De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Judit

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16]

Hoofdstuk 1

1 {\cf2Eerste deel. De benauwing van betoel door Holofernes. Nabukodonosors woede op het westen en het Joodse land. Toen Arpaksad, de koning der Meden, een groot aantal volkeren aan zijn heerschappij had onderworpen, bouwde hij een zeer sterke stad, die hij Ekbátana noemde. 2 Uit vierkant gekapte stenen trok hij de muren op van zeventig el hoogte en dertig el breedte; hij voorzag haar van torens, die honderd el hoog 3 en aan alle vier zijden twintig voet breed waren, en hij maakte haar poorten even hoog als de torens. 4 Overtuigd van zijn macht ging hij groot op de kracht van zijn leger, en op de roem van zijn strijdwagens. 5 Maar in het twaalfde jaar van zijn regering ondernam Nabukodonosor, de koning der Assyriërs, die in de grote stad Ninive regeerde, een veldtocht tegen Arpaksad en nam hem gevangen 6 in de grote vlakte, die Ragaoe heet. Hij werd daarbij geholpen door de bevolking aan de Eufraat, de Tiger en de Jádason, onder aanvoering van Arjok, den koning der Elamieten 7 Maar toen zijn rijk daardoor in aanzien gestegen was, werd Nabukodonosor hoogmoedig. En hij zond een oproep, om zich bij hem aan te sluiten, aan alle bewoners van Cilicië, Damascus en de Libanon, 8 aan de volksstammen op de Karmel en in Gilad, aan de bewoners van Galilea in de grote vlakte van Jizreël, 9 aan allen die in Samaria woonden en over de Jordaan tot aan Jerusalem toe, en aan de gehele landstreek Gésjem tot aan de grens van Ethiopië. 10 Naar al deze volkeren zond Nabukodonosor, de koning der Assyriërs, zijn afgezanten; 11 maar allen weigerden eenstemmig, zonden hen onverrichterzake terug en wezen hen oneerbiedig af. 12 Toen ontstak koning Nabukodonosor in felle woede tegen al die landen, en zwoer bij zijn troon en zijn rijk, dat hij zich op al die gebieden zou wreken.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 2

1 {\cf2In het dertiende jaar van koning Nabukodonosor, op de twee en twintigste dag van de eerste maand, werd in het paleis van Nabukodonosor, den koning der Assyriërs, besloten, dat men wraak zou nemen. 2 Hij ontbood daarom alle oudsten en al zijn veldheren en legeraanvoerders, deelde hun zijn geheime plannen mee, 3 en vertelde hun, dat hij voornemens was, de gehele aarde aan zijn heerschappij te onderwerpen. 4 Toen dit plan algemene instemming had gevonden, liet koning Nabukodonosor zijn opperbevelhebber Holoférnes bij zich ontbieden, 5 en zeide hem: Trek op tegen alle landen in het westen, en vooral tegen hen, die mijn bevel hebben geminacht. 6 Geen enkel rijk moogt ge sparen, en alle versterkte steden moet ge aan mij onderwerpen. 7 Daarop werden alle veldheren en aanvoerders van het assyrische leger door Holoférnes opgeroepen, en begon hij, zoals de koning hem had opgedragen een leger aan te werven van honderd twintigduizend man voetvolk en twaalfduizend boogschutters te paard. 8 Aan de kop van het gehele leger liet hij een ontelbaar aantal kamelen vooruittrekken, met een grote voorraad legerproviand, en ontelbare kudden runderen en schapen. 9 Verder gaf hij bevel, dat er in heel Syrië op zijn doortocht graan voor hem moest gereed liggen, 10 en zelf nam hij zeer veel goud en zilver mee uit het paleis van den koning. 11 Daarna brak hij met heel dat leger op, met wagens, ruiters en boogschutters, die als sprinkhanen de oppervlakte der aarde bedekten. 12 Toen hij nu de grens van Assyrië was overgetrokken en bij het hoge Ange-gebergte gekomen was, dat links van Cilicië ligt, bestormde hij daar alle burchten, veroverde er alle vestingen, 13 en nam de beroemde stad Melóti met geweld in. Vervolgens plunderde hij alle inwoners van Tarsjisj en daarna de Israëlieten, die aan de rand van de woestijn ten zuiden van het land der Chaldeën woonden. 14 Daarna trok hij de Eufraat over, kwam in Mesopotamië, verwoestte daar alle versterkte steden van de rivier de Abrona af tot aan de zee, 15 en veroverde het gehele gebied tot aan de zuidelijke grenzen van Jáfet. 16 Hij voerde alle Midjanieten gevangen weg, legde beslag op al hun bezittingen en joeg iedereen over de kling, die zich verzette. 17 En toen de oogsttijd was aangebroken, zakte hij af naar de vlakte van Damascus, stak al het veldgewas in brand en liet alle bomen en wijngaarden omhakken. 18 Alle bewoners der aarde waren bang voor hem.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 3

1 {\cf2Toen zonden de koningen en vorsten van al die steden en streken, van syrisch Mesopotamië en het syrisch gebied Sobal en van Lúdië en Cilicië hun gezanten naar Holoférnes. Ze zeiden hem: 2 Wees niet langer op ons vertoornd; want het is beter, dat wij met behoud van ons leven den groten koning Nabukodonosor dienen en ons aan u onderwerpen, dan dat wij sterven en door onze ondergang de ellende der slavernij over ons volk zouden brengen. 3 Al onze steden en bezittingen, al onze bergen, heuvels en vlakten, de kudden runderen, schapen, geiten, paarden en kamelen, al wat wij bezitten aan have en goed, dat alles staat te uwer beschikking. 4 Doe met al onze bezittingen wat gij wilt; 5 wij en onze kinderen zijn uw slaven. 6 Kom tot ons als een vredelievend heerser, en maak gebruik van onze dienstbaarheid, zoveel gij verkiest. 7 Daarop kwam hij met zijn ruiterij en een geweldig leger de bergen af, en maakte zich meester van alle steden en alle inwoners van het land. 8 Uit alle steden lijfde hij de sterkste en beste mannen als hulptroepen bij zijn leger in; 9 en zó groot was de vrees in die streken, dat de vorsten en de aanzienlijkste inwoners van al die steden tezamen met het volk hem bij zijn aankomst tegemoet gingen, 10 en hem inhaalden met kransen, fakkels en reidansen, onder begeleiding van pauken en fluiten. 11 Maar ondanks dit alles waren zij niet in staat, zijn hardvochtig gemoed tot mildheid te stemmen, 12 en hij verwoestte hun steden. Ook hakte hij hun heilige bossen om; 13 want koning Nabukodonosor had hem opdracht gegeven, alle inheemse goden uit te roeien, opdat de volkeren, die Holoférnes aan zijn macht zou kunnen onderwerpen, hem alleen als god zouden erkennen. 14 Nadat hij zo door het syrisch gebied Sobal, geheel Apaméa en geheel Mesopotamië was heengetrokken, kwam hij bij Jizreël in de streek Géba aan, 15 veroverde de steden, en bleef daar dertig dagen, om in die tijd zijn gehele legermacht samen te trekken.

