De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Job

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31] [32] [33] [34] [35] [36] [37] [38] [39] [40] [41] [42]

Hoofdstuk 1

1 Er was eens een man in het land van Oes, Job geheten. Deze man was onberispelijk en rechtschapen; hij vreesde God en schuwde het kwaad. 2 Hij had zeven zonen en drie dochters gekregen; 3 bovendien bezat hij een kudde van zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd span ossen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven, zodat hij wel de aanzienlijkste man was van alle bewoners van het oosten. 4 Zijn zonen waren gewoon, om elk op zijn beurt en in zijn eigen huis een feestmaal te houden, waarop zij ook hun drie zusters uitnodigden, om met hen te eten en te drinken. 5 Maar zodra dan de dagen van het feestmaal voorbij waren, liet Job ze bij zich ontbieden, om hen te heiligen, en droeg dan in de vroege morgen voor ieder van hen een brandoffer op. Want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en God vervloekt in hun hart. Zo deed Job geregeld. 6 Het gebeurde nu op zekere dag, dat de zonen Gods voor Jahweh verschenen, en dat ook de satan zich in hun midden bevond. 7 En Jahweh sprak tot satan: Waar komt ge vandaan? Satan gaf Jahweh ten antwoord: Van een zwerfen speurtocht over de aarde. 8 Jahweh vroeg Satan: Hebt ge daarbij gelet op mijn dienaar Job, en hoe er op aarde zijns gelijke niet is: geen zo onberispelijk en rechtschapen, geen die God vreest en het kwaad schuwt, als hij? 9 Maar satan gaf Jahweh ten antwoord: Is Job soms godvrezend om niet? 10 Hebt Gij hem, zijn gezin en al wat hij heeft, niet van alle kant met een haag omringd; hebt Gij het werk zijner handen niet gezegend, en overstroomt niet zijn kudde het land? 11 Maar strek uw hand eens tegen hem uit, en tast hem eens aan in wat hij bezit: dan vloekt hij U in het aangezicht! 12 Daarop sprak Jahweh tot satan: Ge moogt doen wat ge wilt met heel zijn bezit; maar hemzelf raakt ge met de hand niet aan! Zo ging satan van Jahweh heen. 13 Toen nu enige tijd later de zonen en dochters van Job in het huis van hun oudsten broer zaten te eten en wijn te drinken, 14 kwam hem een bode berichten: De Sjabeërs hebben een inval gedaan, terwijl uw ossen aan het ploegen waren, en de ezelinnen vlak bij hen graasden; 15 zij hebben ze weggeroofd en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden! 16 Nog was hij niet uitgesproken, of een tweede kwam binnen en riep: De bliksem is uit de hemel geslagen, en heeft uw kudde met de herders verbrand en verteerd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden! 17 Nog was deze niet uitgesproken, of een derde kwam binnen en riep: De Chaldeën, in drie benden gesplitst, hebben zich op uw kamelen geworpen, ze weggeroofd, en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden! 18 En nog was hij niet uitgesproken, of weer een ander kwam binnen en riep: Terwijl uw zonen en dochters zaten te eten en wijn te drinken in het huis van hun oudsten broer, 19 stak er eensklaps een geweldige storm op uit de richting van de woestijn, die het huis aan al de vier hoeken deed schudden; het stortte boven de kinderen in, en zij stierven; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden! 20 Toen stond Job op en scheurde zijn kleed; hij schoor zijn hoofd en wierp zich plat ter aarde neer. 21 Maar hij sprak: Naakt kwam ik uit de schoot van mijn moeder; Naakt keer ik er terug! Het was Jahweh, die gaf; het was Jahweh, die nam: De Naam van Jahweh zij gezegend! 22 Dus ondanks dit alles heeft Job niet gezondigd, en geen onvertogen woord tot God gericht.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 2

1 Weer gebeurde het op zekere dag, dat de zonen Gods voor Jahweh verschenen, en dat ook de satan zich in hun midden bevond, en voor Jahweh stond. 2 En Jahweh sprak tot satan: Waar komt ge vandaan? Satan gaf Jahweh ten antwoord: Van een zwerf- en speurtocht over de aarde. 3 Jahweh vroeg satan: Hebt ge daarbij gelet op mijn dienaar Job, en hoe er op aarde zijns gelijke niet is: geen zo onberispelijk en rechtschapen, geen die God vreest en het kwaad schuwt, als hij. Nog blijft hij volharden in zijn deugd; tevergeefs hebt ge Mij dus tegen hem opgehitst, om hem tot de bedelstaf te brengen. 4 Maar Satan gaf Jahweh ten antwoord: Huid voor huid tenslotte geeft de mens al, wat hij heeft, voor zijn leven. 5 Strek uw hand eens tegen hem uit, en tast hem eens aan in zijn gebeente en vlees: dan vloekt hij U in het aangezicht! 6 Daarop sprak Jahweh tot satan: Ge moogt met hem doen, wat ge wilt; maar zijn leven moet ge ontzien. 7 Zo ging satan van Jahweh heen. Nu sloeg hij Job met kwaadaardige zweren van het hoofd tot de voeten; 8 en deze moest een potscherf nemen, om er zich mede te krabben. En terwijl hij op de ashoop zat, 9 viel zijn vrouw tegen hem uit: Volhardt ge ook nu nog in uw deugd? Blijf God dan zegenen, en sterf! 10 Maar hij sprak tot haar: Ge praat als een dwaas! Zouden we wel het goede van God willen aannemen, maar het kwade niet? Dus ondanks dit alles heeft Job zelfs niet met zijn lippen gezondigd. 11 Toen nu de drie vrienden van Job van al de rampen hoorden, die Job hadden getroffen, verlieten zij allen hun woonplaats. Het waren: Elifaz van Teman Bildad van Sjóeach, en Sofar van Naäma. Ze spraken met elkander af, om hem te gaan beklagen en troosten. 12 Maar toen zij op enige afstand de ogen opsloegen, kenden ze hem niet meer terug. Nu begonnen ze hardop te wenen, scheurden hun kleren en strooiden zich as op het hoofd. 13 En zeven dagen en zeven nachten bleven ze op de grond naast hem zitten, zonder dat iemand een woord tot hem sprak; want ze zagen, hoe vreselijk zijn smart was.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 3

1 Daarna opende Job zijn mond, om zijn geboorte dag te verwensen 2 En Job hief aan en sprak: 3 De dag verga, waarop ik geboren werd; De nacht, die sprak: Er is een knaapje ontvangen! 4 Die dag: hij worde duisternis, God in den hoge zij er niet om bekommerd; Geen lichtglans moge hem bestralen, 5 Maar duisternis en schaduw des doods hem bedekken; Mogen wolken zich boven hem samenpakken, En zonsverduistering hem verschrikken! 6 Die nacht: het donker rove hem weg, Hij telle niet mee onder de dagen van het jaar, En trede niet op in het getal van de maanden. Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet! 7 Ja, troosteloos blijve die nacht, Geen juichtoon dringe tot hem door; 8 Laat de dagbeheksers hem vervloeken, Gereed, om Liwjatan tegen hem op te hitsen: 9 Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet! 10 Want hij sloot mij de deuren niet dicht van de schoot, Hij verborg niet het leed voor mijn ogen! 11 Waarom stierf ik niet, toen ik uit de moederschoot kwam, Ging ik niet dood, toen ik haar lichaam verliet; 12 Waarom wachtten twee knieën mij op, Waarom twee borsten, om mij te zogen; 13 Dan lag ik nu neer, en had rust; Ik zou slapen, en door niets meer worden gestoord: 14 Naast koningen en rijksbestuurders, Die zich grafmonumenten hebben gebouwd; 15 Naast vorsten, badend in goud, En die hun paleizen vulden met zilver. 16 Waarom werd ik niet weggestopt als een misdracht, Als kinderkens, die het licht niet aanschouwen? 17 Daar, waar de bozen hun tieren staken, Waar rust vindt, wiens kracht is bezweken; 18 Waar de gevangenen allemaal vrede genieten, En de stem van de drijvers niet horen; 19 Waar kleinen en groten gelijk zijn, De slaven van hun meesters bevrijd. 20 Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven: 21 Aan hen, die de dood verbeiden, die niet komt, Die met groter vlijt naar hem dan naar schatten graven; 22 Die met blijdschap zouden juichen, En jubelen, wanneer zij het graf zouden vinden? 23 Aan den man, wiens pad in de duisternis ligt, Wien God elke uitweg heeft afgesneden! 24 Want als mijn brood komt mijn zuchten, En als water stort zich mijn jammerklacht uit; 25 Wanneer ik bang voor iets ben, overvalt het mij, Mij treft, wat ik ducht! 26 Neen, geen rust voor mij, geen heil en geen vrede, Maar altijd weer tobben!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 4

1 Elifaz van Teman nam het woord, en sprak: 2 Zullen wij het woord tot u richten, tot u, zo verslagen? Maar wie zou zijn woorden kunnen bedwingen? 3 Zie, zelf hebt ge velen terecht gewezen, En slappe handen gesterkt; 4 Uw woorden hebben struikelenden opgericht, Knikkende knieën hebt ge spierkracht verleend: 5 Maar nu het ú overkomt, nu zijt ge verslagen, Nu het ú treft, verbijsterd! 6 Was dan uw vroomheid niet uw hoop, Uw onberispelijke wandel niet uw vertrouwen? 7 Denk eens na: wie kwam ooit onschuldig om, Of waar ter wereld werden rechtvaardigen verdelgd? 8 Ik heb altijd gezien: Die onheil ploegen En rampspoed zaaien, die oogsten ze ook! 9 Door Gods adem gaan ze te gronde, Door zijn ziedende gramschap komen ze om: 10 Het gebrul van den leeuw en het gehuil van den luipaard verstomt. De tanden der leeuwenwelpen worden stuk gebroken; 11 De leeuwin komt om bij gebrek aan prooi, De jongen van de leeuwinnen worden uiteen gejaagd! 12 Eens drong een woord in het diepste geheim tot mij door En mijn oor ving er het gefluister van op. 13 Het was in een nachtgezicht, uit dromen geboren, Wanneer een diepe slaap de mensen bevangt: 14 Schrik en siddering grepen mij aan, En al mijn beenderen rilden van angst; 15 Een ademtocht streek langs mijn gelaat, En deed mijn haren ten berge rijzen. 16 Daar stond er één voor mij, Wiens gelaat ik niet kon herkennen; Een gestalte zweefde voor mijn oog, En ik hoorde het fluisteren van een stem: 17 Is een mens ooit rechtvaardig voor God, Een mensenkind rein voor zijn Schepper? 18 Zie, zelfs op zijn dienaars kan Hij niet bouwen, Zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken. 19 Hoeveel te meer in hen, die lemen hutten bewonen, Wier fundament in het stof is gelegd, En die als motten worden doodgetrapt, 20 Van ‘s morgens tot ‘s avonds te pletter gedrukt; Die zonder dat men er acht op slaat, Voor eeuwig vergaan; 21 Die, als hun tentpin wordt uitgerukt, Gaan sterven, eer zij het weten!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 5

1 Roep maar: er is niemand, die u antwoord geeft; Tot wien van de heiligen wilt ge u wenden? 2 Het is dus de wrevel, die den dwaas vermoordt, De gramschap doodt dus den zot. 3 Ik heb den dwaas wel wortel zien schieten, Maar plotseling verrotte zijn akker; 4 Zijn kinderen werden van hulp verstoken, Reddeloos vertrapt in de poort; 5 Wat zij hebben geoogst, eet een hongerige op, En de dorstige rooft en drinkt de melk van hun kudde 6 Want het kwaad schiet niet op uit het stof, En de rampspoed ontspruit uit de aarde niet: 7 Maar het is de mens, die zichzelf de rampspoed verwekt, Zoals de vonken naar boven spatten! 8 Ik, ik wend mij tot God, En leg mijn zaak aan de Godheid voor: 9 Hij, die grootse en ondoorgrondelijke dingen wrocht En ontelbare wonderen; 10 Die regen over de aarde zendt, En water over de velden giet; 11 Die de nederigen op de hoogte verheft, En treurenden het hoogste geluk doet smaken. 12 Die de plannen der sluwen verijdelt, Zodat hun handen de ontwerpen niet ten uitvoer brengen; 13 Die de wijzen vangt in hun eigen list, Zodat de toeleg der slimmen mislukt, 14 En midden op de dag zij op duisternis stuiten, En rondtasten op klaarlichte dag, zoals in de nacht; 15 Maar die de geplaagden redt uit hun hand, Den arme uit de greep van den sterke: 16 Zodat er weer hoop voor den zwakke is, En het onrecht de mond sluit. 17 Gelukkig, gij mens, dien God kastijdt: Versmaad dus de straf van den Almachtige niet! 18 Want Hij wondt, maar verbindt, Hij kwetst, maar zijn handen genezen. 19 Uit zes noden zal Hij u redden, En in de zevende treft u geen kwaad: 20 In hongersnood redt Hij u van de dood, In de oorlog uit de greep van het zwaard; 21 Gij zijt veilig voor de gesel der tong, Zonder vrees voor het dreigend geweld. 22 Met geweld en gebrek zult ge lachen, Voor wilde beesten niet vrezen: 23 Want ge hebt een verbond met de stenen op het veld, En het wild gedierte leeft in vriendschap met u 24 Dan weet ge, dat uw tent in vrede is, Ge niets vermist, als ge uw woning doorzoekt; 25 Dan weet ge, dat uw nageslacht talrijk zal zijn, Uw spruiten als het gras op het veld. 26 Eerst in uw ouderdom daalt ge ten grave, Zoals de schoof wordt binnengehaald, als het tijd is! 27 Zie, dit hebben we nagespeurd, en zó is het; Luister er naar, en neem het ter harte!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 6

