De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

De Psalmen

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31] [32] [33] [34] [35] [36] [37] [38] [39] [40] [41] [42] [43] [44] [45] [46] [47] [48] [49] [50] [51] [52] [53] [54] [55] [56] [57] [58] [59] [60] [61] [62] [63] [64] [65] [66] [67] [68] [69] [70] [71] [72] [73] [74] [75] [76] [77] [78] [79] [80] [81] [82] [83] [84] [85] [86] [87] [88] [89] [90] [91] [92] [93] [94] [95] [96] [97] [98] [99] [100] [101] [102] [103] [104] [105] [106] [107] [108] [109] [110] [111] [112] [113] [114] [115] [116] [117] [118] [119] [120] [121] [122] [123] [124] [125] [126] [127] [128] [129] [130] [131] [132] [133] [134] [135] [136] [137] [138] [139] [140] [141] [142] [143] [144] [145] [146] [147] [148] [149] [150]

Hoofdstuk 1

1 Gelukkig de man, Die de raad der goddelozen niet volgt, Niet de weg der zondaars betreedt, Niet neerzit in de kring van de spotters; 2 Maar die zijn vreugde vindt in Jahweh’s wet, En dag en nacht zijn wet overweegt. 3 Hij is als een boom, aan stromend water geplant, Die zijn vrucht geeft op tijd, Waarvan het blad niet verwelkt: Al wat hij doet zal gedijen. 4 De goddelozen zal het heel anders gaan: Als kaf opgejaagd door de wind! 5 Daarom houden de bozen het bij het oordeel niet uit, De zondaars niet in de gemeenschap der vromen. 6 Want Jahweh kent het pad der rechtvaardigen, Maar de weg der goddelozen loopt uit op verderf.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 2

1 Waarom razen de volken, Bluffen de naties, 2 Komen de koningen der aarde bijeen, Spannen de vorsten samen tegen Jahweh en zijn Gezalfde: 3 "Laat ons hun ketens verbreken, Ons van hun boeien ontslaan!" 4 Die in de hemelen woont, lacht hen uit, Jahweh bespot ze; 5 Dan dreigt Hij ze toornig, Doet ze rillen voor zijn gramschap: 6 "Ik zelf stel Mij een koning aan, Op Sion, mijn heilige berg!" 7 Nu wil Ik Jahweh’s beslissing verkonden; Hij heeft Mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt. 8 Vraag Mij: dan geef Ik U de volkeren tot erfdeel, En de grenzen der aarde tot uw bezit; 9 Gij moogt ze vermorzelen met ijzeren knots, En stuk slaan als een aarden pot. 10 Koningen, bedenkt het dus wel; Weest gewaarschuwd, wereldregeerders! 11 Dient Jahweh in vreze; Beeft, en kust Hem de voeten! 12 Anders ontsteekt Hij in toorn, en loopt gij uw verderf tegemoet, Want licht kan zijn gramschap ontvlammen. Gelukkig, wie tot Hem zijn toevlucht neemt!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 3

1 Een psalm van David, bij zijn vlucht voor zijn zoon Absalom. (3-2) Jahweh, hoe talrijk zijn mijn belagers, Hoe talrijk, die tegen mij opstaan; 2 (3-3) Hoe velen, die van mij zeggen: Voor hem geen heil bij zijn God! 3 (3-4) Toch zijt Gij, Jahweh, het schild dat mij dekt, Mijn glorie en trots! 4 (3-5) Ik behoef maar tot Jahweh te roepen, Dan verhoort Hij mij van zijn heilige berg. 5 (3-6) Ik leg mij neer, slaap rustig in, Ontwaak, want Jahweh beschut mij. 6 (3-7) Zo vrees ik de duizenden niet, Die van alle kant mij omringen. 7 (3-8) Sta op dan, Jahweh; Red mij, mijn God! Want Gij slaat al mijn vijanden in het gezicht, Stoot de bozen hun tanden stuk. 8 (3-9) Bij U, Jahweh, is redding; Op uw volk rust uw zegen.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 4

1 Voor muziek begeleiding: met harpen. Een psalm van David. (4-2) Verhoor mij, als ik roep, Mijn rechtvaardige God! Breng mij verlichting in mijn benauwdheid; Ontferm U mijner, en hoor mijn gebed. 2 (4-3) Kinderen, hoe lang nog zwaarmoedig; Waarom ijdele verwachting, bedriegelijke hoop nagejaagd? 3 (4-4) Beseft toch, dat Jahweh wonderen doet voor die Hem bemint, Dat Jahweh luistert, als ik Hem roep. 4 (4-5) Moogt gij al uit het veld zijn geslagen, zondigt niet; Op uw sponde pruilen, blijft zwijgen. 5 (4-6) Brengt uw verschuldigde offers, En stelt uw vertrouwen op Jahweh. 6 (4-7) Velen zeggen: "Wie verleent ons geluk; Laat het licht van uw aanschijn over ons opgaan!" 7 (4-8) Jahweh, Gij bereidt mijn hart groter vreugd, Dan hùn door overvloed van koren en most. 8 (4-9) In vrede leg ik mij neer, En aanstonds sluimer ik in; Want Gij alleen, Jahweh, Laat mij zonder zorgen rusten.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 5

1 Voor muziekbegeleiding: met fluiten. Een psalm van David. (5-2) Jahweh, hoor naar mijn roepen, Let op mijn zuchten; 2 (5-3) Luister naar mijn schreien, Mijn Koning en God. 3 (5-4) Want tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, Reeds in de vroegte hoort Gij mijn smeken; ‘s Morgens leg ik het voor U neer, En zie vertrouwend naar U op. 4 (5-5) Gij zijt geen God, wien de boosheid behaagt, Nooit is de zondaar U welkom; 5 (5-6) Geen goddeloze mag Voor uw ogen verschijnen! Gij haat al wie ongerechtigheid pleegt, 6 (5-7) En leugenaars richt Gij te gronde; De man van bloed en bedrog Is een afschuw voor Jahweh. 7 (5-8) Maar door uw grote genade Mag ìk uw huis binnengaan, En naar uw heilige tempel gericht, U vol eerbied aanbidden. 8 (5-9) Geleid mij, o Jahweh, Naar uw gerechtigheid; En om wille van die mij belagen, Baan mij de weg voor uw aanschijn. 9 (5-10) Neen, in hun mond is geen waarheid, En hun hart is bedorven; Een open graf is hun keel, Ze huichelen met hun tong. 10 (5-11) Laat ze boeten, o God, Aan eigen sluwheid te gronde gaan; Stoot ze weg om hun talrijke zonden, Want ze zijn weerbarstig tegen U. 11 (5-12) Dan verheugen zich allen, Die tot U vluchten; Jubelen eeuwig, Daar Gij ze beschermt; En juichen in U, Die uw Naam beminnen. 12 (5-13) Want Gij zegent den rechtvaardige, Jahweh; Als een schild dekt hem uw liefde.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 6

1 Voor muziekbegeleiding: met harpen en bassen. Een psalm van David. (6-2) Jahweh, straf mij niet in uw toorn, En tuchtig mij niet in uw gramschap. 2 (6-3) Ontferm U, Jahweh, want ik verkwijn; Schenk mij genezing, o Jahweh. Want mijn beenderen rillen, 3 (6-4) Mijn ziel is hevig ontsteld. Jahweh, hoe lang nog; 4 (6-5) Jahweh, houd op! Spaar mijn leven, En kom mij te hulp om uw goedheid. 5 (6-6) Want in de dood denkt niemand aan U; Wie prijst U nog in het dodenrijk? 6 (6-7) Ik ben afgetobd Door mijn kreunen; Nacht aan nacht besproei ik mijn sponde, Bevochtig mijn kussen met tranen; 7 (6-8) Mijn oog is dof van verdriet, Mat van al die mij kwellen. 8 (6-9) Booswichten, weg van mij, allen! Want Jahweh heeft mijn schreien gehoord, 9 (6-10) Jahweh heeft naar mijn smeken geluisterd, Jahweh verhoort mijn gebed. 10 (6-11) Al mijn vijanden zullen worden beschaamd en hevig ontstellen, Plotseling vluchten, met schande bedekt.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 7

1 Een klaaglied van David, dat hij Jahweh toezong naar aanleiding van Koesj, den Benjamiet. (7-2) Jahweh, mijn God, tot U neem ik mijn toevlucht; Help mij, en verlos mij van al mijn vervolgers, 2 (7-3) Opdat ze mij niet als leeuwen verscheuren, En wegslepen, reddeloos verloren. 3 (7-4) Jahweh, mijn God, als ik dat zelf heb gedaan, Als er onrecht kleeft aan mijn handen, 4 (7-5) Als ik kwaad heb vergolden hem, die het mij aandeed, Heb uitgeplunderd, die mij zonder reden bestreed: 5 (7-6) Laat dan de vijand mij achtervolgen, Totdat hij me grijpt; Mijn leven op de grond vertrappen, Mijn eer vergooien in het slijk. 6 (7-7) Maar nu, o Jahweh, sta op in uw toorn, Verhef U tegen mijn grimmigen vijand; Waak op tot het oordeel, dat Gij zelf hebt gewild, 7 (7-8) Laat de scharen der volken U omringen! Span de vierschaar over haar in den hoge, 8 (7-9) Als rechter der volken, o Jahweh; Doe mij recht, Jahweh, naar mijn gerechtigheid En naar de onschuld mijns harten. 9 (7-10) Maak een einde aan de boosheid der zondaars, Maar laat de rechtvaardige blijven bestaan! Gij zijt het, die harten en nieren doorgrondt, Rechtvaardige God! 10 (7-11) Het is God, die mijn schild draagt, Die redt de oprechten van hart; 11 (7-12) Maar ook een rechtvaardig rechter is God, Een God, wiens gramschap voortdurend blijft dreigen. 12 (7-13) Bekeert men zich niet, dan scherpt Hij zijn zwaard, Dan spant en richt Hij zijn boog, 13 (7-14) Houdt moordende wapens gereed, Maakt zijn pijlen als brandende schichten. 14 (7-15) Ziet, die met valsheid bevrucht is en zwanger van onheil, Baart enkel ontgoocheling; 15 (7-16) Die een put graaft en uitdiept, Valt in de kuil, die hij delft. 16 (7-17) Zo keert zijn onrecht op zijn eigen hoofd terug, Valt op eigen schedel zijn misdaad! 17 (7-18) Dan zal ik Jahweh om zijn gerechtigheid prijzen, De naam van Jahweh, den Allerhoogste, bezingen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 8

1 Voor muziekbegeleiding: met de gittiet. Een psalm van David. (8-2) Jahweh, onze Heer, Hoe heerlijk is uw Naam over heel de aarde! Laat mij uw glorie bezingen hoog aan de hemel: 2 (8-3) Uit de mond van kind en zuigeling stemt Gij U een loflied aan, Om uw vijand te verstommen, Uw tegenstanders en haters. 3 (8-4) Als ik de hemelen zie, het werk uwer vingers, De maan en de sterren, die Gij een plaats hebt bereid: 4 (8-5) Wat is dan een mens, dat Gij hem zoudt gedenken, Een mensenkind, dat Gij acht op hem slaat? 5 (8-6) Toch hebt Gij hem haast tot een godheid gemaakt, Hem met glorie en luister gekroond. 6 (8-7) Gij hebt hem gesteld over het werk uwer handen, En alles aan zijn voeten gelegd: 7 (8-8) Al de schapen en runderen, En de beesten in het wild; 8 (8-9) De vogels in de lucht en de vissen in zee, Al wat de paden der zeeën bewandelt. 9 (8-10) Jahweh, onze Heer, Hoe heerlijk is uw Naam over heel de aarde!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 9

1 Voor muziekbegeleiding. Wijze: De dood van den zoon. Een psalm van David. (9-2) Met heel mijn hart wil ik U loven, o Jahweh En al uw wonderen vermelden; 2 (9-3) In U mij verheugen en juichen, Uw Naam, Allerhoogste, bezingen! 3 (9-4) Want mijn vijanden hebben de vlucht moeten nemen, Ze zijn gestruikeld en kwamen om voor uw blik; 4 (9-5) Want Gij hebt mijn pleit en belangen behartigd, Als rechtvaardig Rechter uw troon bestegen. 5 (9-6) De heidenen hebt Gij bestraft, De goddelozen vernietigd, Zelfs hun naam uitgewist Voor altijd en immer. 6 (9-7) De vijanden werden tot zwijgen gebracht, Voor goed hun zwaarden gebroken; Hun steden hebt Gij verwoest, Zelfs de herinnering er aan ging verloren. 7 (9-8) Ziet, Jahweh troont in eeuwigheid, Houdt zijn rechterstoel voor het oordeel gereed; 8 (9-9) Rechtvaardig richt Hij de wereld, Vonnist de volken, zoals ze verdienen. 9 (9-10) Zo bleef Jahweh een toevlucht voor de verdrukten, Een wijkplaats in tijden van nood; 10 (9-11) Die uw Naam kennen, mochten steeds op U hopen, Want nooit verliet Gij, die U zochten, o Jahweh! 11 (9-12) Zingt nu voor Jahweh, die de Sion bewoont, Roept tot de volken zijn daden; 12 (9-13) Want de Bloedwreker blijft de verdrukten gedenken, Vergeet hun noodkreten niet. 13 (9-14) Jahweh, wees mij genadig; zie mijn ellende, door mijn haters berokkend, Trek mij omhoog uit de poorten des doods, 14 (9-15) Opdat ik overal uw lof mag verkonden, Om uw redding juichen in de poorten der dochter van Sion. 15 (9-16) De heidenen zinken weg in de kuil, die ze groeven, Hun voet is gevangen in het net, dat ze spanden; 16 (9-17) Jahweh heeft Zich doen kennen, en vonnis gewezen: De goddeloze ligt in zijn eigen daden verstrikt. 17 (9-18) Zó mogen ook de zondaars naar het dodenrijk varen, Alle heidenen, die God niet gedenken; 18 (9-19) Maar de arme worde niet eeuwig vergeten, De hoop der verdrukten niet altijd beschaamd. 19 (9-20) Sta op dan, Jahweh! Laat zich de mens niet vermeten, Maar laat de heidenen worden gericht voor uw aanschijn. 20 (9-21) Jahweh, geef hun een les, Waaruit de heidenen leren, dat ze maar mens zijn.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 10

