De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Klaagliederen

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5]

Hoofdstuk 1

1 Ach, hoe eenzaam zit ze neer De eens zo volkrijke stad; Hoe blijft ze als weduwe achter De machtige onder de volken, En moet de vorstin der landouwen Slavendienst doen 2 De hele nacht weent ze en snikt ze, Stromen de tranen over haar wangen. Niemand troost haar Van al haar minnaars; Al haar vrienden werden haar ontrouw, En zijn nu haar vijand. 3 Ontvolkt is Juda door ellende En harde dienst; Onder de heidenen moet het wonen, Maar vindt geen rust. Al zijn vervolgers haalden het in, Van angsten omringd. 4 De wegen van Sion treuren, Want niemand trekt op naar het feest; Al haar poorten liggen in puin, Haar priesters zuchten, Haar maagden jammeren, Zelf is zij bitter bedroefd. 5 Haar verdrukkers zegepralen, Haar haters juichen, Want Jahweh heeft haar in jammer gestort Om haar talloze zonden; Haar kinderen moesten in ballingschap, Voor hun vijanden uit. 6 Verdwenen voor de dochter van Sion Al haar glorie! Haar vorsten als rammen, Die geen weideplaats vinden, Lopen uitgeput, Voor den drijver uit. 7 Nog altijd denkt Jerusalem terug Aan haar tijd van ellende en nood: Toen haar bevolking viel door de hand van den vijand, En niemand haar hielp; Toen de verdrukkers met een grijnslach Haar verwoesting aanschouwden. 8 Gezondigd, zwaar heeft Jerusalem gezondigd, Daarom is ze onrein als een vrouw in haar stonden; Verachten haar allen, die haar vroeger vereerden, Nu zij haar naaktheid aanschouwen; Daarom blijft ze altijd maar zuchten, Met afgewend gelaat. 9 De onreinheid hangt aan haar slippen: Nooit had ze zoo’n einde voorzien. Peilloos diep zonk zij weg, Niemand, die haar kwam troosten. Ach Jahweh, zie toch neer op mijn nood, Want de vijand braveert! 10 De vijand heeft zijn hand gelegd Op alles wat haar dierbaar was; Ja, ze heeft het moeten aanschouwen, Dat heidenen binnen haar heiligdom trokken, Ofschoon Gij hun hadt verboden, In uw gemeente te komen. 11 Heel haar bevolking loopt zuchtend Te zoeken naar brood; Hun schatten geven ze weg voor spijs, Om het leven te rekken. Ach Jahweh, blik neer en zie toe, Hoe diep vernederd ik ben! 12 Wee! Gij allen, die mij voorbijgaat, Schouwt rond en ziet toe, Of er een smart is gelijk aan de smart, Die mij overstelpt, Waarin Jahweh mij heeft gedompeld, Op de dag van zijn ziedende toorn! 13 Uit de hoge heeft Hij een vuur geslingerd In het diepst van mijn gebeente; Hij heeft een net voor mijn voeten gespannen, Mij achterover gestort; Mij tot vertwijfeling gebracht, Immerdoor in ellende. 14 Zwaar drukt mij het juk van mijn zonden, Dat Hij met eigen hand heeft gestrengeld; Het is neergelegd op mijn nek, Mijn krachten heeft het gebroken. Ja, de Heer heeft mij in handen geleverd, Waaronder ik niet overeind kan komen. 15 Al mijn dapperen heeft de Heer Uit mijn midden gevaagd; Hij heeft tegen mij een bende ontboden, Om mijn jonge mannen te breken: De Heer heeft de wijnpers getreden Voor de jonkvrouw, de dochter van Juda. 16 Daarom ween ik immerdoor, En stromen mijn ogen van tranen. Neen, geen trooster voor mij, Die mij opbeurt; Mijn zonen zijn met ontzetting geslagen, Want de vijand heeft de zege behaald. 17 Sion breidt haar handen uit, Maar ze heeft niemand die troost. Jahweh heeft tegen Jakob van alle kant Zijn verdrukkers ontboden; Jerusalem is in hun kring Onrein als een vrouw in haar stonden. 18 En toch is Jahweh rechtvaardig, Want ik had zijn bevel getrotseerd! Hoort dan allen, gij volken, En aanschouwt mijn smart: Mijn jonge dochters en mannen Moesten in ballingschap. 19 Ik riep om mijn minnaars, Maar ze lieten mij staan; Mijn priesters en oudsten Versmachtten in de stad, Op zoek naar voedsel, Om het leven te rekken. 20 Ach Jahweh, zie toch hoe bang het mij is, Hoe het stormt in mijn borst. Mijn hart krimpt ineen in mijn boezem, Want ik ben opstandig geweest: Buiten werd ik kinderloos door het zwaard, Binnenshuis door de dood. 21 Men hoort, hoe ik zucht, Maar niemand die troost. Neen, als mijn vijanden van mijn ongeluk horen, Verheugen zich allen, dat Gij het mij hebt berokkend. Laat komen de dag der vergelding, Waarop zij mijn lot zullen delen! 22 Laat al hun boosheid Voor uw aangezicht treden; Doe hun, zoals Gij met mij hebt gedaan. Om al mijn zonden! Ach, ontelbaar blijven mijn zuchten, Mijn hart doet zo wee!