1 Job antwoordde, en sprak: 2 Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd: 3 Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten. 4 Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op! 5 Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe? 6 Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei? 7 Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs! 8 Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen; 9 Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien. 10 Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: "Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!". 11 Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven? 12 Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons? 13 Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd? 14 Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige! 15 Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt: 16 Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw; 17 Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen. 18 Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn; 19 De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd: 20 Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande. 21 Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug! 22 Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af; 23 Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen? 24 Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald! 25 Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u! 26 Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken? 27 Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend? 28 Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht. 29 Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken! 30 Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 7

1 Heeft de mens niet een krijgsdienst op aarde, Gelijken zijn dagen niet op die van een knecht? 2 Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten: 3 Zo werden maanden van ellende mijn deel, En nachten van lijden mijn lot; 4 Ga ik slapen, dan denk ik: wanneer wordt het dag, Als ik opsta: wanneer wordt het avond? Maar de avond blijft zich eindeloos rekken, En ik blijf vol onrust tot aan de morgen; 5 Mijn vlees is met maden en korsten bedekt, Mijn huid splijt open en draagt; 6 Mijn dagen zijn sneller dan een weversspoel, En lopen af, bij gebrek aan draad. 7 Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen; 8 Dat het oog van hem, die mij ziet, mij niet meer zal speuren, En wanneer gij uw blik op mij richt, ik er niet meer zal zijn. 9 Zoals een wolk vervliegt en verdwijnt, Zo stijgt, die in het dodenrijk daalt, er niet meer uit op; 10 Hij keert naar zijn huis niet meer terug, En zijn eigen woonplaats kent hem niet langer! 11 En daarom zal ik mijn mond niet snoeren, Maar spreken in de benauwdheid van mijn geest, En klagen in de bitterheid van mijn ziel: Gij dwingt mij er toe! 12 Ik ben toch geen zee, of geen monster der zee Dat gij mij een slot oplegt! 13 Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten: 14 Dan gaat Gij mij door dromen verschrikken, En jaagt mij door visioenen ontsteltenis aan; 15 Zodat ik nog liever word gewurgd, En de dood boven mijn smarten verkies. 16 Ik verdwijn, ik blijf niet altijd in leven, Laat mij met rust, want mijn dagen zijn enkel een zucht! 17 Wat is de mens, dat Gij zoveel belang in hem stelt, En hem uw aandacht blijft wijden; 18 Dat Gij morgen aan morgen hem nagaat, En hem elk ogenblik toetst? 19 Wanneer wendt Gij eindelijk eens uw oog van mij af, En laat Gij mij tijd, om mijn speeksel te slikken? 20 Heb ik gezondigd: wat deed ik U, Gij Mensenbewaker! Waarom hebt Gij mij tot uw mikpunt gemaakt, En ben ik U maar tot last; 21 Waarom niet liever mijn zonde vergeven, En mijn misdaad vergeten? Want weldra lig ik neer in het stof: Dan kunt Gij me zoeken, maar ik ben er niet meer!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 8

1 Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak: 2 Hoe lang nog gaat ge zó voort, En zullen uw woorden als een stormwind loeien? 3 Zou God het recht soms verkrachten, De Almachtige de gerechtigheid schenden: 4 Wanneer uw kinderen tegen Hem hebben gezondigd, Dan heeft Hij hun slechts hun misdaad vergolden! 5 Maar als gij uw toevlucht neemt tot God, En rein en oprecht tot den Almachtige smeekt: 6 Dan zal Hij van stonde af over u waken, En schenkt Hij u weer een rechtschapen gezin; 7 Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen. 8 Ja, vraag het maar aan het voorgeslacht Geef acht op de bevinding van hun vaderen! 9 Want wij zijn van gisteren, en weten niets, Ons leven op aarde is enkel een schaduw; 10 Maar zij zullen u leren, het u vertellen, En woorden spreken uit hun hart: 11 Schiet het riet op buiten het moeras, Groeien de biezen buiten het water? 12 Het wordt afgesneden, terwijl het nog bloeit, En verdort vóór ieder ander gewas: 13 Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande! 14 Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb; 15 Hij steunt op zijn web, maar dit houdt het niet uit, Hij grijpt het vast, maar het houdt geen stand. 16 Vol sappen staat hij in de zon, Zijn ranken verspreiden zich over zijn hof; 17 Zijn wortels kronkelen zich over het grint, En tussen de stenen grijpt hij zich vast. 18 Maar rukt men hem weg van zijn plaats, Dan verloochent ze hem:ik heb u nooit gezien! 19 Zo vergaat zijn leven door de mot Uit het stof ervan schieten anderen op. 20 Neen, God verwerpt den brave niet, En reikt den boze geen hand. 21 Nog wordt uw mond met lachen vervuld, En uw lippen met jubel; 22 Maar uw haters worden met schande bedekt, De tent der bozen verdwijnt!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 9

1 Job antwoordde, en sprak: 2 Zeker, ik weet wel, dat het zo is; Maar hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn? 3 Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, Geeft Hij niet eens op de duizendmaal antwoord; 4 Wie heeft den Alwijze en den Almachtige Ooit ongedeerd getrotseerd? 5 Hem, die bergen verzet, en ze merken het niet, Ze onderstboven keert in zijn toorn; 6 Die de aarde op haar plaats doet schudden, Haar zuilen trillen ervan; 7 Die de zon bevel geeft, niet te stralen, En de sterren onder een zegel legt! 8 Die de hemel uitspant, Hij alleen, En voortschrijdt over de golven der zee; 9 Die Grote Beer en Orion schiep, Plejaden en het Zuiderkruis; 10 Die grootse, ondoorgrondelijke dingen wrocht, En talloze wonderen! 11 Zie, Hij gaat mij voorbij, en ik zie het niet, Hij glijdt langs mij heen, ik bemerk het niet; 12 Rooft Hij: Wie zal Hem weerhouden? Wie Hem zeggen: Wat doet Gij? 13 God, die zijn gramschap niet weerhoudt: Zelfs Ráhabs helpers moesten zich onder Hem krommen! 14 Hoe zou ik Hem dan ter verantwoording roepen, Mijn woorden tegenover Hem vinden? 15 Ik, die geen antwoord krijg, al heb ik ook recht, Maar mijn Rechter om genade moet smeken; 16 En al gaf Hij mij antwoord, als ik riep, Dan geloof ik niet, dat Hij naar mij zou luisteren. 17 Hij, die mij vertrapt om een kleinigheid En mijn smarten vermeerdert om niet; 18 Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt. 19 Gaat het om kracht: Hij is er, de Sterke! Gaat het om recht: Wie klaagt Hem aan? 20 Al had ik ook recht, zijn mond veroordeelde mij; Al was ik onschuldig, Hij verklaarde mij schuldig! 21 Ben ik onschuldig? Ik weet het zelf nu niet meer. Ik verfoei mijn bestaan: Het is mij allemaal één! 22 Maar daarom roep ik het uit: Onschuldigen en schuldigen slaat Hij neer! 23 Wanneer zijn gesel plotseling doodt, Lacht Hij met de vertwijfeling van de onschuldigen; 24 Is het land aan bozen overgeleverd, Hij bindt nog een blinddoek op het gelaat van de rechters: Want zo Hij het niet doet, Wie doet het dan wel? 25 Zo vliegen mijn dagen voorbij, Sneller nog dan een ijlbode; Zo vluchten ze weg, Zonder geluk te aanschouwen; 26 Ze schieten heen als schepen van riet, Als een adelaar, die zich werpt op zijn prooi. 27 Denk ik, ik wil mijn jammer vergeten, Weer vrolijk schijnen en blij, 28 Dan ben ik weer bang voor al mijn smarten, Wetend, dat Gij mij niet voor onschuldig houdt. 29 En wanneer ik dan toch schuldig moet zijn, Waarom doe ik mijn best, om niet? 30 Al was ik mij nog zo schoon met sneeuw, En reinig mijn handen met zeep, 31 Toch ploft Gij mij neer in het vuil, Zodat mijn kleren van mij walgen. 32 Neen, Gij zijt geen mens, zoals ik, dien ik ter verantwoording roep, Zodat wij te zamen voor de rechtbank verschijnen! 33 Ach, mocht er een scheidsrechter tussen ons zijn, Die zijn hand op ons beiden kon leggen; 34 Die Gods roede van mij weg zou nemen, Zodat de schrik voor Hem mij niet deerde: 35 Dan zou ik spreken zonder Hem te vrezen; Maar nu er geen is, neem ik het op voor mijzelf!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 10

1 Ik walg nu toch van het leven, En laat dus de vrije loop aan mijn klagen; Ik spreek in de bitterheid van mijn ziel, 2 En zeg tot God: Behandel mij niet als een schuldige; Laat mij weten, waarom Gij tegen mij strijdt! 3 Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt, Dat Gij het werk uwer handen verwerpt, Maar de plannen der bozen begunstigt? 4 Hebt Gij ogen van vlees, Ziet Gij, zoals mensen dat doen; 5 Zijn uw dagen als die van een sterveling, Uw jaren als de levensduur van een mens: 6 Dat Gij op zoek zijt naar mijn schuld, En naar mijn zonden blijft vorsen, 7 Ofschoon Gij weet, dat ik niet schuldig ben, En niemand mij uit uw hand kan redden? 8 Uw eigen handen hebben mij gevormd en gewrocht, En nu zoudt Gij me weer gaan vernielen? 9 Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gekneed: En Gij voert mij terug naar het stof? 10 Hebt Gij me niet als melk laten vloeien, En als kaas laten stremmen; 11 Mij niet bekleed met huid en met vlees, Met beenderen en spieren samengeweven? 12 In uw goedheid hebt Gij mij het leven geschonken Uw zorg heeft mijn adem bewaakt, 13 Maar dit was uw heimelijke toeleg daarbij, Ik weet, dat Gij dit hadt besloten: 14 Als ik zondigde, mij in het oog te houden, En mij mijn misdaad niet te vergeven; 15 Was ik schuldig: Wee mij! En was ik onschuldig, Toch zou ik mijn hoofd niet mogen verheffen, Zat van smaad en gedrenkt met ellende! 16 Hief ik het op, Gij zoudt jacht op mij maken, als een luipaard, Mij telkens uw wondere macht laten voelen, 17 Uw vijandschap jegens mij weer vernieuwen; Gij zoudt uw toorn op mij nog verdubbelen, Gij riept troepen en legers tegen mij op! 18 Waarom hebt Gij mij dan uit de schoot laten komen, Gaf ik de geest niet, eer een oog mij aanschouwde? 19 Dan was ik nu, als had ik nimmer bestaan, En was van de schoot naar het graf gedragen. 20 Ach, mijn levensdagen zijn maar gering, Laat mij met rust, dat ik een weinig vreugde beleef, 21 Eer ik heenga, vanwaar ik niet terugkom, Naar het land van duisternis en schaduw des doods; 22 Naar het sombere land, waar wanorde heerst, De dag als een stikdonkere nacht!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 11

1 Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak: 2 Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld; 3 Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd? 4 Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog! 5 Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen, 6 U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient. 7 Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden? 8 Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen; 9 Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee! 10 Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden? 11 Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet! 12 Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt! 13 Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft, 14 De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen: 15 Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen. 16 Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd; 17 Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn; 18 Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede, 19 Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst, 20 Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 12