1 Waarom, Jahweh, zoudt Gij veraf blijven staan, U verbergen in tijden van nood? 2 Waarom zou de arme zich ergeren aan de trots van den boze, In de listen worden verstrikt, die hij spon? 3 Zie, de goddeloze pocht op zijn lusten, De woekeraar prijst zich gelukkig, 4 De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: "Hij straft niet; er is geen God!" 5 Zijn wandel is altijd krom uw wetten gooit hij ver van zich af, En wie hem weerstaat, fluit hij uit; 6 Hij zegt bij zich zelf: "Nooit zal ik wankelen; Van geslacht tot geslacht treft mij ongeluk noch vloek!" 7 Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong. 8 Hij legt zich in hinderlaag achter de heggen, Om heimelijk de onschuld te moorden. Zijn ogen begluren den zwakke, 9 Hij ligt op de loer als een leeuw in zijn hol; Hij besluipt den ongelukkige, om hem te bespringen, Grijpt hem vast, en sleept hem weg in zijn net. 10 Dan slaat hij hem neer, kromt zich over hem heen, En de ongelukkige valt in zijn klauwen. 11 En hij zegt bij zich zelf: "God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!" 12 Sta op dan Jahweh! Steek uw hand uit, o God; Vergeet de ongelukkigen niet! 13 Waarom zou de booswicht God blijven honen, Bij zichzelf blijven zeggen: "Toch vergeldt Gij het niet!" 14 Gij ziet toch het leed en de ellende; Gij blikt er op neer, om ze te wreken! De zwakke verlaat zich op U, En een wees hebt Gij altijd geholpen! 15 Verbrijzel de arm van zondaar en boze; Vergeld hem zijn misdaad, laat ze niet ongestraft. 16 Jahweh, wees Koning voor eeuwig en immer; Weg met de heidenen, weg uit zijn land! 17 Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart: 18 Om recht te verschaffen aan wees en verdrukte, Zodat ze niemand ter wereld meer vrezen.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 11

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Tot Jahweh neem ik mijn toevlucht! Hoe durft gij dan tot mij zeggen: Vogels, gauw de bergen in; 2 Want de bozen houden hun boog al gespannen, En zetten pijlen op de pees, Om geniepig onschuldige harten te treffen! 3 Al storten zelfs de pijlers der aarde ineen, En zou de rechtvaardige radeloos staan: 4 Jahweh blijft in zijn heilige tempel, Jahweh houdt in de hemel zijn troon; Zijn ogen zijn op de wereld gericht, Zijn wimpers doorvorsen de kinderen der mensen. 5 Jahweh stelt den gerechte wel op de proef, Maar Hij haat den boze en die onrecht bemint; 6 Op de zondaars regent Hij vurige kolen en solfer, En een verschroeiende wind is het deel van hun beker. 7 Want Jahweh is rechtvaardig, en heeft de gerechtigheid lief; De vromen zullen zijn aanschijn aanschouwen.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 12

1 Voor muziekbegeleiding; met bassen. Een psalm van David. (12-2) Help toch Jahweh; want de trouw is verdwenen, De waarheid is zoek onder de kinderen der mensen. 2 (12-3) Men liegt elkander maar voor, Met valse harten, maar vleiende lippen. 3 (12-4) Jahweh snijde al die vleiende lippen af, De verwaande tongen van allen die zeggen: 4 (12-5) "Met onze tong zijn we sterk! We hebben onze lippen; wie kan ons aan!" 5 (12-6) Om de nood der verdrukten En het kermen der armen Ga Ik opstaan, zegt Jahweh, Om redding te brengen aan wie er naar smacht! 6 (12-7) Het woord van Jahweh Is zuiver als zilver, In een aarden smeltkroes gelouterd, Gereinigd tot zevenmaal toe. 7 (12-8) Gij zult het gestand doen, o Jahweh, En ons altijd beschermen tegen dit ras: 8 (12-9) Al zijn de bozen nog zo verwaand, En de mensen nog zo gemeen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 13

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (13-2) Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij me blijven vergeten, Hoe lang nog voor mij uw aanschijn verbergen? 2 (13-3) Hoe lang draag ik wee in mijn ziel, altijd kommer in mijn hart; Hoe lang zal de vijand nog over mij juichen! 3 (13-4) Zie op mij neer; verhoor mij, Jahweh, mijn God! Straal glans in mijn ogen, opdat ik niet wegslaap in de dood, 4 (13-5) En mijn vijand niet zegt: "Ik heb hem er onder", Mijn tegenstanders niet juichen over mijn wankelen. 5 (13-6a) Ik blijf op uw goedheid vertrouwen, Mijn hart zal jubelen over uw hulp; 6 (6b) Ik zal zingen ter ere van Jahweh, Omdat Hij goed voor mij is!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 14

1 Voor muziekbegeleiding. Van David. De dwaas zegt bij zichzelf: "Er is geen God!" Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede behartigt. 2 Jahweh blikt uit de hemelen neer Op de kinderen der mensen: Om te zien, of er niet één verstandige is, Niet één, die God zoekt. 3 Maar àllen zijn ze afgedwaald, Allen even bedorven; Er is niemand, die het goede behartigt, Geen enkele zelfs! 4 Worden al die zondaars dan nimmer verstandig: Ze blijven mijn volk maar verslinden, En het brood van Jahweh wel eten, Maar ze vereren Hem niet. 5 Maar, dan zullen ze beven van angst, Als Jahweh het opneemt voor het vrome geslacht; 6 De wijsheid van den eenvoudige zal hem beschamen, Omdat deze op Jahweh zijn hoop heeft gesteld. 7 Ach, dat uit Sion Israëls redding mocht dagen, Als Jahweh het lot van zijn volk ten beste keert: Dan zal Jakob jubelen, En Israël juichen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 15

1 Een psalm van David. Jahweh, wie mag uw gast zijn in uw tent, Wie wonen op uw heilige berg? 2 Die onberispelijk is van wandel, En van rechtschapen gedrag; Die in zijn hart de waarheid spreekt, 3 En met zijn tong niet lastert. Die zijn naaste geen kwaad doet, Geen smaad op zijn evenmens werpt; 4 In wiens oog een vervloekte verachtelijk is, Maar die eert, wie Jahweh vreest. Die zijn naaste een eed heeft gezworen, En hem niet breekt; 5 Die zijn geld niet uitleent met woeker, Geen steekpenning neemt, om de onschuld te schaden. Wie zó doet, Wankelt in eeuwigheid niet!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 16

1 Een puntdicht van David. Behoed mij, o God, want tot U neem ik mijn toevlucht; 2 Ik zeg tot Jahweh: Gij zijt mijn Heer, buiten U geen geluk! 3 Aan de heiligen, die zijn land bewonen, Schenkt Hij de volheid zijner genade. 4 Zìj hopen zich ellende op, Die achter vreemde goden lopen. Neen, ik pleng hun bloedige offers niet mee, Zelfs hun naam komt mij niet op de lippen! 5 Gij zijt mijn erfdeel, o Jahweh, en het deel van mijn beker, Gij zijt het, die het lot voor mij wierpt: 6 Mijn meetsnoer lag in lieflijke dreven, Een prachtig stuk viel mij toe. 7 Ik zegen Jahweh, want Hij is mijn raadsman: Zelfs ‘s nachts word ik door mijn nieren vermaand. 8 Jahweh houd ik altijd voor ogen; Staat Hij mij ter zijde, dan wankel ik niet. 9 Zo verheugt zich mijn hart, En jubelt mijn geest; Ook mijn vlees is vol moed, 10 Want Gij geeft mij niet prijs aan het dodenrijk. Gij laat uw vrome het graf niet aanschouwen, 11 Maar toont mij de weg naar het leven, Overvloedige vreugd voor uw aanschijn, Aan uw rechterhand eeuwig geluk.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 17

1 Gebed van David. Jahweh, hoor naar de stem van het recht, Luister naar mijn smeken; Verhoor mijn gebed, Van eerlijke lippen gevloeid. 2 Van uw aanschijn gaat mijn oordeel uit, Uw ogen zien scherp; 3 Gij peilt mijn hart, doorzoekt het des nachts, Beproeft mij: maar iets verkeerds vindt Gij niet. 4 Ik overtrad uw gebod niet, zoals de mensen dat doen, Maar volbracht het bevel uwer lippen; 5 Op het pad uwer wetten heb ik mijn schreden gezet, Mijn voet heeft nooit op uw wegen gewankeld. 6 Nu roep ik tot U; want Gij zult mij verhoren, o God; Luister naar mij, en hoor naar mijn smeken! 7 Doe wonderen van goedheid, o Redder van die op U hopen, En die op uw rechterhand steunen. 8 Behoed mij als de appel van uw oog, Verberg mij in de schaduw uwer vleugelen: 9 Voor de bozen, die mij bespringen, Voor mijn vijanden, die mij woedend omringen. 10 Ze hebben hun hart met vet afgesloten, En blijven zwetsen met hun mond; 11 Ze omsingelen mij, waar ik ook ga, Loerend, om mij ter aarde te werpen. 12 Ze zijn als een leeuw, die hunkert naar buit, Als een leeuwenwelp, dat in hinderlaag ligt. 13 Op, Jahweh, hem tegemoet, stort hem neer, En red mijn ziel van den boze! 14 Uw zwaard moge ze doden, Jahweh, uw hand ze van de aarde verdelgen! Dit zij hun deel in het leven; En hebt Gij nog meer, vul er hun buik mee; Laat hun zonen er zich aan vergasten, En de rest aan hun kinderen vermaken. 15 Maar laat mij door mijn gerechtigheid uw aanschijn aanschouwen, Mij aan uw glorie verzadigen na het ontwaken!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 18

1 Voor muziekbegeleiding. Van den Dienaar van Jahweh; van David, die tot Jahweh de woorden van dit lied heeft gericht, toen Jahweh hem had verlost uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul. En hij sprak: (18-2) Ik heb U lief, o Jahweh, mijn kracht; 2 (18-3) Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen, Mijn schild, de hoorn van mijn heil, en mijn schutse. 3 (18-4) Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost. 4 (18-5) De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven der onderwereld sloegen over mij heen; 5 (18-6) De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed: 6 (18-7) Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En schreide om hulp tot mijn God. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren: 7 (18-8) Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten der bergen; Want Hij was in woede ontstoken, 8 (18-9) Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit. 9 (18-10) Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten; 10 (18-11) Hij besteeg den Cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken. 11 (18-12) Hij sloeg de duisternis als een dek om Zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent; 12 (18-13) En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken hagel en vurige kolen. 13 (18-14) En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem; 14 (18-15) Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde zijn bliksems, en joeg ze uiteen. 15 (18-16) Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot: Door uw dreigen, o Jahweh, Door het snuivend gebries van uw neus. 16 (18-17) Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren; 17 (18-18) Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig. 18 (18-19) Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer; 19 (18-20) Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad. 20 (18-21) Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden: 21 (18-22) Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God; 22 (18-23) Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken; 23 (18-24) Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard; 24 (18-25) Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid van handen in zijn ogen. 25 (18-26) Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen; 26 (18-27) Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig. 27 (18-28) Ja, Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken; 28 (18-29) Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt; 29 (18-30) Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen. 30 (18-31) God! Volmaakt zijn zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem. 31 (18-32) Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God! 32 (18-33) God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg; 33 (18-34) Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen; 34 (18-35) Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog. 35 (18-36) Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw rechterhand heeft mij gestut, uw goedheid maakte mij groot. 36 (18-37) Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet. 37 (18-38) Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen; 38 (18-39) Ik heb ze verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen. 39 (18-40) Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken; 40 (18-41) Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien, Mijn haters heb ik verdelgd. 41 (18-42) Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet; 42 (18-43) Ik vermaal ze als stof voor de wind, En vertrap ze als slijk op de straten. 43 (18-44) Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren, En mij aan het hoofd van de naties gesteld: 44 (18-45) Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar, Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij; 45 (18-46) Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten. 46 (18-47) Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God van mijn heil! 47 (18-48) Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen; 48 (18-49) Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd! 49 (18-50) Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw Naam verheerlijken onder de volken! 50 (18-51) Machtige hulp verleent Hij zijn Koning, En genade aan zijn Gezalfde: Aan David en zijn geslacht voor altijd!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 19

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (19-2) De hemelen verhalen de glorie van God, Het firmament verkondigt het werk zijner handen; 2 (19-3) De dag roept het toe aan de andere dag, En de nacht meldt het weer aan de nacht. 3 (19-4) Geen taal en geen woorden, Hun stem hoort men niet; 4 (19-5) Toch galmen over heel de aarde hun klanken, Tot aan de grenzen der wereld hun tonen. 5 (19-6) Hij heeft voor de zon een tent opgeslagen In het midden der zee; Ze is als een bruidegom, die uit de bruidskamer treedt, Stralend van vreugd als een held, die zijn loopbaan begint. 6 (19-7) Haar opgang is aan het eind van de hemel, Haar kringloop tot aan het andere eind; Niets blijft verborgen Voor haar gloed. 7 (19-8) Jahweh’s wet is volmaakt: een verkwikking der ziel; Jahweh’s gebod betrouwbaar: een wijsheid voor eenvoudigen; 8 (19-9) Jahweh’s bevelen rechtvaardig: een vreugd voor het hart; Jahweh’s voorschrift onberispelijk: een licht voor de ogen; 9 (19-10) Jahweh’s woord zonder smet: voor eeuwig bestendig; Jahweh’s oordelen waarheid: alle rechtvaardig! 10 (19-11) Kostbaarder zijn ze dan goud en edel metaal; Zoeter dan honing en zeem uit de raten. 11 (19-12) Ook uw dienaar weet ze naar waarde te schatten: Wie ze trouw onderhoudt, wordt rijk beloond. 12 (19-13) Maar wie kan al zijn fouten kennen? Vergeef mij ook, die ik me niet ben bewust. 13 (19-14) Maar behoed ook uw dienaar voor zelfoverschatting; Laat die niet over mij heersen! Dan zal ik altijd smetteloos blijven, En rein van grote zonden; 14 (19-15) Dan zal het woord van mijn mond U behagen, Met het gepeins van mijn hart, o Jahweh, mijn Rots en Redder!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 20

