schatplichtig gemaakt. 3 Wat zij in Spanje hadden gedaan; hoe zij zich daar van de gouden zilvermijnen hadden meester gemaakt, 4 en ondanks de zeer grote afstand het hele land door hun overleg en volharding hadden bemachtigd. Zij hadden zelfs de koningen, die van de uiteinden der aarde tegen hen waren opgetrokken, verslagen, en hun zware nederlagen toegebracht, terwijl de overigen hun jaarlijks schatting moesten betalen. 5 Zij hadden Filippus en Pérseus, koning der Kittiërs, met andere opstandelingen in een oorlog verslagen, en aan hun macht onderworpen. 6 Zij hadden ook Antiochus den Grote, koning van Azië, verslagen, ofschoon hij met honderd twintig olifanten, ruiters, strijdwagens en een reusachtig leger tegen hen ten strijde was getrokken, 7 en hem levend gevangen genomen; zij hadden hemzelf en zijn troonopvolgers verplicht, een hoge schatting aan hen te betalen en gijzelaars uit te leveren; zij hadden hem zijn mooiste stukken grondgebied afgenomen, 8 zoals Pisidië, Miluas en Lúdië, en het aan koning Eúmenes geschonken. 9 Zij hadden, zodra zij van het plan der Grieken hadden gehoord, die besloten hadden, hen te komen vernielen, 10 een veldheer op hen afgezonden, de strijd tegen hen aangebonden en velen van hen in de pan gehakt; zij hadden hun vrouwen en kinderen gevangen weggevoerd, hen uitgeplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen verwoest, en hen aan zich onderworpen tot op de dag van vandaag. 11 Zij hadden andere koninkrijken en eilanden vernield, die zich nog ergens tegen hen verzetten, en ze onder hun heerschappij gebracht. Maar met hun vrienden en bondgenoten hadden ze vriendschapsbetrekkingen aangeknoopt. 12 En zo heersten zij over koninkrijken, dicht bij en veraf, en wie hun naam maar hoorde, beefde voor hen. 13 Iedereen, dien zij koning wilden maken, werd koning; maar iedereen, dien zij niet wilden, zetten ze af; zo groot was hun macht! 14 En toch was er niemand onder hen, die zich de kroon op het hoofd zette, of zich in purper stak, om er mee te pronken. 15 Integendeel, zij hadden een volksraad ingesteld van driehonderd twintig raadsleden, die zich dagelijks uitsluitend bezighielden met het welzijn van het volk, dat zij goed wilden besturen. 16 Elk jaar vertrouwden dezen de regering van het gehele rijk aan één man toe, en hem gehoorzaamden zij allen zonder nijd of afgunst. 17 Daarom koos Judas nu Eupólemus uit, den zoon van Johannes en kleinzoon van Akkus, met Jáson, den zoon van Elazar, en zond hen naar Rome, om vriend- en bondgenootschap met hen te sluiten, 18 en om daardoor bevrijd te worden van de griekse overheersing, die zoals zij wel zouden bemerken, zwaar op Israël drukte. 19 Ze trokken dus naar Rome, en traden na een zeer lange reis de senaat binnen; en daar spraken zij: 20 Judas de Makkabeër, zijn broeders en het volk der Joden zenden ons tot u, om bondgenootschap en vrede met u te sluiten, en onder uw bondgenoten en vrienden te worden opgenomen. 21 Dit voorstel keurden zij goed. 22 De tekst van de oorkonde, die zij op koperen platen lieten graveren, en naar Jerusalem zonden als een gedenkstuk van de vrede en het bondgenootschap, luidt als volgt: 23 Moge het de Romeinen en het volk der Joden altijd goed gaan te land en ter zee, en zwaard en vijand ver van hen blijven! 24 Wanneer Rome of een van zijn bondgenoten in het gehele rijksgebied het eerst door een oorlog wordt bedreigd, 25 dan zal het volk der Joden, naarmate de omstandigheden het van hen vorderen, vastbesloten aan de strijd deelnemen. 26 Zij behoeven echter de strijders niet te helpen door het leveren van graan, wapens, geld of schepen tenzij Rome het goedvindt. Aan deze bepalingen zullen zij zich houden, zonder er iets voor te krijgen. 27 Maar wanneer het volk der Joden het eerst in een oorlog wordt gewikkeld, dan zullen de Romeinen hun op dezelfde wijze bereidwillig te hulp komen, naarmate de omstandigheden het van hen vorderen. 28 Maar ook zij behoeven hun bondgenoten geen graan, wapens, geld of schepen te leveren, tenzij Rome het goedvindt. Zij zullen zich eerlijk aan deze bepalingen houden. 29 Op grond van deze bepalingen sluiten de Romeinen met het volk der Joden een verdrag. 30 Zou echter een der partijen later iets willen aanvullen of schrappen, dan kunnen zij dat met onderling goedvinden doen; iedere toevoeging of weglating zal dan van kracht zijn. 31 En wat de schade betreft, die koning Demétrius hun toebrengt, daarover hebben wij hem het volgende geschreven: Waarom legt gij onze vrienden en bondgenoten, de Joden, zulk een zwaar juk op? 32 Wanneer zij in het vervolg nog klachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht verschaffen, en u te land en ter zee bestrijden.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 9

1 {\cf2Toen Demétrius vernomen had, dat Nikánor en zijn leger in de strijd waren gevallen, zond hij Bakchides en Alkimus voor de tweede maal naar Judea, en wel aan het hoofd van de rechtervleugel. 2 Zij sloegen de weg in naar Galilea, belegerden Massalot in het gebied van Arbéla, veroverden het en vermoordden er velen. 3 Daarop sloegen zij in de eerste maand van het jaar 152 het beleg om Jerusalem. 4 Zij braken echter weer op, en trokken met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters naar Beréa, 5 omdat Judas met drieduizend uitstekende soldaten in Elasa lag. 6 Maar toen de Joden nu de geweldige overmacht zagen, begonnen er velen bang te worden, en vluchtten weg uit het legerkamp, zodat er nog slechts achthonderd man van hen overbleven. 7 Zo moest Judas het aanzien, hoe zijn leger uiteen viel op het ogenblik, dat hij gedwongen werd, slag te leveren. Hij was zeer terneergeslagen, omdat hij geen tijd had, hen weer te verzamelen. 8 En in zijn vertwijfeling riep hij de overgeblevenen toe: Vooruit; trekken wij tegen onze vijanden op; misschien zijn we hun toch nog de baas! 9 Men poogde nog, hem hiervan af te brengen, en zeide: Dat kunnen we niet! We moeten nu ons eigen leven maar redden. Later kunnen we dan met onze broeders terugkeren, en tegen hen vechten; nu zijn wij met veel te weinig man. 10 Maar Judas sprak: Dàt zal nooit gebeuren; nooit gaan we voor hen op de vlucht! Wanneer ons uur is gekomen, laat ons dan moedig voor onze broeders sterven, en geen vlek op onze roem laten kleven. 11 Daarop trokken de troepen de legerplaats uit. De Syriërs stelden zich tegen hen op; hun ruiterij was in tweeën gesplitst, en aan de spits van het leger trokken de slingeraars en boogschutters met alle dappere voorvechters. 12 Bakchides bevond zich op de rechtervleugel. Van twee kanten rukten nu de slaglinies vooruit onder het schetteren van de trompetten. 13 Ook Judas' mannen bliezen op de trompetten, zodat de aarde dreunde van het lawaai der legers. En van de morgen tot de avond woedde de slag. 14 Zodra Judas bemerkte, dat Bakchides zich met de kern van het leger op de rechtervleugel bevond, schaarden alle dappere mannen zich om hem heen, 15 verpletterden de rechtervleugel en zetten ze achterna tot het gebergte van Azor. 16 Maar toen de soldaten op de linkervleugel zagen, dat de rechter verslagen was, zwenkten zij om, en gingen snel achter Judas en de zijnen aan. 17 Nu ontspon zich een verschrikkelijk gevecht, en aan beide zijden vielen ze bij hopen. 18 Ook Judas viel; en nu sloeg de rest op de vlucht. 19 Maar Jonatan en Sjimon wisten hun broer Judas nog mee te nemen, en begroeven hem in het graf van zijn vaderen te Modin. 20 Daar beweenden ze hem, en heel Israël hield voor hem een plechtige dodenklacht. Dagen lang bleven ze treuren en roepen: 21 Hoe is de held gevallen, De redder van Israël! 22 De verdere geschiedenis van Judas, van zijn oorlogen en de heldendaden, die hij verrichtte, en van zijn grootheid, is niet verder beschreven. Dat zou te veel zijn geweest. 23 Na de dood van Judas doken in heel het gebied van Israël de afvalligen weer op, terwijl ook alle misdadigers het hoofd opstaken. 24 En omdat met hen nu ook het land afviel van God, begon er in die tijd een ontzettende hongersnood te woeden. 25 Bakchides deed een keuze uit die goddeloze mannen, en stelde hen aan, om het land te besturen. 26 Dezen gingen op zoek naar de vrienden van Judas, en brachten ze voor Bakchides, die hen bestrafte en hoonde. 27 Zo brak er een heftige vervolging in Israël uit, zoals er sinds het optreden van den laatsten profeet niet meer was geweest. 28 Daarom sloten alle aanhangers van Juda zich aaneen, en zeiden tot Jonatan: 29 Sinds de dood van uw broer Judas is er niemand, die evenals hij te velde kan trekken tegen de vijanden, tegen Bakchides en allen, die ons volk haten. 30 Daarom kiezen wij heden u, om in zijn plaats ons opperhoofd en onze aanvoerder te zijn en onze oorlog uit te vechten. 31 Zo nam Jonatan toen de leiding op zich, en trad in de plaats van zijn broer Judas. 32 Toen Bakchides hiervan kennis kreeg, stelde hij alle pogingen in het werk, om hem te doden. 33 Maar zodra Jonatan en zijn broer Sjimon met heel zijn aanhang dit vernamen, vluchtten zij naar de woestijn van Tekóa en legerden zich bij de waterput Asfar. 