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 4

1 {\cf2Toen de Israëlieten in het land Juda dit hoorden, begonnen zij zeer bevreesd voor hem te worden; 2 een ontzettende angst sloeg hun om het hart, daar zij bang waren, dat hij met Jerusalem en de tempel van den Heer hetzelfde zou doen als met de andere steden en haar tempels. 3 Daarom zonden zij een oproep naar het gehele gebied van Samaria tot aan Jericho toe, om de bergtoppen te bezetten, 4 hun dorpen te versterken en proviand in te slaan met het oog op de oorlog. 5 Ook zond de priester Eljakim een schrijven aan alle bewoners van Betoel, dat tegenover Esdrelon ligt, nog vóór de vlakte en dicht bij Dotan, en gelastte aan allen, bij wie de doortocht zou kunnen plaats hebben, 6 dat zij de bergpassen moesten bezetten, waarlangs men Jerusalem kon bereiken, en dat zij overal wachtposten moesten uitzetten, waar zich mogelijkerwijze een smalle kloof tussen de bergen bevond. 7 En de kinderen van Israël deden, wat de priester Eljakim hun had opgedragen. 8 Nu riep heel het volk met grote aandrang tot den den Heer en vrouwen vernederden zich in vasten en gebeden; 9 de priesters deden het boetekleed aan, kinderen wierpen zich neer voor de tempel, en men bedekte het altaar des Heren met een boetekleed. 10 Eenparig smeekten zij den Heer, den God van Israël, dat Hij zou verhinderen, dat hun kinderen werden geroofd, hun vrouwen buit gemaakt, hun steden verwoest, dat hun heiligdom zou worden onteerd en zij zelf tot spot zouden worden voor de heidenen. 11 Daarop trok Eljakim, de hogepriester van den Heer, geheel Israël rond en sprak hun toe: 12 Weet wel, dat de Heer uw gebeden zal verhoren, als gij maar blijft volharden in vasten en gebeden voor den Heer. 13 Denkt aan Moses, den dienaar des Heren. Hij versloeg Amalek, dat op zijn macht en sterkte, zijn leger, schilden, wagens en ruiters vertrouwde, niet omdat Moses streed met het zwaard, maar omdat hij vrome gebeden stortte. 14 Zo zal het ook nu met alle vijanden van Israël gaan, als gij volhardt, zoals gij zijt begonnen. 15 Door deze woorden aangespoord, bleven zij in hun gebed tot God voor het aanschijn des Heren volharden, 16 zó zelfs, dat zij, die den Heer brandoffers moesten opdragen, dit deden met een boetekleed aan en met as op hun hoofd. 17 En met heel hun hart smeekten zij God, dat Hij zijn volk Israël zou bijstaan. Achior raadt Holofernes de oorlog met de Joden af.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 5

1 {\cf2Maar nu deelde men Holoférnes, den opperbevelhebber van het assyrische leger, mee, dat de Israëlieten hun maatregelen hadden getroffen, om weerstand te bieden en dat zij de bergpassen bezet hielden. 2 Toen ontstak hij in hevige woede, ontbood alle vorsten en hoofden van Moab en Ammon, 3 en sprak tot hen: Zegt mij eens, wat is dat voor een volk, dat in de bergen woont; wat voor steden hebben zij, hoe zien die er uit, en hoe groot zijn ze? Hoe groot en hoe sterk is hun leger, en wie is hun aanvoerder? 4 Waarom zijn ze van alle volken in het westen de enigen, die geweigerd hebben, ons tegemoet te komen en ons in vrede te ontvangen? 5 Toen antwoordde Achior, het hoofd van alle Ammonieten: Zo ge naar mij wilt luisteren, zal ik u de waarheid zeggen over dit volk, dat in de bergen woont en komt er geen leugen uit mijn mond. 6 Dit volk stamt af van de Chaldeën, 7 en woonde eerst in Mesopotamië. Maar omdat zij de goden van hun voorvaders, die in het land der Chaldeën woonden, niet wilden dienen, 8 verlieten zij het veelgodendom, de godsdienst van hun voorouders, 9 en dienden den énen God van de hemel, die hun bevel gaf, het land te verlaten en zich in Kanaän te vestigen. Bij het uitbreken van een hongersnood, die het gehele land teisterde, trokken zij naar Egypte af en groeiden daar, in de loop van vierhonderd jaar, tot zulk een menigte aan, dat hun getal niet meer te berekenen was. 10 Maar toen de koning van Egypte hen onderdrukte, en hen als slaven dwong, klei en tichelstenen te maken voor de bouw van hun steden, riepen zij den Heer aan; en Hij sloeg het gehele land van Egypte met verschillende plagen. 11 Nadat daarom de Egyptenaren hen van zich hadden weggejaagd en de plaag was opgehouden, wilden zij hen echter terughalen, om hen opnieuw tot slaven te maken. 12 Toen opende de God van de hemel de zee voor de Israëlieten, zodat zij konden vluchten; want als een muur stond het water aan weerskanten onbewegelijk overeind, zodat zij droogvoets hun weg konden vervolgen over de bodem der zee. 13 Maar toen een ontelbaar leger van Egyptenaren hun ook hier achterna ging, sloeg het water over de Egyptenaren heen, zodat er niemand overbleef, om het gebeurde aan het nageslacht te vertellen. 14 Na hun doortocht door de Rode Zee, sloegen de Israëlieten hun legerplaats op in de woestijn van het Sinaïgebergte, waar nog nooit een mens had kunnen wonen en geen mensenkind zich had gevestigd. 15 Daar werden bittere bronnen voor hen in zoet drinkwater veranderd, en kregen zij veertig jaar lang voedsel uit de hemel. 16 Overal waar zij binnentrokken zonder pijl en boog, zonder schild en zwaard, streed hun God voor hen en behaalde de zege. 17 Niemand was bij machte, dit volk te weerstaan, behalve wanneer het was afgeweken van de dienst van den Heer, zijn God. 18 Want telkens, wanneer zij iemand anders dan hun eigen God vereerden, werden zij prijsgegeven aan plundering, zwaard en verachting. 19 Maar zodra zij berouw toonden, dat zij de dienst van hun God hadden verlaten, gaf de God van de hemel hun de kracht terug, om weerstand te bieden. 20 Zo versloegen zij ten slotte de koningen der Kanaänieten, Jeboesieten, Perizzieten, Chittieten, Chiwwieten, Amorieten en alle machthebbers van Chesjbon, en namen hun landen en steden in bezit. 21 Zolang zij dus voor het aanschijn van hun God geen zonde bedreven, hadden zij voorspoed; want hun God haat de ongerechtigheid. 22 Toen zij dan ook jaren geleden van de weg, die God hun had voorgeschreven, waren afgeweken, werden zij in een groot aantal oorlogen door de volkeren vernietigd en de meesten van hen gevangen weggevoerd naar een vreemd land. 23 Maar omdat ze zich toen tot hun God hebben bekeerd, zijn ze onlangs uit de wijde verstrooiing weer bijeen gekomen, hebben zich weer overal in de bergen gevestigd en zijn opnieuw in het bezit van Jerusalem, waar hun heiligdom is. 24 Mijn heer dient dus een onderzoek in te stellen. Als zij zich tegenover hun God aan een of andere zonde hebben schuldig gemaakt, moeten wij tegen hen optrekken; want dan zal hun God hen zeker aan u overleveren, en zullen zij zich moeten buigen onder het juk van uw macht. 25 Maar als dit volk niet tegen zijn God heeft gezondigd, zullen wij niet tegen hen bestand zijn; want dan zal hun God ze verdedigen, en zullen wij voor de gehele wereld te schande staan. 26 Toen Achior deze toespraak geëindigd had, waren alle legeraanvoerders van Holoférnes woedend, en wilden hem doden. Ze riepen tot elkander: 27 Hoe durft die man beweren, dat de Israëlieten weerstand kunnen bieden aan koning Nabukodonosor en zijn leger? Het zijn maar ongewapende en hulpeloze mensen, die niets van krijgskunst verstaan. 28 Laat ons het gebergte intrekken; dan kan Achior zien, dat hij ons bedriegt. En als wij hun voornaamste mannen hebben gevangen genomen, zal hij tegelijk met hen door het zwaard worden gedood. 29 Dan zullen alle volkeren moeten erkennen, dat Nabukodonosor de god der wereld is, dat hij alleen god is en niemand anders.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 6