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (20-2) Moge Jahweh op de dag van nood u verhoren, De naam van Jakobs God u beschermen, 2 (20-3) Uit het heiligdom u hulp verlenen, En uit Sion u bijstaan. 3 (20-4) Hij gedenke al uw offergaven, En neme genadig uw brandoffers aan; 4 (20-5) Hij schenke u wat uw hart maar begeert, En doe al uw plannen gelukken. 5 (20-6) Dan zullen wij om uw zegepraal juichen, In de Naam van onzen God de feestbanier heffen! 6 (20-7) Nu reeds ben ik er zeker van, Dat Jahweh zijn Gezalfde de zegepraal schenkt, En Hem uit zijn heilige hemel verhoort Door de reddende kracht van zijn rechterhand. 7 (20-8) Anderen gaan trots op wagens en paarden, Wij op de Naam van Jahweh, onzen God; 8 (20-9) Maar zìj storten neer, en blijven liggen, Wij rijzen op en staan vast! 9 (20-10) Jahweh, geef den Koning de zege, En verhoor nog heden ons smeekgebed!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 21

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (21-2) Jahweh, in uw schutse verheugt zich de koning; Hoe blijde juicht hij om uw hulp! 2 (21-3) Gij hebt zijn hartewens vervuld, De bede zijner lippen niet afgewezen. 3 (21-4) Neen, Gij tradt hem tegen met rijke zegen, En zette hem een gouden kroon op het hoofd. 4 (21-5) Léven vroeg hij U: Gij hebt het hem geschonken, Lengte van dagen: voor eeuwig en immer. 5 (21-6) Groot is zijn majesteit door uw hulp, Gij hebt hem met glorie en luister getooid; 6 (21-7) Want Gij hebt hem overstelpt met zegen voor immer, Hem met vreugde overstroomd voor uw aanschijn. 7 (21-8) Ja, de koning blijft op Jahweh vertrouwen, Op de gunst van den Allerhoogste, zonder te wankelen! 8 (21-9) Uw hand zal al uw vijanden treffen, Uw rechterhand al die u haten; 9 (21-10) Gij zult ze doen blozen als een gloeiende oven, Wanneer gij maar een blik op hen werpt. Jahweh zal in zijn toorn ze verslinden, En het vuur ze verteren. 10 (21-11) Hun vrucht zult gij van de aarde verdelgen, Hun kroost onder de kinderen der mensen. 11 (21-12) En als ze u kwaad willen doen, Of boze plannen beramen, bereiken zij niets; 12 (21-13) Want gij zult ze de hielen doen lichten, En met uw boog op hen mikken. 13 (21-14) Sta op dan, Jahweh, in uw kracht; Dan zingen en prijzen wij uw macht!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 22

1 Voor muziekbegeleiding; wijze: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. (22-2) Mijn God, mijn God, zie op mij neer; Waarom hebt Gij mij verlaten? Waarom houdt Gij U ver van mijn hulp, Ver van mijn jammerklachten, mijn God? 2 (22-3) Ik roep overdag, Gij antwoordt niet; Des nachts, maar ik vind geen rust. 3 (22-4) Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop! 4 (22-5) Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost; 5 (22-6) Tot U geroepen, ze werden gered, Op U gerekend, ze zijn niet beschaamd. 6 (22-7) Doch ik ben maar een worm en geen mens, Door de wereld bespot, veracht door het volk; 7 (22-8) Al die mij zien, lachen mij uit, Grijnzen, en schudden meewarig het hoofd: 8 (22-9) "Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!" 9 (22-10) Ja, Gij zijt het, die mij uit de schoot hebt genomen, Die mij veilig deedt rusten aan de borst mijner moeder; 10 (22-11) Bij mijn geboorte werd ik op uw knieën gelegd, Gij zijt mijn God van de moederschoot af. 11 (22-12) Blijf dus niet verre van mij, Want de nood is nabij, en er is niemand die helpt! 12 (22-13) Bonkige stieren staan om mij heen, Buffels van Basjan omsingelen mij; 13 (22-14) Ze sperren hun muil naar mij open Als verscheurende, brullende leeuwen. 14 (22-15) Als water ben ik uitgegoten, Al mijn beenderen zijn ontwricht; Mijn hart is als was, Smelt weg in mijn borst. 15 (22-16) Mijn keel is droog als een scherf, Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast; En in het stof van de dood Strekt Gij mij neer. 16 (22-17) Dan komen honden om mij heen, Een bende boosdoeners houdt mij omlegerd; Ze doorboren mijn handen en voeten, 17 (22-18) Al mijn beenderen kan ik tellen. Ze werpen begerige blikken, En gluren mij aan; 18 (22-19) Verdelen mijn kleren onder elkander, En loten om mijn gewaad. 19 (22-20) O Jahweh, blijf toch niet in de verte; Mijn Sterkte, snel mij te hulp! 20 (22-21) Bescherm mijn leven tegen het zwaard, Het enige, dat mij nog rest, tegen de honden; 21 (22-22) Red mij uit de muil van den leeuw, Mij arme, van de hoornen der buffels. 22 (22-23) Dan zal ik uw Naam aan mijn broeders verkonden, In de kring der gemeente U prijzen: 23 (22-24) "Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!" 24 (22-25) "Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!" 25 (22-26) Dit zal mijn danklied voor U zijn In de grote gemeente! Dan zal ik ook mijn belofte vervullen Aan hen, die Hem vrezen: 26 (22-27) De armen zullen eten, En worden verzadigd; Die Jahweh zoeken, zullen Hem loven. En hun hart zal eeuwig worden verkwikt. 27 (22-28) Alle grenzen der aarde zullen het gedenken, En zich tot Jahweh bekeren, Alle stammen der heidenen Hem aanbidden! 28 (22-29) Want Jahweh komt het koningschap toe, Hij is de Heerser der volken; 29 (22-30) Hem alleen moeten huldigen alle machten der aarde! Dan buigen zich ook voor Hem neer, die in het stof zijn gezonken, En geen leven meer hebben. 30 (22-31) Dan zal ook mijn zaad Hem dienen, En van den Heer gaan vertellen aan het volgend geslacht, 31 (22-32) Zijn goedheid verhalen aan het volk, dat nog geboren moet worden: Dat het Jahweh was, die het volbracht!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 23

1 Een psalm van David. Mijn Herder is Jahweh! het ontbreekt mij aan niets: 2 Hij laat mij rusten in groene beemden; 3 Hij voert mij naar vredige wateren, verkwikt mijn ziel, En leidt mij in het rechte spoor, om wille van zijn Naam. 4 Al moet ik door donkere krochten heen, Ik ben voor geen onheil bevreesd: Want Gij staat me bij, Uw staf en stok zijn mijn stut! 5 Gij bereidt mij een dis Voor het oog van mijn vijand; Met olie zalft Gij mijn hoofd, En mijn beker vloeit over. 6 Voorspoed en zegen zullen mij volgen Mijn leven lang; In het huis van Jahweh mag ik wonen In lengte van dagen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 24

1 Een psalm van David. Aan Jahweh behoort de aarde, met wat ze bevat, De wereld en die er op wonen; 2 Want Hij heeft ze op de zeeën gegrond, En geplant op de stromen. 3 Wie mag de berg van Jahweh bestijgen, Wie zijn heilige stede betreden? 4 Die rein is van handen, en zuiver van hart; In wiens ziel geen bedrog is, en die geen valse eden zweert. 5 Hij zal zegen van Jahweh ontvangen, En loon van den God van zijn heil: 6 Die behoort tot hen, die Jahweh vereren, En het aangezicht zoeken van Jakobs God. 7 Poorten, heft uw kroonlijsten op; Eeuwige posten, rekt u omhoog: De Koning der glorie gaat binnen! 8 Wie is de Koning der glorie? Jahweh, krachtig en sterk, Jahweh, de held in de strijd! 9 Poorten, heft uw kroonlijsten op; Eeuwige posten, rekt u omhoog: De Koning der glorie gaat binnen! 10 Wie is de Koning der glorie? Jahweh der heirscharen Is de Koning der glorie!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 25

1 Van David. Tot U verhef ik mijn ziel, O Jahweh, mijn God! 2 Op U blijf ik hopen; laat mij niet worden beschaamd, En den vijand niet de spot met mij drijven. 3 Neen, niemand die op U vertrouwt, wordt beschaamd; Alleen de afvalligen worden te schande. 4 Jahweh, toon mij uw wegen, En maak mij uw paden bekend; 5 Laat mij wandelen in uw waarheid, Onderricht mij, want Gij zijt de God van mijn heil. Op U blijf ik altijd vertrouwen, Om uw goedheid, o Jahweh! 6 Gedenk uw barmhartigheid, Jahweh; En uw ontferming, want ze zijn eeuwig! 7 Wees niet de zonden mijner jeugd en mijn fouten indachtig, Maar blijf mij gedenken naar uw genade. 8 Jahweh is goed en minzaam: Daarom wijst Hij de zondaars terecht. 9 De nederigen houdt Hij in het rechte spoor, Den eenvoudige toont Hij zijn pad; 10 Alle wegen van Jahweh zijn goedheid en trouw, Voor wie zijn Verbond en zijn Wet onderhoudt. 11 O Jahweh, om wille van uw Naam, Vergeef mij mijn schuld, hoe groot zij ook is. 12 Iedereen, die Jahweh vreest, Leert Hij, welke weg hij moet kiezen: 13 Hijzelf zal steeds in voorspoed leven, Zijn kinderen zullen het Land bezitten. 14 Jahweh’s vriendschap geldt hun, die Hem vrezen, Hij maakt hen deelachtig aan zijn Verbond. 15 Mijn ogen zijn altijd op Jahweh gericht; Want Hij trekt mijn voet uit de strikken. 16 Wend U tot mij, en wees mij genadig, Want ik ben eenzaam, ellendig. 17 Verlicht de druk van mijn hart, En bevrijd me van mijn benauwdheid! 18 Blik neer op mijn ellende en jammer, En vergeef mij al mijn zonden. 19 Zie, hoe talrijk mijn vijanden zijn, En hoe diep ze mij haten. 20 Behoed mij, en red mij; Laat mijn vertrouwen op U niet worden beschaamd! 21 Maar mogen onschuld en deugd mij beschermen; Want op U blijf ik hopen, o Jahweh! 22 (21b) Verlos Israël uit al zijn ellenden, o God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 26

1 Van David. Wees mijn Rechter, o Jahweh! Want mijn wandel is rein; Altijd heb ik op Jahweh vertrouwd, Nooit gewankeld! 2 Beproef mij, en toets mij, o Jahweh; Doorgrond mijn nieren en hart. 3 Want uw liefde houd ik voor ogen, En in uw waarheid heb ik geleefd; 4 Ik heb geen gemeenschap met veinzers, Met gluipers ga ik niet om; 5 Ik haat het gezelschap der bozen, En met slechtaards zit ik niet aan. 6 Maar ik was mijn handen in onschuld, En sta rond uw altaar, 7 O Jahweh, om U een loflied te zingen, En al uw wonderen te melden. 8 Jahweh, ik bemin het huis, waar Gij toeft, De woonplaats van uw heerlijkheid. 9 Werp mij niet weg met de zondaars, Mijn leven niet met moordenaars, 10 Aan wier handen misdaad kleeft, Wier rechterhand is omgekocht. 11 Neen, ik wandel in onschuld; Red mij dus, Jahweh, en wees mij genadig! 12 Mijn voet staat in de gerechtigheid vast; Ik zal U loven, o Jahweh, in de volle gemeente!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 27

1 Van David. Jahweh is mijn licht en mijn heil: Wien zou ik vrezen? Jahweh is de schuts van mijn leven: Wien zou ik duchten? 2 Al rukken de bozen tegen mij op, Om mijn vlees te verslinden Het zijn mijn verdrukkers en haters, Die struikelen en vallen! 3 Al stelt zich een krijgsmacht tegen mij op: Mijn hart kent geen vrees; Al ontbrandt ook de strijd tegen mij: Toch blijf ik gerust! 4 Eén ding heb ik Jahweh gevraagd, dit slechts begeerd: In het huis van Jahweh te wonen al de dagen mijns levens, Jahweh’s zoetheid te smaken, En in zijn tempel te overwegen! 5 Want in zijn tabernakel laat Hij mij schuilen In tijden van nood; Hij beschut mij onder het dek van zijn tent, En plaatst mij veilig op de Rots. 6 Zo hef ik fier mijn hoofd omhoog Boven mijn vijanden rondom mij heen, Breng in zijn tent de offers van jubel, Wil zingen en spelen voor Jahweh! 7 Jahweh, luister naar mijn smeken, Ontferm U mijner, en wil mij verhoren. 8 Gij hebt het toch zelf mij gezegd: "Ge moet mijn aangezicht zoeken!" 9 Nu zoek ik uw aanschijn, o Jahweh; Verberg het mij niet. Wijs uw dienaar niet af in uw gramschap: Gij zijt toch mijn hulp! Verstoot mij niet, verlaat mij niet, O God van mijn heil! 10 Neen, al verlaten mij vader en moeder, Jahweh trekt Zich mij aan. 11 Wijs mij, o Jahweh, uw weg, Geleid mij op het pad der deugd; En om wille van mijn verdrukkers, o Jahweh, 12 Geef mij niet prijs aan de haat van mijn vijand! Want valse getuigen staan tegen mij op, En brengen leugens tegen mij in. 13 O, als ik er eens niet zeker van was, Nog in het land der levenden Jahweh’s goedheid te zien! 14 Vertrouw maar op Jahweh; wees welgemoed! Sterk zij uw hart; blijf hopen op Jahweh!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 28