1 Job antwoordde, en sprak: 2 Ja zeker, gij vertegenwoordigt het volk, En met u sterft de wijsheid uit! 3 Ik heb evenveel verstand als gij Wie zou trouwens dit alles niet weten? 4 Laat mij de spot zijn van mijn vriend; Ik roep Jahweh aan, Hij zal mij verhoren! Bespotting voor de deugd van de vromen, 5 Verachting voor de beproefden: denkt het gelukskind, En een trap voor hen, wier voeten wankelen; 6 Maar vrede voor de tenten der rovers, Onbezorgdheid voor hen, die God durven tarten, En die God naar hun hand willen zetten! 7 Ondervraag slechts het vee: het zal het u leren; De vogels uit de lucht; zij vertellen het u; 8 Of het kruipend gedierte op aarde: zij zullen het zeggen; De vissen der zee: zij lichten u in. 9 Wie onder die allen, die het niet weet, Dat de hand van Jahweh dit wrocht! 10 Hij, die iedere levende ziel in zijn hand heeft, En de adem van alle menselijk vlees! 11 Of kan het oor geen woorden meer toetsen, Het gehemelte geen spijzen meer proeven; 12 Is er geen wijsheid meer bij bejaarden, Op hoge leeftijd geen inzicht? 13 Bij Hem is wijsheid en macht, Bij Hem beleid en verstand. 14 Haalt Hij omver, men bouwt niet op, Dien Hij kerkert, doet men niet open. 15 Houdt Hij de wateren tegen, ze drogen op; Laat Hij ze los, ze woelen het land om. 16 Bij Hem is kracht en vernuft, Hem behoort de verleide met den verleider; 17 Raadsheren laat Hij barrevoets gaan, En rechters maakt Hij tot dwazen; 18 De boeien der koningen maakt Hij los, En legt een koord om hun eigen heup. 19 De priesters laat Hij barrevoets gaan, En oude geslachten brengt Hij ten val; 20 Aan vertrouwbare mannen ontneemt Hij de spraak, En ontrooft de grijsaards hun oordeel; 21 Hij stort verachting over edelen uit, En rukt de gordel der machtigen los. 22 - 23 Hij maakt naties groot, en richt ze ten gronde, Breidt volken uit, en stoot ze neer; 24 Hij berooft de vorsten der aarde van hun verstand, En laat ze in de ongebaande wildernis dolen; 25 (24b) Ze tasten in de duisternis rond, zonder licht, Ze waggelen als een dronken man.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 13

1 Zie, dit alles heb ik met eigen ogen aanschouwd, Mijn oor heeft het gehoord en verstaan. 2 Wat gij weet, weet ik even goed: Ik doe niet onder voor u. 3 Daarom wil ik tot den Almachtige spreken, Mijn zaak bepleiten voor God! 4 Want gij zijt leugensmeden, En kwakzalvers allemaal! 5 Als gij er nu maar het zwijgen toe deedt, Rekende men het u als wijsheid aan. 6 Luistert dus liever naar mijn pleit, En geeft acht op het pleidooi mijner lippen. 7 Moogt gij leugens spreken, om God te believen, Ter wille van Hem onwaarheid zeggen; 8 Moogt gij partijdig voor Hem zijn, Wanneer gij voor God denkt te pleiten? 9 Loopt dit goed voor u af, wanneer Hij u in verhoor neemt; Of denkt gij Hem te bedriegen, zoals men mensen bedriegt? 10 Ten zwaarste zal Hij u straffen, Zo gij partijdig zijt in het geniep. 11 Zal zijn Majesteit u dan niet ontstellen, Zijn verschrikkingen u niet overvallen? 12 Want uw uitspraken zijn spreuken van as, Uw betogen, betogen van leem! 13 Zwijgt derhalve, en laat mij spreken; Laat er van komen wat wil! 14 Ik pak mijn vlees tussen mijn tanden, En neem mijn leven in mijn hand. 15 Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem! 16 Dit zal reeds een triomf voor mij zijn; Want de boze durft niet eens voor zijn aanschijn treden! 17 Luistert dus goed naar mijn woord, Leent het oor aan mijn rede. 18 Zie, ik heb mijn pleit gereed, Ik ben mij bewust van mijn recht! 19 Wie brengt er iets tegen mij in? Ik zou aanstonds zwijgen en sterven. 20 Twee dingen moet Gij mij echter besparen, Dan verschuil ik mij niet voor uw aanschijn: 21 Neem uw hand van mij weg, En verbijster mij niet door uw verschrikking. 22 Daag mij dus uit, en ik zal antwoorden; Of laat mij spreken, en antwoord Gij: 23 Hoeveel fouten en zonden heb ik bedreven, Noem mij mijn misdaden en zonden op! 24 Waarom verbergt Gij uw aanschijn, En beschouwt Gij mij als uw vijand? 25 Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen: 26 Dat Gij zo’n bitter lot mij bestemt, En de fouten wreekt van mijn jeugd; 27 Mijn voeten steekt in een blok, al mijn gangen bewaakt, En mijn voetzolen bespiedt? 28 -

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 14

1 De mens, geboren uit een vrouw, Leeft korte tijd en vol ellende; 2 Hij ontluikt en verwelkt als een bloem, Vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand: 3 En op zo een vestigt Gij uw oog, En daagt Gij voor uw gericht! 4 Kan een reine uit een onreine komen? Niet een! 5 Maarwanneer dus zijn dagen zijn vastgesteld, Het getal zijner maanden door U is bepaald, Gij hem zijn grens hebt gesteld, die hij niet overschrijdt: 6 Wend dan uw blik van Hem af, en laat hem met rust, Tot hij zijn dagtaak als een huurling volbracht heeft! 7 Ja, voor een boom is er hoop, als hij wordt omgehakt: Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op. 8 Al is ook zijn wortel in de bodem verouderd, Afgestorven zijn tronk in het stof: 9 Hij bot weer uit, zodra hij het water maar ruikt, Schiet takken als een jonge plant. 10 Maar sterft een mens, ontzield blijft hij liggen Geeft hij de geest, hij is er niet meer. 11 Zoals water wegvloeit uit de zee, De rivier leegloopt en uitdroogt: 12 Zo legt de mens zich neer, en staat niet meer op En wordt niet wakker uit zijn slaap. 14:12b Zolang de hemel bestaat, ontwaken zij niet! 13 Ach, als Gij mij in het dodenrijk mocht verschuilen, Mij verbergen, tot uw toorn is bedaard, Mij een tijdstip bepalen, en dan aan mij denken, 14 Den mens na zijn dood deedt herleven: Dan zou ik al de dagen van mijn harde dienst blijven wachten, Tot mijn aflossing komt! 15 Hoe zou ik dan antwoorden, als Gij riept Als Gij het werk uwer handen verlangend kwaamt zoeken! 16 Terwijl Gij thans mijn schreden telt, Zoudt Gij niet langer op mijn zonden meer loeren, 17 Maar in een buidel mijn overtreding verzegelen, En mijn fouten bedekken! 18 Maar zoals een berg ineenstort, Een rots van haar plaats wordt gerukt, 19 Het water de stenen uitholt, Een stortregen de aardbodem wegspoelt: Zo slaat Gij de hoop der mensen de bodem in, 20 Gij slaat hem neer, hij gaat heen voor altijd; Gij verbleekt zijn gelaat, en zendt hem weg. 21 Zijn zonen mogen worden geëerd: hij ziet het niet; Tot schande komen: hij bemerkt het niet. 22 Slechts over zijn eigen lichaam voelt hij smart, Blijft over zijn eigen ziel in droefheid gedompeld!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 15

1 Elifaz van Teman nam het woord en sprak: 2 Antwoordt een wijze met bluf, En blaast hij zich op met oostenwind; 3 Verdedigt hij zich met beuzelpraat En met holle frasen? 4 Gij breekt zowaar de godsvrucht af, En verstoort de overpeinzing voor het aanschijn van God. 5 Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest, 6 Is het uw eigen mond, die u vonnist: niet ik, Zijn het uw eigen lippen, die tegen u getuigen. 7 Zijt gij als eerste der mensen geboren, Nog vóór de heuvelen ter wereld gebracht; 8 Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd? 9 Wat weet gij, wat wij niet weten, Wat begrijpt gij, wat wij niet verstaan? 10 Ook onder ons zijn bejaarden en grijsaards, Ouder van dagen nog dan uw vader! 11 Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken? 12 Hoe sleept uw hartstocht u mee, En hoe rollen uw ogen: 13 Dat ge uw wrevel tegen God durft keren, En zulke woorden aan uw mond laat ontglippen! 14 Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren? 15 Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog; 16 Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt! 17 Ik zal het u tonen, luister naar mij; Wat ik gezien heb, u gaan vertellen. 18 Het is hetzelfde, wat de wijzen verkonden, En wat hun vaderen hun niet hadden verborgen, 19 Aan wie alleen het land was geschonken, En bij wie nog geen vreemde was binnengedrongen 20 De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen; 21 Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af. 22 Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard; 23 Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten. 24 Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed: 25 Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren; 26 Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas! 27 Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden: 28 Daarom vestigt hij zich in verwoeste steden, In onbewoonbare huizen, die tot puin zijn vervallen; 29 Hij blijft niet rijk, En zijn vermogen houdt geen stand; 30 Zijn schaduw breidt zich niet uit op de grond, En hij ontsnapt de duisternis niet; Het vuur zal zijn loten verschroeien, De wind zijn bloesem verwaaien! 31 Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn. 32 Zijn ranken verdorren vóór de tijd, En zijn twijgen groenen niet meer; 33 Hij is als de wijnstok, die zijn druiven laat vallen, En als de olijf, die zijn bloesem verliest! 34 Ja, de bent der goddelozen is onvruchtbaar, En het vuur verteert de tenten der omkoperij; 35 Ze gaan zwanger van ellende, en baren onheil, Hun schoot draagt ontgoocheling!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 16

1 Job antwoordde, en sprak: 2 Zulke beweringen heb ik nu al meer dan genoeg gehoord; Gij zijt allemaal onuitstaanbare troosters! 3 Komt er dan nooit een eind aan die bluf, Wat prikkelt u toch, om te praten? 4 Ik zou juist eender als gij kunnen spreken, Waart gij in mijn plaats; Mooie woorden tegen u kunnen zeggen, Het hoofd over u kunnen schudden; 5 U met de mond kunnen troosten, En met de lippen beklagen. 6 Als ik spreek, wordt mijn leed er niet door verminderd; Maar wat komt er van mij, als ik zwijg? 7 De kwaadwillige zou mij aanstonds weerloos maken En heel zijn bent greep mij aan; 8 Mijn lasteraar zou tegen mij getuigen, Tegen mij optreden, mij aanklagen; 9 Zijn toorn verscheurt en bestookt mij, Hij knerst de tanden tegen mij! Mijn tegenstanders zouden mij met hun ogen doorboren, 10 Hun monden tegen mij opensperren, Smadelijk mij op de wangen slaan, Als één man tegen mij optrekken! 11 Want God levert mij aan deugnieten over, En werpt mij in de handen der bozen; 12 Ik leefde in vrede: Hij heeft me gebroken, Bij de nek gegrepen en neergesmakt; Hij heeft mij tot zijn doelwit gemaakt, 13 Zijn pijlen snorren om mij heen; Meedogenloos doorboort Hij mijn nieren, En stort mijn gal over de bodem uit. 14 Hij schiet mij de ene bres na de andere, Als een krijgsheld stormt Hij op mij los; 15 Ik heb een rouwkleed over mijn huid genaaid, Mijn hoorn in het stof laten zakken; 16 Mijn gelaat is rood van het wenen, En over mijn wimpers ligt de schaduw des doods. 17 Maar omdat er geen geweld aan mijn handen kleeft, Klinkt mijn rein gebed naar omhoog: 18 Aarde, houd mijn bloed niet bedekt En smoor mijn jammerklacht niet! 19 Maar nog leeft mijn Getuige in de hemel, Mijn pleitbezorger in den hoge! 20 Mijn jammeren dringt door tot God, Mijn oog stort tranen voor zijn aanschijn. 21 O, mocht er een scheidsrechter zijn tussen den mens en God, Als tussen den mens en zijn naaste! 22 Want luttel zijn de jaren, die mij nog resten, Eer ik de weg bewandel, waarlangs men niet terugkeert.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 17

1 Mijn geest gebroken, mijn dagen geblust, Mij rest slechts het graf! 2 Ben ik niet het mikpunt van spot, Verkwijnt niet mijn oog door de bittere verwijten? 3 Stel Uzelf bij U tot borg voor mijl; Wie anders zou voor mij handslag geven? 4 Want hùn hart hebt Gij voor inzicht gesloten, En daarom steken zij de hand niet uit; 5 Men beklaagt het lot van zijn vrienden Terwijl de ogen versmachten van de eigen kinderen; 6 Men heeft mij tot spreekwoord gemaakt bij de mensen, Ik ben een, wien men in het aangezicht spuwt! 7 Mijn oog is dof van verdriet, Mijn leden zijn tot een schaduw vervluchtigd! 8 De braven ontstellen ervan, De onschuldige is jaloers op den boze: 9 Moet de rechtvaardige toch zijn weg maar bewandelen, Wie rein van handen is, zijn kracht nog verdubbelen? 10 En daarom, hoe gij u allen wendt of keert, Een wijze vind ik onder u niet; 11 Mijn levensdagen zijn voorbij, Mijn plannen, mijn hartewensen vernield! 12 Men maakt een dag van de nacht, Van duisternis het morgenlicht! 13 Kan ik nog hopen? Het dodenrijk is mijn huis, In de duisternis heb ik mijn leger gespreid; 14 Tot het graf geroepen: Gij zijt mijn vader, Tot de wormen: Gij zijt mijn moeder en zusters! 15 Waar is mijn hoop, Mijn geluk, wie kan het ontdekken: 16 Zullen ze met mij in het dodenrijk dalen, Zinken wij samen neer in het stof?