35 Hij liet echter zijn broer Johannes aan het hoofd van de tros wegtrekken, om de Nabateërs, zijn vrienden, te verzoeken, hun omvangrijke bagage bij hen in veiligheid te mogen brengen. 36 Maar de zonen van Jámbri rukten uit Medeba op, namen Johannes met heel zijn tros gevangen en trokken er mee weg. 37 Enige tijd later berichtte men Jonatan en zijn broer Sjimon, dat de zonen van Jámbri een grote bruiloft zouden vieren, en dat zij de bruid, de dochter van een vooraanstaanden Kanaäniet, met groot gevolg van Nadabat zouden komen afhalen. 38 Toen dachten zij aan het bloed van hun broer Johannes, trokken op en verscholen zich in een bergspleet. 39 Zij bleven daar op de uitkijk liggen, en zie: daar naderde een grote rumoerige stoet; daar kwam de bruidegom aan met zijn vrienden en broers, en ging rijk uitgedost de anderen tegemoet met pauken en andere muziekinstrumenten. 40 Nu sprongen zij uit hun schuilplaats op hen af, en sloegen hen neer; velen bleven zwaargewond liggen, terwijl de overigen naar de bergen vluchtten. Daarna maakten zij zich meester van al hun have en goed. 41 De bruiloft was in droefheid veranderd, de tonen van hun muziek in gejammer! 42 Zo wreekten zij het bloed van hun broer. Daarna trokken ze terug naar het moeras van de Jordaan. 43 Op het bericht hiervan begaf Bakchides zich met een aanzienlijke legermacht naar de oevers van de Jordaan, juist op een sabbat. 44 Toch sprak Jonatan tot zijn mannen: Op, we moeten vandaag voor ons leven vechten; want het ziet er heden slechter uit dan ooit. 45 Ziet, van voren en van achteren bedreigt ons de strijd; links en rechts hebben we de Jordaan met zijn water, en de moerassen met struiken. Er is geen ontkomen meer aan! 46 Roept dus luid de Hemel aan, opdat gij uit de handen van onze vijanden moogt worden gered! 47 En de strijd brandde los; en reeds strekte Jonatan zijn hand uit, om Bakchides te treffen, toen deze door een achterwaartse beweging hem wist te ontwijken. 48 Daarop sprongen Jonatan en zijn mannen in de Jordaan en zwommen naar de overzijde; maar de Syriërs durfden hen niet over de Jordaan achtervolgen. 49 Op die dag vielen er aan de kant van Bakchides ongeveer duizend man. 50 Daarop keerde deze naar Jerusalem terug. Nu begon hij in Judea versterkte steden te bouwen: de vestingen namelijk te Jericho, Emmaus, Bet-Choron, Betel, Timnata, Faraton en Tefon, alle voorzien van hoge muren, poorten en grendels; 51 en in elk daarvan legde hij een bezetting, om Israël te bestoken. 52 Daarenboven versterkte hij de stad Bet-Soer, Gézer en de burcht, die hij van troepen en proviand voorzag. 53 Vervolgens liet hij de zonen van de voornaamste inwoners als gijzelaars pakken, en in de burcht van Jerusalem in verzekerde bewaring houden. 54 In de tweede maand van het jaar 153 gaf Alkimus bevel, de muur van de binnenste tempelvoorhof neer te halen, en daardoor het werk der profeten te vernielen. En juist was men met het slopingswerk begonnen, 55 toen Alkimus door een beroerte werd getroffen, zodat zijn onderneming mislukte. Door verlamming werd hem het spreken belet, zodat hij geen woord meer kon zeggen, of beschikkingen treffen over zijn huis. 56 Zo vond Alkimus toen onder hevige pijnen de dood. 57 En toen Bakchides vernam, dat Alkimus was gestorven, keerde hij naar den koning terug. Het land van Juda genoot nu twee jaren rust. 58 Daarna echter smeedden alle afvalligen het volgende plan: Jonatan en zijn aanhang wonen thans rustig en voelen zich onbezorgd, zoals ge ziet. Wij moeten Bakchides laten komen, om hen allen in één nacht gevangen te nemen. 59 Zij gingen dus naar hem toe, en legden hem hun plannen voor. 60 Toen rukte hij met een groot leger binnen, en zond in het geheim brieven aan al zijn bondgenoten in Judea, om Jonatan en zijn aanhang gevangen te nemen. Zij slaagden er echter niet in, omdat hun plan bekend was geworden. 61 Maar de Joden namen ongeveer vijftig landgenoten, die het kwaad hadden aangestookt, gevangen en doodden hen. 62 Daarop nam Jonatan met Sjimon en hun aanhang de wijk naar Bet-Bassi in de woestijn; wat er verwoest was bouwde hij weer op, en versterkte de stad. 63 Toen Bakchides dit vernam, verzamelde hij zijn gehele legermacht, en riep ook zijn aanhang in Judea onder de wapenen. 64 Hij trok op, sloeg het beleg om Bet-Bassi en bestormde het lange tijd, waarbij hij gebruik maakte van belegeringswerktuigen. 65 Maar Jonatan liet zijn broer Sjimon in de stad achter, en doorkruiste met een klein troepje het land. 66 Hij versloeg Odomera met diens broeders, en de zonen van Fasiron in hun kampementen. Door dit aanvankelijk succes nam zijn leger in aantal toe. 67 Intussen had Sjimon met zijn mannen een uitval uit de stad gedaan, en de belegeringswerktuigen in brand gestoken. 68 Nu vielen zij Bakchides aan, en hij werd door hen verslagen. In zijn ergernis over de mislukking van zijn beraamde veldtocht, 69 werd hij woedend op de afvalligen, die hem hadden aangeraden, het land binnen te rukken, en doodde velen van hen. En hij besloot, naar zijn land terug te trekken. 70 Toen Jonatan dit hoorde, zond hij gezanten naar hem toe, om vrede met hem te sluiten en uitlevering der gevangenen te verkrijgen. 71 Bakchides stemde toe, willigde zijn voorstel in, en gaf hem de verzekering onder ede, dat hij hem zijn leven lang geen kwaad meer zou doen. 72 Ook gaf hij hem de krijgsgevangenen terug, die hij vroeger uit het land Juda had weggevoerd. Daarop keerde hij terug naar zijn land, en betrad nooit meer hun gebied. 73 Nu rustte het zwaard in Israël. Jonatan vestigde zich in Mikmas; hij begon zijn volk te besturen, en de goddelozen uit Israël te verdrijven.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 10

1 {\cf2In het jaar 160 begon Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, een veldtocht en veroverde Ptolemáis, waar hij als koning erkend werd en optrad. 2 Toen koning Demétrius dit hoorde, riep hij een ontzaggelijk leger bijeen, en trok tegen hem op. 3 Daarom zond Demétrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem sprak van vrede en van zijn hoogachting. 4 Want hij dacht bij zichzelf: Wij moeten zo snel mogelijk vrede met hem sluiten, eer hij tegen ons de partij van Alexander kiest. 5 Want hij zal zeker al het kwaad niet vergeten zijn, dat wij hem, zijn broeders en zijn volk hebben berokkend. 6 Hij machtigde hem dus, er een leger op na te houden, oorlogsmateriaal aan te schaffen en zijn bondgenoot te worden. Ook gaf hij bevel, hem de gijzelaars in de burcht uit te leveren. 7 Daarop ging Jonatan naar Jerusalem, en las de brief voor ten aanhoren van heel het volk en van de burchtbezetting. 8 De burchtbezetting werd zeer bevreesd, toen zij hoorde, dat de koning aan Jonatan machtiging had gegeven, er een leger op na te houden; 9 toch leverde zij hem de gijzelaars uit, en deze gaf ze aan hun ouders terug. 10 Nu vestigde Jonatan zich in Jerusalem, en begon de stad weer op te bouwen en te herstellen. 11 Hij beval de werklieden, de muren weer op te bouwen, en de Sionsberg aan alle kanten met gehouwen stenen te versterken. Zo geschiedde het ook. 12 Toen vluchtten de vreemdelingen weg, die zich nog in de vestingen bevonden, welke door Bakchides waren gebouwd; 13 iedereen verliet zijn woonplaats, en trok naar zijn eigen land terug. 14 Alleen in Bet-Soer bleven enigen achter, die van wet en gebod waren afgevallen, omdat ze daar een veilige schuilplaats hadden gevonden. 15 Toen koning Alexander hoorde, welke beloften Demétrius aan Jonatan had gedaan, en toen men hem vertelde van de oorlogen en heldendaden, die deze en zijn broeders hadden verricht en van de moeilijkheden, die zij hadden doorstaan, 16 zeide hij bij zichzelf: Zou er wel iemand te vinden zijn, zoals hij? Wij moeten hem tot onzen vriend en bondgenoot zien te maken. 17 Hij schreef derhalve een brief en zond hem die toe. De inhoud luidde als volgt: 18 Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan: heil! 19 Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig en invloedrijk man, en onze vriendschap waardig zijt. 20 Daarom stellen wij u bij deze aan tot hogepriester van uw volk, en bepalen, dat uw titel zal zijn:"Vriend des konings". (Ook zond hij hem een purperen kleed en een gouden kroon). Kies dus onze partij, en houd vast aan onze vriendschap, 21 Daarom bekleedde Jonatan op het loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar 160 zich met het heilig gewaad. Ook bracht hij een leger op de been, en schafte veel oorlogsmateriaal aan. 22 Toen Demétrius dit alles vernam, zeide hij in diepe verslagenheid: 23 Hoe konden wij het zo ver laten komen, dat Alexander ons te vlug is geweest, en de vriendschap en de steun der Joden heeft verworven? 24 Ook ik zal een afdoend schrijven tot hem richten met toezegging van waardigheden en geschenken, om mij van hun hulp te verzekeren. 25 Hij zond hun dus een brief van de volgende inhoud: Koning Demétrius aan het volk der Joden: heil! 26 Wij hebben met vreugde vernomen, dat gij de met ons gesloten verdragen zijt nagekomen, aan onze vriendschap hebt vastgehouden, en niet naar onze vijanden zijt overgelopen. 