1 Van David. Tot U roep ik, Jahweh, mijn Rots! Ach, houd U voor mij niet doof: Opdat ik, als Gij blijft zwijgen, Niet gelijk word aan hen, die in het graf zijn gedaald. 2 Hoor, Jahweh, mijn zuchten, Nu ik tot U smeek, En mijn handen hef Naar uw heilige woning. 3 Werp mij niet weg met de bozen, Niet weg met de zondaars, Die lief doen tegen hun naaste, Maar met venijn in het hart. 4 Zet ze hun werken betaald, En hun schandelijk gedrag; Vergeld ze het werk hunner handen, En geef hun wat ze verdienen. 5 Want ze begrijpen niets van Jahweh’s daden, Niets van wat door zijn hand werd verricht; Daarom breekt Hij ze af, En bouwt ze niet op! 6 Geprezen zij Jahweh! Want Hij heeft mijn smeken gehoord; 7 Jahweh is mijn schuts en mijn schild. Als mijn hart op Hem hoopt, word ik zeker geholpen; Daarom jubelt mijn hart, en zegen ik Hem met mijn lied! 8 Jahweh is een schuts voor zijn volk, En voor zijn Gezalfde een machtige hulp. 9 Red dus uw volk en zegen uw erfdeel; Weid hen en leid hen voor eeuwig!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 29

1 Een psalm van David. Brengt Jahweh, zonen Gods, Brengt Jahweh glorie en lof. 2 Brengt Jahweh de eer van zijn Naam; Huldigt Jahweh in heilige feestdos! 3 De stem van Jahweh over de wateren! De God van majesteit, Jahweh, dondert over de onmetelijke plassen! 4 De stem van Jahweh vol kracht, De stem van Jahweh vol glorie! 5 De stem van Jahweh verbrijzelt de ceders, Jahweh slaat de ceders van de Libanon te pletter. 6 Als een kalf laat Hij de Libanon huppelen, De Sjirjon als het jong van een buffel. 7 De stem van Jahweh braakt vurige flitsen; En in zijn paleis roept iedereen: Glorie! 8 De stem van Jahweh laat de wildernis beven, Jahweh schokt de steppe van Kadesj; 9 De stem van Jahweh wringt eiken krom, En ontbladert de wouden. 10 Jahweh zetelt op de orkaan, Jahweh troont er als Koning voor eeuwig! 11 Jahweh geeft kracht aan zijn volk; Jahweh zegent zijn volk met de vrede!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 30

1 Een psalm. Een lied der tempelwijding. Van David. (30-2) Ik wil U prijzen, o Jahweh; want Gij trokt mij omhoog, Opdat mijn vijanden niet over mij juichen. 2 (30-3) Ik riep tot U: "O Jahweh, mijn God!" En Gij hebt mij genezen, o Jahweh! 3 (30-4) Gij trokt mij uit het dodenrijk op, Ten leven uit het midden van die in het graf zijn gezonken. 4 (30-5) Jahweh’s vromen, zingt Hem een lied, En verheerlijkt zijn heilige Naam: 5 (30-6) Want zijn toorn duurt maar een ogenblik, Zijn goedheid levenslang; ‘s Avonds komt er geween, Maar ‘s morgens is er weer vreugd. 6 (30-7) In zelfgenoegzaamheid had ik gezegd: "Nooit zal ik wankelen!" 7 (30-8) Neen, Jahweh, door uw goedheid alleen Hadt Gij kracht verleend aan mijn geest; Maar nauwelijks hadt Gij uw aanschijn verborgen, Of plotseling zonk ik ineen! 8 (30-9) Jahweh, toen riep ik U aan, En ik bad tot mijn Heer: 9 (30-10) "Wat kan mijn verstomming U baten, En dat ik zink in het graf; Kan het stof U soms loven, En uw trouw nog verkonden?" 10 (30-11) En Jahweh heeft het gehoord, en Zich mijner ontfermd; Jahweh heeft mij geholpen. 11 (30-12) Gij hebt mijn gejammer in een reidans veranderd, Mijn rouwkleed verscheurd, met vreugd mij omgord: 12 (30-13) Opdat mijn geest U zou prijzen, en nooit meer zou zwijgen, U eeuwig zou loven, o Jahweh, mijn God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 31

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Tot U neem ik mijn toevlucht, o Jahweh, (31-2) Laat mij nooit beschaamd komen staan. Geef mij uitkomst door uw genade, 2 (31-3) Hoor mij aan, en red mij snel! Wees mij een veilige rots, Een veste, om mij te redden; 3 (31-4) Want Gij zijt mijn steun en mijn sterkte, Om wille van uw Naam. Gij zijt mijn gids en mijn leider, 4 (31-5) En bevrijdt mij uit het net, dat men mij had gespannen; Want Gij zijt mijn toevlucht, 5 (31-6) In úw handen beveel ik mijn geest. Gij verlost mij, Jahweh, trouwe God, 6 (31-7) Maar Gij haat, die op nietige afgoden hopen. Neen, ik blijf op Jahweh vertrouwen, 7 (31-8) Wil juichen en jubelen in uw genade. Want Gij ziet mijn ellende, En kent de angst van mijn ziel. 8 (31-9) Neen, Gij geeft mij niet prijs aan de macht van den vijand, Maar zet mijn voeten op veilige grond. 9 (31-10) Ach Jahweh, ontferm U over mij, Want het is mij zo bang om het hart; Van verdriet kwijnt mijn oog, Mijn ziel en mijn lichaam. 10 (31-11) Mijn leven vliedt in jammer heen, In kermen mijn jaren; Mijn kracht is gebroken door mijn ellende, Mijn gebeente verdord. 11 (31-12) Voor al mijn vijanden Ben ik een spot; Voor mijn buren een afschuw, Voor bekenden een schrik. Die mij op straat ziet, Vlucht voor mij weg; 12 (31-13) Als een dode ben ik uit de harten verbannen, Weggegooid als een pot. 13 (31-14) Ik hoor ze met elkander al fluisteren; Overal schrik om mij heen! Ze steken de hoofden bijeen, En smeden plannen, om mij te doden. 14 (31-15) Maar ik blijf op U hopen, o Jahweh, En zeggen: Gij zijt mijn God! 15 (31-16) Mijn lot blijft in uw handen liggen; Verlos mij van mijn vijand en vervolgers. 16 (31-17) Laat uw aanschijn lichten over uw dienaar; Red mij door uw genade. 17 (31-18) Jahweh, laat mij toch niet beschaamd komen staan: Want U roep ik aan. Neen, laat de bozen worden beschaamd en in het dodenrijk varen; 18 (31-19) Laat de leugenlippen verstommen, Die den gerechte durven tergen Met trots en verachting. 19 (31-20) Hoe groot is uw goedheid, o Jahweh, Die Gij hebt weggelegd voor hen, die U vrezen, Die Gij bewijst aan wie tot U vluchten, Voor het oog aller mensen. 20 (31-21) Gij beschermt ze in de schuts van uw aanschijn Voor het sarren der mensen; Gij stelt ze veilig in uw tent Voor het kijven der tongen. 21 (31-22) Gezegend zij Jahweh! Want Hij heeft wonderen verricht Van zijn goedheid voor mij Ten tijde van nood. 22 (31-23) Ik had in mijn angst al gezegd: "Ik ben uit uw ogen verstoten!" Maar Gij hebt mijn smeken verhoord, Toen ik om hulp tot U riep. 23 (31-24) Hebt Jahweh dus lief Gij allen, zijn vromen; Want Jahweh behoedt de getrouwen, Maar met woeker vergeldt Hij de trotsen. 24 (31-25) Houdt moed, weest onverschrokken van hart, Gij allen, die op Jahweh hoopt!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 32

1 Van David; een leerdicht. Gelukkig hij, wiens schuld is vergeven, Wiens zonde is bedekt; 2 Gelukkig de mens, wiens misdaad Jahweh niet langer gedenkt, In wiens geest geen onoprechtheid meer woont. 3 Zolang ik bleef zwijgen, werd mijn gebeente verteerd Door mijn kreunen heel de dag; 4 Want uw hand drukte dag en nacht op mij neer, En mijn merg droogde weg in verschroeiende gloed. 5 Maar toen ik U mijn zonde beleed, Mijn schuld niet verheelde, En sprak: "Ik wil Jahweh mijn misdaad bekennen"; Toen hebt Gij de schuld mijner zonde vergeven. 6 Daarom moeten alle vromen U om vergiffenis smeken, Zolang Gij U nog vinden laat; Dan zullen bij de stortvloed de onstuimige wateren Hèn niet bereiken. 7 Gij zijt mijn schutse, en behoedt mij voor rampspoed, Gij omringt mij met jubel van heil! 8 Nu wil ik u onderricht geven, De weg wijzen, die ge moet gaan; Ik wil u raden, En mijn oog op u richten. 9 Wees niet als paarden Of muilezels zonder verstand, Die men moet mennen met toom en gebit, Of ze gehoorzamen niet. 10 Veel kommer valt den boze ten deel, Maar de genade omringt wie op Jahweh vertrouwt. 11 (10b) Verblijdt u in Jahweh en jubelt, gij vromen, Juicht allen, oprechten van hart!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 33

1 Gij rechtvaardigen, heft Jahweh een jubelzang aan; De psalm is een lust voor de vromen! 2 Looft Jahweh met citers, Bespeelt voor Hem de tiensnarige harp; 3 Stemt een nieuw lied voor Hem aan, Tokkelt de lieren, lustig en luid! 4 Want Jahweh’s woord is waarachtig, Onveranderlijk al zijn daden. 5 Gerechtigheid en recht heeft Hij lief; Van Jahweh’s goedheid is de aarde vol. 6 Door het woord van Jahweh zijn de hemelen gemaakt, Door de adem van zijn mond heel hun heir; 7 Hij verzamelde het water der zee in een zak, Legde de oceanen in schuren op. 8 Heel de aarde moet Jahweh vrezen, Al de bewoners der wereld Hem duchten. 9 Want Hij sprak: en het was; Hij gebood: en het stond. 10 De raadslagen der volken gooit Jahweh omver, Hij verijdelt de plannen der naties; 11 Maar Jahweh’s raadsbesluit staat in eeuwigheid vast: Wat zijn hart heeft bedacht, van geslacht tot geslacht. 12 Gelukkig de natie, die Jahweh tot God heeft, Het volk, dat Hij Zich tot erfdeel verkoos! 13 Jahweh ziet neer uit de hemel, Richt zijn blik op alle kinderen der mensen. 14 Hij let van de plaats, waar Hij troont, Op alle bewoners der aarde: 15 Hij, die aller hart heeft geschapen, En al hun daden doorgrondt. 16 Geen koning overwint door de macht van zijn heir, Geen held wordt gered door geweldige kracht; 17 Ook het ros kan de zege niet schenken, Door zijn grote snelheid niet redden. 18 Maar het oog van Jahweh rust op hen, die Hem vrezen, En die op zijn goedheid vertrouwen: 19 Om ze te redden van de dood, Ze in het leven te houden bij hongersnood. 20 Onze ziel blijft opzien tot Jahweh: Hij is onze hulp en ons schild; 21 In Hem verheugt zich ons hart, Wij vertrouwen op zijn heilige Naam. 22 Uw genade, o Jahweh, dale over ons neer, Naarmate wij op U blijven hopen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 34

1 Van David, toen hij zich voor Abimé als een krankzinnige had aangesteld, door hem was weggejaagd, en was heengegaan. (34-2) Altijd wil ik Jahweh prijzen, Steeds trilt zijn lofzang in mijn mond. 2 (34-3) Mijn ziel zal roemen in Jahweh; Bedrukten zullen het horen, en juichen. 3 (34-4) Verheerlijkt Jahweh met mij, Laat ons te zamen zijn Naam verheffen: 4 (34-5) Ik heb Jahweh gesmeekt; Hij heeft mij verhoord, En mij van al mijn angsten bevrijd. 5 (34-6) Ziet naar Hem op, dan straalt gij van vreugde, En uw gelaat zal niet blozen van schaamte. 6 (34-7) Hier is een rampzalige, die om hulp heeft geroepen: Jahweh heeft hem gehoord, en van al zijn ellende verlost. 7 (34-8) De engel van Jahweh slaat zijn legerplaats op Rond die Hem vrezen, om ze te redden! 8 (34-9) Smaakt en beseft dan de goedheid van Jahweh; Gelukkig de man, die zijn hoop op Hem stelt. 9 (34-10) Vreest Jahweh, zijn vromen, Want die Hem duchten, ontbreekt het aan niets; 10 (34-11) Rijken kunnen verarmen en hongeren, Die Jahweh zoekt, komt niets te kort. 11 (34-12) Komt nu, kinderen, en luistert naar mij! Ik leer u, hoe men Jahweh moet vrezen, 12 (34-13) En wie het is, die van het leven geniet, Lengte van dagen zich wenst, om het goede te zien: 13 (34-14) Bewaar uw tong voor het kwaad, En uw lippen voor leugen; 14 (34-15) Vlucht het kwaad, doe enkel wat goed is; Zoek de vrede, en jaag hem na! 15 (34-16) De ogen van Jahweh zijn op de vromen gericht, Zijn oren naar hun smeken gekeerd; 16 (34-17) Maar Jahweh’s aanschijn blikt grimmig tegen de bozen, Om hun gedachtenis van de aarde te delgen. 17 (34-18) De vromen roepen, en Jahweh verhoort hen, En verlost ze van al hun ellende; 18 (34-19) Gebroken harten blijft Jahweh nabij, Vermorzelde zielen komt Hij te hulp. 19 (34-20) Hoe talrijk de rampen van den rechtvaardige ook zijn, Jahweh redt hem er uit; 20 (34-21) Jahweh is voor al zijn beenderen bezorgd, Niet één daarvan wordt gebroken. 21 (34-22) De zonde brengt den boze de dood, En wie den rechtvaardige haat, moet het boeten. 22 (34-23) Maar zijn dienaars spaart Jahweh het leven; Wie tot Hem vlucht, zal het nimmer berouwen.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 35