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 18

1 Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak: 2 Wanneer maakt gij eindelijk eens een eind aan uw praten, Wordt gij verstandig, en laat ons aan het woord; 3 Waarom worden wij als vee beschouwd, En zijn wij zo dom in uw ogen? 4 Gij, die in uw woede uzelf verscheurt: Zou om uwentwil de aarde worden ontvolkt, Een rots van haar plaats verwijderd, Een berg van zijn grondslag gerukt? 5 Waarachtig, het licht van den boze dooft uit, De vlam van zijn vuur blijft niet schijnen; 6 Het licht wordt donker in zijn tent, De lamp gaat boven hem uit. 7 Zijn krachtige tred wordt verlamd, Zijn eigen beleid doet hem struikelen; 8 Want door zijn eigen voeten wordt hij in het net gedreven, En wandelt hij over de mazen. 9 Een klem grijpt zijn hiel, een net houdt hem vast. 10 Zijn strik ligt in de grond verborgen, een val op zijn pad; 11 Verschrikkingen beangstigen hem van alle kant, En vervolgen hem, stap voor stap. 12 Het onheil hongert naar hem, De rampspoed staat aan zijn zijde gereed; 13 Zijn huid wordt door ziekte verteerd, De eersteling van de dood slokt zijn leden op. 14 Hij wordt uit zijn tent gerukt, waar hij zich veilig waande, En zij sleept hem naar den vorst der verschrikking 15 Zij woont in zijn tent, die hem niet langer behoort, En over zijn woning wordt zwavel gestrooid. 16 Van onderen verdorren zijn wortels, Van boven verwelken zijn twijgen; 17 Zijn gedachtenis verdwijnt uit het land, Zelfs in de steppe heeft hij geen naam. 18 Men stoot hem uit het licht de duisternis in, Men jaagt hem uit de wereld weg; 19 Hij heeft onder zijn volk geen kroost, geen geslacht, In zijn woonplaats geen, die hem rest. 20 Over zijn lot staat het Westen ontsteld, En het Oosten siddert er van: 21 Waarachtig, zo gaat het met het verblijf van den boze, Met de woonplaats van hem, die God miskent!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 19

1 Job antwoordde, en sprak: 2 Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren? 3 Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos. 4 Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen; 5 Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten! 6 Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt! 7 Zie, ik roep: "Geweld!" maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht! 8 Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd; 9 Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt. 10 Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom, 11 Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld. 12 Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade! 13 Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij; 14 Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten. 15 Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar; 16 Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om. 17 Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen; 18 Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed. 19 Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af; 20 Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af. 21 Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt; 22 Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees! 23 O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek, 24 Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift: 25 Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt; 26 Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen! 27 Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot, 28 En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden; 29 Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 20

1 Daarop nam Sofar van Naäma het woord en sprak: 2 Mijn inzicht dwingt mij tot antwoord, Omdat het in mij stormt, 3 Nu ik een grievend verwijt moet horen, En domme bluf mij antwoord geeft. 4 Weet ge dan niet, dat van de vroegste tijd af, Sinds de mens op de aarde werd geplaatst, 5 Het gejuich van den boze slechts korte tijd duurt, De vreugde van den goddeloze een ogenblik? 6 Al verheft zijn gestalte zich hemelhoog, En reikt zijn hoofd tot de wolken: 7 Als zijn eigen drek verdwijnt hij voor immer, Die hem zagen, roepen: Waar is hij? 8 Spoorloos vervluchtigt hij als een droom, Wordt weggevaagd als een nachtgezicht; 9 Het oog, dat hem zag, bespeurt hem niet langer, De plaats, waar hij woonde, aanschouwt hem niet meer. 10 Zijn zonen bedelen bij armen, Zijn kinderen geven zijn rijkdom af; 11 En al is zijn gebeente vol jeugdige kracht, Het legt zich neer bij hem in het graf. 12 Hoe zoet het slechte in zijn mond mag smaken, Hoe hij het onder zijn tong ook verbergt, 13 Hoe hij het smekt en niet doorslikt, En het tegen zijn gehemelte houdt: 14 Toch verschaalt zijn spijs in zijn ingewanden, Wordt in zijn binnenste adderengif; 15 Hij slokt schatten in, maar braakt ze uit, God drijft ze weer uit zijn buik. 16 Adderengif moet hij drinken, Een slangentong zal hem doden; 17 Hij zal geen beken van olie genieten, Geen stromen van honing en boter. 18 Zijn winst geeft hij terug, en slokt ze niet door, Verheugt zich niet in de vrucht van zijn handel; 19 Want hij heeft de armen verdrukt en verlaten, Hun huis geroofd, niet gebouwd. 20 Omdat hij voor zijn buik geen verzadiging vond, Niets aan zijn eetlust ontsnapte, 21 En niets aan zijn vraatzucht ontging: Daarom houdt zijn voorspoed geen stand! 22 Op het toppunt van zijn geluk wordt het hem bang, Wordt hij door al de slagen van rampspoed getroffen; 23 Terwijl hij zijn buik vult, laat God zijn ziedende toorn op hem los, Laat schichten regenen op zijn ingewanden. 24 Als hij vlucht voor de ijzeren wapenrusting, Doorboort hem de koperen boog, 25 Puilt de schicht uit zijn rug, De bliksemende pijl uit zijn gal. Dan overvalt hem de doodschrik, 26 De diepste duisternis houdt hem omvangen; Een vuur verslindt hem, dat niet is ontstoken, Vreet weg wat nog leeft in zijn tent. 27 De hemelen openbaren zijn schuld, En de aarde staat tegen hem op; 28 Een stortvloed spoelt zijn woning weg, Een vloedgolf op de dag van zijn toorn! 29 Dit is het lot van den boze, door God hem bedeeld, Het erfdeel, dat de Godheid hem toewijst!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 21

1 Job antwoordde, en sprak: 2 Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen; En dat uw troost zich daartoe bepale! 3 Laat mij uitspreken op mijn beurt, Wanneer ik klaar ben, kunt ge spotten! 4 Heb ik me soms over mensen beklaagd, Of heb ik geen grond, om mismoedig te zijn? 5 Ziet mij aan, en staat verstomd, En legt uw hand op de mond! 6 Wanneer ik er aan denk, sta ik verbijsterd, En huivert mijn vlees: 7 "Waarom blijven de bozen in leven Worden zij oud en groeien in kracht?" 8 Hun kroost gedijt voor hun aanschijn, Hun geslacht houdt stand voor hun ogen; 9 Hun huizen zijn veilig en zonder vrees, Gods roede valt er niet op neer. 10 Hun stier bespringt en bevrucht, Hun koeien kalven en hebben geen misdracht; 11 Als een kudde laten ze hun jongens naar buiten, En hun kinderen springen rond. 12 Ze zingen bij pauken en citer, Vermaken zich bij de tonen der fluit; 13 Ze slijten hun dagen in weelde, En dalen in vrede ten grave. 14 Toch zeggen ze tot God: Blijf verre van ons, We willen uw wegen niet kennen! 15 Wat is de Almachtige, dat we Hem zouden dienen; Wat baat het ons, te smeken tot Hem? 16 Ligt hun geluk niet in hun eigen hand, Bemoeit Hij Zich wel met de plannen der bozen? 17 Hoe dikwijls gaat de lamp der bozen wel uit, En stort er rampspoed op hen neer? Hoe dikwijls vernielt Hij de slechten in zijn toorn, Grijpen de weeën hen aan in zijn gramschap; 18 Worden zij als stro voor de wind, Als kaf, opgejaagd door de storm? 19 Gij zegt: God wreekt zijn misdaad op zijn kinderen, En zal hem zo zijn wraak laten voelen! 20 Maar zijn eigen ogen moesten zijn rampspoed aanschouwen, Zelf moest hij de toorn van den Almachtige drinken! 21 Want wat bekommert hij zich om zijn gezin na zijn dood, Wanneer het getal zijner maanden ten einde is? 22 Zou men soms God de les willen lezen, Hij, die de hemelingen richt? 23 En de een gaat dood, geheel voldaan, Volkomen gelukkig en rustig, 24 Zijn lenden vol vet, Het merg in zijn beenderen nog fris. 25 De ander sterft met een verbitterd gemoed, Zonder ooit het geluk te hebben gesmaakt! 26 Tezamen liggen ze neer in het stof, Door de wormen bedekt! 27 Zeker, ik ken uw gedachten, En de bedenkingen, die gij tegen mij aanvoert; 28 Gij zegt: "Waar is het huis van den tyran, Waar de tent, waar de bozen in wonen?" 29 Hebt gij de reizigers dan nooit ondervraagd, Of aanvaardt gij hun getuigenis niet: 30 "De boze blijft gespaard op de dag van verderf, En ontsnapt op de dag van de gramschap!" 31 Wie houdt hem zijn wandel voor ogen, Wie zet hem betaald wat hij deed? 32 Hij wordt ten grave gedragen, En een tombe houdt er de wacht. 33 Zacht ligt hij neer Op de kluiten in het dal; Heel de wereld trekt achter hem aan, Talloos velen lopen uit voor zijn stoet. 34 Wat is uw vertroosting dus schraal, Uw antwoord anders dan leugens!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 22

1 Weer nam Elifaz van Teman het woord, en sprak: 2 Handelt de mens soms ten bate van God? Neen, ten eigen bate is men wijs. 3 Heeft de Almachtige er voordeel van, als ge vroom zijt, Of profijt, zo ge onberispelijk leeft? 4 Bestraft Hij u soms om uw godsvrucht, Daagt Hij u daarom voor het gerecht? 5 Is het niet om uw grote boosheid, Om uw fouten, zonder eind? 6 Ja, zonder noodzaak neemt ge pand van uw broeders, En trekt de berooiden de kleren uit; 7 Den dorstige geeft ge geen water, Den hongerige onthoudt ge zijn brood. 8 Den man met de vuist moet het land toebehoren, En de gunsteling moet het bewonen; 9 Maar de weduwen zendt ge zonder iets heen, De armen der wezen slaat ge stuk! 10 En daarom zijt ge van strikken omringd, Plotseling verbijsterd van schrik; 11 Is uw licht verduisterd, zodat ge niet ziet, Slaat de stortvloed over u heen! 12 Woont God niet hoog in de hemel? Zie eens, hoe hoog de sterren staan! 13 Maar gij besluit er uit: Wat kan God weten, Of richten door de wolken heen? 14 Het zwerk is een sluier voor Hem, zodat Hij niet ziet, Hij wandelt rond op het hemelgewelf. 15 Wilt ge de weg van vroeger bewandelen Die de boosdoeners hebben betreden: 16 Die vóór hun tijd zijn weggesleurd, Toen de vloed hun grondvesten wegspoelde? 17 Die tot God durfden zeggen: Weg van ons! Wat kan de Almachtige ons doen? 18 Hij had hun huizen met voorspoed gevuld, En Zich niet met de plannen der bozen bemoeid. 19 De vromen zien het met vreugde, De onschuldige drijft de spot met hen: 20 "Waarachtig, hun have vernield, Hun overvloed door het vuur verteerd!" 21 Verzoen u met Hem, dan leeft ge in vrede, Dan wordt uw rijkdom weer groot; 22 Neem de onderrichting aan uit zijn mond, En bewaar zijn woord in uw hart. 23 Wanneer ge vol ootmoed u tot den Almachtige bekeert, De ongerechtigheid uit uw tent verwijdert: 24 Dan zult ge het goud als stof gaan schatten, Het Ofirgoud als kiezel der beken. 25 Want de Almachtige zal het fijnste goud voor u zijn, En stapels van zilver; 26 Dan zult ge u in den Almachtige verlustigen, En uw aanschijn verheffen tot God. 27 Dan zult ge Hem roepen: Hij zal u verhoren, En ge zult Hem dankoffers brengen; 28 Onderneemt ge iets, het komt tot stand, En het licht zal uw wegen bestralen! 29 Want Hij vernedert de trots, Maar redt, wie de ogen neerslaat; 30 Hij verlost den onschuldige: Door de reinheid uwer handen wordt ook gij dus verlost!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 23