1 {\cf2Hierop zeide Holoférnes in heftige verontwaardiging tot Achior: 2 Omdat gij ons hebt voorspeld, dat het volk van Israël door zijn God wordt verdedigd, zal ik u laten zien, dat alleen Nabukodonosor god is, en niemand anders. 3 Want wanneer wij hen allen als één man hebben verslagen, zult ook gij tegelijk met hen door het zwaard der Assyriërs omkomen en zal heel Israël met u worden uitgeroeid en verdelgd. 4 Dan zult ge ondervinden, dat Nabukodonosor de heer is van de gehele aarde. Het zwaard van mijn soldaten zal uw zijde doorboren; ge zult worden doorstoken en neervallen onder de gewonden van Israël; ge zult niet langer meer leven, maar tegelijk met hen worden omgebracht. 5 Welnu, als ge meent, dat uw voorspelling op waarheid berust, dan behoeft ge toch niet zo somber te kijken! Waarom is uw gelaat zo bleek, wanneer ge toch werkelijk meent, dat mijn woorden niet uitkomen? 6 Maar om u te overtuigen, dat u hetzelfde lot als hun staat te wachten, daarom zult ge van dit ogenblik af bij dit volk worden ondergebracht. En wanneer zij door mijn zwaard hun verdiende straf zullen ondergaan, dan zal mijn wraak ook u treffen. 7 Daarop gaf Holoférnes zijn dienaars bevel, Achior gevangen te nemen, naar Betoel te brengen en aan de Israëlieten over te leveren. 8 De dienaars van Holoférnes grepen hem dus vast en trokken met hem door de vlakte. Maar toen zij bij het gebergte waren gekomen, kwamen er slingeraars op hen af. 9 Ze gingen dus het gebergte niet in, doch bonden Achior met handen en voeten aan een boom, lieten hem zo met touwen gebonden daar achter en keerden terug naar hun heer. 10 Nu kwamen de Israëlieten van Betoel naar omlaag en gingen naar hem toe. Zij maakten hem los en namen hem mee naar Betoel, waar zij hem in de kring van het volk plaatsten en hem vroegen, waarom de Assyriërs hem geboeid hadden achtergelaten. 11 In die dagen waren Oezzi-ja, de zoon van Mika uit de stam Simeon, en Karmi, die ook Gotoniël heette, de bestuurders der stad. 12 Te midden van de oudsten en in tegenwoordigheid van het gehele volk vertelde nu Achior alles, wat hij op de vragen van Holoférnes had geantwoord, hoe de soldaten hem, om wat hij gezegd had, hadden willen vermoorden. 13 en hoe Holoférnes zelf in grote woede het bevel had gegeven, Achior aan de Israëlieten uit te leveren, om hem, na zijn overwinning op de Israëlieten, onder verschillende folteringen te laten doden, omdat hij gezegd had, dat de God van de hemel hun beschermer was. 14 Toen Achior dit alles verteld had, viel het gehele volk voor God in aanbidding neer, en stortte onder algemeen klagen en wenen eenparig zijn gebeden uit voor den Heer. 15 Men sprak: Heer, God van hemel en aarde, ziet hoe overmoedig ze zijn, en aanschouw onze vernedering. Zie genadig neer op uw heilig volk, en toon, dat Gij hèn niet verlaat, die op u hopen, maar hèn vernedert, die op zichzelf vertrouwen en groot gaan op hun eigen kracht. 16 Toen het wenen bedaard was en het volk de gehele dag in gebed had doorgebracht, troostten zij Achior. 17 Ze zeiden: De God van onze vaderen, wiens macht gij hebt verkondigd, zal alles voor u ten beste keren, zodat gij getuige zult zijn van hun val. 18 En wanneer de Heer onze God zijn dienaars zal hebben bevrijd, dan moge God, die onder ons woont, ook met u zijn, en kunt ge, zo ge wilt, met al de uwen bij ons wonen. 19 Na dit onderhoud nam Oezzi-ja hem mee naar zijn huis, en richtte voor hem een groot feestmaal aan. 20 Hij nodigde alle oudsten daarbij uit, en omdat de vasten juist was geeindigd, aten zij gezamelijk. 21 Daarna werd het volk weer bijeengeroepen; zij bleven de gehele nacht bijeen in gebed, en smeekten den God van Israël om hulp.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 7

1 {\cf2De volgende dag liet Holoférnes zijn troepen tegen Betoel oprukken. 2 Het waren honderd twintigduizend man voetvolk en twee en twintigduizend ruiters, behalve de hulptroepen van alle jongemannen, die hij in de provincies en de steden had gevangen genomen en meegevoerd. 3 Allen maakten zich tegelijkertijd op voor de strijd tegen de Israëlieten. Langs de berghelling trokken zij naar de top, die Dotan beheerst, en verspreidden zich van het punt, dat Belmáin heet, tot Chelmon tegenover Esdrelon. 4 Toen nu de Israëlieten hun grote overmacht zagen, wierpen zij zich op de grond, strooiden as op hun hoofd en smeekten gezamenlijk, dat de God van Israël Zich over zijn volk zou ontfermen. 5 Daarna namen zij hun wapens op, bezetten de punten, waar zich een smal bergpad bevond, en bleven daar dag en nacht op wacht. 6 Nu ontdekte Holoférnes, die intussen de omgeving in ogenschouw nam, aan de zuidzijde buiten de stad een bron, waarop hun waterleiding aansloot, en liet de watertoevoer afsnijden. 7 Daar er echter niet ver buiten de muren nog andere bronnen waren, waaruit men de Joden heimelijk water zag putten, niet zozeer om te drinken dan wel om zich te verfrissen, 8 gingen de Ammonieten en Moabieten naar Holoférnes en zeiden: De Israëlieten vertrouwen niet op hun lansen en pijlen, maar op de bergen, die hen beschermen, en op de steil aflopende heuvels, die hen beschutten. 9 Wilt gij hen dus zonder slag of stoot in uw macht krijgen, dan moet gij de bronnen laten bewaken en hen verhinderen, water te putten. Zo kunt ge hen zonder wapengeweld om het leven brengen, of zullen zij van uitputting hun stad overgeven, die volgens hen onneembaar is, omdat zij in de bergen ligt. 10 Holoférnes en zijn lijfwacht vonden dit een uitstekend voorstel; hij gaf dus bevel, bij elke bron een wachtpost te plaatsen van honderd man. 11 Toen deze bewaking twintig dagen geduurd had, was de watervoorraad in de putten van alle inwoners van Betoel opgeraakt, en was er in de stad geen voldoende drinkwater meer, zelfs niet voor één enkele dag, ook als men het volk slechts een geringe hoeveelheid water zou geven. 12 Daarom gingen alle mannen en vrouwen, de jongemannen en de kinderen naar Oezzija, en riepen allen tezamen: 13 God moge oordelen tussen u en ons; want gij hebt ons in het ongeluk gestort. Omdat ge geen vrede hebt willen sluiten met de Assyriërs, heeft God ons aan hen verkocht. 14 Dit is ook de reden, waarom ons niemand te hulp komt, en dat wij voor hun ogen van dorst en volkomen uitputting bezwijken. 15 Roep nu alle burgers bijeen, om ons allen vrijwillig aan de soldaten van Holofèrnes over te geven. 16 Want het is beter voor ons, met behoud van ons leven, God in gevangenschap te dienen, dan te sterven en door de hele wereld bespot te worden, als wij onze vrouwen en kinderen voor onze ogen zien sterven. 17 Wij bezweren u heden bij hemel en aarde en bij den God onzer vaderen, die ons straft volgens onze zonden: Geef de stad nu over aan het leger van Holoférnes, en laat het zwaard spoedig een einde aan ons maken; want anders wordt het maar nodeloos uitgesteld, terwijl wij versmachten van dorst. 18 Hierop begonnen alle aanwezigen luid te jammeren en te wenen, en urenlang riepen zij eenparig tot den Heer en zeiden: 19 Ook wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen; wij hebben verkeerd gedaan en zonden bedreven. 20 Ontferm U over ons in uw barmhartigheid, of straf onze misdaden met uw eigen gesels, maar lever ons, die U belijden, niet over aan een volk, dat U niet kent. 21 Duld niet, dat men onder de heidenen zegt: "Waar is hun God?" 22 En toen zij, vermoeid van dit roepen en afgemat van het schreien, zwegen, 23 stond Oezzi-ja op, en sprak met tranen in de ogen: Broeders, houdt moed; laat ons nog vijf dagen wachten op Gods barmhartigheid. 24 Misschien zal Hij een einde maken aan zijn verbolgenheid, en zijn Naam verheerlijken. 25 Maar als er na verloop van vijf dagen geen hulp is gekomen, zullen wij doen, wat gij zegt.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 8