1 Van David. Bestrijd, o Jahweh, die mij bestrijden, Kamp tegen hen, die mij bekampen! 2 Grijp schild en beukelaar, Sta op, mij te hulp; 3 Trek speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, Zeg tot mijn ziel: "Uw redding ben Ik!" 4 Laat smaad en schande hen treffen, die mijn leven belagen, Vol schaamte vluchten, die boze plannen tegen mij smeden. 5 Ze mogen worden als kaf voor de wind, Wanneer de Engel van Jahweh ze opjaagt; 6 Hun weg zij donker en glad, Wanneer de Engel van Jahweh ze nazet. 7 Want zonder reden hebben ze mij hun netten gespannen, Zonder aanleiding een kuil mij gegraven. 8 Moge hem de ondergang treffen, Eer hij het weet; Laat het net, dat hij spande, hem vangen, Laat hem vallen in zijn eigen kuil! 9 Dan zal mijn ziel in Jahweh juichen, Zich over mijn redding verheugen; 10 En heel mijn gebeente zal zeggen: "Jahweh, wie is U gelijk? Gij beschermt den zwakke tegen den sterke, Den zwakke en arme tegen zijn berovers!" 11 Ze staan tegen mij op Als valse getuigen; En wat ik mij niet ben bewust, Brengen ze tegen mij in. 12 Goed met kwaad vergelden ze mij, En leggen het op mijn leven aan. 13 En toch, toen zìj ziek lagen, Trok ik het boetekleed aan, Putte mij door vasten uit, En het gebed was niet weg uit mijn hart; 14 Ik liep rond, als gold het mijn broer of mijn vriend, Onder droefheid gebukt, als in rouw voor mijn moeder. 15 Maar nu ik zelf dreig te vallen, worden ze vrolijk, Lopen te hoop en scholen tegen mij samen; Als vreemden, die ik niet ken, Gaan ze tegen mij schelden, 16 Honen mij met bittere spot, En knarsetanden tegen mij. 17 Hoe lang nog, o Heer, Zult Gij dit aanzien? Verlos mij toch van hun brullen, Het enige, dat mij nog rest, uit de macht van de leeuwen! 18 Dan zal ik U loven in de grote gemeente, Voor een talloze schare U prijzen. 19 Laat toch mijn valse vijand niet om mij lachen, Geen knipoogjes geven, die mij onverdiend haten. 20 Want nooit spreken ze woorden van vrede, Doch verzinnen maar leugens tegen het vreedzame volk; 21 Ze zetten een grote mond tegen mij op, En zeggen: Ha, ha! We hebben het met eigen ogen gezien! 22 Jahweh! Gìj hebt het gezien; blijf niet zwijgen! Heer; houd U niet verre van mij! 23 Ontwaak en sta op, om mij recht te verschaffen, Om mij te verdedigen, mijn God en mijn Heer. 24 Schaf mij recht naar uw gerechtigheid, Jahweh, mijn God; Laat ze niet over mij juichen. 25 Laat ze niet denken: "Ha, nu zijn wij tevreden!" Niet zeggen: "We hebben hem onder de voet!" 26 Neen, laat ze allen blozen van schaamte, Die zich vrolijk maken over mijn ongeluk; Met smaad en schande worden bedekt, Die een hoge toon tegen mij aanslaan. 27 Maar mogen juichen en jubelen Die van mijn goed recht zijn doordrongen; Zonder ophouden zeggen: "Jahweh is groot, Die enkel het heil van zijn dienaar beoogt!" 28 Dan zal mijn tong uw gerechtigheid prijzen, En elke dag uw lof verbreiden.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 36

1 Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh. (36-2) De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen. 2 (36-3) Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat. 3 (36-4) Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen; 4 (36-5) Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad. 5 (36-6) Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw; 6 (36-7) Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh; 7 (36-8) Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen; 8 (36-9) Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten. 9 (36-10) Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht. 10 (36-11) Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart; 11 (36-12) Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan. 12 (36-13) Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 37

1 Van David. Wees niet afgunstig op zondaars, En benijd de boosdoeners niet; 2 Want snel versmachten zij als gras, Verkwijnen als het groen gewas. 3 Vertrouw op Jahweh, doe enkel wat goed is, Blijf in het land en wees trouw; 4 Dan zult gij uw vreugde in Jahweh vinden, En Hij schenkt u wat uw hart maar begeert. 5 Laat Jahweh uw weg maar bestieren, Verlaat u op Hem: Hij zal hem banen; 6 Als de dageraad doet Hij uw gerechtigheid stralen, En als de middagzon uw recht. 7 Berust in Jahweh, En blijf op Hem hopen. Benijd niet den man, wien het goed gaat, Ofschoon hij bedriegt. 8 Word niet toornig en maak u niet boos, Wind u niet op: gij maakt het maar erger; 9 Want de zondaars worden vernietigd, Maar die op Jahweh vertrouwen, bezitten het Land! 10 Een ogenblik maar: en de zondaar is er niet meer; Gij zoekt naar zijn plaats: hij is weg. 11 Maar de rechtschapenen bezitten het Land, En genieten een heerlijke vrede. 12 De zondaar belaagt den rechtvaardige, En knarst tegen hem op zijn tanden; 13 Maar de Heer lacht hem uit, Want Hij ziet zijn Dag al nabij. 14 De bozen trekken hun zwaard en spannen hun boog, Om ongelukkigen en armen te doden, en vromen te slachten; 15 Maar het zwaard dringt in hun eigen hart, En hun bogen worden gebroken. 16 Beter het weinige, dat de rechtvaardige heeft, Dan de geweldige rijkdom der bozen; 17 Want de arm der bozen wordt gebroken, Maar voor de rechtvaardigen is Jahweh een stut. 18 Jahweh zorgt voor de dagen der vromen, En hun erfdeel blijft eeuwig bijeen; 19 Ze staan niet verlegen in tijden van rampspoed, Maar worden verzadigd bij hongersnood. 20 Maar de goddelozen gaan zeker te gronde, En hun kinderen bedelen om brood; Jahweh’s vijanden vergaan als de glorie der velden, En verdwijnen als rook. 21 De boze moet lenen, en kan niet betalen, De gerechte kan mild zijn en geven; 22 Want wien Hij zegent, bezit het Land, Maar wien Hij vervloekt, wordt vernietigd. 23 Jahweh leidt de schreden der mensen, Hij richt overeind, wiens gedrag Hem behaagt; 24 En mocht hij al wankelen, toch zal hij niet vallen, Want Jahweh houdt hem bij de hand. 25 Ik was jong, en nu ben ik oud: Maar nooit heb ik een vrome verlaten gezien; 26 Steeds kan hij nog mild zijn en aan anderen lenen, Zijn nageslacht tot zegen zijn. 27 Houd u ver van het kwaad, en doe enkel wat goed is, Dan woont gij veilig voor eeuwig; 28 Want Jahweh heeft de gerechtigheid lief, En nimmer verlaat Hij zijn vromen. De bozen worden voor eeuwig vernietigd, En het geslacht van de zondaars vergaat; 29 Maar de rechtvaardigen bezitten het Land, En blijven er altijd in wonen. 30 De mond van den rechtvaardige verkondigt de wijsheid, En zijn tong spreekt wat recht is. 31 Hij draagt de Wet van zijn God in zijn hart; Nooit wankelen zijn schreden. 32 De boze loert op den vrome, En zoekt hem te doden; 33 Maar Jahweh laat hem niet in zijn macht, En duldt geen veroordeling, als men hem richt. 34 Blijf op Jahweh vertrouwen, En bewandel zijn wegen; Dan stelt Hij u in het bezit van het Land, En zult gij de verdelging der zondaars aanschouwen. 35 Ik heb een zondaar gezien in zijn vermetele trots, Hoog als een Libanon-ceder; 36 Ik ging voorbij: zie, hij was er niet meer; Ik zocht hem, hij was niet te vinden. 37 Geef acht op den vrome en let op den brave: Het kroost van dien man leeft in vrede; 38 Maar de zondaars gaan allen te gronde, De kinderen der bozen worden vernietigd. 39 Jahweh is het heil van de vromen, Hun toevlucht in tijden van nood; 40 Jahweh helpt en beschermt hen tegen de bozen, Hij redt hen, als ze vluchten tot Hem!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 38

1 Van David; bij het herinneringsoffer. (38-2) Jahweh, tuchtig mij niet in uw toorn, Kastijd mij niet in uw gramschap: 2 (38-3) Want uw pijlen hebben mij getroffen, Uw hand drukt zwaar op mij neer. 3 (38-4) Er is geen gezonde plek aan mijn vlees om uw toorn, Niets gaafs aan mijn gebeente om mijn zonden; 4 (38-5) Want mijn misdaden stapelen zich op mijn hoofd, En drukken mij neer als een loodzware last. 5 (38-6) Mijn wonden stinken en dragen Om mijn verdwazing; 6 (38-7) Ik ga gebukt en geknakt, Loop heel de dag maar treurend rond. 7 (38-8) Mijn lenden zijn aan alle kanten ontstoken, Geen gezonde plek aan mijn vlees; 8 (38-9) Ik ben uitgeput en gebroken, En snik het uit door het gekerm van mijn hart. 9 (38-10) Heer, al mijn jammeren is U bekend, Mijn zuchten voor U niet verborgen; 10 (38-11) Wild bonst mijn hart, de kracht ontzinkt mij, Zelfs het licht van mijn ogen is heen. 11 (38-12) Mijn vrienden en makkers keren zich af om mijn plagen, En mijn verwanten staan op een afstand te spotten; 12 (38-13) Die mijn leven belagen en mijn ongeluk zoeken, Bespreken mijn val, en belasteren mij de hele dag. 13 (38-14) Maar ik ben als een dove, die het niet hoort, Als een stomme, die zijn mond niet opent, 14 (38-15) Als een man, die niet luistert, En wiens mond geen antwoord meer weet. 15 (38-16) Neen, Jahweh, ik verlaat mij op U: Antwoord Gij, mijn Heer en mijn God; 16 (38-17) Want ik vrees, dat men zich vrolijk over mij maakt, Een grote mond tegen mij zet, nu mijn voeten wankelen. 17 (38-18) Ja, ieder ogenblik dreig ik te vallen, Mijn ellende staat mij steeds voor de geest; 18 (38-19) Want ik moet wel mijn misdaad bekennen, En bekommerd zijn over mijn schuld. 19 (38-20) En machtig zijn ook, die zonder reden mijn vijanden zijn, Talrijk, die mij onverdiend haten, 20 (38-21) Die goed vergelden met kwaad, Mij ondanks mijn beste bedoeling bestrijden. 21 (38-22) Jahweh, verlaat mij dus niet; Mijn God, blijf niet verre van mij! 22 (38-23) Kom mij spoedig te hulp, Mijn Heer en mijn Heil!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 39

1 Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen: een psalm van David. (39-2) Ik had wel gezegd: "Goed wil ik op mijn woorden letten, Om niet te zondigen met mijn tong; Mijn mond beteugelen, Als de boze er bij staat." 2 (39-3) Ik zweeg, bleef sprakeloos en stom, Hoe fel mijn smart ook mocht zijn. 3 (39-4) Maar nu kookt mijn hart in mijn boezem over, En als ik er aan denk, laait het vuur in mij op. Nu snik ik het uit: 4 (39-5) Jahweh, laat mij mijn einde maar zien; Ik wil weten, hoeveel tijd mij nog rest, En wanneer het met mij is gedaan! 5 (39-6) Zie, Gij hebt mijn dagen een paar handbreedten lengte gegeven, En de duur van mijn leven is voor U als niets; 6 (39-7) Iedere mens is enkel een zucht, En als een schaduwbeeld wandelt hij rond; Voor niets maakt hij zich druk en verzamelt zich schatten, Zonder te weten, wie ze zal krijgen. 7 (39-8) Wat zou ik dan nog verwachten, o Heer! Alleen op U kan ik nog hopen! 8 (39-9) Verlos mij van al mijn zonden, En maak mij niet tot spot voor den dwaas. 9 (39-10) Ik zwijg, en doe mijn mond niet open: Want Gij zelf deedt het mij aan. 10 (39-11) Ach, neem uw plaag van mij weg, Want ik bezwijk onder de druk van uw hand. Alleen om de zonde te straffen, 11 (39-12) Slaat Gij den mens, Verteert Gij als de motten zijn glorie, En is iedere mens maar een zucht. 12 (39-13) Jahweh, hoor mijn gebed en luister naar mijn smeken, Zwijg niet stil bij mijn tranen; Want ik ben toch uw gast, En bij U op bezoek als al mijn vaderen. 13 (39-14) Houd op; opdat ik nog vreugde mag hebben, Eer ik heenga, en er niet meer zal zijn!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 40

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (40-2) Vol vertrouwen heb ik op Jahweh gehoopt; Hij boog tot mij neer, en verhoorde mijn smeken. 2 (40-3) Hij trok mij uit de poel van bederf, uit modder en slijk, Zette mijn voeten op een rots, en gaf mij weer een vaste stap: 3 (40-4) Hij legde een nieuw lied in mijn mond, Een jubelzang voor onzen God! Mogen velen het zien vol ontzag, En met vertrouwen op Jahweh worden vervuld! 4 (40-5) Gelukkig de man, die op Jahweh vertrouwt, En zich niet tot monsters wendt en tot valse gedrochten. 5 (40-6) Ontzaglijke wonderen hebt Gij gewrocht, O Jahweh, mijn God; En in uw raadsbesluiten over ons Kan niemand zich met U meten. Ik zou ze willen verhalen en melden, Maar ze zijn niet te tellen. 6 (40-7) Slacht- en spijsoffers wilt Gij niet, Maar Gij hebt mij de oren geopend; Brand- en zoenoffers eist Gij niet, 7 (40-8) Daarom zeg ik: "Zie, ik kom!" In de boekrol staat mij voorgeschreven, 8 (40-9) Uw wil te volbrengen: Mijn God, dit is mijn hartewens, En in mijn boezem draag ik uw Wet. 9 (40-10) Uw goedertierenheid heb ik verkondigd In de grote gemeente; Ik hield mijn lippen niet gesloten, Jahweh, Gij weet het! 10 (40-11) Uw gerechtigheid verborg ik niet in mijn hart, Uw trouw en hulp sprak ik openlijk uit; Uw liefde en gunst heb ik nimmer verzwegen Voor de talloze schare! 11 (40-12) Jahweh, onthoud mij nu ook uw barmhartigheid niet, Maar laat uw liefde en gunst mij altijd behoeden. 12 (40-13) Want van alle kanten omringen mij rampen: Ik kan ze niet tellen; Mijn zonden hebben mij achterhaald: Ik kan ze niet overzien; Ze zijn talrijker dan het haar op mijn hoofd, Zodat de moed mij ontzinkt. 13 (40-14) Gewaardig U, Jahweh, mij te verlossen; Jahweh, snel mij te hulp! 14 (40-15) Laat smaad en ontering hen treffen, Die mijn leven belagen; Laat ze vluchten met schande, Die zich vrolijk over mijn ongeluk maken, 15 (40-16) En verstarren van schaamte, Die tot mij roepen: "Ha, ha!" 16 (40-17) Maar in U mogen jubelen en juichen, Al die U zoeken; Zonder ophouden zeggen: "Jahweh is groot!" Die verlangend zijn naar uw heil. 17 (40-18) Ik ben wel ellendig en arm, Maar de Heer zal mijner gedenken. Gij zijt mijn helper en redder: Toef niet, mijn God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 41