27 Wanneer gij dus ook in de toekomst in die trouw jegens ons blijft volharden, zullen wij u het goede vergelden, dat gij ons bewijst, 28 door u vrij te stellen van vele lasten en u geschenken te geven. 29 Hiermede onthef ik u, en stel ik alle Joden vrij van belasting, van accijns op zout en van de kroongelden. 30 Evenzo doe ik van nu af voor altijd afstand van het derde deel van de veldoogst en van de helft der boomvruchten, waarop ik rechtens beslag kan leggen; ik zal ze van nu af nimmer meer heffen van Juda en van de drie gewesten van Samaria, die daarbij zijn ingelijfd. 31 Jerusalem zelf met zijn gebied zal heilig zijn, en vrij van tienden en tollen. 32 Ook doe ik afstand van de macht over de burcht in Jerusalem, en geef hem over aan den hogepriester, die hem met manschappen naar eigen keuze kan bezetten, om hem te bewaken. 33 Aan alle Joden, die uit het land Juda naar welk deel ook van mijn rijk zijn verbannen, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid; en onderweg moeten allen hen vrijstellen van tolgeld, ook van dat voor het vee. 34 Verder zullen voor alle Joden in mijn rijk alle feesten: iedere sabbat en nieuwe maan, alle vastgestelde feestdagen, met de drie dagen, die aan zulk een feest voorafgaan en er op volgen, tolvrij zijn en onbelast; 35 en niemand zal dan het recht hebben, een van hen aan te houden of lastig te vallen om welke zaak ook. 36 Van hun kant zullen van de Joden ongeveer dertigduizend man in het leger van den koning worden ingelijfd. Maar aan hen zal dezelfde soldij worden uitgekeerd, als waarop alle koninklijke troepen recht hebben. 37 Een gedeelte van hen zal in de grote vestingen van den koning worden ondergebracht, en anderen weer zullen zich vertrouwensposten in het rijk zien toegewezen. Hun eigen mannen zullen hun aanvoerders en bevelhebbers zijn, en zij zullen mogen leven volgens hun wet, zoals de koning reeds voor het land Juda heeft vastgesteld. 38 De drie gewesten van Samaria, die bij Judea zijn getrokken, zullen als gebied van Judea worden beschouwd, zodat zij onder één leiding staan en geen ander gezag hebben te erkennen dan dat van den hogepriester. 39 Ptolemáis met zijn gebied sta ik af als een geschenk voor de tempel te Jerusalem, om de onkosten van het heiligdom te bestrijden. 40 Bovendien zal ik jaarlijks uit de koninklijke schatkist vijftienduizend zilveren sikkels beschikbaar stellen, die verhaald moeten worden op die plaatsen, waar dit gevoegelijk gaat. 41 Al het achterstallige geld, ook dat van de vorige jaren, dat de ambtenaren nog niet hebben afgedragen, moet van nu af aan worden afgegeven voor het onderhoud van de tempel. 42 Verder zullen de vijfduizend zilveren sikkels, die zij jaarlijks hieven op de tempelinkomsten, worden vrijgegeven, en ten goede komen aan de dienstdoende priesters. 43 Daarenboven zal iedereen, die zich aan de koninklijke rechten of waaraan ook heeft vergrepen, en gevlucht is naar de tempel van Jerusalem of ergens binnen het tempelgebied, onschendbaar zijn met al zijn have en goed, dat zich in mijn gebied bevindt. 44 Ook zullen de kosten van het verbouwen en herstellen van de tempel uit de koninklijke schatkist worden bestreden. 45 Evenzo zullen de kosten voor het optrekken en versterken van de muren rondom Jerusalem en voor de bouw van de muren in Judea door de koninklijke inkomsten worden gedekt. 46 Maar toen Jonatan en het volk deze voorstellen hoorden, vertrouwden zij ze niet; zij gingen er dus niet op in, omdat zij zich al te goed herinnerden, hoe groot onheil hij over Israël gebracht had, en hoezeer hij hen had verdrukt. 47 Zij bleven het dus met Alexander houden, omdat hij hun het eerst vriendschap had aangeboden, en waren in het vervolg zijn bondgenoten. 48 Nu bracht koning Alexander een groot leger op de been, en stelde zich tegen Demétrius op. 49 Beide koningen raakten slaags met elkander; het leger van Demétrius sloeg op de vlucht en Alexander achtervolgde hem. 50 Ofschoon hij hem reeds had overwonnen, zette hij toch de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang, met het gevolg dat Demétrius nog diezelfde dag sneuvelde. 51 Daarop zond Alexander een gezantschap naar Ptoleméus, den koning van Egypte, met de volgende boodschap: 52 Nu ik weer in mijn rijk ben teruggekeerd, heb ik de troon van mijn vaderen bestegen en het bestuur in handen genomen. Demétrius heb ik overwonnen en ons land in bezit gekregen. 53 Want wij zijn met hem slaags geraakt, hebben zijn leger verpletterd, en bezit genomen van zijn koningstroon. 54 Laat ons dus vriendschap met elkander sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw, zodat ik uw schoonzoon word; ik zal u en haar geschenken aanbieden, die u waardig zijn. 55 Hierop antwoordde koning Ptoleméus als volgt: Gelukkig de dag, waarop gij in het land uwer vaderen zijt teruggekeerd en bezit hebt genomen van hun koningstroon. 56 Ik sta u toe, waarover gij hebt geschreven. Kom mij echter in Ptolemáis tegemoet; dan kunnen wij elkander leren kennen en ik zal u tot mijn schoonzoon maken, zoals ge gevraagd hebt. 57 Vergezeld van zijn dochter Kleópatra verliet dus Ptoleméus Egypte, en kwam in het jaar 162 te Ptolemáis aan, 58 waar koning Alexander hem tegemoet was gereisd. Hij gaf hem zijn dochter Kleópatra tot vrouw, en vierde daar in Ptolemáis haar huwelijksfeest op koninklijke wijze met pracht en praal. 59 Intussen had koning Alexander aan Jonatan een brief geschreven, om hem uit te nodigen bij hem te komen. 60 Rijk uitgedost vertrok deze dus naar Ptolemáis, en trof er de beide koningen aan. Hij bood hun en hun vertrouwelingen goud en zilver en allerlei andere geschenken aan, en wist daardoor hun gunst te winnen. 61 Bij die gelegenheid staken kwaadwillige en afvallige Israëlieten de hoofden bijeen, en klaagden hem aan. Maar de koning sloeg er geen acht op. 62 Integendeel, de koning gaf bevel, dat men Jonatan zijn gewaad zou doen afleggen en hem in purper zou kleden; en zo geschiedde. 63 Daarop liet de koning hem naast zich plaats nemen, en beval zijn bevelhebbers: Gaat met hem midden door de stad, en maakt bekend, dat niemand het wage, hem van iets te beschuldigen, of hem om iets lastig te vallen. 64 Toen dus de aanklagers bemerkten, hoe hij openlijk gehuldigd werd en hem in purper zagen gekleed, namen zij allen de vlucht. 65 De koning bewees hem hoge eer, nam hem op onder zijn eerste vrienden, en stelde hem aan tot veldheer en stadhouder. 66 Zo keerde Jonatan behouden en geheel voldaan naar Jerusalem terug. 67 In het jaar 165 ging Demétrius, de zoon van Demétrius, van Kreta naar het land zijner vaderen. 68 Toen koning Alexander dit vernam, keerde hij vol bekommering naar Antiochië terug. 69 Demétrius stelde Apollónius Táos tot stadhouder van Celesyrië aan. Deze bracht een groot leger op de been, en sloeg zijn kamp bij Jámnia op. En hij liet Jonatan, den hogepriester, weten: 70 Gij zijt de enige, die zich tegen ons verzet; door uw toedoen word ik uitgelachen en bespot. Waarom durft gij u tegen ons in de bergen verzetten? 71 Wanneer gij werkelijk op uw troepen vertrouwt, kom dan omlaag, bij ons in de vlakte; dan kunnen wij ons met elkander meten. Aan mijn kant staat de legermacht der steden. 72 Vraag maar na, dan zult ge wel horen, wie ik ben, en wie onze hulptroepen zijn. Men zal u zeggen, dat gij onmogelijk tegen ons stand kunt houden. Want uw vaderen werden tot twee maal toe door ons in hun eigen land verslagen: 73 dus gij zult thans nog veel minder bestand zijn tegen zo'n geweldige ruiterij en troepenmacht, en zeker niet in de vlakte, waar steen noch kiezel, noch schuilplaats is. 74 Toen Jonatan deze grootspraak van Apollónius vernam, voelde hij zich diep gegriefd. Hij koos tienduizend soldaten uit en verliet Jerusalem; en zijn broer Sjimon sloot zich bij hem aan, om hem te helpen. 75 Zij sloegen hun kamp op voor Jóppe; maar de inwoners hielden de stad gesloten, omdat er in Jóppe een bezetting van Apollónius lag. Toen zij echter de stad bestormden, 76 deden de bang geworden inwoners hun open, en zo werd Jonatan heer en meester in Jóppe. 77 Zodra Apollónius dit hoorde, rukte hij met drieduizend ruiters en een grote legermacht uit, en trok in de richting van Asjdod, alsof hij daarheen wilde gaan. Maar vertrouwend op zijn sterke ruiterij, rukte hij eensklaps de vlakte in, 78 terwijl Jonatan hem achterna trok naar Asjdod. Zo raakten de legers slaags. 79 Apollónius had achter de linie der Joden duizend ruiters gelaten, die verdekt waren opgesteld; 80 maar Jonatan wist, dat hem een hinderlaag was gelegd. Nu sloten de Syriërs zijn leger in, en beschoten zijn volk met pijlen van de morgen tot de avond. 81 Maar het volk hield stand, zoals Jonatan hun bevolen had. Toen echter de vijandelijke ruiterij uitgeput raakte, 82 trok Sjimon zijn leger samen, en stormde op het voetvolk los. En daar de ruiterij machteloos was, werden zij door hem verslagen en gingen op de vlucht. 83 Ook de ruiterij werd in de vlakte uit elkaar gedreven. Zij vluchtten naar Asjdod, en gingen het huis van Dagon binnen, om in hun afgodstempel redding te zoeken. 84 Maar Jonatan stak Asjdod en de omliggende plaatsen in brand, maakte zich meester van de oorlogsbuit, en gaf de tempel van Dagon met allen, die er een toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs. 85 Het getal van hen, die door het zwaard en het vuur waren omgekomen, bedroeg ongeveer achtduizend man. 86 Toen trok Jonatan verder, en legerde zich bij Asjkalon, waar de inwoners hem met hoge eerbewijzen ontvingen. 87 Daarna keerde Jonatan met zijn mannen en een grote buit naar Jerusalem terug. 88 Toen koning Alexander dit hoorde, bewees hij Jonatan nog hoger eer. Hij zond hem een gouden gesp, waarmede anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron en het daarbij behorende gebied in bezit.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 11