1 Job antwoordde, en sprak: 2 Al weer heet mijn klagen verzet: Maar zijn hand dwingt mij tot zuchten! 3 Ach, dat ik Hem vinden kon, En voor zijn troon kon verschijnen! 4 Dan zette ik Hem mijn zaak uiteen, En vulde mijn mond met bewijzen; 5 Dan kende ik de woorden, waarmee Hij mij antwoordt, Vernam ik, wat Hij mij zegt. 6 Zou Hij zijn macht in het geding moeten brengen? Neen, als Hij slechts naar mij hoorde! 7 Dan zou Hij bemerken dat er bij Hem een onschuldige pleit, En ik was voorgoed van mijn Rechter bevrijd! 8 Maar ga ik naar het oosten, Hij is er niet, Of naar het westen, ik bespeur Hem niet; 9 Ik zoek Hem ten noorden, ik vind Hem niet, Wend mij naar het zuiden, ik zie Hem niet. 10 Het is, omdat Hij mijn wandel kent Omdat ik als goud te voorschijn zou treden, als Hij mij toetst: 11 Want mijn voet bleef steeds in zijn spoor, Ik hield zijn pad, en verliet het nooit! 12 Van het bevel zijner lippen week ik niet af, Het woord van zijn mond heb ik in mijn boezem bewaard: 13 Maar wil Hij iets, wie kan Hem beletten, Begeert Hij iets, Hij voert het uit! 14 Ja, Hij volbrengt, wat Hij over mij heeft besloten, Met al het andere, wat Hij heeft beschikt: 15 En daarom ben ik voor Hem zo bang, Sidder ik, als ik aan Hem denk. 16 Het is God, die mijn hart murw heeft geslagen, De Almachtige, die mij verschrikt; 17 Neen, niet door de duisternis ben ik ontsteld Niet door het donker, dat mijn gelaat bedekt!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 24

1 Job antwoordde, en sprak Waarom zijn er door den Almachtige dan geen tijden bepaald, En aanschouwen zij, die Hem kennen, zijn dagen niet? 2 Waarom verzetten dan de bozen de grensstenen, En beroven zij kudde en herder? 3 Ze voeren den ezel der wezen weg, En leggen beslag op het rund van de weduwe; 4 De berooiden worden van de weg gedrongen, De armen in het land moeten zich allen verbergen; 5 Als wilde ezels in de woestijn Trekken ze uit, om te zwoegen. Ze zoeken tot de avond naar buit, Maar geen brood voor hun kinderen! 6 Ze roven des nachts de oogst van het veld, En zoeken de wijngaard der rijken af. 7 Naakt overnachten zij, zonder kleed, En zonder dekking tegen de kou; 8 Ze worden nat door de stortvloed der bergen, Drukken zich tegen de rotsen, omdat de schuilplaats ontbreekt 9 Ze rukken den wees van de moederborst af En nemen den zuigeling der armen tot pand. 10 Naakt lopen ze rond, ongekleed, Zelf hongerig, moeten ze schoven torsen; 11 Ze persen de olie tussen twee stenen, Treden de perskuip, maar lijden dorst. 12 Uit de stad stijgt het kermen der stervenden op, En roept de ziel der gewonden om hulp; Maar God luistert niet naar hun smeken, Hùn schenkt Hij geen aandacht! 13 En schuwen het licht; Ze kennen zijn wegen niet, En blijven niet op zijn paden. 14 Eer het licht wordt, maakt zich de moordenaar op, Om armen en berooiden te doden; En terwijl het nog nacht is, Sluipt hij rond als een dief. 15 Het oog van den overspeler maakt van de schemering gebruik; Hij denkt: Geen oog, dat mij ziet; Hij slaat zich een sluier voor het gezicht, 16 En breekt in het donker de huizen in. Maar zij sluiten zich op overdag, En willen van het daglicht niet weten; 17 Voor hen allen is de morgen als de schaduw des doods, Zodra het licht wordt, overvalt hen de doodschrik! 18 Die anderen vluchten weg voor de dag Zijn erfdeel ligt vervloekt in het land, Geen druiventreder trekt naar zijn wijnberg; 19 Zoals droogte en hitte het sneeuwwater slurpen, Zo slurpt de onderwereld den zondaar op. 20 Door de moederschoot wordt hij vergeten, De wormen smullen van hem; Zijn naam wordt niet langer herdacht, Zijn ongerechtigheid geknakt als een boom. 21 Hij mishandelt de onvruchtbare, haar die niet baart, En behandelt de weduwe niet goed: 22 Maar Hij, die tyrannen verplettert, Zal het wreken door zijn kracht! 23 Hij is van zijn leven niet zeker, Gebroken de steun, waarop hij zich stut, En op zijn wegen ellende: 24 Een korte tijd rijst hij omhoog, dan is hij niet meer. Hij verdort als een kwijnende plant, Verlept als de top van een aar! 25 Is het niet waar, wie overtuigt mij van leugen, En wie ontzenuwt mijn betoog?

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 25

1 Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak: 2 Hem is de macht en de schrik, Hem, die vrede gebiedt in zijn hoge hemel! 3 Zijn soms zijn legioenen te tellen, Tegen wien staan zijn troepen niet op! 4 Hoe kan dan een mens tegen God in zijn recht zijn, Of rein, die uit een vrouw is geboren? 5 Zie, zelfs de maan is niet helder, De sterren zijn niet rein in zijn ogen: 6 Hoeveel minder een mens, een aas, Een mensenkind, een worm!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 26

1 Job antwoordde, en sprak 2 Hoe goed weet ge den zwakke te helpen, De krachteloze arm te stutten? 3 Hoe weet ge den onwetende raad te geven, En wat wijze lessen spreidt ge ten toon? 4 Met wiens hulp hebt ge uw woord gesproken Wiens geest is van u uitgegaan? 5 De schimmen beven onder de aarde De wateren sidderen met die erin wonen; 6 Het dodenrijk ligt naakt voor zijn oog, De onderwereld zonder bedekking. 7 Hij spant het Noorden over de baaierd, Hangt de aarde boven het niet; 8 Hij knevelt de wateren in zijn zwerk, De wolken bersten niet onder haar last; 9 Hij bedekt het gelaat der volle maan, En spreidt er zijn nevel over uit. 10 Hij trekt een kring langs de waterspiegel, Waar het licht aan de duisternis grenst; 11 De zuilen van de hemel staan te waggelen, Rillen van angst voor zijn donderende stem. 12 Hij zwiept de zee door zijn kracht, Ranselt Ráhab door zijn beleid; 13 Zijn adem blaast de hemel schoon, Zijn hand doorboort de vluchtende Slang! 14 Is dit nog enkel de zoom van zijn wegen Hoe weinig verstaan wij ervan, En wie begrijpt dan de kracht van zijn donder?

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 27

1 - 2 Zo waar God leeft, die mij gerechtigheid weigert, De Almachtige, die mijn leven verbittert: 3 Zolang er nog een zucht in mij is, En Gods adem in mijn neus 4 Zullen mijn lippen geen valsheid spreken, En zint mijn tong geen bedrog! 5 Ik denk er niet aan, u gelijk te geven, Tot mijn laatste snik houd ik mijn onschuld vol; 6 Ik houd vast aan mijn vroomheid, en geef ze niet op, Mijn hart schaamt zich over geen van mijn dagen! 7 Moge het mijn vijand vergaan als den boze, Mijn hater als den goddeloze! 8 Wat hoopt de boze, als hij bidt, Als hij zijn ziel tot de Godheid verheft? 9 Zal God zijn schreien horen, Wanneer de rampspoed hem treft; 10 Kan hij zich in den Almachtige verlustigen, Ten allen tijde roepen tot God? 11 Daarna nam Sofar van Naäma het woord, en sprak: Ik zal u Gods werken leren kennen, De plannen van den Almachtige u niet verzwijgen: 12 Zie, gij hebt het allen zelf aanschouwd: Waarom zo’n ijdele raad gegeven? 13 Dit is, naar Gods bestel, het lot van den boze, Het deel der tyrannen, door den Almachtige hun toegewezen. 14 Krijgt hij veel zonen, ze zijn bestemd voor het zwaard, En zijn kroost lijdt gebrek; 15 Die hem overblijven, worden door de pest ten grave gesleept, En zijn weduwen bedrijven geen rouw. 16 Al hoopt hij zilver op als stof, En stapelt kleren op als slijk, 17 Hij stapelt ze op, maar de vrome bekleedt er zich mee, En de onschuldige erft zijn geld. 18 Hij trekt zijn woning op als een spin, Aan de hut gelijk, die wachters bouwen; 19 Rijk legt hij zich neer: het is de laatste maal, Hij opent zijn ogen: hij is er niet meer. 20 Verschrikkingen grijpen hem aan overdag, En ‘s nachts sleurt een stormwind hem weg; 21 De oostenwind neemt hem op: daar gaat hij heen, Hij vaagt hem weg van zijn plaats. 22 Zonder erbarmen slingert God zijn pijlen op hem af, Zodat hij voor zijn slagen moet vluchten; 23 Men klapt over hem in de handen, En fluit hem uit zijn woonplaats na.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 28

1 Zeker, er is een plaats, waaruit het zilver komt, Een oord, waar het goud wordt gewassen, 2 Het ijzer uit de bodem gehaald, De steen tot koper gesmolten; 3 Waar men in de uiterste duisternis doordringt, En de diepste plekken doorvorst. In de rotsen, duister en somber. 4 Worden schachten gehakt door een volk, dat er niet hoort, Dat door de wandelaars wordt vergeten, Daar ver van de mensen hangt en zweeft; 5 En de aarde, waaruit het brood ontspruit, Wordt in haar ingewanden omgewoeld als door vuur. 6 Haar rotsen zijn de plaats van saffier, Haar stof bevat goud; 7 De arend kent er de weg niet heen, Het valkenoog bespeurt hem niet; 8 De roofdieren betreden hem niet, De luipaard gaat er niet heen. 9 De mens slaat zijn hand aan de harde steen, Woelt de bergen om van hun grondslag af, 10 Breekt gangen in de rotsen uit, Niets kostbaars ontsnapt aan zijn oog; 11 Hij zoekt de bronnen der stromen af, En brengt wat verborgen lag aan het licht. 12 Maar de wijsheid, waar is zij te vinden, En waar is het oord van het inzicht? 13 De mens kent er de weg niet heen, In het land der levenden bevindt ze zich niet. 14 De afgrond roept: In mij is ze niet! De zee herhaalt: Ze is niet bij mij! 15 Zij wordt niet gekocht voor het fijnste goud, Geen zilver gewogen, om haar te betalen; 16 Zij wordt niet geschat tegen goud van Ofir, Tegen kostbare onyx, noch saffier; 17 Geen goud, geen glaswerk kan haar evenaren, Geen gouden vaas is haar prijs. 18 Paarlen en kristal zijn naast haar niet in tel, Het vinden der wijsheid gaat dat van koralen te boven; 19 Topaas van Koesj kan het niet bij haar halen, Het zuiverst goud weegt niet tegen haar op. 20 De wijsheid, waar komt zij vandaan; Het inzicht, waar is zijn plaats? 21 Zij ligt verborgen voor het oog van al wat leeft, Verscholen voor de vogels in de lucht; 22 De onderwereld en dood roepen uit: Onze oren hebben enkel van haar bij geruchte gehoord. 23 Het is God, die de weg naar haar kent, Hij alleen weet, waar zij toeft. 24 Want Hij blikte tot aan de grenzen der aarde, Zag al wat onder de hemel bestond: 25 Toen Hij het gewicht van de wind bepaalde, De maat voor het water bestemde; 26 Toen Hij de regen zijn wet gaf, En de donder zijn weg. 27 Toen aanschouwde Hij haar en verkondigde haar, Kende Hij haar en doorgrondde haar; 28 Maar Hij sprak tot den mens: Zie, de vreze des Heren is wijsheid, En het kwade te mijden is inzicht!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 29