1 {\cf2Deze uitspraak werd ook gehoord door een weduwe, die Judit heette. Zij was de dochter van Merari, den zoon van Oezzi zoon van Josef, zoon van Oezzi-ja, zoon van Elai, zoon van Jamnor, zoon van Gedeon, zoon van Rafaïm, zoon van Achitoeb, zoon van Melki-ja, zoon van Enan, zoon van Natanja, zoon van Sjelatiël, zoon van Sjimon, zoon van Ruben. 2 Haar man heette Manasse, en was tijdens de gersteoogst gestorven. 3 Want toen hij eens op het veld toezicht hield op de schovenbinders, kreeg hij een zonnesteek; hij stierf in zijn woonplaats Betoel en werd daar bij zijn vaderen begraven. 4 De achtergebleven Judit was op dit ogenblik reeds drie jaar en zes maanden weduwe. 5 Zij had op haar huis een afgezonderd vertrek laten maken, waar zij met haar dienstmaagden in eenzaamheid leefde. 6 Om haar lenden droeg zij een boetekleed; zij vastte iedere dag van haar leven, uitgezonderd op sabbat, nieuwe maan en de feesten van het huis van Israël. 7 Zij was een buitengewoon schone vrouw. Ook had haar man haar grote rijkdommen nagelaten, veel personeel en bezittingen, met grote kudden runderen en schapen. 8 Bij allen stond zij in hoog aanzien, omdat zij godvrezend was; en er was niemand, die zich afkeurend over haar uitliet. 9 Toen zij dan hoorde, dat Oezzi-ja beloofd had, de stad na vijf dagen te zullen overgeven, liet zij de oudsten Kabri en Karmi bij zich ontbieden. 10 En toen dezen bij haar gekomen waren, sprak zij tot hen: Hoe is het mogelijk, dat Oezzi-ja de eis heeft ingewilligd, om de stad aan de Assyriërs over te geven, als er binnen vijf dagen geen hulp voor u komt? 11 Hoe hebt gij het gewaagd, den Heer op de proef te stellen? 12 Dat is geen taal, om barmhartigheid af te smeken, maar om toorn en gramschap te doen ontbranden. 13 Gij hebt den Heer willen voorschrijven, wanneer Hij zijn barmhartigheid moet tonen, en hebt naar eigen willekeur Hem een dag daarvoor bepaald. 14 Maar de Heer is lankmoedig; laat ons hierover berouw verwekken, en Hem onder tranen om vergiffenis smeken. 15 Want God dreigt niet, gelijk een mens, en wordt niet toornig als een mensenkind. 16 Wij moeten ons dus voor Hem vernederen, Hem dienen vol ootmoed, 17 en Hem onder tranen smeken, ons zijn barmhartigheid te tonen, maar enkel zoals Hij dat wil. Dan zullen wij ons later over onze vernedering verheugen, zoals wij nu door hun overmoed in verwarring geraken. 18 Want wij hebben niet gezondigd, zoals onze vaderen. Zij hebben hun God verlaten en vreemde goden aanbeden; 19 en om die misdaad werden zij aan het zwaard en de plundering prijsgegeven en door hun vijanden bespot. Maar wij kennen geen anderen God, dan Hem alleen. 20 Laat ons dus deemoedig op zijn vertroosting wachten. Ons bloed zal Hij wreken op onze vijanden, die ons verdrukken, en alle volkeren, die tegen ons opstaan, zal Hij vernederen en onteren, Hij de Heer, onze God. 21 Welnu dan, broeders, gij zijt de oudsten van Gods volk; van u hangt dus hun leven af. Spreekt hun weer moed in. Laat hen bedenken, dat ook onze vaderen werden beproefd, opdat zou blijken, of zij hun God waarachtig dienden. 22 Zij moeten bedenken, hoe Abraham, onze vader, op de proef werd gesteld en door veel wederwaardigheden werd gelouterd, en zo Gods vriend is geworden. 23 Zo is het ook met Isaäk, Jakob, Moses gegaan en met allen, die God welgevallig waren; zij hebben grote beproevingen doorstaan, en bleven trouw. 24 Maar zij, die de beproevingen niet wilden aanvaarden in de vreze des Heren, doch ongeduldig werden en oneerbiedig tegen den Heer, 25 zij werden uitgeroeid door den verdelger en door de slangen gedood. 26 Wij moeten ons dus niet tegen het lijden verzetten, 27 maar bedenken, dat deze straffen minder zijn dan onze zonden verdienen, en dat God ons met deze slagen tuchtigt als zijn dienaars, niet dus om ons te vernielen, zoals wij menen, maar om ons te verbeteren. 28 Oezzi-ja en de oudsten gaven haar ten antwoord: Al wat ge zegt, is waar, en er is niets tegen in te brengen. 29 Bid gij dus voor ons; want gij zijt een vrome en godvruchtige vrouw. 30 Nu sprak Judit: Wanneer gij toegeeft, dat mijn woorden van God komen, 31 houdt u er dan van overtuigd, dat ook mijn plannen van God zijn, en bidt slechts tot God, dat Hij mijn plan ondersteunt. 32 Stelt u vannacht bij de stadspoort op, zodat ik met mijn dienstmaagd ongehinderd vertrekken kan. En smeekt dan den Heer, dat Hij binnen de vijf dagen, die gij bepaald hebt, genadig neerziet op Israël, zijn volk. 33 Maar ik wil niet, dat gij achter mijn plannen tracht te komen; zolang gij niets van mij hoort, hebt gij niets anders te doen, dan tot den Heer onzen God voor mij te bidden. 34 Oezzi-ja, de vorst van Juda, sprak tot haar: Ga in vrede! De Heer moge u bijstaan, om wraak te nemen op onze vijanden. Daarna gingen ze heen.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 9