1 {\cf2Intussen had de koning van Egypte een leger, bijeengebracht zo talrijk als het zand aan het strand van de zee, en een grote vloot bovendien. Hij was van plan, zich op listige wijze meester te maken van het rijk van koning Alexander, en het in te lijven bij zijn rijk. 2 Onder het masker van vrede trok hij Syrië in, waar de inwoners de steden voor hem openstelden en hem welkom heetten; want koning Alexander had bevel gegeven, hem welkom te heten, omdat hij zijn schoonvader was. 3 Maar telkens wanneer Ptoleméus een stad was binnengetrokken, liet hij er een afdeling soldaten als bezetting achter. 4 Toen hij Asjdod had bereikt, wees men hem op de afgebrande tempel van Dagon, op de puinhopen van Asjdod en van het omliggende gebied, en op de lijken van hen, die in de oorlog waren verbrand en nu langs de weg lagen opgestapeld. 5 Ook vertelde men den koning, wat Jonatan zou hebben gedaan, om hem te kleineren; maar de koning zweeg. 6 Jonatan trok nu naar Jóppe met grote praal, om den koning welkom te heten. Zij begroetten elkander en overnachtten daar. 7 Daarna begeleidde Jonatan den koning tot aan de rivier de Eleúterus, en keerde toen naar Jerusalem terug. 8 Zo maakte koning Ptoleméus zich van de kuststeden meester tot aan Seleúcië, aan de zee. En daar hij vijandige plannen tegen Alexander beraamde, 9 zond hij een gezantschap naar koning Demétrius, en deed hem het voorstel: Kom, laat ons een bondgenootschap sluiten. Ik zal u mijn dochter geven, de vrouw van Alexander, en dan zult gij koning worden over het rijk van uw vader. 10 Want het spijt me, dat ik hem mijn dochter heb gegeven, daar hij pogingen heeft gedaan, om mij te vermoorden. 11 Zo belasterde hij hem, daar hij zijn koninkrijk wenste. 12 Hij ontnam hem zijn dochter, en gaf haar aan Demétrius. Zo brak hij met Alexander, en werden zij openlijk vijanden. 13 Ptoleméus trok Antiochië binnen, en zette zich de kroon van Azië op het hoofd, zodat hij nu twee kronen droeg, namelijk die van Egypte en Azië. 14 Koning Alexander bevond zich toen in Cilicië, omdat de bewoners van die streken in opstand waren gekomen. 15 Maar zodra Alexander dit hoorde, trok hij tegen hem ten strijde. Ook Ptoleméus rukte uit, trok hem met een machtig leger tegemoet en versloeg hem. 16 Alexander vluchtte naar Arabië, om daar veilig te zijn; en zo behield koning Ptoleméus de overhand. 17 Maar de Arabier Zabdiël sloeg Alexander het hoofd af, en zond het naar Ptoleméus. 18 Drie dagen later stierf koning Ptoleméus zelf; daarop werden de soldaten, waarmee hij zijn vestingen had bezet, door de inwoners vermoord. 19 Zo kwam Demétrius in het jaar aan de regering. 20 In die tijd riep Jonatan de mannen van Judea op, om de burcht van Jerusalem te belegeren. Toen hij reeds veel belegeringswerktuigen had laten opstellen, 21 gingen enkele afvalligen, die hun volk haatten, naar den koning, en berichtten hem, dat Jonatan de burcht belegerde. 22 Bij het bericht hiervan ontstak de koning in woede; hij reisde terstond naar Ptolemáis, en zond Jonatan een schriftelijk bevel, de belegering te staken en hem zo spoedig mogelijk in Ptolemáis te ontmoeten voor een onderhoud. 23 Toch liet Jonatan ondanks het bevel de belegering voortzetten. Maar hij koos enkele oudsten van Israël en priesters uit, om met hen het gevaar te trotseren. 24 Hij nam zilver en goud mee, gewaden en veel andere geschenken, ging naar den koning in Ptolemáis, en wist diens gunst daar te winnen. 25 Wel klaagden enige afvalligen uit het volk hem aan, 26 maar de koning behandelde hem evenals zijn voorgangers, en bewees hem veel eer ten overstaan van al zijn vrienden. 27 Ook bekrachtigde hij zijn aanstelling als hogepriester, handhaafde al de andere waardigheden, die hij vroeger had ontvangen, en liet hem onder zijn eerste vertrouwelingen opnemen. 28 Daarom deed Jonatan den koning het verzoek, om Judea en de drie gewesten van Samaria van belasting te ontheffen, en beloofde hem in plaats daarvan driehonderd talenten. 29 De koning willigde het in, en liet over al deze punten de volgende oorkonde voor Jonatan opstellen: 30 Koning Demétrius aan zijn broeder Jonatan en het volk der Joden: heil! 31 Om u in eens op de hoogte te stellen, zenden wij ook aan u een afschrift van de brief, die wij aan Lástenes, onzen bloedverwant, over u hebben geschreven: 32 Koning Demétrius aan vader Lástenes: heil! 33 Wij hebben besloten, voor het volk der Joden, dat onze vriend is, en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, als loon voor zijn goede gezindheid jegens ons, een gunstige regeling te treffen. 34 Wij staan aan hen af het gebied van Judea en van de drie gewesten Efraïm, Lúdda, en Ramatáim die aan Samaria worden onttrokken, en in hun volle omvang bij Judea worden ingelijfd. Bovendien geven wij aan allen, die in Jerusalem offeren, vrijstelling van de jaarlijkse belastingen, die de koning voorheen op hun veld- en boomvruchten hief. 35 Verder doen wij voor de toekomst afstand van al onze rechten op tienden en tollen, die voor ons zijn bestemd, en op de zoutvijvers en kroongelden, waarop wij aanspraak kunnen maken; van dit alles stellen we hen vrij. 36 En niets van dit alles zal worden ingetrokken, nu niet en nooit. 37 Zorg er ook voor, hiervan een afschrift te laten maken en het Jonatan te geven; het moet worden aangebracht op een in het oog lopende plaats van de heilige berg. 38 Toen koning Demétrius zag, dat zijn land zich rustig hield en er nergens meer verzet tegen hem heerste, zond hij al zijn troepen terug naar de plaatsen, waar zij vandaan kwamen, uitgezonderd de vreemde huurtroepen, die hij op de eilanden der heidenen had aangeworven. Daardoor kreeg hij heel het leger tegen zich, dat reeds onder zijn vaderen in dienst was geweest. 39 Toen Trúfon, een vroegere aanhanger van Alexander, dan ook zag, dat heel het leger tegen Demétrius mopperde, ging hij naar den Arabier Imalkoeë, die Antiochus, het zoontje van Alexander, opvoedde, 40 en verzocht hem dringend, hem den knaap toe te vertrouwen, opdat deze in plaats van zijn vader zou kunnen regeren. Daarom deelde hij hem mede, welke maatregelen Demétrius had getroffen, en hoe hij daardoor zijn leger tegen zich had gekregen. Hij bleef daar lange tijd. 41 Intussen had Jonatan bij koning Demétrius het verzoek laten indienen, om de burchtbezetting te Jerusalem met de troepen uit de overige vestingen terug te roepen, omdat zij Israël telkens aanvielen. 42 Demétrius liet Jonatan antwoorden: Niet alleen deze gunst zal ik u en uw volk verlenen, maar tevens zal ik u en uw volk hoge eer bewijzen, zo gauw ik een goede gelegenheid daartoe vind. 43 Op het ogenblik echter, nu al mijn troepen mij in de steek hebben gelaten, doet gij beter, mij soldaten te sturen, die het voor mij opnemen. 44 Daarom zond Jonatan drieduizend dappere soldaten naar Antiochië. Toen dezen den koning hadden bereikt, was hij zeer verheugd over hun komst. 45 Want er waren juist in de stad honderd twintigduizend inwoners te hoop gelopen, die den koning wilden vermoorden. 46 De koning was in het paleis gevlucht, maar de inwoners hadden de straten van de stad bezet, en waren tot de aanval overgegaan. 47 Nu riep de koning de Joden te hulp, die zich als één man rondom hem schaarden. Zij verspreidden zich in de stad, en doodden op die dag ongeveer honderdduizend man. 48 Zij staken de stad in brand, veroverden die dag een grote buit, en hadden den koning gered. 49 Toen nu de burgers zagen, hoe krachtig de Joden in de stad optraden en daar deden wat ze wilden, verloren zij de moed, en baden en smeekten den koning: 50 Reik ons de hand, en laat de Joden niet langer woeden tegen ons en tegen de stad. 51 Zij legden de wapenen neer en sloten vrede. De Joden echter kwamen in hoog aanzien te staan bij den koning en al zijn onderdanen, en keerden met een grote buit naar Jerusalem terug. 52 Maar nauwelijks zat koning Demétrius weer vast op zijn troon, en was de rust in zijn rijk teruggekeerd, 53 of hij schond alle beloften, die hij gezworen had, brak met Jonatan, en in plaats van hem de bewezen diensten te vergelden, onderdrukte hij hem heel erg. 54 Enige tijd later keerde Trúfon terug met Antiochus, die nog een zeer jonge knaap was; hij stelde hem aan tot koning en kroonde hem. 55 En alle troepen, die door Demétrius waren afgedankt, sloten zich bij hem aan, en streden tegen Demétrius, die verslagen werd en moest vluchten. 