INHOUD | [Klaagliederen]

Hoofdstuk 2

1 Wee, hoe heeft de Heer in zijn toorn. Donkere wolken over de dochter van Sion samengepakt; Hoe heeft Hij uit de hemel ter aarde geworpen Israëls glorie; Zijn voetbank niet langer bedacht. Op de dag van zijn gramschap? 2 De Heer heeft zonder erbarmen Alle dreven van Jakob vernield; Gesloopt in zijn woede De vesten der dochter van Juda; Onteerd en ter aarde geworpen Haar koning en vorsten! 3 In zijn grimmige toorn brak Hij Alle hoornen van Israël stuk; Trok zijn rechterhand terug, Toen de vijand verscheen; Woedde in Jakob als een laaiend vuur, Dat aan alle kanten verslindt. 4 Als een vijand heeft Hij zijn boog gespannen, Zijn rechter gebald als een vechter, Vermoord al de lust voor de ogen In de tent van de dochter van Sion, Zijn verbolgenheid uitgestort Als een vuur. 5 Ja, de Heer is een vijand geworden, Die Israël verslond; Hij heeft al zijn burchten vernield, Zijn vesten gesloopt; De dochter van Juda vervuld Met kreunen en steunen. 6 Jahweh haalde zijn tent als een tuinmuur omver, En vernielde zijn heilige plaats; Gaf in Sion aan de vergetelheid prijs Hoogtij en sabbat; En in zijn grimmige toorn versmaadde Hij Koning en priester. 7 Jahweh verstiet zijn altaar, En ontwijdde zijn heiligdom; Liet in de macht van den vijand De wal van zijn vesting: Men schreeuwde in Jahweh’s huis, Of het feestdag was. 8 Jahweh had besloten, de muur te vernielen Van de dochter van Sion; Hij had het meetsnoer gespannen, trok zijn hand niet meer terug Van het werk der verwoesting. De wal en de muur liet Hij treuren, Te zamen kwijnden zij weg. 9 Haar poorten liggen op de grond, Haar grendels heeft Hij vernield en verbroken! Haar koning en vorsten zijn onder de heidenen: Geen wet is er meer; Ook haar profeten moeten De visioenen van Jahweh ontberen. 10 Sprakeloos zitten ze op de grond De oudsten der dochter van Sion; Ze hebben as op hun hoofd gestrooid, Met een zak zich omgord; Het hoofd ter aarde gebogen De dochters van Jerusalem. 11 Mijn ogen vervloeien in tranen, Het stormt in mijn borst; Mijn lever vliedt weg op de grond Om de val van de dochter van mijn volk, Om het versmachten van kinderen en zuigelingen In de straten der stad. 12 Ze vragen hun moeders: Waar is koren en wijn? In onmacht zinken ze neer In de straten der stad, Of geven de geest Op de schoot van hun moeders. 13 Wat zal ik u raden, voor u bedenken, Dochter van Jerusalem; Waarmee u helpen, waarmee u troosten, Jonkvrouw, dochter van Sion: Want onmetelijk als de zee is uw jammer, Wie kan u genezen? 14 Uw profeten schouwden voor u Enkel leugen en waan; Ze hebben u uw schuld niet getoond, Om u te bekeren; Neen, ze hebben voor u visioenen geschouwd Vol bedrog en misleiding. 15 Ze klappen in de handen, Allen, die u voorbijgaan; Ze grijnzen en schudden meewarig het hoofd Over de dochter van Jerusalem: Is dat nu de stad, die het toppunt van schoonheid moest heten, De wellust van de hele aarde? 16 Ze sperren de muil tegen u op Allen, die uw vijanden zijn; Ze grijnzen en knersen de tanden, En schreeuwen: Wij hebben ze vernield! Dit is de dag, waarop wij hadden gehoopt; Wij hebben hem mogen beleven en zien! 17 Zo heeft Jahweh zijn plannen ten uitvoer gebracht, Zijn woord in vervulling doen gaan, Waarmee Hij van ouds had gedreigd: Zonder ontferming heeft Hij gesloopt, Over u den vijand doen juichen, De hoorn van uw bestrijder verhoogd! 18 Roep toch met heel uw hart tot den Heer, Jammer, dochter van Sion; Laat tranen stromen als een beek Overdag en des nachts; Neen, gun u geen rust, Uw schreien houde niet op. 19 Sta op, en jammer in de nacht, Van het begin van de nachtwaak; Stort uw hart uit als water Voor het aanschijn des Heren; Hef tot Hem uw handen omhoog Voor het leven van uw kinderen! 20 Ach Jahweh, blik neer en zie toe: Wien hebt Gij zo iets berokkend? Moeten vrouwen haar eigen vrucht dan verslinden, De wichtjes op haar arm; In het heiligdom van den Heer Priester en profeet worden vermoord? 21 Ter aarde liggen op straat Knapen en grijsaards, Mijn jonge dochters en mannen Gevallen door het zwaard! Gij hebt ze gedood op de dag van uw gramschap, Ze zonder genade geslacht. 22 Als voor een feestdag riept Gij van alle kant Mijn landgenoten bijeen; En op de dag van Jahweh’s toorn Was er niet één, die ontkwam en ontsnapte: Die ik had verzorgd en groot gebracht Heeft mijn vijand verdelgd!