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (41-2) Heil, die bezorgd is voor zwakken en armen: Op de dag van rampspoed zal Jahweh hem redden. 2 (41-3) Jahweh behoedt en behoudt hem, maakt hem gelukkig op aarde, En geeft hem niet prijs aan de haat van zijn vijand. 3 (41-4) Jahweh zal hem op zijn ziekbed verkwikken, En zijn lijdenssponde verlichten. 4 (41-5) Ik bid wel: "Jahweh, wees mij genadig; Genees mijn ziel, want ik heb gezondigd tegen U!" 5 (41-6) Maar mijn vijand verwenst mij: "Wanneer gaat hij dood, en verdwijnt ook zijn naam!" 6 (41-7) En komt er een op bezoek, dan huichelt zijn hart, Verzint hij leugens, en gaat ze buiten vertellen. 7 (41-8) Al die mij haten, smoezelen onder elkander, En denken het ergste van mij: 8 (41-9) "Een helse pest kleeft hem aan; Waar hij ligt, blijft hij liggen!" 9 (41-10) Zelfs mijn vriend, op wien ik vertrouwde, En die mijn brood heeft gegeten, heft de hiel tegen mij op. 10 (41-11) Maar wees Gij mij genadig, o Jahweh; Richt mij weer op, om het hun te vergelden. 11 (41-12) Hieraan erken ik, dat Gij mij bemint: Als mijn vijand niet over mij juicht, 12 (41-13) Maar als ik gezond word, en Gij mij behoudt, En mij eeuwig voor uw aangezicht plaatst. 13 (41-14) Geloofd zij Jahweh, lsraëls God Van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen, Amen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 42

1 Voor muziekbegeleiding. Een leerdicht; van de zonen van Kore. (42-2) Zoals een hert smacht naar de stromende wateren. Zo smacht mijn ziel naar U, o God! 2 (42-3) Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God: Wanneer mag ik opgaan, en Gods aanschijn aanschouwen? 3 (42-4) Dag en nacht zijn de tranen mijn brood, Omdat mij almaar gezegd wordt: "Waar blijft toch uw God!" 4 (42-5) Ik denk er met diepe weemoed aan terug, Hoe ik optrok in vorstelijke stoet naar Gods huis, Onder gejuich en gejubel En het gejoel van de schare. 5 (42-6) Mijn ziel, wat zijt gij bedroefd, En wat kreunt gij in mij? Vertrouw toch op God: Dan zal ik Hem eens mogen danken Als mijn Helper en God! 6 (42-7) Mijn ziel is bedroefd, daarom denk ik aan U terug, In het land van Jordaan en Hermon en in het lage gebergte. 7 (42-8) Afgrond dreunt tegen afgrond door het gebruis van uw stromen. Al uw golven en baren slaan over mij heen. 8 (42-9) Overdag blijf ik uitzien naar Jahweh om zijn genade, ‘s Nachts klinkt mijn lied als een gebed tot den levenden God. 9 (42-10) Ik zeg tot mijn God en mijn Rots: "Waarom zijt Gij mij vergeten; Waarom ga ik in rouw door de druk van mijn vijand?" 10 (42-11) De hoon van mijn haters schrijnt als een steek in mijn beenderen, Omdat mij almaar gezegd wordt: "Waar blijft toch uw God!" 11 (42-12) Mijn ziel, wat zijt gij bedroefd, En wat kreunt gij in mij? Vertrouw toch op God: Dan zal ik Hem eens mogen danken Als mijn Helper en God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 43

1 God, schaf mij recht, kom tegen een goddeloos volk voor mij op, 2 Verlos mij van den man van leugen en misdaad. Gij zijt toch mijn toevlucht, o God! Waarom verstoot Gij mij dan; Waarom ga ik in rouw door de druk van mijn vijand? 3 Zend uw licht en uw trouw: Zij zullen mij leiden, En voeren naar uw heilige berg en uw woning. 4 Dan zal ik naar Gods altaar mogen gaan, Naar den God mijner jubelende vreugde; En met de citer U loven, Mijn Heer en mijn God! 5 Mijn ziel, wat zijt gij bedroefd, En wat kreunt gij in mij? Vertrouw toch op God: Dan zal ik Hem eens mogen danken Als mijn Helper en God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 44

1 Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een leerdicht. (44-2) O God, wij hebben het met eigen oren gehoord, Onze vaderen hebben het ons verteld, Wat Gij gedaan hebt in hun dagen, Met eigen hand in vroeger tijd. 2 (44-3) Naties hebt Gij uitgeroeid om hèn te planten, Volkeren geveld, om hèn te doen groeien. 3 (44-4) Neen, niet met hun zwaard namen zij bezit van het Land, Niet hun arm bracht hun zege: Maar het was uw rechterhand en uw arm En het licht van uw aanschijn, omdat Gij ze lief hadt. 4 (44-5) Gij waart het, mijn Koning en God, Die Jakob de zege verleende; 5 (44-6) Met úw hulp sloegen wij onze vijanden neer, Door úw Naam trapten wij onze haters tegen de grond; 6 (44-7) Neen, ik heb niet vertrouwd op mijn boog, En mijn zwaard kon de zege niet schenken. 7 (44-8) Maar Gij hebt ons van onze verdrukkers verlost, En onze haters te schande gemaakt; 8 (44-9) In God mochten we steeds blijven roemen, En uw Naam in eeuwigheid prijzen! 9 (44-10) Maar nú hebt Gij ons verstoten, ons te schande gemaakt, En trekt niet meer met onze heirscharen op; 10 (44-11) Gij laat ons vluchten voor onze verdrukkers, En onze haters roven ons leeg! 11 (44-12) Gij levert ons als slachtvee uit, En verstrooit ons onder de naties; 12 (44-13) Verkoopt uw volk voor een spotprijs, En geeft het bijna voor niet! 13 (44-14) Gij maakt ons tot smaad onzer buren, Tot spot en hoon voor die ons omringen; 14 (44-15) Gij laat de heidenen over ons schimpen, De volkeren meewarig het hoofd over ons schudden. 15 (44-16) Mijn schande staat mij altijd voor ogen, En de schaamte bedekt mijn gelaat, 16 (44-17) Om de praatjes van schimper en spotter, Om de blik van vijand en hater. 17 (44-18) En dit alles trof ons, ofschoon wij U niet hebben vergeten, En uw Verbond niet hebben verbroken. 18 (44-19) Ons hart is niet afvallig geworden, Onze schreden dwaalden niet af van uw pad; 19 (44-20) Toch hebt Gij ons naar het oord der jakhalzen verwezen, En ons met de schaduw des doods overdekt. 20 (44-21) Of, hadden wij de Naam van onzen God soms vergeten, Onze handen naar vreemde goden geheven: 21 (44-22) Zou God het misschien niet hebben geweten, Hij, die de hartsgeheimen doorgrondt? 22 (44-23) Neen, om Uwentwil blijft men ons wurgen, En worden wij als slachtvee behandeld! 23 (44-24) Sta op dan; waarom zoudt Gij slapen, o Heer! Ontwaak; blijf ons niet altijd verstoten! 24 (44-25) Waarom zoudt Gij uw aanschijn verbergen, Onze nood en ellende vergeten? 25 (44-26) Want onze ziel ligt gebukt in het stof, En ons lichaam kleeft vast aan de grond. 26 (44-27) Sta op, ons te hulp! Red ons om wille van uw genade!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 45

1 Voor muziekbegeleiding; op de wijze van: "Leliën" Van de zonen van Kore; een minnelied. (45-2) Een heerlijk lied ontwelt aan mijn hart, Ik wil den Koning mijn zang doen horen; Mijn tong is als een vlotte pen: 2 (45-3) Gij zijt de schoonste onder de kinderen der mensen, Aanminnigheid ligt op uw lippen, Zo heeft God U voor eeuwig gezegend. 3 (45-4) Gord uw zwaard om de heupen, o held, Omkleed U met glorie en luister; 4 (45-5) Vol moed op uw ros voor waarheid, onschuld en recht! Uw rechterhand lere U machtige daden; 5 (45-6) Scherp zijn uw pijlen: volkeren liggen onder uw voet, ‘s Konings vijanden ontzinkt de moed! 6 (45-7) Uw troon staat vast in de eeuwen der eeuwen, Uw koningsschepter is een schepter van recht; 7 (45-8) Gij hebt de gerechtigheid lief, maar haat de boosheid. Daarom heeft Jahweh, uw God, U gezalfd Met vreugde-olie als geen uwer broeders; 8 (45-9) Al uw kleren geuren van mirre, aloë en laurier. Uit ivoren paleizen juichen de harpen U toe, 9 (45-10) Koningsdochters staan onder uw schonen; Daar treedt de Koningin aan uw rechter in ofir-brocaat! 10 (45-11) Hoor, Dochter! Zie, en neig uw oor, Vergeet uw volk en het huis van uw vader: 11 (45-12) Laat de Koning uw schoonheid begeren; Breng Hem uw hulde, want Hij is uw Heer! 12 (45-13) Dan komt de dochter van Tyrus tot U met geschenken, En zoeken de rijkste volken uw gunst. 13 (45-14) Enkel lieftalligheid ligt op het gelaat der koninklijke Dochter, Met goud doorweven is haar ornaat; 14 (45-15) Over bonte tapijten wordt zij voor den Koning geleid, Als bruidsmeisjes volgen haar de vriendinnen; 15 (45-16) En onder gejuich en gejubel Trekken zij in het paleis van den Koning! 16 (45-17) Dan worden in plaats van uw vaderen U zonen geboren, En Gij stelt ze over heel de aarde tot koningen aan. 17 (45-18) Zij zullen uw Naam doen gedenken Van geslacht tot geslacht; En volken zullen U prijzen Voor eeuwig en immer!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 46

1 Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore. Met sopraanstemmen. Een lied. (46-2) God is onze toevlucht en sterkte Een machtige hulp in de nood: 2 (46-3) Dus vrezen wij niets, al wordt de aarde uit haar voegen gerukt, En schudden de bergen in het diepst van de zee; 3 (46-4) Al bruisen en schuimen haar wateren, En rillen de bergen door haar geweld! Jahweh der heirscharen is met ons, Onze burcht is Jakobs God! 4 (46-5) Een vloed met zijn stromen brengt de Godsstad in vreugde, De heilige stede van den Allerhoogste. 5 (46-6) God is daarbinnen, nooit zal zij wankelen; God zal haar helpen, als de dageraad komt: 6 (46-7) Al woeden de volken, al wankelen de staten, Al beeft de aarde door de stem van zijn donder! 7 (46-8) Jahweh der heirscharen is met ons, Onze burcht is Jakobs God! 8 (46-9) Komt dan, en ziet de werken van Jahweh, Die wonderen op de aarde wrocht: 9 (46-10) Die de oorlogen bant buiten de grenzen der aarde, De bogen breekt, de lansen vernielt, de wagens verbrandt. 10 (46-11) Houdt op! Erkent, dat Ik God ben, Hoog boven de volkeren, verheven op aarde! 11 (46-12) Jahweh der heirscharen is met ons, Onze burcht is Jakobs God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 47

1 Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een psalm. (47-2) Volkeren, klapt allen in de handen; Juicht en jubelt ter ere van God! 2 (47-3) Want ontzaglijk is Jahweh, de Allerhoogste, Een machtig Koning over heel de aarde. 3 (47-4) Hij legt de volken voor ons neer, En naties onder onze voeten; 4 (47-5) Hij kiest het erfdeel voor ons uit, De trots van Jakob, zijn beminde. 5 (47-6) God stijgt ten troon met jubelzang, Jahweh met bazuingeschal! 6 (47-7) Zingt en jubelt ter ere van God, Zingt en juicht voor onzen Koning! 7 (47-8) Want Hij is Koning van heel de aarde; Zingt dus een hymne ter ere van God! 8 (47-9) God heeft het koningschap over de volkeren aanvaard, God heeft zijn heilige troon bestegen; 9 (47-10) De vorsten der volkeren sluiten zich aan Bij het volk van Abrahams God. Want Gode behoren de heersers der aarde; Hoog verheven is Hij alleen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 48

1 Een lied; een psalm van de zonen van Kore. (48-2) Groot is Jahweh, hoog geprezen In de stad van onzen God! 2 (48-3) Lieflijk verheft zich zijn heilige berg, Voor heel de aarde een vreugde. De Sionsberg is de Spits van het Noorden, De stad van een machtigen Koning; 3 (48-4) God woont in haar burchten, En toont zich een veilige schuts. 4 (48-5) Want zie, de koningen hadden zich met elkander verbonden, En rukten gezamenlijk aan; 5 (48-6) Maar toen ze haar zagen, stonden ze stom van ontzetting, En stoven verschrokken uiteen. 6 (48-7) Vreselijke angst greep hen aan, En wee als een barende vrouw: 7 (48-8) Ineens als een storm uit het oosten, Die de Tarsjisj-schepen vernielt. 8 (48-9) Wat we vroeger hadden gehoord, Hebben we nu ook gezien: Jahweh der heirscharen woont in de stad, Onze God woont in de stad, en laat haar eeuwig bestaan! 9 (48-10) Wij gedenken uw goedheid, o God, Binnen uw tempel. 10 (48-11) Uw lof, o God, reikt als uw Naam Tot aan de grenzen der aarde. Vol gerechtigheid is uw rechterhand, 11 (48-12) Sions berg is er over verheugd; En Juda’s dochteren juichen van vreugde, O Jahweh, om uw gericht. 12 (48-13) Trekt rond de Sion, loopt er omheen: Telt zijn torens, 13 (48-14) Let op zijn wallen Ziet naar zijn burchten; Om aan een volgend geslacht te vertellen, 14 (48-15) Dat God hier woont, Dat onze God ons leidt Voor eeuwig en immer!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 49