56 Trúfon legde beslag op de olifanten, en veroverde Antiochië. 57 Toen liet de jonge Antiochus aan Jonatan schrijven:Ik handhaaf u als hogepriester en stel u aan over de vier gewesten; gij zult tot de vertrouwelingen van den koning behoren. 58 Tegelijkertijd zond hij hem een gouden tafelservies, en gaf hem verlof, uit een gouden beker te drinken, zich in purper te kleden en een gouden gesp te dragen. 59 Zijn broer Sjimon stelde hij aan tot veldheer over het gebied tussen de Tyrustrap en de grenzen van Egypte. 60 Nu rukte Jonatan op, en trok door het gebied en de steden aan deze zijde van de Rivier, waar het gehele syrische leger zich bij hem aansloot, om hem te steunen. Hij ging het eerst naar Asjkalon, waar de bevolking hem met eerbewijzen ontving. 61 Vervolgens trok hij naar Gaza. Daar echter de inwoners van Gaza hun poorten sloten, belegerde hij de stad, stak het omliggende gebied in brand en plunderde het uit. 62 Toen smeekten Gaza's inwoners Jonatan om vrede, en hij ging er op in; maar hij nam de zonen van de voornaamste burgers als gijzelaars, en zond hen naar Jerusalem. Daarna doorkruiste hij het land tot Damascus toe. 63 Maar toen Jonatan hoorde, dat de bevelhebbers van Demétrius met een groot leger bij Kadesj in Galilea waren gelegerd, en besloten hadden, hem ten val te brengen, 64 trok hij hun tegemoet. Hij liet echter zijn broer Sjimon in het land achter. 65 Nu sloeg Sjimon zijn kamp op bij Bet-Soer, belegerde de stad lange tijd en sloot haar in, 66 totdat men hem eindelijk om vrede bad. Hij sloot vrede met hen, maar dwong ze toch de stad te verlaten, die hij in bezit nam, en waar hij een bezetting in legde. 67 Ondertussen was Jonatan met zijn troepen bij het meer van Gennezaret gelegerd. 68 Toen zij nu op een vroege morgen de vlakte van Chasor introkken, kwamen er eensklaps vreemde huurtroepen in de vlakte op hen af. Deze stormden nu recht op hem aan, maar hadden ook een hinderlaag in de bergen gelegd. 69 Nu sprongen dus ook de soldaten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats te voorschijn en grepen in. 70 Het gehele leger van Jonatan sloeg op de vlucht; niet één van hen hield stand, behalve de legeraanvoerders Mattitja, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfai. 71 Toen scheurde Jonatan zijn kleren, strooide as op zijn hoofd en begon te bidden. 72 Daarop begon hij de aanval opnieuw, en bracht hun zulke slagen toe, dat zij de vlucht moesten nemen. 73 Zodra zijn eigen vluchtelingen dit zagen, keerden zij terug, sloten zich weer bij hem aan, en zetten ze na tot Kadesj, waar hun legerplaats lag. Daar hielden zij halt. 74 Die dag waren er ongeveer drieduizend heidenen gevallen. Hierop keerde Jonatan naar Jerusalem terug.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 12

1 {\cf2Toen Jonatan zag, dat het ogenblik gunstig was, wees hij enkele mannen aan en zond hen naar Rome, om de vriendschapsbetrekkingen met de Romeinen te versterken en te vernieuwen. 2 Ook aan de Spartanen en andere landen zond hij brieven, die hetzelfde beoogden. 3 Zij vertrokken dus naar Rome, traden daar de Senaat binnen, en spraken: De hogepriester Jonatan en het volk der Joden hebben ons gezonden, om de vriendschappelijke betrekkingen en het bondgenootschap onder de vroegere voorwaarden te laten vernieuwen. 4 Hierop gaf men hun brieven mee voor de verschillende plaatselijke overheden met het verzoek, hun een vrijgeleide naar het land Juda te verstrekken. 5 Dit is het afschrift van de brief, die Jonatan aan de Spartanen schreef: 6 De hogepriester Jonatan, de hoge raad van het volk, de priesters en het overige volk der Joden, aan hun broeders de Spartanen: heil! 7 Reeds vroeger heeft de hogepriester Onias een brief ontvangen van Areios, een van uw koningen, waarin gezegd wordt, dat gij onze broeders zijt, zoals het ingesloten afschrift bewijst. 8 Onias heeft den gezant eervol ontvangen en aanvaardde de brief, waarin uitdrukkelijk over een bondgenootschap en vriendschapsbetrekkingen werd gesproken. 9 Ofschoon geen noodzaak er ons toe dwingt, daar wij onze troost putten uit de heilige boeken, die wij bezitten, 10 willen wij toch, om niet van u te vervreemden, een poging doen, om door middel van een gezantschap de wederzijdse banden van broeders en bondgenoten te vernieuwen. Want het is reeds lang geleden, dat gij uw laatste gezantschap naar ons hebt afgevaardigd. 11 Wij van onze kant laten nooit een gelegenheid voorbijgaan, om op feesten en andere plechtige dagen bij onze offers en gebeden aan u te denken; want het is een heilige plicht, dat broeders elkander indachtig zijn. 12 Ook verheugen wij ons over de roem, die u ten deel is gevallen. 13 En wat ons zelf betreft: wij hebben ons temidden van veel verdrukkingen en oorlogen bevonden, omdat de koningen uit onze omgeving tegen ons te velde trokken. 14 In deze strijd echter hebben wij u, noch een van onze andere bondgenoten en vrienden willen lastig vallen. 15 Want wij hebben de hulp van de Hemel, die ons bijstaat; hierdoor werden wij van onze vijanden verlost, en werden onze tegenstanders vernederd. 16 Nu hebben wij Noeménius, den zoon van Antiochus, en Antipater, den zoon van Jáson, uitgekozen en hen naar de Romeinen gezonden, om de vroegere vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap met hen te vernieuwen. 17 Tegelijkertijd droegen wij hun op, ook naar u te reizen, onze groeten aan u over te brengen en u onze brief te overhandigen, om onze vriendschap te vernieuwen. 18 Gij zoudt ons ten zeerste verplichten, ons hierop een antwoord te zenden. 19 En dit is het afschrift van de brief, die aan Onias werd gezonden: 20 Areios, koning der Spartanen, aan Onias den hogepriester: heil! 21 Uit een geschrift over de Spartanen en de Joden is komen vast te staan, dat zij broeders zijn en beiden van Abraham afstammen. 22 Nu ons dit bekend is geworden, zoudt gij ons zeer verplichten, ons te berichten, hoe het u gaat. 23 Wij van onze kant stellen u voor: Uw vee en uw have is als van ons, en het onze van u. Wij hebben opdracht gegeven u hiervan in kennis te stellen. 24 Toen Jonatan hoorde, dat de aanvoerders van Demétrius met een veel groter leger dan vroeger waren teruggekomen, om hem te bestrijden, 25 verliet hij Jerusalem en trok hun in het gebied van Chamat tegemoet; want hij wilde hun de kans niet geven, zijn land binnen te rukken. 26 Hij zond spionnen naar hun kamp, die met het bericht terugkwamen, dat men voorbereidingen trof, om hen des nachts te overvallen. 27 Daarom gaf Jonatan bij zonsondergang zijn mannen bevel, wakker en gewapend te blijven, en de hele nacht klaar te staan voor het gevecht; tevens zette hij rondom het kamp wachtposten uit. 28 Maar toen de vijanden hoorden, dat Jonatan en zijn mannen strijdvaardig stonden, werden zij door vrees overmand en verloren de moed; zij trokken weg, maar staken eerst in hun kamp de wachtvuren aan. 29 Jonatan en zijn mannen, die deze vuren zagen branden, bemerkten er dus niets van, vóór het morgen werd. 30 Toen zette Jonatan ze wel achterna, maar kon ze niet meer inhalen, omdat zij reeds de rivier de Eleúterus waren overgetrokken. 31 Nu trok Jonatan naar de Arabieren, die men Zabadeërs noemde; hij versloeg hen en plunderde ze uit. 32 Vandaar rukte hij verder, ging naar Damascus en doorkruiste het hele gebied. 33 Ook Sjimon was uitgerukt en tot Asjkalon en de naastbijgelegen vestingen doorgedrongen. Vandaar trok hij naar Jóppe en nam de stad in, 34 omdat hij gehoord had, dat men de vesting aan de aanhangers van Demétrius wilde uitleveren. Hij liet er ter bewaking een bezetting achter. 35 Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen, en maakte met hen het besluit, vestingen in Judea te bouwen, 36 de muren van Jerusalem te verhogen en tussen de burcht en de stad een hoge muur op te trekken, om de burcht volslagen van de stad af te sluiten, en hem zó te versperren, dat alle koop en verkoop zou worden afgesneden. 37 Zij sloegen dus de handen ineen voor de bouw van de stad; en daar een gedeelte van de muur bij de beek in het oosten was ingestort, herstelden zij die en noemden hem Kafenáta. 38 Sjimon werkte intussen aan de bouw en de versterking van Chadid in de Sjefela, en voorzag het van poorten en grendels. 39 Intussen had Trúfon plannen beraamd, om koning van Azië te worden, zich de kroon op het hoofd te zetten en Antiochus uit de weg te ruimen. 40 Daar hij echter vreesde dat Jonatan dit niet zou toelaten en hem zou tegenwerken, zocht hij naar een middel, om hem gevangen te nemen en te doden. Hij rukte dus uit, en ging naar Bet-Sjan. 41 Maar Jonatan trok met veertigduizend krijgshaftige soldaten tegen hem op, en bereikte Bet-Sjan eveneens. 42 Toen Trúfon zag, dat hij met een groot leger gekomen was, schrok hij ervoor terug, zich aan hem te vergrijpen. 43 Daarna ontving hij hem met hoge eerbewijzen, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen, gaf hem geschenken, en beval zijn vertrouwelingen en zijn troepen, Jonatan te gehoorzamen juist als hemzelf. 44 Daarna sprak hij tot Jonatan: Waarom hebt ge heel dit leger afgetobd, daar we toch geen van beiden het plan hebben, oorlog te maken? 