1 Job vervolgde zijn rede, en sprak 2 Ach, was ik als in vroeger maanden, In de tijd, toen God mij behoedde, 3 Toen Hij zijn lamp boven mijn hoofd liet stralen, En ik bij zijn licht door de duisternis ging; 4 Zoals ik was in mijn beste dagen Toen God mijn tent nog beschutte! 5 Toen de Almachtige nog met mij was, Mijn kinderen mij nog omringden; 6 Toen mijn voeten zich baadden in boter, De rots, waar ik stond, beken olie liet stromen; 7 Als ik uitging naar de poort van de stad, En op het plein mijn zetel liet zetten: 8 Trokken de jongemannen zich terug, zodra ze mij zagen, Rezen de grijsaards op en bleven staan, 9 Staakten de edelen hun gesprek En legden de hand op hun mond. 10 De stem der leiders verstomde, Hun tong kleefde aan hun gehemelte vast; 11 Toen het oor, dat het hoorde, mij gelukkig prees En het oog, dat het zag, mij bijval schonk! 12 Want ik hielp den arme, die om bijstand riep, Den wees, die geen helper meer had; 13 Dien de ondergang dreigde, zegende mij, Het hart der weduwe vrolijkte ik op; 14 Rechtschapenheid trok ik aan als een kleed, Mijn gerechtigheid als een mantel en kroon. 15 Ik was de ogen voor blinden, De voeten voor kreupelen; 16 Voor armen was ik een vader, Voor onbekenden onderzocht ik het pleit. 17 Maar den boosdoener brak ik de tanden, En rukte hem de prooi uit zijn kaken. 18 Ik dacht bij mijzelf: Oud zal ik sterven Mijn dagen zullen talrijk zijn als het zand; 19 Mijn wortel zal openstaan voor het water, De dauw op mijn takken vernachten; 20 Mijn eer blijft steeds nieuw, Mijn boog wint aan jeugdige kracht in mijn hand! 21 Ze luisterden zwijgend naar mij En wachtten mijn beslissing af; 22 Had ik uitgesproken, dan nam niemand het woord, Maar mijn rede druppelde op hen neer. 23 Ze verlangden naar mij als naar regen, Met open mond als naar een late bui. 24 Lachte ik hun toe, ze durfden het niet geloven, En vingen het stralen van mijn aangezicht op. 25 Bezocht ik hen, ik zat bovenaan, Troonde als een vorst bij zijn troepen, als een die treurenden troost.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 30

1 Maar thans lachen jongere mensen mij uit, Lieden, wier vaders te min voor mij waren, Om ze bij mijn herdershonden te zetten; 2 Wier sterke hand mij zelfs niet kan dienen, Daar al hun kracht verloren ging, 3 Door gebrek en honger is uitgeput. Lieden, die de stronken afknagen in de woestijn, In het land der steppe en wildernis; 4 Die zilte kruiden van de struiken plukken, En zich voeden met de wortels der brem; 5 Die uit de samenleving zijn weggejaagd, En die men naschreeuwt als dieven. 6 Lieden, die in de krochten van afgronden wonen, In aardholen en rotsen; 7 Die balken tussen de struiken, Samenhokken onder de netels; 8 Die als een dwaas en naamloos broed Weggezweept zijn uit het land. 9 En thans ben ik hun spotlied geworden, En de stof voor hun praat. 10 Vol afschuw blijven ze op een afstand staan, En ontzien zich niet, mij in het gezicht te spuwen. 11 Zij mishandelen mij, nu ze hun teugel hebben losgerukt Hun breidel hebben afgeworpen. 12 Aan mijn rechterhand verheft zich dat broed, Mijn voeten stoten hen weg; Ze banen tegen mij hun onheilspaden, 13 En vernielen mijn weg, om mij te verderven. Ze trekken op, er is niemand, die hen weerhoudt, 14 Als door een wijde bres rukken ze aan. Onder de puinhopen kwam ze aangerold 15 Keerde zich tegen mij de verschrikking; Als een stormwind waaide mijn aanzien weg, Mijn geluk dreef voorbij als een wolk. 16 En thans stort zich mijn ziel in mij uit, Grijpen de dagen van rampspoed mij aan! 17 Des nachts wordt mijn gebeente doorboord, En nemen mijn knagende pijnen geen rust; 18 Door het grote geweld is mijn vlees ontredderd, Het knelt mij als de kraag van mijn kleed. 19 God heeft mij in de modder geworpen, Ik zie er uit als stof en as. 20 Ik roep tot U, maar Gij antwoordt niet; Ik sta overeind, maar Gij let niet op mij. 21 Gij zijt wreed tegen mij, Met uw krachtige hand bestookt Gij mij; 22 Gij heft mij op, jaagt mij voort op de wind, Een noodweer lost mij in water op. 23 Ja, ik weet, Gij leidt mij ten dode, Naar de verzamelplaats van al wat leeft. 24 Maar steekt een drenkeling de hand niet uit, Roept men in zijn ellende niet om hulp? 25 Heb ik zelf niet geweend over den zwaar beproefde, Was ik over den arme niet zielsbedroefd? 26 Ja, ik hoopte op geluk, maar het onheil kwam; Ik verwachtte het licht, maar het duister viel in. 27 Mijn binnenste kookt, en komt niet tot rust, Dagen van jammer treden mij tegen. 28 Zwart loop ik rond, maar niet van de zon; Sta ik op in de gemeente, ik roep om hulp! 29 Ik ben een broer van de jakhalzen, Een makker der struisen; 30 Mijn huid is zwart, en laat van mij los, Mijn beenderen branden van koorts; 31 Mijn citer is voor rouwklacht gestemd, Mijn fluit voor geween!.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 31

1 Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd. 2 Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald? 3 Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil! 4 Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet? 5 Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog? 6 God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen! 7 Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven: 8 Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt! 9 Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste: 10 Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten; 11 Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht! 12 Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit! 13 Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil: 14 Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht? 15 Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd? 16 Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten; 17 Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten? 18 Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest. 19 Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking; 20 Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen? 21 Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde: 22 Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt; 23 Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit! 24 Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd; 25 Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand: 26 Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde, 27 Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust 28 Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend! 29 Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof; 30 Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen; 31 Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand? 32 De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend. 33 Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen, 34 Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan, 35 Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer! 36 Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen; 37 Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst! 38 Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden; 39 Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten: 40 Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 32

1 Toen deze drie mannen het hadden opgegeven, Job te antwoorden, omdat hij zich in hun ogen gerechtvaardigd had, 2 ontbrandde de toorn van Elihoe den zoon van Barakel, den Boeziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat hij zich tegenover God in het gelijk had gesteld; 3 tegen zijn drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij het juiste antwoord niet hadden gevonden, en daardoor God hadden beschuldigd. 4 Zolang zij met Job spraken, had Elihoe gewacht, omdat zij ouder waren dan hij. 5 Maar nu Elihoe bemerkte, dat er uit de mond van de drie mannen geen antwoord meer kwam, ontbrandde zijn toorn. 6 En Elihoe, de zoon van Barakel, den Boeziet, nam het woord en sprak: Ik ben jong van dagen, En gij zijt bejaard; Daarom was ik beschroomd en bevreesd, U mijn mening te zeggen. 7 Ik dacht: Laat de ouderdom spreken, De hoge leeftijd de wijsheid verkonden! 8 Maar het is Gods geest in den mens, De adem van den Almachtige, die hem inzicht verleent; 9 Het zijn dus niet de bejaarden, die wijs zijn, Niet de grijsaards, die weten wat recht is. 10 Daarom zeg ik: Luistert naar mij; Ik zal u verkonden, wat ik weet. 11 Zie, ik heb gewacht op wat gij zoudt zeggen, En geluisterd naar uw betoog; Tot gij de juiste woorden zoudt vinden, 12 Heb ik u al mijn aandacht gewijd. Maar zie, niemand van u heeft Job weerlegd, Niemand zijn betoog beantwoord! 13 Zegt nu niet: We zijn op de wijsheid gestuit God, geen mens kan hem verslaan! 14 Tegen mij heeft hij nog geen bewijzen gebracht, En met de uwen weerleg ik hem niet. 15 Zij zijn verslagen, weten niets meer te zeggen, De woorden laten hen in de steek. 16 Ik heb gewacht, maar zij spreken niet, Ze staan daar, en hebben geen antwoord meer; 17 Nu wil ik antwoorden op mijn beurt, Wil ik verkonden, wat ik weet! 18 Want ik ben geladen met woorden, En de geest in mijn binnenste prest mij er toe. 19 Zie, mijn geest is als wijn, die niet kan gisten, En die nieuwe zakken doet bersten; 20 Ik moet spreken, om wat lucht te krijgen, Mijn lippen openen, en antwoord geven. 21 Ik wil niemand naar de ogen zien, En niemand vleien, wie het ook is; 22 Want ik heb geen verstand van vleierij: Mijn Schepper rukte mij dan aanstonds weg!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 33

1 Luister nu, Job, naar mijn rede, En leen het oor aan heel mijn betoog. 2 Zie, ik heb mijn mond geopend, Mijn tong in mijn gehemelte spreekt; 3 Mijn hart stort woorden van wijsheid uit, Mijn lippen verkonden duidelijke taal! 4 De geest van God heeft mij gemaakt, De adem van den Almachtige mij het leven geschonken; 5 Antwoord mij dus, zo ge kunt; Houd u gereed, stel u tegen mij op! 6 Ik ben dus voor God aan u gelijk, Ook ik ben gekneed uit leem: 7 Dus behoeft u geen vrees voor mij te verschrikken Mijn hand niet zwaar u te drukken. 8 Ge hebt voor mijn eigen oren verklaard, En ik heb uw woorden verstaan: 9 "Ik ben rein, zonder zonde, Ik ben zuiver, op mij rust geen schuld!" 10 "Toch vindt Hij klachten tegen mij, En behandelt mij als zijn vijand; 11 Hij steekt mijn voeten in het blok, Bespiedt al mijn gangen. 12 Zie, als ik roep, antwoordt Hij niet Want God is groter dan een mens!" 13 Hoe hebt ge Hem durven verwijten, Dat Hij op geen van uw woorden antwoord geeft? 14 Het is, omdat God slechts eenmaal spreekt, En het geen tweede keer herhaalt: 15 In een droom, in een nachtelijk visioen In de sluimering op de sponde. 16 Dan opent Hij het oor van de mensen, En verschrikt hen door zijn visioenen, 17 Om den mens van trots te weerhouden, Den man voor hoogmoed te behoeden; 18 Om zo zijn ziel voor de groeve te bewaren, Zijn leven voor de gang naar het graf. 19 Dan kastijdt Hij hem door smart op zijn sponde, Door een koorts in zijn beenderen zonder eind, 20 Zodat zijn leven van het brood gaat walgen, Zijn ziel van de begeerlijkste spijs; 21 Zijn vlees slinkt zienderogen weg, Zijn gebeente, eens onzichtbaar, ligt bloot. 22 Maar zelfs als zijn ziel het graf al nabij is, Zijn leven het oord van de doden: Zo hij besluit in zijn hart, zich tot God te keren En hij zijn dwaasheid erkent: 23 Dan treedt er voor hem een engel op, Een tolk, een uit de duizend. Dan wijst hij den mens op zijn plicht, 24 Ontfermt zich zijner, en spreekt: Laat hem toch niet in de groeve dalen, Ik heb zijn losprijs gevonden 25 Zijn vlees worde frisser dan in zijn jeugd, Hij kere tot zijn jonkheid terug! 26 Dan laat God Zich verbidden; genadig neemt Hij hem aan, Doet hem zijn aanschijn met jubel aanschouwen, En schenkt den mens zijn gerechtigheid terug. 27 Dan juicht hij het uit voor de mensen, en zegt: Ik heb gezondigd, het recht verdraaid, Maar Hij heeft het niet op mij gewroken! 28 Zo behoedt Hij zijn ziel voor de gang naar het graf, En verlustigt zijn leven zich in het licht! 29 Zie, dit alles doet God Tweemaal, driemaal met een mens: 30 Hij brengt zijn leven terug van het graf, En bestraalt hem met het levenslicht! 31 Luister dus, Job, en hoor naar mij; Zwijg stil, en laat het spreken aan mij. 32 Hebt ge dan iets te zeggen, antwoord mij; Spreek dan, want ik geef u gaarne gelijk. 33 (32b) Zo niet, luister naar mij, En zwijg, ik zal u wijsheid leren!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 34