1 {\cf2Toen de oudsten waren weggegaan, trok Judit zich terug in haar bidvertrek, deed een boetekleed aan, strooide as op haar hoofd, wierp zich neer voor den Heer en riep 2 Heer, God van mijn vader Simeon; Gij hebt hem een zwaard gegeven, om wraak te nemen op de vreemdelingen, die in hun bedorvenheid een maagd overweldigden en haar lichaam op schandelijke wijze onteerden. 3 Gij hebt toen hun vrouwen ten prooi, hun dochters in gevangenschap en heel hun bezit als buit aan uw dienaars gegeven, die in gloeiende ijver voor U waren ontstoken. Ik smeek U, mijn Heer en mijn God, kom nu ook mij, een weduwe, te hulp. 4 Gij hebt bewerkt, wat vroeger geschiedde, en wat erop volgde, hebt Gij beraamd; Gij wilt dus ook, wat nu geschiedt. 5 Want al uw wegen zijn gebaand en al uw beslissingen tevoren bepaald. 6 Richt thans uw blik op het assyrische leger, zoals Gij vroeger uw blik hebt geworpen op de troepen der Egyptenaren, toen zij in vertrouwen op hun strijdwagens, ruiterij en hun talrijke soldaten, uw dienaars gewapend achtervolgden. 7 Toen hebt Gij uw blik over dat leger laten gaan: en de duisternis sloeg hen met verlamming, 8 de afgrond greep hun voeten vast en het water golfde over hen heen. 9 Heer, laat het ook hun zo vergaan, die op hun overmacht vertrouwen, die groot gaan op hun wagens en speren, op hun schilden, pijlen en lansen; 10 hun die niet weten, dat Gij onze God zijt, die van ouds de oorlog beslist; hun die niet weten, dat uw Naam is "de Heer". 11 Verhef uw arm, als in vroeger dagen, en breek hun sterkte door uw macht. Verpletter hun kracht onder uw toorn, omdat zij besloten, uw heiligdom te onteren, de woonplaats van uw Naam te bezoedelen, en met hun zwaard de hoornen van uw altaar af te slaan. 12 Heer, laat de hoogmoedige met zijn eigen zwaard worden onthoofd; 13 maak hem weerloos, als zijn ogen mij zien, en sla hem neer door de slimheid van mijn lippen. 14 Verleen mijn hart standvastigheid, om hem te verachten, en geef mij kracht, om hem neer te slaan. 15 Want het zal een gedenksteen zijn voor uw Naam, als hij door de hand van een vrouw ten val wordt gebracht. 16 Neen, Heer, niet in een groot getal ligt uw macht, en uw beslissing steunt niet op de kracht van paarden. Nooit waart Gij de trotsen genegen, maar het gebed van nederigen en ootmoedigen heeft U altijd behaagd. 17 God van de hemel, Schepper der wateren en Heer van het ganse heelal, verhoor het gebed van een rampzalige, die op uw ontferming vertrouwt. 18 Heer, gedenk uw verbond, leg mij een schrander woord in de mond en steun de plannen, die ik heb beraamd, opdat uw huis geheiligd blijft, 19 en alle heidenen mogen erkennen, dat Gij alleen God zijt, en dat er geen andere is buiten U.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 10

1 {\cf2Toen zij haar dringende bede tot den Heer had geëindigd, stond zij op van de plaats, waar zij zich voor den Heer had neergeworpen, 2 riep haar dienstmaagd en ging naar beneden in haar huis. Daar deed zij haar boetekleed uit, legde haar weduwkleed af, 3 waste zich en zalfde zich met mirrebalsem. Zij maakte haar hoofdhaar op, legde er een hoofdband omheen, en trok haar feestkleren aan. Zij bond sandalen aan haar voeten, deed haar armbanden om, haar halssnoeren, oorhangers en ringen, en tooide zich met al haar sieraden. 4 En de Heer verleende haar nog groter schoonheid, omdat zij zich opsierde niet uit zinnelijkheid maar met een vrome bedoeling; daarom vermeerderde de Heer nog haar schoonheid, zodat zij aan allen verscheen in onvergelijkelijke pracht. 5 Nu gaf zij haar dienstmaagd een leren zak met wijn, een kruik olie, geroosterd gerstebrood, vijgenkoeken, brood en kaas, en begaf zich op weg. 6 Bij de stadspoort gekomen, troffen zij daar Oezzi-ja aan met de oudsten der stad, die op haar wachtten. 7 Toen zij haar zagen, stonden zij stom van verbazing over haar schoonheid, 8 maar stelden geen vragen. Zij lieten haar doorgaan en zeiden slechts: De God van onze vaderen schenke u zijn genade en steune u met zijn kracht bij al de plannen, die gij beraamt, opdat Jerusalem op u mag roemen en uw naam wordt genoemd onder het getal van de heiligen en rechtvaardigen. 9 En allen, die daar tegenwoordig waren, riepen eenparig: Amen, Amen! 10 En in gebed tot den Heer ging Judit met haar dienstmaagd de poort uit. 11 Toen zij nu bij het aanbreken van de dag de berg afdaalde, kwamen er assyrische verkenners op haar af, die haar aanhielden en zeiden: Waar komt ge vandaan, en waar gaat ge naar toe? 12 Zij antwoordde: Ik ben een hebreeuwse vrouw; ik ben van hen weggevlucht, omdat ik voorzie, dat zij uw prooi zullen worden, daar zij u hebben geminacht en zich niet vrijwillig aan u wilden overgeven, om genade bij u te vinden. 13 Daarom dacht ik bij mezelf: Ik zal naar Holoférnes gaan, den legeraanvoerder, om hem hun geheimen te verraden, en hem te zeggen, langs welke weg hij hen overrompelen kan, zonder ook maar één man van zijn leger te verliezen. 14 Toen de mannen haar antwoord hadden gehoord, staarden zij haar aan met verbaasde ogen, omdat zij door haar schoonheid waren verbluft. 15 En ze zeiden tot haar: Gij hebt uw leven gered, door het besluit te nemen, naar omlaag te komen en tot onzen veldheer te gaan. 16 Ge kunt er zeker van zijn, dat hij u goed zal behandelen, als ge voor hem verschijnt, en dat ge hem zeer welkom zult zijn. Zij brachten haar dus naar de tent van Holoférnes, en dienden haar aan. 17 Maar nauwelijks was zij voor hem verschenen, of hij werd door haar aanblik overweldigd. 18 En zijn dienaars zeiden tot hem: Wie zou het volk der Hebreën kunnen verachten, dat zulke schone vrouwen heeft? Dit alles reeds is reden genoeg, om hen te bestrijden! 19 Zodra Judit Holoférnes bemerkte, die gezeten was achter een muskietengaas van purper- en gouddraad, bezet met smaragden en edelstenen, 20 zag zij hem aan en boog zich diep voor hem ter aarde, om hem te huldigen. Maar op bevel van hun heer richtten de dienaars van Holoférnes haar op.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 11