INHOUD | [Klaagliederen]

Hoofdstuk 3

1 Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid; 2 Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in; 3 Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw. 4 Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken; 5 Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer; 6 Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden. 7 Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens; 8 Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken; 9 Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden. 10 Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt; 11 Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf; 12 Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl. 13 Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker. 14 Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald. 15 Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt. 16 Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd; 17 De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer. 18 Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh! 19 Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal! 20 Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt: 21 Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen! 22 Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op: 23 Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw. 24 Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem! 25 Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt; 26 Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh; 27 Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af! 28 Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt; 29 Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop; 30 Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad. 31 Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen! 32 Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming: 33 Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen! 34 Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen: 35 Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste: 36 Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien? 37 Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden? 38 Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed? 39 Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde! 40 Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren; 41 Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel! 42 Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken! 43 Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood; 44 U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon; 45 Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken. 46 Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn; 47 Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling; 48 Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk. 49 Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing, 50 Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet. 51 Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad. 52 Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn; 53 Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na; 54 Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren! 55 Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put! 56 Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien; 57 Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang! 58 Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered! 59 Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft; 60 Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij. 61 Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij. 62 Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht. 63 Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen! 64 Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen! 65 Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek; 66 Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!

INHOUD | [Klaagliederen]

Hoofdstuk 4

1 Hoe heeft het goud zijn glans verloren, Hoe dof is het edel metaal; Hoe werden de heilige stenen Op alle hoeken der straten gesmeten. 2 Hoe werden de kostelijke zonen van Sion, Waard hun gewicht aan het fijnste goud, Als aarden kruiken behandeld, Het maaksel van den pottenbakker. 3 Zelfs jakhalzen reiken de borst, En zogen haar welpen: Maar de dochter van mijn volk was hardvochtig Als de struisen in de woestijn. 4 De tong van de zuigeling kleefde van dorst Aan zijn gehemelte vast; De kinderen vroegen om brood, Maar niemand, die het hun brak. 5 Die van lekkernijen smulden, Versmachtten op straat; Die op purper werden gedragen, Omarmden de mesthoop. 6 Want de schuld van de dochter van mijn volk Is groter dan de zonde van Sodoma: En dàt werd in een oogwenk vernield, Zonder dat iemand de hand er aan sloeg. 7 Haar vorsten waren witter dan sneeuw En blanker dan melk, Hun lijven roder dan koralen, Hun lokken glansden als saffier. 8 Maar hun gelaat werd zwarter dan roet, Men kende ze in de straten niet meer; Hun huid lag verschrompeld om hun gebeente, Verdroogd als hout. 9 Die het zwaard had doorboord, voeren beter, Dan die door de honger werden gekweld, Zij versmachtten en werden gemarteld, Omdat ze geen veldvruchten oogstten. 10 Tedere vrouwen hebben met eigen hand Haar kinderen gekookt; Ze dienden haar tot voedsel Bij de ondergang van de dochter van mijn volk. 11 Jahweh heeft zijn volle gramschap doen woeden, Uitgestort zijn grimmige toorn, Een vuur ontstoken in Sion, Dat zijn grondslagen heeft verteerd. 12 Nooit konden de koningen der aarde geloven, Nooit iemand ter wereld: Dat de verdrukker en vijand Binnen Jerusalems poorten zou rukken. 13 Het was om de zonden van de profeten, Om de schuld van zijn priesters, Die binnen zijn muren Onschuldig bloed hadden vergoten. 14 Ze zwierven als melaatsen op straat, Bezoedeld met bloed; Men mocht hen niet aanraken, Zelfs niet bij hun kleren. 15 Op zij; onrein! riep men ze toe; Terug, terug, raakt ze niet aan! Neen, ze moeten vluchten, onder de heidenen zwerven; Hier mogen ze langer niet blijven! 16 Het aanschijn van Jahweh heeft ze verstrooid, Het blikt niet meer op hen neer; Het heeft de priesters niet ontzien, De oudsten niet gespaard. 17 Toch keken wij nog smachtend uit Naar redding: maar tevergeefs; Op onze wachtpost bleven wij staren Naar een volk, dat ons toch niet zou helpen. 18 Men bespiedde ons bij iedere stap, Zelfs op onze pleinen konden we niet gaan. Nabij was ons einde, onze dagen voorbij; Ja, ons eind was gekomen! 19 Onze vervolgers waren nog sneller Dan adelaars in de lucht; Ze zetten ons na op de bergen, Belaagden ons in de woestijn. 20 Onze levensadem, de gezalfde van Jahweh, Werd in hun kuilen gevangen; Hij, van wien wij hadden gedacht: In zijn schaduw leven wij onder de volken. 21 Jubel en juich maar, dochter van Edom, Die het land van Oes bewoont: Ook u zal de beker worden gereikt; Ge zult u bedrinken, en u ontbloten! 22 Uw schuld is ten einde, dochter van Sion: Hij zal u nooit meer verbannen! Maar ùw schuld zal Hij straffen, dochter van Edom, Uw zonden openbaren!

INHOUD | [Klaagliederen]

Hoofdstuk 5

1 Gedenk toch, Jahweh, wat wij verduren, Zie toe, en aanschouw onze smaad: 2 Ons erfdeel is aan anderen vervallen, Onze huizen aan vreemden. 3 Wezen zijn wij, vaderloos, Als weduwen zijn onze moeders; 4 Ons water drinken wij voor geld, Wij moeten ons eigen hout betalen. 5 Voortgezweept, met het juk om de hals, Uitgeput, maar men gunt ons geen rust! 6 Naar Egypte steken wij de handen uit, Naar Assjoer om brood! 7 Onze vaderen hebben gezondigd: zij zijn niet meer, Wij dragen hun schuld: 8 Slaven zijn onze heersers, En niemand, die ons uit hun handen verlost. 9 Met gevaar voor ons leven halen wij brood, Voor het dreigende zwaard der woestijn; 10 Onze huid is heet als een oven, Door de koorts van de honger. 11 De vrouwen worden in Sion onteerd, De maagden in de steden van Juda; 12 Vorsten door hen opgehangen, Geen oudsten gespaard. 13 De jongens moeten de molensteen torsen, De knapen bezwijken onder het hout; 14 Geen grijsaards meer in de poorten, Geen jonge mannen meer met hun lier. 15 Geen blijdschap meer voor ons hart, Onze reidans veranderd in rouw, 16 Gevallen de kroon van ons hoofd: Wee onzer, wij hebben gezondigd! 17 Hierom is ons hart verslagen, Staan onze ogen zo dof: 18 Om de Sionsberg, die ligt verlaten, Waar enkel jakhalzen lopen. 19 Maar Gij zetelt in eeuwigheid, Jahweh; Uw troon van geslacht tot geslacht! 20 Waarom zoudt Gij ons dan altijd vergeten, Ten einde toe ons verlaten? 21 Ach Jahweh, breng ons tot U terug: wij willen bekeren; Maak onze dagen weer als voorheen! 22 Neen, Gij hebt ons niet voor immer verworpen, Gij blijft op ons niet zo hevig verbolgen!