45 Stuur ze naar huis terug en kies u een paar mannen uit, om u te begeleiden, en ga met mij mee naar Ptolemáis. Daar zal ik de stad met de andere vestingen, de overige troepen en alle ambtenaren aan u overdragen. Dan trek ik mij terug en ga weg; want daarvoor alleen ben ik gekomen. 46 Jonatan vertrouwde hem en deed, wat hij hem had gezegd. Hij zond de troepen weg, die naar het land Juda teruggingen. 47 Slechts drieduizend man hield hij bij zich, waarvan hij er nog tweeduizend naar Galilea zond, zodat er slechts duizend met hem meegingen. 48 Maar nauwelijks was Jonatan in Ptolemáis aangekomen, of de inwoners sloten de poorten, namen hem gevangen en joegen al zijn begeleiders over de kling. 49 Bovendien zond Trúfon voetvolk en ruiters naar Galilea en naar de grote vlakte, om de gehele aanhang van Jonatan uit de weg te ruimen. 50 Daar dezen echter hadden vernomen dat Jonatan en de zijnen zouden gevangen genomen zijn en vermoord, hitsten zij elkander op, en rukten in gesloten gelederen vooruit, gereed om te vechten. 51 Toen de achtervolgers dus zagen, dat zij op leven en dood wilden strijden, keerden ze terug. 52 Zo konden zij allen behouden het land Juda bereiken, waar zij, met grote angst in het hart, Jonatan en zijn mannen beweenden. Ook Israël hield een grote dodenklacht. 53 Maar alle heidenen uit de omtrek stelden nu pogingen in het werk, om hen te verdelgen. Want ze zeiden: Ze hebben geen enkelen aanvoerder meer, die hen helpt. Nu moeten wij hen bestrijden, en zelfs hun nagedachtenis bij de mensen verdelgen.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 13

1 {\cf2Toen Sjimon dus hoorde, dat Trúfon een groot leger op de been had gebracht, om Juda binnen te vallen en het te vernietigen, 2 en hij zag, dat het volk bang en angstig was geworden, ging hij naar Jerusalem, om een volksvergadering te houden. 3 Daar sprak hij hun moed in en zeide: Gij weet, wat ik, mijn broers en het huis van mijn vader hebben gedaan voor de wet en het heiligdom, en wat voor oorlogen en rampen wij hebben doorstaan. 4 Voor deze zaak zijn al mijn broers voor Israël gesneuveld; ik alleen ben nog overgebleven. 5 Maar ik denk er niet aan, mijn leven te sparen, onder welke benarde omstandigheden ook; want ik ben niet beter dan mijn broers. 6 Wraak zal ik nemen voor mijn volk en het heiligdom, voor onze vrouwen en kinderen; want uit haat hebben alle heidenen samengespannen, om ons te verdelgen. 7 Toen het volk deze woorden hoorde, laaide de moed weer op, en het juichte: 8 Gij zijt onze aanvoerder in de plaats van Judas en van uw broer Jonatan. 9 Neem gij de leiding in onze krijg; wij zullen alles doen, wat gij beveelt. 10 Nu riep hij alle strijdbare mannen op, liet de muren van Jerusalem zo gauw mogelijk opbouwen, en versterkte de stad aan alle kanten. 11 Bovendien zond hij Jonatan, den zoon van Absalom, met een voldoend aantal soldaten naar Jóppe; deze joeg de inwoners weg en hield de stad bezet. 12 Intussen was Trúfon met een groot leger van Ptolemáis opgerukt, om het land Juda binnen te vallen; hij had Jonatan als krijgsgevangene meegenomen. 13 Daarom sloeg Sjimon zijn kamp op bij Chadid, aan de rand van de vlakte. 14 Toen Trúfon vernam, dat Sjimon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen, en van plan was, de strijd tegen hem te beginnen, zond hij een gezantschap naar hem toe, en liet hem zeggen: 15 Wij houden uw broer Jonatan vast, omdat hij bij de uitoefening van zijn ambt schulden heeft gemaakt ten koste van de koninklijke schatkist. 16 Wij laten hem vrij, als gij ons honderd talenten zilver zendt en bovendien twee van zijn zoons als gijzelaars; want anders valt hij na zijn vrijstelling weer van ons af. 17 Ofschoon Sjimon het listige van hun voorstel doorzag, liet hij het geld en de knapen toch halen, om zich niet erg gehaat te maken bij het volk, 18 dat anders zou zeggen: Omdat hij het geld en de knapen niet heeft willen geven, is Jonatan omgekomen. 19 Hij zond dus de knapen en de honderd talenten; maar Trúfon brak zijn woord, en liet Jonatan niet los. 20 Nu brak Trúfon op, om naar Judea te trekken, en het te verwoesten. Daarvoor maakte hij een omweg over Adóra. Maar overal waar hij heentrok, trad Sjimon met zijn leger hem in de weg. 21 De burchtbezetting zond echter een boodschap naar Trúfon, om hem er toe te bewegen, toch door de woestijn naar hen toe te komen, en hen van levensmiddelen te voorzien. 22 Daarom liet Trúfon zijn gehele ruiterij er op uit rukken. Maar er viel in de nacht zoveel sneeuw, dat men door de sneeuw niet vooruit kon. Nu trok hij maar af, en ging naar Gilad; 23 en toen hij in de nabijheid van Báskama kwam, liet hij Jonatan vermoorden, die daar ook begraven werd. 24 Daarop maakte Trúfon rechtsomkeer, en ging terug naar zijn land. 25 Nu liet Sjimon het gebeente van zijn broer Jonatan weghalen, en begroef het in Modin, de stad van zijn vaderen. 26 Heel Israël hield een plechtige dodenklacht over hem, en men beweende hem dagen lang. 27 Vervolgens liet Sjimon op het graf van zijn vader en van zijn broers een gedenkteken oprichten, van voren en achteren van gepolijste steen, en zo hoog, dat het uit verte te zien was. 28 Daarop plaatste hij zeven pyramiden tegenover elkander: voor zijn vader en moeder en voor zijn vier broers. 29 Hier omheen ontwierp hij een sierlijke en hoge zuilengang, en op de zuilen liet hij, tot een eeuwig aandenken, wapenrustingen aanbrengen en naast de wapenrustingen gebeeldhouwde schepen; want het moest door alle zeevarenden gezien kunnen worden. 30 Dit was het grafmonument, dat hij in Modin oprichtte, en en dat nu nog bestaat. 31 Intussen was Trúfon op verraderlijke wijze tegen den jongen koning Antiochus te werk gegaan, en had hem laten vermoorden. 32 Hij trad in zijn plaats als koning op, zette zich de kroon van Azië op het hoofd, en bracht veel onheil over het land. 33 Maar Sjimon ging voort met het bouwen van vestingen in Judea; hij voorzag ze van hoge torens, zware muren, poorten en grendels, en liet in de vestingen levensmiddelen opslaan. 34 Tevens koos Sjimon enkele mannen uit, die hij naar koning Demétrius zond, om te verkrijgen, dat het land zou worden ontzien, daar Trúfon niets anders gedaan had dan roven. 35 Koning Demétrius willigde zijn verzoek in, en zond hem een schriftelijk antwoord van de volgende inhoud: 36 Koning Demétrius, aan Sjimon, den hogepriester en vriend van de koningen, aan de oudsten en aan het volk der Joden: heil! 37 De gouden kroon en de palmtak, die gij hebt gezonden, hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid, om een duurzame vrede met u te sluiten, en zullen aan onze ambtenaren berichten, dat zij u moeten vrijstellen van belasting. 38 Wat wij vroeger voor u hebben bepaald, blijft van kracht; ook moogt gij de vestingen, die gij gebouwd hebt, behouden. 39 Al uw misstappen en tekortkomingen, tot op de dag van vandaag, schelden wij u kwijt. Bovendien zullen de kroongelden, die gij moet opbrengen, en de andere cijnzen, die er in Jerusalem worden geheven, niet langer verplicht zijn. 40 En wanneer er onder u mochten worden gevonden, die geschikt zijn, om in onze lijfwacht te worden opgenomen, dan kunnen zij worden ingeschreven. Er moet dus vrede tussen ons zijn. 41 Zo werd in het jaar het juk der heidenen van Israël weggenomen, 42 en het volk begon in oorkonden en contracten te schrijven: In het eerste jaar van Sjimon, den hogepriester, veldheer en vorst der Joden. 43 In die tijd sloeg Sjimon het beleg om Gézer en sloot het met zijn leger in. Hij liet een belegeringstoren opstellen, bracht die dicht bij de stad, en wist een der stadstorens zo te havenen, dat hij hem kon innemen. 44 Toen sprongen de soldaten van de belegeringstoren de stad in en verwekten grote verwarring. 45 Nu kwamen de inwoners met vrouwen en kinderen op de muren, scheurden hun klederen en smeekten Sjimon met luider stem, dat hij vrede zou sluiten. 46 Zij riepen: Behandel ons niet naar onze misdaden, maar volgens uw barmhartigheid. 47 En Sjimon liet zich verbidden, en bestreed hen niet verder. Maar hij joeg hen de stad uit, liet de huizen reinigen, waarin zich afgodsbeelden bevonden, en hield toen zijn intocht onder het zingen van lofzang en danklied. 48 Al wat onrein was ruimde hij op, en liet er mensen wonen, die de wet onderhielden; hij herstelde de vestingwerken en liet er een huis voor zich bouwen. 49 Ondertussen bleef voor de bewoners van de burcht in Jerusalem elk contact met de buitenwereld, en iedere koop en verkoop afgesloten. Zij leden derhalve groot gebrek, en velen van hen kwamen om van honger. 50 Toen smeekten zij Sjimon om vrede, en hij schonk hun de vrede. Maar hij joeg hen de burcht uit, en reinigde die van de ontering. 51 En op de drie en twintigste dag van de tweede maand in het jaar 171 hield hij zijn plechtige intocht onder gejuich en het wuiven van palmen, onder het spelen van citers, cymbalen en harpen, en het zingen van hymnen en liederen: Want de grote vijand was uit Israël verdreven! 52 En Sjimon bepaalde, dat men deze dag elk jaar in vreugde zou vieren. Hij versterkte de tempelberg naast de burcht, en ging daar met de zijnen wonen. 53 En omdat Sjimon ondervonden had, dat zijn zoon Johannes een volwassen man was geworden, stelde hij hem aan tot bevelhebber over alle troepen. Deze ging zich toen in Gézer vestigen.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 14