1 {\cf2Holoférnes zeide tot haar: Wees gerust en vrees niet; nog nooit heb ik iemand kwaad gedaan, die bereid was koning Nabukodonosor te dienen; 2 en wanneer uw volk mij niet met minachting had bejegend, zou ik mijn lans niet tegen hen hebben opgeheven. 3 Maar vertel mij nu eens: waarom zijt ge van hen weggegaan en hebt ge het besluit genomen, naar ons over te lopen? 4 Judit antwoordde hem: Luister welwillend naar de woorden van uw dienstmaagd; want zo ge de raad van uw dienstmaagd volgt, zal de Heer iets groots met u doen. 5 Bij het leven van Nabukodonosor, den koning der wereld, en bij zijn kracht, die u is toevertrouwd, om alle afgedwaalden te tuchtigen: aan u is het te danken, dat niet alleen de mensen hem dienen, maar dat ook de dieren op het veld hem gehoorzamen. 6 Want uw scherpzinnigheid is aan alle volkeren bekend; en de gehele wereld weet, dat gij de enige bekwame en krachtige man zijt in geheel zijn rijk, en in alle landstreken wordt uw krijgskunst geroemd. 7 Ook zijn de woorden van Achior ons niet onbekend gebleven, en weten wij, wat er op uw bevel met hem is gebeurd. 8 Welnu, het staat vast: onze God is door de zonde zozeer beledigd, dat Hij door zijn profeten aan het volk bekend heeft gemaakt, dat Hij het overlevert om zijn zonden. 9 En omdat de Israëlieten weten, dat zij hun Heer hebben vergramd, heeft een grote angst voor u zich van hen meester gemaakt. 10 Bovendien is er hongersnood bij hen uitgebroken, en zijn ze door gebrek aan water ten dode gedoemd. 11 Ze zijn al tot het besluit gekomen, hun vee te doden en het bloed daarvan te drinken. 12 Ook zijn ze van plan, de voorraad koren, wijn en olie, die aan den Heer hun God is gewijd, als voedsel te gebruiken, ofschoon God hun heeft verboden, hun hand daarnaar uit te steken; zij willen zich voeden met wat zelfs niet met de handen mag worden aangeraakt. En omdat zij dit hebben gedaan, zullen zij zonder enige twijfel aan de ondergang worden prijsgegeven. 13 Toen ik, uw dienstmaagd, dit begreep, ben ik van hen weggevlucht, en heeft de Heer mij naar u gezonden, om u dit mee te delen. 14 Maar omdat uw dienstmaagd den Heer moet dienen, ook zolang ik bij u ben, daarom zal uw dienares s'nachts naar buiten moeten gaan, om tot God te bidden. 15 Dan zal Hij mij te kennen geven, wanneer Hij hen straft voor hun zonden, en zal ik bij u komen, om u ervan op de hoogte te brengen. Daarna zal ik u midden door Jerusalem leiden; heel het volk van Israël zal in uw macht zijn, als schapen zonder herder, en zelfs geen hond zal tegen u blaffen. 16 Dit alles werd mij door God voorspeld; 17 en omdat God vertoornd op hen is, ben ik gezonden, om het u te berichten. 18 Al wat zij gezegd had vond bij Holoférnes en zijn dienaars een gunstig gehoor. Zij stonden verbaasd over haar wijsheid, en zeiden tot elkander: 19 Op de hele wereld is er geen vrouw met zo'n schoon gelaat, die zo verstandig kan spreken. 20 En Holoférnes sprak tot haar: God heeft goed gedaan, u vooruit te zenden, om het volk aan ons over te leveren. 21 Gij hebt iets goeds beloofd. Welnu, als God dit voor mij in vervulling doet gaan, zal uw God ook mijn God zijn; dan zult gij in het paleis van Nabukodonosor hoog in aanzien staan, en zal uw naam bekend worden over de gehele aarde.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 12

1 {\cf2Daarop liet hij haar in het vertrek brengen, waar zijn schatten lagen, en gaf hij opdracht, dat zij daar haar verblijf zou hebben. Maar toen hij gelastte, dat men haar van zijn eigen gerechten moest voorzetten, 2 gaf Judit ten antwoord: De spijzen, die gij me wilt laten voorzetten, zal ik nu niet kunnen gebruiken; want dan zou ik me schuldig maken aan een overtreding; ik zal dus eten van wat ik zelf heb meegebracht. 3 Holoférnes zeide tot haar: Maar wat zullen wij dan voor u kunnen doen, wanneer de voorraad op is, die ge zelf hebt meegebracht? 4 Judit antwoordde: Mijn heer, zo waar gij leeft; uw dienares zal dit alles nog niet hebben verbruikt, eer God door mijn hand mijn plannen ten uitvoer heeft gebracht. Nu leidden zijn dienaren haar in de tent, die hij had aangewezen. 5 En toen zij daar binnenging, vroeg zij verlof, om 's nachts en voor zonsopgang naar buiten te gaan, om te bidden en den Heer aan te roepen. 6 En hij beval zijn lijfwacht, haar drie dagen lang vrij in- en uit te laten gaan, om haar God te aanbidden. 7 Zo ging zij 's nachts naar het dal van Betoel, waar zij zich waste aan de waterbron. 8 En terwijl ze dan weer naar boven ging, bad zij den Heer, Israëls God, dat Hij haar in staat zou stellen, haar volk te bevrijden. 9 Dan ging zij rein haar tent weer binnen, bleef daar tot de avond, en nuttigde daar haar spijzen. 10 Maar de vierde dag gaf Holoférnes een maaltijd aan zijn dienaars. En hij beval Vágao, zijn kamerdienaar: Ga naar de hebreeuwse vrouw en tracht haar er toe te bewegen, dat zij er vrijwillig in toestemt, bij mij te wonen; 11 want de Assyriërs vinden het een schande en een belediging voor een man, wanneer een vrouw er in slaagt, hem ongerept te verlaten. 12 Vágao ging dus naar Judit en zeide: Ik hoop, dat het schone meisje er niet tegen opziet, bij mijn heer te komen, om in zijn tegenwoordigheid geëerd te worden, en met hem vrolijk te eten en wijn te drinken. 13 Judit antwoordde: Hoe zou ik het durven wagen, mij tegen mijn heer te verzetten? 14 Ik zal alles doen, wat hij goed en aangenaam vindt. Want wat hem aangenaam is, zal ook voor mij het beste wezen, zolang ik leef. 15 Zij stond dus op, en deed haar mooiste kleren aan. Toen zij bij Holoférnes binnenkwam en voor hem stond, 16 raakten zijn zinnen geheel verward; want hij begeerde haar met brandend verlangen. 17 En Holoférnes zeide haar: Drink nu, lig aan en wees vrolijk; want ge hebt genade bij mij gevonden. 18 Judit antwoordde: Ja heer, ik zal drinken; want nog nooit in mijn leven werd ik zó geëerd. 19 Maar zij nam wat haar dienstmaagd voor haar had klaar gezet, en at en dronk bij hem. 20 Holoférnes was verrukt over haar, en dronk zoveel wijn, als hij heel zijn leven nog niet had gedronken.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 13