1 Met sopraanstemmen; Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een psalm. (49-2) Volkeren, hoort dit allen aan, Luistert allen, bewoners der aarde; 2 (49-3) Kinderen uit het volk en edelgeborenen, Rijken en armen, allen te zamen! 3 (49-4) Mijn mond gaat diepe wijsheid verkonden, Mijn hart verstandige dingen bepeinzen; 4 (49-5) Ik spits mijn oren voor een moeilijk probleem, En bij snarenspel los ik mijn raadsel op. De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt. 5 (49-6) Waarom zou ik de dagen der bozen benijden, En de levenskracht van mijn belagers, die mij omringen; 6 (49-7) Van allen, die op hun schatten vertrouwen, En op hun grote rijkdommen pochen? 7 (49-8) Ach, er is niemand, die zich vrij kan kopen, Of aan God zijn losgeld betalen: 8 (49-9) Te hoog is de prijs van zijn leven, Ontoereikend voor eeuwig. De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt. 9 (49-10) Of zou hij eeuwig blijven leven, En zijn graf niet aanschouwen? 10 (49-11) Neen, men ziet de wijzen sterven, Den dwaas met den domoor vergaan; 11 (49-12) Hun graf is voor altijd hun woning, Hun verblijf van geslacht tot geslacht; En al hebben ze hele landen hun eigen genoemd, Toch laten ze hun schatten voor anderen achter. 12 (49-13) De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt. 13 (49-14) Dit is het lot van wie daarop bouwen, Het einde van die daarover snoeven: 14 (49-15) Als schapen worden ze het graf ingejaagd, Het is de dood, die ze weidt; Regelrecht zinken ze neer in de kuil, En hun gestalte gaat over tot de ontbinding van de dood. 15 (49-16) Neen, God alleen kan de prijs voor mijn leven betalen. Hij alleen mij uit de macht van het dodenrijk redden! De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt. 16 (49-17) Dus wees niet afgunstig, als iemand rijkdommen krijgt, En de schat van zijn huis zich vermeerdert; 17 (49-18) Want niets van dit alles neemt hij mee bij zijn dood, En de schat volgt hem niet in het graf. 18 (49-19) Al prijst hij zich bij zijn leven gelukkig, En roemt zich, omdat het hem goed gaat: 19 (49-20) Toch komt hij in het verblijf van zijn vaderen, En nooit meer aanschouwt hij het licht. 20 (49-21) De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 50

1 Een psalm van Asaf. De God der goden, Jahweh, spreekt en roept tot de aarde Van de opgang tot de ondergang der zon! 2 Van Sion, de kroon der schoonheid, straalt God zijn heerlijkheid uit: 3 Hij komt, onze God, en zwijgt niet meer! Verterend vuur gaat voor Hem uit, De stormwind woedt om Hem heen! 4 Hij nodigt de hemelen uit, daarboven, En de aarde, om zijn volk te richten: 5 "Brengt Mij mijn getrouwen bijeen, Die door offers het Verbond met Mij sloten!" 6 En de hemelen verkondigen zijn gerechtigheid; Want God begint het gericht. 7 Hoor, mijn volk, en laat Mij spreken; Het u betuigen, Israël: Ik Jahweh, uw God: 8 Niet om uw offers spreek Ik u vrij, Of om uw brandoffers, Mij zonder ophouden gebracht. 9 Neen, Ik heb den stier uit uw stallen niet nodig, En geen bokken uit uw kooien. 10 Want Mij behoren alle dieren in het woud, Het vee en het wild op de bergen; 11 Ik ken alle vogels in de lucht, Van Mij is wat zich beweegt op het veld. 12 Had Ik honger, Ik behoefde het ú niet te zeggen, Want Mij behoort de aarde met wat ze bevat. 13 Of zou Ik soms stierenvlees eten, En bokkenbloed drinken? 14 Neen, breng als uw offer een loflied aan God, Onderhoud uw geloften, den Allerhoogste gebracht, 15 En roep Mij aan in tijden van nood: Dan zal Ik u redden, en gij zult Mij eren. 16 Hoe waagt gij het, over mijn geboden te spreken, En uw mond vol te hebben van mijn Verbond, 17 Terwijl gij toch de tucht veracht, En mijn woord in de wind slaat? 18 Ziet gij een dief, gij loopt terstond met hem mee, En met echtbrekers gaat gij vriendschappelijk om. 19 Uw mond vloeit over van boosheid, En uw tong weeft bedrog; 20 Gij spreekt schande over uw broeder, En werpt smaad op den zoon van uw moeder. 21 Dit hebt gij gedaan; en omdat Ik bleef zwijgen, Dacht gij nog: Ik ben niet beter dan gij. Daarom waarschuw Ik u, En breng het u onder het oog. 22 Godvergetenen, neemt het ter harte; Anders verscheur Ik u, en er is niemand, die u zal redden! 23 Wie een loflied offert, eert Mij waarachtig, En wie deugdzaam leeft, hem toon Ik Gods heil!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 51

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David, (51-2) nadat de profeet Natan bij hem was gekomen, omdat hij gemeenschap met Bat-Sjéba had gehad. (51-3) Erbarm U mijner naar uw genade, o God; Delg mijn misdaden uit naar uw grote ontferming; 2 (51-4) Was mij vlekkeloos schoon van mijn schuld, En reinig mij van mijn zonde. 3 (51-5) Want ik ben mij mijn misdaad bewust, En mijn zonde staat mij steeds voor de geest: 4 (51-6) Tegen U, ach, tegen U heb ik gezondigd, En kwaad in uw ogen gedaan. Zo zult Gij rechtvaardig zijn in uw vonnis, En onberispelijk in uw gericht: 5 (51-7) Want in ongerechtigheid ben ik geboren, En mijn moeder ontving mij in zonde. 6 (51-8) Zie, Gij bemint de oprechtheid des harten: Daarom brengt Gij mijn geweten tot inkeer; 7 (51-9) Gij besprengt mij met hysop, en weer ben ik rein, Gij wast mij schoon, en ik ben blanker dan sneeuw. 8 (51-10) Laat mij weer vreugde en blijdschap genieten, En mijn beenderen juichen, die Gij hebt verbrijzeld; 9 (51-11) Bedek uw gelaat voor mijn zonden, En delg al mijn misdaden uit. 10 (51-12) Schep mij een zuiver hart, o mijn God, En leg in mijn boezem een nieuwe, standvastige geest; 11 (51-13) Verstoot mij niet van uw aanschijn, En neem uw heilige geest niet van mij weg. 12 (51-14) Schenk mij terug de vreugd van uw heil, En versterk in mij de gewillige geest; 13 (51-15) Dan zal ik de bozen uw wegen doen kennen, En de zondaars zullen zich tot U bekeren. 14 (51-16) Bevrijd mij van bloedschuld, o Jahweh, God van mijn heil, En mijn tong zal uw barmhartigheid loven; 15 (51-17) Open mijn lippen, o Heer, En mijn mond verkondigt uw lof. 16 (51-18) Neen, slachtoffers behagen U niet, En zo ik U brandoffers bracht, Gij zoudt ze niet willen; 17 (51-19) Maar een vermorzeld gemoed is een offer voor God, Een verbrijzeld en deemoedig hart versmaadt Gij niet, o mijn God! 18 (51-20) Wees Sion naar uw goedheid genadig, En bouw de muren van Jerusalem weer op; 19 (51-21) Dan zullen brand- en zoenoffers U als waarachtige offers behagen, En brengt men weer varren op uw altaar.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 52

1 Voor muziekbegeleiding. Een leerdicht van David, (52-2) nadat Doëg, de Edomiet aan Saül was gaan melden: "David is in het huis van Achimélek gekomen." (52-3) Wat pocht gij op boosheid, En snoeft gij op onrecht, 2 (52-4) Broedt gij voortdurend op onheil, Is uw tong als een vlijmscherp, verraderlijk mes? 3 (52-5) Gij kiest wat kwaad is boven het goede, De leugen boven de waarheid; 4 (52-6) Gij houdt alleen van verwarrende woorden, En bedriegelijke taal. 5 (52-7) Daarom zal God u vernielen, U weggooien eens en voor al, U wegsleuren uit uw tent, Uw wortel uit het land der levenden rukken. 6 (52-8) De rechtvaardigen zullen het huiverend zien, en over hem lachen: 7 (52-9) "Daar is nu de man, die zijn kracht niet in God heeft gezocht, Maar die op zijn grote rijkdom vertrouwde, En zich op zijn schatten beroemde!" 8 (52-10) Maar ik ben als een bloeiende olijf in Gods huis, En vertrouw op Gods goedheid voor eeuwig en immer. 9 (52-11) Eeuwig zal ik U danken, omdat het úw werk is geweest, En de goedheid van uw Naam voor uw vromen verkonden!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 53

1 Voor muziekbegeleiding; op de fluit. Een leerdicht van David. (53-2) De dwaas zegt bij zichzelf: "Er is geen God!" Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede wil doen. 2 (53-3) God blikt uit de hemelen neer Op de kinderen der mensen: Om te zien, of er niet één verstandige is, Niet één, die God zoekt. 3 (53-4) Maar allen zijn ze afgedwaald, Allen even bedorven; Er is niemand, die het goede wil doen, Geen enkele zelfs. 4 (53-5) Worden de zondaars dan nimmer verstandig: Ze blijven mijn volk maar verslinden, En het brood van God wel eten, Maar zij roepen Hem niet aan. 5 (53-6) Maar dan zullen ze eens beven van angst, Want God zal hun gebeente verstrooien; Die u omsingelen, zult gij beschamen, Want God heeft ze verworpen. 6 (53-7) Ach, dat uit Sion Israëls redding mocht dagen, Als God het lot van zijn volk ten beste keert! Dan zal Jakob jubelen, En Israël juichen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 54

1 Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een leerdicht van David, (54-2) toen de Zifieten Saül kwamen melden: "David houdt zich bij ons schuil." (54-3) O God, kom mij te hulp door uw Naam, En verschaf mij recht door uw kracht. 2 (54-4) Hoor naar mijn smeken, o God, Luister naar het gebed van mijn mond. 3 (54-5) Want vreemden staan tegen mij op, En geweldenaars belagen mijn leven; Neen, ze houden God niet voor ogen. 4 (54-6) Zie, God is mijn Helper; Het is de Heer, die mijn leven behoudt! 5 (54-7) Wend de rampen op mijn vijanden af, Verniel ze om wille van uw trouw. 6 (54-8) Dan zal ik U gaarne offers brengen, En danken, o Jahweh, de goedertierenheid van uw Naam; 7 (54-9) Omdat hij mij uit alle nood heeft verlost, En mijn oog zich aan mijn vijand verlustigt.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 55

1 Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een leerdicht van David. (55-2) Hoor toch, o God, naar mijn bidden, En wend U niet af van mijn smeken; 2 (55-3) Luister naar mij, en schenk mij verhoring: Van ellende loop ik radeloos rond. 3 (55-4) Ik sidder voor het geschreeuw van den vijand, En het gehuil van den boze; Want ze storten rampen over mij uit, En bestoken mij grimmig. 4 (55-5) Mijn hart krimpt in mijn boezem, En doodsangst bekruipt mij; 5 (55-6) Vrees en ontzetting houden mij beklemd, En de schrik grijpt mij aan. 6 (55-7) Ik dacht: Had ik maar vleugels als een duif, Dan vloog ik heen, om een wijkplaats te vinden; 7 (55-8) Ver, ver weg zou ik vluchten, En een rustoord zoeken in de woestijn. 8 (55-9) Ik zou mij haastig in veiligheid stellen Voor de razende storm, 9 (55-10) Voor de wervelstorm, Heer, En voor de stortvloed van hun tongen. Want ik zie geweld ontketend, En de strijd tegen de stad; 10 (55-11) Dag en nacht trekken ze om haar heen, Over haar wallen. Daarbinnen heerst onrecht en knevelarij, 11 (55-12) En de misdaad troont in haar midden; En van haar pleinen wijkt Geweld noch bedrog. 12 (55-13) En was het een vijand, die mij beschimpte, Ik zou het verdragen; Of een van mijn haters, die mij hoonde, Ik zou mij verschuilen. 13 (55-14) Maar gij, een man van mijn stam, Mijn vriend en mijn makker, 14 (55-15) Met wien ik vertrouwelijk omging, Eendrachtig leefde in Gods huis! 15 (55-16) Moge de dood ze verrassen, Zodat ze levend in het dodenrijk dalen! Want boosheid heerst in hun woning, En slechtheid in hun gemoed. 16 (55-17) Maar ìk roep tot God, En Jahweh komt mij te hulp. 17 (55-18) ‘s Avonds, ‘s morgens en ‘s middags klaag ik en zucht ik, En Hij hoort naar mijn smeken. 18 (55-19) Hij zal mij vrede schenken, mij van mijn belagers bevrijden, Al staan ze nog zo talrijk tegen mij op. 19 (55-20) God verhoort mij: Hij zal ze vernederen, Hij, die van eeuwigheid op zijn troon is gezeten. Want ze zijn onverbeterlijk, En vrezen God niet; 20 (55-21) Ze slaan de hand aan hun vrienden, En schenden hun trouw. 21 (55-22) Hun mond is gladder dan boter, Maar vijandig hun hart; Hun woorden zijn zachter dan olie, Maar steken als dolken. 22 (55-23) Werp daarom uw kommer op Jahweh, Hij zal voor u zorgen; En nooit zal Hij dulden, Dat de rechtvaardige wankelt. 23 (55-24) Maar stort in het diepst van het graf, o mijn God, Die mannen van bloed en bedrog; Laat ze de helft van hun dagen niet zien, Doch laat mìj op U blijven hopen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 56