1 {\cf2In het jaar 172 riep koning Demétrius zijn troepen bijeen, en trok naar Medië, om daar versterking te zoeken voor zijn strijd tegen Trúfon. 2 Toen echter Arsakes, de koning van Perzië en Medië vernam, dat Demétrius in zijn gebied was doorgedrongen, zond hij een van zijn veldheren, om hem levend gevangen te nemen. 3 Deze trok op, versloeg het leger van Demétrius, nam hem gevangen en bracht hem voor Arsakes, die hem in de kerker liet werpen. 4 Al de dagen van Sjimon genoot het land van Juda rust; Want hij was bedacht op het heil van zijn volk. Zij verheugden zich over zijn macht, En over zijn roem al die tijd. 5 Hij veroverde de haven van Jóppe, zijn hoogste roem, En opende een toegang voor de eilanden in zee; 6 De grenzen van zijn volk breidde hij uit, En maakte zich meester van het land. 7 Hij hield velen gevangen, Bedwong Gézer, Bet-Soer en de burcht: Hij verwijderde de ontering er uit, Zonder dat iemand hem weerstand bood. 8 Men bebouwde zijn akker, En in vrede zijn land; De bodem bracht zijn gewassen voort, En de boom op het veld zijn vruchten. 9 Grijsaards zaten langs de straten, En bespraken allen de welvaart; De jongemannen waren met glorie bekleed En met het krijgsgewaad. 10 Hij voorzag de steden van voedsel, Rustte ze als vestingen uit, Zodat zijn naam met eer werd genoemd Tot aan de grenzen der aarde. 11 Vrede bracht hij over het land, Israël juichte van vreugde. 12 Iedereen zat onder zijn wijnstok en vijg, Niemand, die hen verontrustte. 13 Er was in het land geen vijand meer over, De koningen waren machteloos in die dagen; 14 Voor alle wankelmoedigen van zijn volk Was hij een stut. Vol ijver was hij voor de wet, En roeide alle afvalligen en boosdoeners uit; 15 Hij was bezorgd voor de luister van het heiligdom, En vergrootte het getal der tempelvaten. 16 Toen in Rome en Sparta het bericht was doorgedrongen, dat Jonatan was gestorven, was men daarover zeer bedroefd. 17 Maar toen ze vernamen, dat zijn broer Sjimon in zijn plaats hogepriester was geworden en over het land en de steden regeerde, 18 schreven zij hem een brief op koperen platen, om de vriendschap en het bondgenootschap te vernieuwen, die zij met zijn broer Judas en Jonatan hadden gesloten. 19 Dit schrijven werd in de volksvergadering te Jerusalem voorgelezen. 20 Het afschrift van de brief, die de Spartanen zonden, luidt als volgt: De opperhoofden van Sparta en de stad, aan den hogepriester Sjimon, de oudsten, de priesters en het overige volk der Joden, hun broeders: heil! 21 De gezanten, die gij naar ons volk hebt afgevaardigd, hebben ons ingelicht over uw roem en aanzien, en wij hebben ons over hun komst verheugd. 22 De onderhandelingen hebben wij als volgt in de staatsbesluiten opgenomen: Noeménius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jáson, zijn bij ons gekomen als gezanten der Joden, om de vriendschap met ons te vernieuwen. 23 Het volk besloot, deze mannen eervol te ontvangen, en een afschrift van hun voorstellen in de staatsakten op te nemen, om het volk der Spartanen daaraan te herinneren. Een afschrift hiervan hebben zij den hogepriester Sjimon doen toekomen. 24 Daarna zond Sjimon Noeménius naar Rome met een groot gouden schild ter waarde van duizend pond, om het bondgenootschap met hen te vernieuwen. 25 Toen het volk dit alles vernam, riep het uit: Hoe kunnen wij Sjimon en zijn zonen onze dankbaarheid betuigen? 26 Want hijzelf, zijn broers en het huis van zijn vader hebben zich als helden gedragen, hebben Israël van zijn vijanden verlost en het zijn vrijheid verzekerd. Daarom lieten zij op koperen platen een oorkonde opmaken, welke men aan een zuil op de berg Sion liet slaan. 27 De oorkonde luidde aldus: Op de achttiende Eloel van het jaar 172, het derde jaar van Sjimon, hogepriester 28 en vorst van Gods volk, hebben wij in een grote vergadering van priesters en volk, van volksleiders en oudsten des lands het volgende besluit genomen: 29 In de talrijke oorlogen, die in ons land zijn uitgebroken, hebben Sjimon, de zoon van Mattatias en afstammeling van de zonen van Jojarib, alsmede zijn broeders hun leven veil gehad en weerstand geboden aan de vijanden van hun volk, om hun heiligdom en de wet te behouden. Daardoor hebben zij hun volk in hoog aanzien gebracht. 30 Zodra Jonatan, die het volk bijeen had gebracht en hun hogepriester was geworden, bij zijn vaderen was verzameld, 31 besloten de vijanden, hun land binnen te vallen, om het te verwoesten en de hand te slaan aan hun heiligdom. 32 Toen stond Sjimon op, en streed voor zijn volk! Een groot gedeelte van zijn persoonlijk vermogen offerde hij op, om het leger van zijn volk te bewapenen en te bezoldigen. 33 Hij versterkte de steden van Judea; eveneens Bet-Soer aan de joodse grens, waar tevoren een vijandelijke krijgspost was geweest, en dat hij met joodse soldaten bezette. 34 Ook versterkte hij de zeestad Jóppe; eveneens Gézer in het grensgebied van Asjdod, dat vroeger door den vijand bewoond was, en waar hij een joodse kolonie stichtte, die hij van alles voorzag, wat nodig was voor hun onderhoud. 35 Toen het volk zag, hoe trouw Sjimon volhield, en hoe hij er naar streefde, het volk in aanzien te brengen, stelde men hem tot vorst en hogepriester aan, uit dankbaarheid voor wat hij gedaan had, voor zijn gerechtigheid en trouw, aan zijn volk bewezen, en voor zijn streven, zijn volk in ieder opzicht te verheffen. 36 In die dagen is het door zijn toedoen gelukt de heidenen uit het land te verdrijven, heel bijzonder hen, die de Davidstad te Jerusalem tot een burcht hadden omgebouwd, waaruit zij telkens uitvallen deden, de omgeving van de tempel bezoedelden, en zijn heiligheid schandelijk ontwijdden. 37 Hij legde er een joodse bezetting in, versterkte de burcht ter beveiliging van land en van stad, en verhoogde de muren van Jerusalem. 38 Dientengevolge bekrachtigde koning Demétrius zijn aanstelling als hogepriester, 39 nam hem onder zijn vertrouwelingen op en overlaadde hem met eerbewijzen. 40 Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen tot vrienden, bondgenoten en broeders waren verklaard, en dat zij de gezanten van Sjimon eervol hadden ontvangen. 41 Daarom hebben de Joden en de priesters besloten, dat Sjimon voor altijd hun vorst en hogepriester zal zijn, totdat een betrouwbaar profeet zal opstaan. 42 Hij zal hun veldheer zijn, en bekwame mannen kunnen aanstellen voor het landsbestuur, de bewapening en de verdediging. 43 Hij zal ook de zorg voor het heiligdom hebben. Men zal hem in alles moeten gehoorzamen, en alle contracten in het land moeten in zijn naam worden opgesteld. Hij zal zich in purper en goud mogen kleden. 44 En het zal niemand uit het volk of van de priesters geoorloofd zijn, een dezer bepalingen op te heffen, tegen zijn bevelen in te gaan of zonder zijn toestemming een vergadering in het land te beleggen, zich in purper te kleden, of een gouden gesp te dragen. 45 Wie hiertegen misdoet of iets hiervan opheft, is strafbaar. 46 Heel het volk heeft het besluit genomen, deze voorrechten aan Sjimon te schenken, en daarnaar te handelen. 47 En Sjimon heeft ze aangenomen en zich bereid verklaard, hogepriester, bevelhebber, vorst der Joden en der priesters, in één woord: hoofd van alles te zijn. 48 Zij hebben deze oorkonde op koperen platen laten graveren, en die in de nabijheid van de tempel op een in het oog vallende plaats laten vastslaan. 49 Ook hebben zij een afschrift hiervan in de schatkamer gelegd, opdat Sjimon en zijn zonen het bij de hand kunnen hebben.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 15