1 {\cf2Toen het laat was geworden en zijn dienaars haastig naar hun tenten waren gegaan, sloot Vágao het vertrek af en ging heen; 2 want allen waren loom van de wijn. 3 Zo bleef Judit alleen in de tent 4 met Holoférnes, die bedwelmd op zijn bed lag, omdat hij te veel had gedronken. 5 Tevoren had Judit haar dienstmaagd bevolen, buiten voor de kamer gereed te staan en daar te wachten. 6 Nu trad Judit voor het bed en met tranen in de ogen bad zij in stilte, terwijl alleen haar lippen bewogen: 7 Heer, God van Israël, maak mij sterk, en zie op dit ogenblik neer op het werk van mijn handen, om Jerusalem te verheerlijken, zoals Gij beloofd hebt. Laat mij voleinden, wat ik in vertrouwen op U meende te kunnen volbrengen! 8 Hierop sloop zij naar de zuil aan het hoofdeinde van zijn bed, en maakte zijn zwaard los, dat daaraan was opgehangen. 9 Zij trok het uit de schede, greep hem bij de haren en riep: Heer, God, geef mij nu kracht! 10 En met twee krachtige slagen in zijn nek sloeg zij hem het hoofd af. Ze duwde de romp van het bed en trok het muskietengaas van de zuilen. 11 Onmiddellijk daarop ging ze naar buiten, gaf het hoofd van Holoférnes aan haar dienstmaagd, en beduidde haar, het in haar etenszak te bergen. 12 Evenals de andere keren, gingen ze nu samen naar buiten, alsof ze wilden gaan bidden; ze liepen de legerplaats door, staken het dal over en kwamen zo voor de stadspoort. 13 Reeds uit de verte riep Judit de wachters op de muren toe: Maakt de poorten open, want God is met ons; Hij heeft zijn kracht in Israël getoond! 14 Zodra de mannen haar stem maar hoorden, riepen zij de oudsten der stad, 15 en alles kwam toegelopen, groot en klein, omdat zij niet meer hadden verwacht, dat zij zou terugkomen. 16 Zij staken de lichten aan en stelden zich allen om haar heen. Nu ging Judit op een verhevenheid staan, en nadat zij stilte geboden had, en allen zwegen, 17 sprak ze: Looft den Heer, onzen God; want Hij heeft hen niet verlaten, die op Hem hopen! 18 Door mij, zijn dienares, heeft Hij de ontferming in vervulling doen gaan, die Hij aan Israëls huis had beloofd; door mijn hand heeft Hij deze nacht den vijand van zijn volk gedood. 19 Nu haalde zij het hoofd van Holoférnes uit de zak te voorschijn, liet het hun zien en sprak: Hier is het hoofd van Holoférnes, den aanvoerder van het assyrische leger, en hier is het muskietengaas, waaronder hij zijn roes lag te slapen, toen de Heer hem neersloeg door de hand van een vrouw. 20 Zo waar de Heer leeft; zijn engel heeft mij beschermd, toen ik hier wegging, terwijl ik daar woonde, en nu ik hier terug ben. De Heer heeft niet toegelaten, dat zijn dienares werd onteerd. Vrij van iedere smet van zonde heeft Hij mij bij u teruggebracht, om mij te verheugen over zijn zege, over mijn redding en over úw bevrijding. 21 Looft Hem allen; want Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid! 22 Allen aanbaden den Heer en zeiden tot haar: De Heer heeft u gezegend met zijn kracht; want door u heeft Hij al onze vijanden vernietigd. 23 En Oezzi-ja, de vorst van het volk Israël, sprak haar toe: Meer dan alle vrouwen op aarde zijt gij, dochter, gezegend door den Heer, den allerhoogsten God! 24 Geprezen zij de Heer, de Schepper van hemel en aarde, die u bijstond, om den aanvoerder van onze vijanden het hoofd af te slaan. 25 Ja, vandaag heeft Hij uw naam zó verheerlijkt, dat de mensen u steeds zullen prijzen, zolang zij de kracht van God voor eeuwig gedenken. Omdat uw volk in druk en nood verkeerde, hebt gij uw leven veil gehad en onze ondergang voorkomen voor het oog van onzen God. 26 En heel het volk antwoordde: Amen, Amen! 27 Daarop werd Achior geroepen. Toen hij gekomen was, sprak Judit tot hem: De God van Israël, van wien gij getuigd hebt, dat Hij wraak op zijn vijanden neemt, Hij zelf heeft in deze nacht door mijn hand het hoofd van alle ongelovigen geveld. 28 Overtuig u ervan; hier is het hoofd van Holoférnes, die in zijn trotse overmoed den God van Israël verachtte, en u met de ondergang bedreigde, toen hij sprak: "Als het volk van Israël in mijn macht is, laat ik uw zijde met een zwaard doorboren." 29 Zodra Achior het hoofd van Holoférnes ontwaarde, werd hij door schrik overmand en viel bewusteloos neer op de grond. 30 Toen hij weer was bijgekomen en zich hersteld had, wierp hij zich voor Judit neer, om haar te huldigen. En hij sprak: 31 Gezegend zijt gij door uw God in alle tenten van Jakob! Want bij alle volken, die uw naam zullen horen, zal de God van Israël om u worden verheerlijkt!}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 14

1 {\cf2Het leger van Holofernes wordt door de Joden verslagen. Maar nu sprak Judit tot het hele volk: Broeders, luistert naar mij. Hangt dit hoofd aan onze muren op. 2 Bij zonsopgang moet iedereen naar zijn wapens grijpen, en rukt gij zo krachtig mogelijk uit. Maar gij moet niet omlaag gaan, doch alleen een schijnuitval doen. 3 Dan zullen de voorposten zeker naar hun bevelhebber lopen, om hem te bewegen, de strijd aan te binden. 4 En wanneer dan hun aanvoerders naar de tent van Holoférnes gaan en daar zijn bebloede romp zullen vinden, zal de schrik hen bevangen. 5 Zodra gij hen dan op de vlucht ziet slaan, zet gij hen onmiddellijk achterna; want de Heer zal hen onder uw voeten verpletteren. 6 Toen nu Achior zag, op hoe krachtige wijze de God van Israël Zich openbaarde, zwoer hij de heidense godsdienst af en geloofde in God; hij liet zich besnijden en werd met heel zijn geslacht bij het volk van Israël ingelijfd tot de dag van vandaag. 7 Zodra de dag was aangebroken, hingen zij het hoofd van Holoférnes op aan de muur. Alle mannen grepen naar hun wapens, en rukten met groot lawaai en geschreeuw naar buiten. 8 Toen de voorposten dit zagen, liepen zij haastig naar de tent van Holoférnes; 9 ook zij, die zich in de tenten bevonden, kwamen aangelopen en maakten lawaai voor de ingang van het slaapvertrek, om hem te wekken. Met opzet maakten zij dit leven, opdat Holoférnes door dit lawaai zou wakker worden en niet op de gewone wijze moest worden gewekt. 10 Want niemand durfde bij het slaapvertrek van den bevelhebber der Assyriërs aankloppen of daar binnengaan. 11 Nu kwamen ook de oversten, hoofden en alle legeraanvoerders van den assyrischen koning toegelopen, en zeiden tot de kamerdienaars: 12 Gaat toch naar binnen en maakt hem wakker; want de muizen zijn uit hun holen gekropen en wagen het, ons tot de strijd uit te dagen. 13 Nu ging Vágao het slaapvertrek binnen, bleef voor het voorhangsel staan en klapte in de handen, omdat hij meende, dat hij nog met Judit sliep. 14 Maar toen hij in het bed niets hoorde bewegen, ging hij naar het voorhangsel en lichtte het op. Toen zag hij het bebloede lijk van Holoférnes onthoofd op de grond. Hij gaf een luide gil, brak in snikken uit en scheurde zijn klederen. 15 Hij rende de tent van Judit binnen, en toen hij ze daar niet vond, liep hij op de soldaten toe, die buiten stonden, 16 en schreeuwde: Een hebreeuwse vrouw heeft geheel alleen schande gebracht over het huis van koning Nabukodonosor; want Holoférnes ligt onthoofd op de grond! 17 Toen ze dit hoorden, scheurden alle aanvoerders van het assyrische leger hun klederen. Ondragelijke angst en ontzetting grepen hen aan; zij raakten hun bezinning geheel en al kwijt, 18 en een weergaloos geschreeuw brak er in hun legerplaats los.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 15