1 Elihoe vervolgde en sprak: 2 Gij wijzen, hoort naar mijn rede; Verstandigen, luistert naar mij: 3 Want het oor toetst de woorden, Zoals het gehemelte spijzen keurt. 4 We moeten zelf onderzoeken, wat recht is, Onder elkander beslissen wat goed is. 5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtschapen, Maar God onthoudt mij mijn recht; 6 Ondanks mijn recht moet ik lijden, Mijn wonde is ongeneeslijk, al ben ik niet schuldig! 7 Is er wel iemand als Job, Die godslastering als water drinkt, 8 Die het gezelschap van boosdoeners opzoekt En met slechte lieden omgang heeft? 9 Want hij zegt: Wat baat het den mens, In God zijn behagen te stellen! 10 Verstandige lieden, hoort dus naar mij: Onmogelijk; God doet geen kwaad, de Almachtige geen onrecht; 11 Want Hij vergeldt de mensen hun daden, Behandelt iedereen naar zijn gedrag! 12 Waarachtig, God kan geen onrecht begaan, De Almachtige het recht niet verkrachten! 13 Wie heeft de aarde onder zijn leiding gesteld Wie Hem met de hele wereld belast? 14 Trekt Hij hun geest tot Zich terug, Neemt Hij tot Zich hun levensadem, 15 Dan sterft onmiddellijk alle vlees, Keert de mens terug tot stof! 16 Zijt ge verstandig, luister hiernaar, En leen het oor aan mijn rede: 17 Kan Hij, die het recht zou haten, besturen; Kan de Alrechtvaardige onrecht bedrijven? 18 Hij, die tot den koning zegt: Belial Tot de edelen: Booswicht; 19 Die vorsten niet voortrekt, Den arme niet achterstelt bij den rijke. Neen, ze zijn allen het werk zijner handen, 20 En sterven plotseling, midden in de nacht; Rijken worden opgeschrikt, en gaan heen, Machtigen verdwijnen, al steekt men er de hand niet naar uit. 21 Want zijn ogen zijn op de wegen der mensen gericht, En Hij ziet al hun schreden; 22 Er bestaat geen duister of donker, Waarin de boosdoeners zich kunnen verbergen. 23 Neen, geen vaste tijd voor den mens, Om voor God ten gericht te verschijnen; 24 Hij verplettert den machtige zonder verhoor, En stelt anderen voor hem in de plaats. 25 Hij geeft dus acht op hun daden, Hij stort ze omver in de nacht; 26 Ze worden verbrijzeld tot straf voor hun boosheid, Hij tuchtigt ze op de plaats, waar allen het zien. 27 Want van Hem zijn ze afgeweken, En hebben op geen van zijn paden gelet; 28 Ze hebben het kermen der armen tot Hem doen komen, Zodat Hij het klagen der ellendigen hoort. 29 Hield Hij Zich stil, wie zou ze beschuldigen Bedekte Hij zijn gelaat, wie wees hen terecht? Neen, Hij houdt volk en eenling in het oog, 30 Opdat geen boze regeert, het volk niet zondigt. 31 Maar als de boze tot God zegt: Ik heb gedwaald, Doch ik wil niet meer zondigen; 32 Onderricht mij, totdat ik tot inzicht kom; Heb ik misdaan, ik doe het niet meer! 33 Moet Hij, volgens u, het dan toch maar vergelden, Omdat gij zijn gerechtigheid anders misprijst? Gij hebt te beslissen, niet ik; Spreek dus uit, wat ge meent! 34 Verstandige mensen zullen mij zeggen, Met den wijzen man, die mij hoort: 35 Job heeft niet verstandig gesproken, Zijn rede getuigt niet van inzicht. 36 Waarachtig, Job zal ten einde toe worden beproefd, Om zijn antwoorden, boosdoeners waardig; 37 Want hij heeft bij zijn zonde de misdaad gevoegd, Ons te honen, en tegen God een grote mond op te zetten!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 35

1 Elihoe vervolgde, en sprak: 2 Houdt ge dit voor behoorlijk, Noemt ge dit "mijn rechtvaardiging voor God", 3 Als ge vraagt: Wat baat het mij, Wat voordeel heb ik, als ik niet zondig? 4 Ik zal u antwoord geven op uw vraag, En aan uw vrienden met u. 5 Blik naar de hemel op, en zie, Aanschouw de wolken, hoog boven u uit! 6 Wanneer ge zondigt, wat deert het Hem; Zijn uw misdrijven talrijk, wat doet het Hem; 7 Zijt ge rechtschapen, wat schenkt ge Hem, Of wat ontvangt Hij van u? 8 Uw boosheid raakt enkel den mens, als gij, Uw gerechtigheid het mensenkind! 9 Men klaagt wel over allerhande verdrukking En jammert onder de macht der tyrannen, 10 Maar men zegt niet: Waar is God, die ons schiep, Die ons visioenen geeft in de nacht, 11 Die ons onderricht door de dieren der aarde Door de vogels in de lucht ons wijsheid leert. 12 Zo roept men wel, maar Hij antwoordt niet, Om de hoogmoed der bozen. 13 Maar als God niet luistert naar ijdel geroep, De Almachtige er geen aandacht aan schenkt, 14 Hoeveel te minder, als ge beweert, dat ge Hem niet bespeurt, Dat ge een proces met Hem aangaat, en gij op Hem wacht; 15 Of zelfs, dat zijn gramschap niet straft, En dat Hij niet eens de misdaad kent! 16 Job opent zijn mond tot ijdel gezwets, Spreekt grote woorden in onverstand.

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 36

1 Vierde rede: mag de mens God ter verantwoording roepen? Elihoe vervolgde, en sprak: 2 Heb nog een weinig geduld, en ik zal u onderrichten, Want er valt nog genoeg ten gunste van de Godheid te zeggen; 3 Ik wil mijn kennis tot het uiterste voeren, Om mijn Schepper te rechtvaardigen. 4 Neen, mijn woorden liegen niet: Ge hebt met iemand te doen, die het eerlijk meent. 5 Ja, God is groot: Hij veracht den rechtschapene niet; 6 Machtig: Hij laat den boze niet leven! Hij verschaft aan de verdrukten hun recht, 7 Van de rechtvaardigen wendt Hij zijn ogen niet af; Hij zet ze bij koningen op de troon, Hoog plaatst Hij hun zetel voor eeuwig! 8 Maar worden zij in boeien geklonken, In koorden van ellende gevangen, 9 Dan brengt Hij hun daardoor hun gedrag onder het oog, En hun zonden uit hoogmoed ontstaan; 10 Zo opent Hij hun oor ter belering, En vermaant ze, zich van hun ongerechtigheid te bekeren. 11 Wanneer ze dan luisteren, en Hem weer dienen, Dan slijten ze hun dagen in geluk, Hun jaren in weelde; 12 Maar wanneer ze niet willen horen, Dan gaan ze heen naar het graf, En komen om door onverstand. 13 En de verstokten, die er toornig om worden, En niet smeken, als Hij ze bindt: 14 Zij sterven al in hun jeugd, Hun leven vliedt heen in de jonge jaren. 15 Hij redt dus den ellendige door zijn ellende, En opent zijn oor door zijn nood! 16 Zo trekt Hij ook u uit de muil van ellende Inplaats daarvan zal het onbekrompen overvloed zijn, En het genot van een dis, met vette spijzen beladen. 17 Maar oordeelt gij geheel als een boze zijn gericht zal u treffen, 18 Pas dus op, dat de wrevel u geen straf komt brengen, Waarvan de grootste losprijs u niet zou ontslaan; 19 Uw smeken tot Hem in de nood niets bereiken Al doet ge het ook uit al uw kracht. 20 Laat de dwaasheid u toch niet bedriegen Om u te verheffen met hen, die wijs willen zijn; 21 Wacht u ervoor, u tot de zonde te wenden, Want hierdoor juist werdt gij door ellende bezocht! 22 Zie, God is groot door zijn kracht: Wie is heerser als Hij? 23 Wie schrijft Hem zijn weg voor, Wie zegt: Gij handelt verkeerd? 24 Denk er aan, dat ook gij zijn daden verheft, Die de stervelingen moeten bezingen, 25 Die iedere mens moet overwegen, Ieder mensenkind van verre beschouwt. 26 Zie, God is groot: wij begrijpen Hem niet, Het getal van zijn jaren is zelfs niet te schatten! 27 Hij trekt uit de zee de druppels omhoog, Vervluchtigt de regen tot zijn nevel, 28 Die de wolken naar beneden doet stromen, En op alle mensen doet storten; 29 Wie begrijpt de sprei van de wolken En de gedaante van zijn tent? 30 Zie, Hij spreidt zijn nevel uit over de zee, En houdt haar kolken bedekt. 31 Want daarmee spijst Hij de volken En geeft Hij voedsel in overvloed. 32 In zijn handen verbergt Hij de bliksem, En zendt hem af op zijn doel; 33 Zijn strijdkreet kondigt Hem aan, Zijn woede ontketent de storm!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 37

1 Ja, hierover siddert mijn hart, En springt op van zijn plaats. 2 Hoort, hoort het bulderen van zijn stem, Het gebrom, dat komt uit zijn mond. 3 Langs heel de hemel slingert Hij zijn bliksem, En tot de grenzen der aarde. 4 Zijn stem gromt achter Hem aan, Hij dondert met zijn machtige kreet; Hij houdt de bliksem niet terug, Wanneer zijn stem zich laat horen. 5 Maar ook wonderen wrocht God door zijn stem, Doet grote, onbegrijpelijke dingen! 6 Hij spreekt tot de sneeuw: Val op aarde neer; Tot de regenstromen: Weest hevig! 7 Dan sluit Hij alle mensen op, Opdat ieder sterveling zijn werk erkent; 8 Ook de dieren zoeken hun schuilplaats op, En leggen zich neer in hun holen. 9 Uit zijn kamer komt de wervelwind, Uit zijn voorraadschuren de koude; 10 Door de adem Gods wordt het ijs gestolten, De watervlakte in boeien gelegd; 11 Het zwerk belaadt Hij met dampen, En spreidt zijn lichtende wolken uit. 12 Ze zweven naar alle kanten rond, En gaan, zoals Hij het beschikt, Om te volbrengen, wat Hij hun gebiedt, Op de oppervlakte der aarde: 13 Is het tot straf, ze volbrengen zijn wil; Is het tot zegen, ze voeren hem uit. 14 Job, schenk er uw aandacht aan, Houd op, en let op Gods wonderen! 15 Begrijpt ge, hoe God ze gebiedt, En het licht van zijn wolken doet flitsen; 16 Begrijpt ge iets van het zweven der wolken, Van de wonderwerken van den Alwetende? 17 Gij, wiens kleren te warm zijn, Als de aarde amechtig van de zuidenwind ligt: 18 Kunt gij, evenals Hij, het zwerk tot een uitspansel strijken, Vast als een spiegel van gegoten metaal? 19 Laat mij weten, wat wij Hem zullen zeggen, Wij, die door de duisternis hulpeloos staan! 20 Zal deze wijken wanneer ik het zeg; Worden weggevaagd, als de mens het beveelt? 21 Neen, thans aanschouwt men geen licht, Het is door de wolken verduisterd; Maar een wind steekt op, en bezemt ze weg: 22 En uit het Noorden breekt de goudglans door! God is van ontzagwekkende luister omringd: 23 Wij dringen dus niet tot den Almachtige door! Hij is groot in kracht en gerechtigheid; Hij is de Heer van het recht, die nimmer verdrukt! 24 Daarom moeten de mensen Hem vrezen, Doorgronden Hem al de wijzen niet!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 38