1 {\cf2Nu zond Antiochus, de zoon van koning Demétrius, van de eilanden in de Middellandse Zee een brief aan Sjimon, den priester en vorst der Joden, en aan heel het volk. 2 De inhoud luidde als volgt: Koning Antiochus aan Sjimon, den hogepriester en vorst, en aan het volk der Joden: heil! 3 Nadat enige booswichten zich van het rijk onzer vaderen hadden meester gemaakt, ben ik besloten, de heerschappij weer aan mij te trekken en deze in de vroegere staat te herstellen. 4 Daarom heb ik veel troepen aangeworven en oorlogsschepen uitgerust. Ik ben van plan, aan land te komen en allen te vervolgen, die ons land hebben verwoest en vele steden in mijn rijk hebben vernield. 5 En hiermede bekrachtig ik de vrijstelling van al de lasten, die mijn koninklijke voorgangers u hebben verleend, met alle andere vrijstellingen, die zij u hebben toegestaan. 6 Ik geef u verder verlof, eigen munten voor uw land te slaan. 7 Jerusalem en het heiligdom zullen vrij zijn; alle wapens, die gij hebt aangeschaft, en de vestingen, die gij hebt gebouwd en die in uw bezit zijn, moogt gij in de toekomst behouden. 8 Van al wat gij aan de kroon zijt verschuldigd en van alle andere toekomstige rijksbelastingen zijt gij van heden af voor altijd vrijgesteld. 9 Zodra wij ons rijk weer hebben bemachtigd, zullen wij u, uw volk en de tempel op bijzondere wijze eren, zodat uw roem over geheel de aarde bekend wordt. 10 In het jaar 174 trok Antiochus dus het rijk van zijn vaderen binnen, en zoveel troepen sloten zich bij hem aan, dat er maar weinigen bij Trúfon bleven. 11 Deze werd door koning Antiochus achtervolgd, en vluchtte naar Dora, dat aan de zee is gelegen. 12 Want hij begreep, dat hem onheil dreigde, nu de troepen hem hadden verlaten. 13 Daarom sloeg Antiochus het beleg om Dora met honderd twintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters. 14 Hij omsingelde de stad, terwijl de schepen aan de zeekant aanvielen. Zo bracht hij de stad aan de zee- en de landzijde in het nauw, en maakte het iedereen onmogelijk, er in of er uit te komen. 15 En Noeménius kwam met zijn begeleiders van Rome terug met brieven voor de koningen en de landen, van de volgende inhoud: 16 Lúcius, romeins consul, aan koning Ptoleméus: heil! 17 De gezanten der Joden zijn bij ons gekomen als onze vrienden en bondgenoten, om de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap van vroeger te vernieuwen. Ze waren gezonden door den hogepriester Sjimon en het joodse volk, 18 en brachten een gouden schild mee ter waarde van duizend pond. 19 Daarop hebben wij besloten, aan alle koningen en landen schriftelijk bevel te geven, niets kwaads tegen hen te beramen, hen niet aan te vallen, noch hun steden noch hun gebied, en zich niet bij hun vijanden aan te sluiten. 20 Want het heeft ons behaagd, het schild van hen te aanvaarden. 21 En mochten enkele onruststokers uit hun land naar u zijn gevlucht, dan moet gij hen uitleveren aan den hogepriester Sjimon, die hen volgens hun eigen wet zal bestraffen. 22 Hetzelfde schreef Lúcius aan de koningen Demétrius, Attalus, Ariarátes, en Arsakes; 23 aan alle landen: aan Sámpsame, de Spartanen, Délos, Múndos, Sikuon, Kárië, Samos, Pamfúlië, Lúcië, Halikarnásses, Rodus, Fasélis, Kos, Side, Aradus, Górtuna, Knidus, Cyprus en Cyréne. 24 En een afschrift hiervan liet hij voor Sjimon, den hogepriester maken. 25 Terwijl koning Antiochus dus Dora aan beide zijden belegerde, steeds nieuwe troepen deed aanrukken, belegeringswerktuigen liet opstellen, en Trúfon iedere toegang en uitgang belette, 26 zond Sjimon hem tweeduizend uitstekende soldaten om hem te helpen, met zilver, goud en veel oorlogsmateriaal. 27 Maar hij wilde het niet aannemen; hij verklaarde zelfs, dat alle verdragen, die hij vroeger met hem had gesloten, ongeldig waren, en dat hij met hem had gebroken. 28 Hij zond zijn vertrouweling Atenóbius naar hem toe, om met hem te onderhandelen. Hij moest hem zeggen: Gij houdt Jóppe, Gézer en de burcht van Jerusalem in uw macht, steden, die tot mijn rijk behoren. 29 Gij hebt hun gebied verwoest, het land grote schade toegebracht, en u van veel plaatsen in mijn rijk meester gemaakt. 30 Gij hebt dus de steden terug te geven, die gij bezet hebt, tegelijk met de belastingen van die plaatsen, waarvan gij u buiten het gebied van Judea hebt meester gemaakt. 31 Doet gij dit niet, dan moet gij inplaats daarvan vijfhonderd talenten zilver betalen, en verder nog vijfhonderd talenten voor de schade, die gij hebt aangericht en voor de achterstallige belastingen dezer steden. Blijft gij in gebreke, dan zullen wij komen, om u te beoorlogen. 32 Atenóbius, de vriend van den koning, ging dus naar Jerusalem. En toen hij de praal van Sjimon zag, de schenktafel met de gouden en zilveren schalen en de talrijke bedienden, stond hij verbaasd. Maar toen hij Sjimon de boodschap van den koning had overgebracht, 33 gaf deze ten antwoord: Wij hebben ons niet meester gemaakt van andermans land of goed, maar wel van het erfdeel onzer vaderen, dat onze vijanden, toen ze er de kans toe zagen, wederrechtelijk hebben bemachtigd. 34 En nu de kans ons gunstig is, houden we vast aan het erfdeel onzer vaderen. 35 Wat echter uw eisen aangaande Jóppe en Gézer betreft: zij hebben ons volk en ons land grote schade toegebracht; toch willen wij u daarvoor honderd talenten geven. 36 Atenóbius gaf hierop geen antwoord, maar ging woedend naar den koning terug, en stelde hem op de hoogte van Sjimons beslissing, van zijn praal en pracht en van alles, wat hij gezien had. Toen barstte de koning in woede uit. 37 Intussen had Trúfon toch scheep kunnen gaan en was naar Ortósia gevlucht. 38 Nu stelde de koning Kendebéus tot onderbevelhebber over de zeekust aan, voorzag hem van voetvolk en ruiters, 39 en gaf hem bevel, zich tegen Judea te keren, Kedron tot vesting te verbouwen, de andere steden te versterken, en het volk te beoorlogen. De koning zelf zou Trúfon achtervolgen. 40 Kendebéus trok dus naar Jámnia, en begon het volk te verontrusten door telkens Judea binnen te vallen, en de mensen gevangen te nemen en te vermoorden. 41 Ook bouwde hij Kedron tot vesting om, en legde er ruiterij en voetvolk in, om volgens het bevel van den koning uitvallen te kunnen doen langs de wegen van Judea.}

INHOUD | [Het eerste boek Makkabeeën]

Hoofdstuk 16

1 {\cf2Daarom trok Johannes uit Gézer, om zijn vader Sjimon mede te delen, wat Kendebéus had uitgericht. 2 Toen riep Sjimon zijn twee oudste zonen Judas en Johannes, en sprak tot hen: Ik, mijn broers en het huis van mijn vader, wij hebben van onze jeugd tot heden toe voor Israël gestreden, en meermalen is het ons gelukt, Israël te bevrijden. 3 Nu echter ben ik oud geworden, maar gij zijt door Gods genade nog in de kracht van uw jaren. Neemt dus mijn plaats in en die van mijn broer. Trekt uit ten strijde voor ons volk en moge de hulp van de Hemel u vergezellen! 4 Daarop deed Johannes uit de bevolking een keuze van twintigduizend man voetvolk en ruiterij. Dezen trokken tegen Kendebéus op, en overnachtten te Modin. 5 De volgende morgen rukten zij uit, en gingen de vlakte in; en zie: daar stond tegenover hen een groot leger van voetvolk en ruiters, die alleen door een beek van hen waren gescheiden. 6 Toen hij zich met zijn leger tegen hen had opgesteld, en bemerkte, dat zijn mannen er tegen opzagen, de beek over te steken, trok hij er zelf het eerst overheen. Toen de soldaten dit zagen, trokken ze achter hem aan. 7 Aanstonds verdeelde hij zijn troepen; en daar de vijandelijke ruiterij zeer talrijk was, plaatste hij de zijne tussen het voetvolk. 8 Maar zodra zij op de trompetten bliezen, werd Kendebéus met zijn leger op de vlucht geslagen. Velen hunner werden gewond en gedood; de overigen vluchtten naar de vesting. 9 Ook Judas, de broer van Johannes, werd toen gewond. Maar Johannes zette de achtervolging voort tot aan Kedron. dat Kendebéus versterkt had. 10 Nu vluchtten zij naar de vestingen in het gebied van Asjdod; maar hij stak de stad in brand, en er sneuvelden van hen ongeveer tweeduizend man. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug. 11 Intussen was Ptoleméus, de zoon van Aboébus, tot bevelhebber over de vlakte van Jericho aangesteld. Hij bezat veel zilver en goud, 12 omdat hij een schoonzoon van den hogepriester was. 13 Maar hij werd eerzuchtig en hunkerde er naar, zich van het land meester te maken. Hij smeedde dus een verraderlijk plan tegen Sjimon en zijn zonen, om hen uit de weg te ruimen. 14 Nu was Sjimon gewoon, de steden in het land af te reizen, om te weten, wat ze nodig hadden. Zo ging hij ook naar Jericho, vergezeld van zijn zonen Mattitja en Judas; het was de elfde maand van het jaar 177, welke maand Sjebat genoemd wordt 15 De zoon van Aboébus ontving hen als een verrader in de kleine vesting Dok, die hij gebouwd had, en waar hij een groot drinkgelag voor hen had aangericht, maar ook zijn handlangers verborgen hield. 16 Toen Sjimon en zijn zonen dan ook dronken waren, kwamen Ptoleméus en zijn mannen te voorschijn, grepen hun wapens, overvielen Sjimon in de eetzaal, en vermoordden hem met zijn twee zonen en enkelen van hun gevolg. 17 Zo maakte hij zich aan grote trouweloosheid schuldig, en vergold goed met kwaad. 18 Ptoleméus stelde den koning hiervan schriftelijk in kennis, in de hoop, dat hij hem hulptroepen zou zenden, en hun land met de steden aan hem zou overdragen. 19 Bovendien zond hij een andere groep naar Gézer uit, om Johannes te doden. Ook liet hij de bevelhebbers schriftelijk uitnodigen, bij hem te komen, omdat hij hun zilver, goud en andere geschenken wilde geven. 20 Zelfs zond hij anderen uit, om Jerusalem en de tempelberg te veroveren. 21 Maar er was iemand vooruit gelopen, om Johannes in Gézer te melden, dat zijn vader en zijn broers waren vermoord, en dat hij er mannen op uit had gestuurd, om ook hem te vermoorden. 22 Bij dit bericht ontstelde hij hevig. Hij liet echter de mannen, die hem kwamen vermoorden, dadelijk bij hun aankomst gevangen nemen en doden; want hij wist nu, dat zij hem wilden vermoorden. 23 De verdere geschiedenis van Johannes, met zijn oorlogen en heldendaden, het opbouwen der muren en al wat hij deed, 24 ziet, dat alles is opgetekend in de kronieken van zijn hogepriesterschap, van het ogenblik af, dat hij zijn vader opvolgde als hogepriester.}