1 {\cf2Toen het hele leger vernam, dat Holoférnes vermoord was, verloren zij hun bezinning en waren zichzelf niet meer meester. Opgejaagd door louter angst en ontzetting, zochten zij hun heil in de vlucht. 2 Zonder iets met elkaar te bespreken, lieten zij moedeloos alles in de steek, om in de grootste haast de Hebreën te ontvluchten, die zij gewapend achter zich aan hoorden komen. Zij vluchtten voort langs velden en wegen en langs de paden in het gebergte. 3 Toen de Israëlieten hen op de vlucht zagen slaan, renden zij hun achterna; ze kwamen omlaag en begonnen achter hen aan op trompetten te blazen en luidkeels te schreeuwen. 4 En terwijl de Assyriërs niet bij elkaar konden blijven en overhaast vluchtten, kwamen de Israëlieten in gesloten gelederen achter hen aan, en sloegen zodoende allen neer, die zij achterhaalden. 5 Intussen had Oezzi-ja alle steden en gewesten van Israël laten waarschuwen. 6 En nu zond ieder gewest en elke stad de best gewapende jongemannen achter hen aan, die met het zwaard hen achtervolgden tot aan de grenzen van hun gebied. 7 De burgers van Betoel, die waren achtergebleven, drongen nu de legerplaats der Assyriërs binnen. Zij legden beslag op al wat de Assyriërs hadden achtergelaten, en veroverden een grote buit. 8 De anderen, die als overwinnaars in Betoel terugkwamen, brachten de rest van hun bezittingen mee: een niet te tellen hoeveelheid vee en lastdieren en heel hun have. zodat iedereen, groot en klein, een rijk aandeel kreeg in die buit. 9 Toen kwam de hogepriester Jojakim met al de oudsten van Jerusalem naar Betoel, om Judit te zien. 10 En toen zij voor hen verscheen, begonnen allen haar eenparig te prijzen en zeiden: Gij zijt de roem van Jerusalem, de vreugde van Israël, de trots van ons volk! 11 Want moedig zijt ge opgetreden en onwrikbaar was uw hart, omdat gij de kuisheid hebt liefgehad, en na de dood van uw man geen anderen hebt gewild. Daarom heeft de hand van den Heer u gesterkt, en zult ge geprezen zijn voor eeuwig! 12 En heel het volk riep: Amen, Amen! 13 In dertig dagen kon het volk van Israël ternauwernood de buit der Assyriërs bijeen brengen. 14 En alles wat het eigendom van Holoférnes bleek te zijn, gaf men aan Judit; alles wat er aanwezig was aan goud, zilver, kledingstukken, edelstenen en allerlei huisraad, dat alles werd haar door het volk geschonken. 15 En heel het volk, tezamen met de vrouwen, meisjes en jongemannen, gaf zich aan de feestvreugde over onder harp- en citerspel.}

INHOUD | [Judit]

Hoofdstuk 16

1 {\cf2Toen zong Judit dit lied voor den Heer: 2 Heft aan voor den Heer met paukenslag, Zingt voor den Heer met cimbelspel; Laat nieuwe zangen voor Hem klinken, Verheft en zegent zijn Naam! 3 De oorlog wordt door Hem beslist: De Heer is zijn naam; 4 Hij sloeg bij zijn volk zijn legerplaats op, Om ons te verlossen van al onze vijanden. 5 Uit de bergen van het noorden kwam Assjoer aan Met zijn ontelbare legerscharen; Hun drommen hielden de beken tegen, Hun paarden vulden de dalen. 6 Hij dreigde, mijn gebied te verbranden, Mijn jongemannen met het zwaard te vermoorden, Mijn kinderen uit te leveren als buit, Mijn maagden voor gevangenschap. 7 Maar de almachtige Heer heeft hem neergeveld. Hem overgeleverd in de hand van een vrouw. Zij heeft hun veldheer doorboord; 8 Niet door jongemannen is hij gevallen! Hij werd niet verslagen door Titanen-zonen, Niet overrompeld door geweldige reuzen; Maar Judit, de dochter van Merari, Zij maakte hem weerloos door haar schoon gelaat. 9 Haar weduwkleren legde zij af, Om Israëls zonen weer op te heffen; 10 Met reukwerk zalfde zij haar gelaat, Met een hoofdband bond zij haar lokken op. Een nieuw kleed deed zij aan, om hem te verlokken. 11 Door haar sandalen werd zijn oog betoverd, In haar schoonheid lag zijn hart gevangen: Maar met het zwaard doorkliefde zij zijn nek. 12 De Perzen huiverden voor haar durf, De Meden sidderden voor haar moed; 13 Het kamp der Assyriërs begon te schreeuwen, Bij de komst van mijn kinderen, zwak en versmachtend van dorst. 14 Zonen van jonge vrouwen doorboorden hen, En sloegen hen neer als weggelopen slaven; Zij kwamen om in de strijd, Voor het aanschijn van den Heer, mijn God! 15 Nu laat ons voor den Heer een loflied zingen, Een nieuwe lofzang voor onzen God! 16 Jahweh, Heer, Gij zijt geweldig, Uw kracht is wonderlijk, niet te weerstaan! 17 Geheel uw schepping moet u dienen. Gij spraakt een woord: zij waren er, Gij zondt uw geest: en zij werden geschapen, Want aan uw stem kan niemand weerstaan. 18 Als water drijven de bergen weg van hun fundamenten. En rotsen smelten voor uw aanschijn als was. 19 Wie den Heer blijft vrezen, is altijd groot; 20 Maar wee de naties, die zich tegen mijn volk verheffen! Waarachtig, de almachtige Heer zal hen bestraffen En hen bezoeken op de oordeelsdag. 21 Hun vlees geeft Hij prijs aan vuur en wormen, Zodat zij branden, voor eeuwig het voelen! 22 De verdere geschiedenis van Judit. Na dit overwinningsfeest trok heel het volk naar Jerusalem, om den Heer te aanbidden; en zodra allen gereinigd waren, droegen zij hun brandoffers op, hun vrijwillige gaven en geschenken. 23 Judit schonk als een wijgeschenk de gehele wapenrusting van Holoférnes, die het volk haar had gegeven, met het muskietengaas, dat zij zelf uit zijn slaapvertrek had meegenomen. 24 Vrolijk gestemd bleef het volk bij het heiligdom, en vierde met Judit drie maanden lang het blijde feest van deze overwinning. 25 Daarna ging ieder terug naar zijn huis. Judit bleef te Betoel in het hoogste aanzien, en was beroemd in heel Israël, 26 omdat zij niet alleen moedig was, maar ook kuis. Want nadat Manasse haar man was gestorven, had zij heel haar verder leven geen omgang meer met een man. 27 Op de feestdagen verscheen zij in al haar pracht; 28 overigens bleef zij in het huis van haar man. Zij werd honderd en vijf jaar oud. Aan haar dienstmaagd schonk zij de vrijheid. Zij stierf in Betoel en werd bij haar man begraven; 29 heel het volk rouwde zeven dagen om haar. 30 Zolang zij leefde, en ook lange tijd na haar dood, was er niemand, die Israël verontrustte. 31 De feestdag van deze overwinning werd door de Hebreën in de reeks van heilige dagen opgenomen, en werd van toen af tot op de dag van heden door de Joden gevierd.}