1 Nu nam Jahweh het woord, en sprak tot Job in de storm: 2 Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand? 3 Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren! 4 Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet! 5 Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen? 6 Waarop zijn haar zuilen geplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen gelegd: 7 Onder het gejuich van het koor der morgensterren, Het jubelen van de zonen Gods? 8 Wie heeft de zee achter deuren gesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam; 9 Toen Ik haar de wolken gaf als een kleed, De nevel als haar windsels; 10 Toen Ik haar grenzen heb gesteld, Slagboom en grendels haar gaf; 11 Toen Ik sprak: Ge komt tot hier en niet verder, Hier wordt de trots van uw golven gebroken! 12 Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats bestemd, 13 Om de zomen der aarde te bezetten En er vlammen uit te schudden? 14 Zij flonkert als een kostbare zegelsteen, Wordt bontgeverfd als een kleed, 15 Totdat de stralen hun licht wordt ontnomen, Hun opgeheven arm wordt gebroken. 16 Zijt ge doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewandeld; 17 Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen; 18 Hebt ge de breedten der aarde omvat: Zeg op, wanneer ge dit allemaal weet! 19 Waar is de weg naar de woning van het licht, En waar heeft de duisternis haar verblijf, 20 Zodat gij ze naar hun plaats kunt brengen, En hun de paden naar huis kunt leren? 21 Ge weet het toch, want toen werdt ge geboren, Het getal van uw jaren is immers zo groot! 22 Zijt ge doorgedrongen tot de schuren der sneeuw, Hebt ge de opslagplaatsen van de hagel aanschouwd, 23 Die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwing, Voor de dag van aanval en strijd? 24 Waar is de weg, waar de kou zich verspreidt, Waar de oostenwind over de aarde giert? 25 Wie heeft voor de stortvloed kanalen gegraven, En paden voor de donderwolken, 26 Om regen te geven op onbewoond land, Op steppen, waar zich geen mens bevindt; 27 Om woestijn en wildernis te verzadigen, Uit de dorre grond het gras te doen spruiten? 28 Heeft de regen een vader, Of wie heeft de druppels van de dauw verwekt; 29 Uit wiens schoot is het ijs te voorschijn gekomen, Wie heeft het rijp in de lucht gebaard? 30 De wateren worden hard als steen, De vlakte van de Afgrond sluit zich aaneen! 31 Kunt gij de banden der Plejaden knopen, Of de boeien van de Orion slaken; 32 Kunt gij de maan op tijd naar buiten doen treden, Leidt gij de Beer met zijn jongen? 33 Schrijft gij de hemel de wetten voor, Stelt gij zijn macht over de aarde vast; 34 Verheft gij uw stem tot de wolken, Gehoorzaamt ù de watervloed? 35 Zendt gij de bliksems uit, en ze gaan; Zeggen ze tot u: Hier zijn we terug? 36 Wie heeft inzicht aan den reiger gegeven Verstand geschonken aan den haan; 37 Wie telt met wijsheid de wolken af, En giet de zakken van de hemel leeg: 38 Wanneer de bodem hard is als ijzer, De kluiten aan elkander kleven? 39 (39-1) Jaagt gij een prooi voor de leeuwin, Stilt gij de honger der welpen, 40 (39-2) Wanneer ze in hun holen liggen, Of loeren tussen de struiken? 41 (39-3) Wie geeft ze tegen de avond haar buit, Wanneer haar jongen tot de Godheid roepen, En zonder voedsel rond blijven snuffelen, Op zoek naar spijs?

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 39

1 (39-4) Kent gij de tijd, waarop de gemzen springen, Neemt gij het jongen der hinden waar; 2 (39-5) Telt gij de maanden van haar dracht, Bepaalt gij de dag, dat zij werpen? 3 (39-6) Ze krommen zich, drijven haar jongen uit, En haar weeën zijn heen; 4 (39-7) Haar jongen worden sterk, groeien op in de steppe, Lopen weg, en keren niet tot haar terug! 5 (39-8) Wie heeft den woudezel in vrijheid gelaten, Wie dien wilde de boeien geslaakt, 6 (39-9) Hem, wien Ik de woestijn tot woning gaf, De zilte steppe tot verblijf; 7 (39-10) Die spot met het lawaai van de stad, Die zich niet stoort aan het razen der drijvers; 8 (39-11) Die de bergen als zijn weide doorsnuffelt, En naar al wat groen is, neust. 9 (39-12) Wil de woudos ù dienen, Aan ùw krib overnachten; 10 (39-13) Slaat gij een touw om zijn nek, Egt hij de voren achter ú? 11 (39-14) Vertrouwt ge op hem om zijn geweldige kracht, Laat ge aan hem uw arbeid over; 12 (39-15) Rekent ge op hem, om uw oogst te gaan halen, En uw graan op uw dorsvloer te brengen? 13 (39-16) Vrolijk klapwiekt de struis, De moeder van kostbare veren en pennen, 14 (39-17) Maar die haar eieren stopt in de grond, En ze uitbroeien laat op het zand. 15 (39-18) Ze vergeet, dat een voet ze vertrappen kan, Dat de wilde beesten ze kunnen verpletteren; 16 (39-19) Ze is hard voor haar jongen, alsof het de hare niet zijn, Het deert haar niet, al is haar moeite vergeefs: 17 (39-20) Want God heeft haar de wijsheid onthouden, Geen verstand haar geschonken. 18 (39-21) Toch rent ze weg, zodra de boogschutters komen, En spot met het paard en zijn ruiter! 19 (39-22) Geeft gij het paard zijn heldenmoed, Hebt gij zijn nek met kracht bekleed; 20 (39-23) Laat gij als een sprinkhaan het springen, Laat gij het hinniken, geweldig en fier? 21 (39-24) Het draaft door het dal, het juicht in zijn kracht, En stormt op de wapenen aan; 22 (39-25) Het spot met angst, wordt nimmer vervaard, En deinst niet terug voor het zwaard. 23 (39-26) Boven op zijn rug rammelt de koker met pijlen, Bliksemt de lans en de speer; 24 (39-27) Ongeduldig, onstuimig verslindt het de bodem, Niet meer te temmen, als de bazuinen weerschallen. 25 (39-28) Bij iedere trompetstoot roept het: Hoera! Van verre reeds snuift het de strijd, De donderende stem van de leiders, Het schreeuwen der krijgers! 26 (39-29) Stijgt de sperwer op door uw beleid, En slaat hij zijn vleugels uit naar het zuiden? 27 (39-30) Neemt op uw bevel de gier zijn vlucht, En bouwt hij zijn nest in de hoogte? 28 (39-31) Hij woont en nestelt op rotsen, Op steile en ontoegankelijke klippen; 29 (39-32) Van daar beloert hij zijn prooi, Uit de verte spieden zijn ogen. 30 (39-33) Zijn jongen slurpen bloed, Waar lijken liggen, hij is er terstond!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 40

1 (39-34) Nu vervolgde Jahweh tot Job, en sprak: 2 (39-35) Zal nu de bediller van den Almachtige zwijgen; Of weet de vitter op God hier nog antwoord op? 3 (39-36) Maar Job antwoordde Jahweh, en sprak: 4 (39-37) Ik ben lichtzinnig geweest: Wat zou ik hierop kunnen zeggen; Ik leg mijn hand op mijn mond. 5 (39-38) Ik heb eens gesproken, maar doe het niet weer; Tweemaal, maar ik begin niet opnieuw! 6 (40-1) Maar Jahweh vervolgde, en sprak tot Job in de storm 7 (40-2) Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren! 8 (40-3) Wilt ge ook nu nog mijn gerechtigheid loochenen, Mij in het ongelijk stellen, om gelijk te hebben? 9 (40-4) Hebt ge dan een arm, zoals God, Kunt ge donderen met een stem als de zijne? 10 (40-5) Tooi u dan eens met grootheid en luister, Bekleed u met glorie en majesteit! 11 (40-6) Stort eens uw toorn in stromen uit, En verneder, wat trots is, met uw blik; 12 (40-7) Zie op alle hoogmoedigen neer, en trap ze ineen, Verpletter de bozen terstond; 13 (40-8) Stop ze allen weg in de grond, Zet ze gevangen in het verborgen oord: 14 (40-9) Dan zal Ik de eerste zijn, die u prijst, Omdat het uw rechterhand is, die u helpt! 15 (40-10) Maar zie, daar staat het Nijlpaard, dat Ik heb geschapen, Het vreet gras als een rund. 16 (40-11) Zie eens, wat kracht in zijn lenden, Wat sterkte in de spieren van zijn buik! 17 (40-12) Hij spant zijn staart als een ceder, De spieren van zijn dijen tot een bundel; 18 (40-13) Zijn schonken zijn koperen buizen, Zijn knoken als ijzeren staven. 19 (40-14) Hij is het meesterwerk van God Gemaakt, om over zijn buurtschap te heersen! 20 (40-15) Ja, de bergen brengen hem schatting, Met al het wild, dat daar speelt; 21 (40-16) Onder de lotus vleit hij zich neer, Verscholen in riet en moeras; 22 (40-17) Lotusstruiken beschutten hem met hun schaduw, De waterwilgen staan om hem heen; 23 (40-18) Al raast de stroom, hij is niet bang, Onverschrokken, al stijgt de Jordaan tot zijn muil. 24 (40-19) Wie durft hem bij zijn ogen grijpen, Zijn neus met harpoenen doorboren!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 41

1 (40-20) Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast; 2 (40-21) Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken; 3 (40-22) Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten? 4 (40-23) Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst; 5 (40-24) Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast; 6 (40-25) Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen? 7 (40-26) Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen? 8 (40-27) Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer, 9 (40-28) Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen 10 (41-1) Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand, 11 (41-2) Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één! 12 (41-3) Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht. 13 (41-4) Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras? 14 (41-5) Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking! 15 (41-6) Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten 16 (41-7) Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door; 17 (41-8) Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen. 18 (41-9) Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood; 19 (41-10) Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit; 20 (41-11) Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel. 21 (41-12) Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog; 22 (41-13) In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit; 23 (41-14) Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten; 24 (41-15) Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen: 25 (41-16) Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug. 26 (41-17) Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht. 27 (41-18) Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper; 28 (41-19) Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf; 29 (41-20) Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots. 30 (41-21) Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk; 31 (41-22) Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan; 32 (41-23) Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken. 33 (41-24) Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen; 34 (41-25) Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!

INHOUD | [Job]

Hoofdstuk 42

1 En Job antwoordde Jahweh, en sprak: 2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt, En geen uwer plannen wordt verijdeld. 3 Ja, wie zou de Voorzienigheid duister maken Door woorden zonder verstand? Ik heb dus zonder inzicht gesproken, Over dingen, te wonderbaar voor mijn begrip! 4 Ach, luister toch, als ik spreek; En leer mij, als ik U vragen stel! 5 Door horen zeggen heb ik van U vernomen, Maar thans heeft mijn eigen oog U aanschouwd: 6 Daarom herroep ik, wat ik gezegd heb, En doe ik boete in stof en as! 7 Toen Jahweh tot Job dit betoog had gehouden, sprak Hij tot Elifaz van Teman: Mijn gramschap is tegen u en uw beide vrienden ontstoken, omdat gij over Mij de waarheid niet hebt gezegd, evenals mijn dienaar Job. 8 Neemt daarom zeven stieren en zeven rammen, en gaat ermee naar mijn dienaar Job; draagt ze voor u als een brandoffer op, en laat mijn dienaar Job voor u bidden. Dan zal Ik terwille van hem u niet straffen voor de dwaasheid, dat gij over Mij de waarheid niet hebt gezegd, evenals mijn dienaar Job. 9 Elifaz van Teman, Bildad van Sjóeach en Sofar van Naäma gingen dus heen, en deden wat Jahweh hun bevolen had. En Jahweh was Job terwille. 10 Nadat Job dus voor zijn vrienden gebeden had, herstelde hem Jahweh niet alleen in zijn vroegere staat, maar schonk hem het dubbele van wat hij vroeger bezat. 11 Nu kwamen al zijn broers en zusters, en al zijn vroegere kennissen naar hem toe, en hielden maaltijd met hem in zijn huis; zij beklaagden hem en troostten hem over al het leed, dat Jahweh over hem had gebracht, en gaven hem allen een gouden munt en een gouden ring ten geschenke. 12 En Jahweh zegende het verder leven van Job nog meer dan het vroegere: hij kreeg veertienduizend schapen en zesduizend kamelen, duizend koppel runderen en duizend ezelinnen. 13 Ook kreeg hij twee maal zeven zonen en drie dochters; 14 de eerste noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Kéren-Happoek. 15 In heel het land werden geen vrouwen gevonden, zo schoon als de dochters van Job; haar vader gaf haar een erfdeel evenals aan haar broers 16 Daarna leefde Job nog honderd veertig jaar, en mocht niet alleen zijn kinderen aanschouwen, maar ook zijn kleinkinderen tot in het vierde geslacht. 17 En Job stierf oud en hoogbejaard.