1 Voor muziekbegeleiding; op de wijze: "Een duif van ver verwijderde terebinten." Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. (56-2) Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag; 2 (56-3) Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers. 3 (56-4) Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld. 4 (56-5) In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen? 5 (56-6) Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht; 6 (56-7) Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan. 7 (56-8) Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen? 8 (56-9) Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd, 9 (56-10) Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is! 10 (56-11) In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; 11 (56-12) Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen? 12 (56-13) O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank; 13 (56-14) Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 57

1 Voor muziekbegeleiding: "verderf niet." Een puntdicht van David, toen hij voor Saül in de spelonk vluchtte. (57-2) Ontferm U mijner, o God; ontferm U mijner, Want ik neem mijn toevlucht tot U. In de schaduw uwer vleugelen zoek ik een schuilplaats, Totdat het onheil voorbij is. Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde! 2 (57-3) Ik roep tot God, den Allerhoogste, Tot God, zo goedertieren voor mij; 3 (57-4) Hij zendt mij hulp uit de hemel, en beschaamt mijn belager, God zendt mij zijn liefde en trouw. Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde! 4 (57-5) Zo leg ik mij neer te midden van leeuwen, Van mensen met vlammende ogen, Wier tanden spitsen en pijlen zijn, Scherp is hun tong als een zwaard. 5 (57-6) Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde! 6 (57-7) Ze spanden een net voor mijn voeten, Maar hun eigen voet werd er in verstrikt; Ze groeven mij kuilen, Zelf vielen zij er in. Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde! 7 (57-8) Mijn hart is gerust, o mijn God; mijn hart is gerust; Ik wil zingen en spelen. 8 (57-9) Word wakker mijn lofzang: harp en citer, ontwaak; Ik wil het morgenrood wekken! Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde! 9 (57-10) Ik wil U loven onder de volken, o Heer, U verheerlijken onder de naties; 10 (57-11) Want uw goedheid reikt tot de hemel, En tot de wolken uw trouw! 11 (57-12) Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 58

1 Voor muziekbegeleiding; "Verderf niet." Een puntdicht van David. (58-2) Meent gij nu werkelijk recht te spreken, En met rechtvaardigheid de mensen te richten? 2 (58-3) Neen, in uw hart pleegt gij onrecht, En uw handen banen de weg voor geweld in het land. 3 (58-4) De schurken: ze zijn ontaard van hun moederschoot af; De leugenaars: sinds hun geboorte bedorven! 4 (58-5) Ze zijn venijnig als giftige adders; Ze stoppen hun oren als dove slangen, 5 (58-6) Die niet luisteren naar de stem van bezweerders, En van bekwame belezers. 6 (58-7) O God, sla ze de tanden stuk in hun mond; Jahweh, ruk uit het gebit van dat broed! 7 (58-8) Laat ze verdwijnen als wegzinkend water, Als gras langs de weg, dat verdort, 8 (58-9) Als een slak, die zich oplost in slijm, Als een misdracht, die het zonlicht niet ziet; 9 (58-10) Voordat de doornen hun ketels verhitten: Onverbrand of verbrand, Hij vaagt ze weg. 10 (58-11) De rechtvaardige zal zich verheugen, Als hij die wraak mag aanschouwen, En met zijn voeten plassen in het bloed van die schurken. En de mensen zullen dan zeggen: 11 (58-12) "Toch heeft het zijn nut, rechtvaardig te zijn; Toch is er een God, die recht doet op aarde!"

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 59

1 Voor muziekbegeleiding; "Verderf niet." Een puntdicht van David, toen Saül het huis liet bewaken, om hem te doden. (59-2) Red mij van mijn vijanden, o mijn God, Bescherm mij tegen mijn verdrukkers; 2 (59-3) Bevrijd mij van de woestelingen, Verlos mij van de bloeddorstigen. 3 (59-4) Want zie, ze belagen mijn leven, En geweldenaars grijpen mij aan; 4 (59-5) O Jahweh, ofschoon ik niets kwaads of verkeerds heb gedaan, En geen schuld er aan heb, lopen zij uit en wachten mij op. Sta op! Snel mij te hulp en zie toe, 5 (59-6) Jahweh der heirscharen, Israëls God! Ontwaak, om al die trotsaards te straffen, Spaar geen van die valse verraders! 6 (59-7) Iedere avond komen ze terug. En lopen de stad rond, jankend als honden. 7 (59-8) Zie, ze kwijlen smaad uit hun mond, En het ligt op hun lippen: "Wie wil er wat horen!" 8 (59-9) Maar Jahweh, Gij lacht ze uit, En drijft met al die trotsaards de spot! 9 (59-10) Mijn Sterkte, aan U klamp ik mij vast, Want Gij zijt mijn toevlucht, o God! 10 (59-11) Mijn God, uw goedheid trede mij tegen, En doe mij op mijn vijanden neerzien, o God. 11 (59-12) Neen, spaar ze niet, opdat ze mijn volk niet verleiden; Maar doe ze vallen, en stort ze neer door uw kracht. 12 (59-13) Vergeld hun, o Heer, het kwaad van hun mond En het woord hunner lippen; Laat ze in hun eigen trots zich verstrikken, Om de vloeken en leugens, die ze hebben gesproken. 13 (59-14) Maak een eind aan hun woede, Maak een eind aan hun trots, Opdat ze erkennen, dat God heerst in Jakob Tot aan de grenzen der aarde. 14 (59-15) Laat ze terugkomen, iedere avond opnieuw, En door de stad lopen, jankend als honden, 15 (59-16) Rondzwervend, om vreten te zoeken, En blaffen, wanneer ze niet vol zijn. 16 (59-17) Maar ìk zal uw almacht bezingen, Elke morgen uw goedertierenheid prijzen; Want Gij zijt mijn schuts, Mijn toevlucht in tijden van nood. 17 (59-18) Mijn Sterkte, U wil ik loven; Want Gij zijt mijn toevlucht, o God, mijn genadige God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 60

1 Voor muziekbegeleiding; op de wijze: "De lelie der wet." Een punt- en leerdicht van David, (60-2) toen, na zijn oorlog tegen Aram van Mesopotamië en Aram-Soba, Joab terugkeerde, en in het Zoutdal twaalfduizend Edomieten versloeg. (60-3) O God, Gij hebt ons verstoten, Onze gelederen verbroken; Gij waart vertoornd, En hebt ons doen vluchten. 2 (60-4) Gij hebt het land laten kraken en scheuren; Het stortte ineen, en ligt nu in puin. 3 (60-5) Gij hebt uw volk harde dingen doen slikken, En ons een koppige wijn laten drinken! 4 (60-6) Maar voor uw vromen hadt Gij een banier opgericht, Om zich daar omheen te verzamelen tegen de boog; 5 (60-7) En om uw geliefden te redden, Strek uw rechterhand uit, en verhoor ons. 6 (60-8) Bij zijn heiligheid heeft God beloofd: Juichend zal ik Sikem verdelen, En het dal van Soekkot meten; 7 (60-9) Mij behoort Gilad, van mij is Manasse. Efraïm is de helm van mijn hoofd, Juda mijn schepter, 8 (60-10) Moab is mijn voetenbekken; Op Edom werp ik mijn schoeisel, Over Filistea hef ik mijn zegekreet aan. 9 (60-11) Maar wie brengt mij nu binnen de vesting, Wie zal mij naar Edom geleiden: 10 (60-12) Moet Gij het niet zijn, die ons hebt verstoten, o God, En niet langer met onze heirscharen optrekt, o God? 11 (60-13) Ach, help ons dan tegen den vijand, Want hulp van mensen is ijdel; 12 (60-14) Maar met God zijn wij sterk, Hij zal onze verdrukkers vertrappen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 61

1 Voor muziekbegeleiding; met harpen. Van David. (61-2) Hoor toch, o God, mijn gejammer, En let op mijn smeken: 2 (61-3) Van het einde der aarde roep ik tot U In de beklemmende angst van mijn hart. Stel mij hoog op de Rots, en laat mij daar rusten, 3 (61-4) Want Gij zijt mijn toevlucht en sterkte tegen den vijand; 4 (61-5) Laat mij in uw woontent voor eeuwig uw gast zijn, En mij verbergen in de schaduw uwer vleugelen. 5 (61-6) Want Gij hoort mijn beloften, o mijn God, En vervult de wens van hen, die uw Naam vrezen: 6 (61-7) Vermeerder de dagen des konings, En zijn jaren van geslacht tot geslacht; 7 (61-8) Moge hij altijd voor Gods aangezicht tronen, En liefde en trouw hem behoeden. 8 (61-9) Dan zal ik uw Naam in eeuwigheid prijzen, Dag aan dag U mijn dankoffer brengen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 62

1 Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen. Een psalm van David. (62-2) Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil; 2 (62-3) Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen! 3 (62-4) Hoe lang nog stormt gij op een ander los, En stoot hem met u allen omver Als een hellende wand, Of een vallende muur? 4 (62-5) Ze leggen het op zijn ondergang aan, En liegen er op los, om hem in het ongeluk te storten; Ze zegenen wel met hun mond, Maar vervloeken met hun hart. 5 (62-6) Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil; 6 (62-7) Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen! 7 (62-8) Bij God is mijn heil en mijn eer, God is mijn sterkte en mijn stut. 8 (62-9) Blijf altijd op God vertrouwen, mijn volk, Stort uw hart voor Hem uit: onze toevlucht is God! 9 (62-10) Maar de mens is enkel een zucht, De kinderen der mensen een leugen; In de weegschaal gaan ze allen omhoog, Ze zijn lichter dan lucht. Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil; Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen! 10 (62-11) Ook in afpersing stelt geen vertrouwen. Op diefstal geen ijdele hoop; En als de rijkdom vermeerdert, Hecht uw hart er niet aan. 11 (62-12) Eén woord heeft God gesproken, En deze twee heb ik gehoord: Bij God is de macht; 12 (62-13) bij U de genade, o Heer! En: Gij vergeldt iedereen naar zijn werken!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 63

1 Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda vertoefde. (63-2) God, wat verlang ik naar U; mijn God, naar U dorst mijn ziel, Naar U smacht mijn lichaam als een dor en droog land naar het water. 2 (63-3) Ik blik naar U op in uw heilige woning, Om uw macht en uw glorie te aanschouwen! 3 (63-4) Ja, uw genade is kostelijker nog dan het leven: Daarom moeten mijn lippen U loven, 4 (63-5) En wil ik U al mijn dagen prijzen, Mijn handen opheffen in uw Naam. 5 (63-6) Gij verzadigt mij als met vet en met merg, En mijn mond juicht U toe met jubelende lippen; 6 (63-7) Nog op mijn legerstede moet ik aan U denken, En in mijn nachtwaken over U peinzen. 7 (63-8) Want Gij zijt mijn Helper, Ik nestel in de schaduw uwer vleugelen; 8 (63-9) Mijn ziel klampt zich aan U vast, En uw rechterhand is mij een stut. 9 (63-10) Maar zij, die mijn ondergang zoeken, Zullen in de diepten der aarde verzinken; 10 (63-11) Ze vallen ten prooi aan het zwaard, En worden een buit van de jakhalzen. 11 (63-12) Doch de Koning zal zich verheugen in God, En wie Hem trouw zweert, zal juichen; Maar de mond van de leugenaars wordt gestopt!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 64

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (64-2) Hoor, o God, mijn luid gejammer, Bevrijd mijn leven van de schrik voor den vijand; 2 (64-3) Bescherm mij tegen de aanslag der bozen, En tegen het woelen van schurken. 3 (64-4) Want ze scherpen hun tong als een zwaard, Richten als pijlen hun bittere woorden; 4 (64-5) En om in het geniep den onschuldige te treffen, Leggen ze onverhoeds en onvervaard op hem aan. 5 (64-6) Ze stellen hun boze plannen vast, En overleggen, hoe hun strikken te zetten; Ze zeggen: Wie ziet het; 6 (64-7) Wie achterhaalt onze streken? We zijn met onze plannen gereed, De list is gelukt! Het binnenste van iederen mens is een graf, Een afgrond zijn hart! 7 (64-8) Daar schiet God zijn pijl op hen af, En de slagen vallen onverwacht op hen neer; 8 (64-9) Hun eigen tong brengt ze ten val: Wie ze ziet, schudt meewarig het hoofd. 9 (64-10) En allen zullen vol diep ontzag Gods daden verkonden, Erkennen, dat het zijn werk is geweest; 10 (64-11) De brave zal zich in Jahweh verheugen, en op Hem hopen, Alle oprechten van hart zullen juichen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 65

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David; een lied. (65-2) U komt een lofzang toe In Sion, o God! U moet een dankoffer worden gebracht, In Jerusalem, Heer! 2 (65-3) Gij verhoort het gebed, Alle vlees komt tot U; 3 (65-4) En al drukt onze schuld ons nog zo zwaar, Gij vergeeft onze zonden. 4 (65-5) Gelukkig, dien Gij uitverkiest en aanneemt, Om in uw voorhof te wonen: Die ons laven aan het goede van uw huis, Van uw heilige tempel! 5 (65-6) Met wonderen verhoort Gij ons in uw trouw, O God van ons heil; Gij, de hoop van alle grenzen der aarde, En ongenaakbare zeeën! 6 (65-7) Gij, die de bergen door uw kracht hebt gegrond, En met macht zijt omgord; 7 (65-8) Die het bulderen der zeeën bedaart, En het gebruis van haar golven. Ontsteld staan de volken, 8 (65-9) Vol vrees, die de grenzen der aarde bewonen: Voor uw tekenen daar, waar de morgen gloort, En waar Gij de avond doet juichen. 9 (65-10) Gij draagt zorg voor de aarde, En drenkt ze volop; Gij stort er een rijke zegen op uit, Gods vloed heeft altijd water genoeg. Gij maakt haar gereed voor haar koren, Zó maakt Gij ze klaar: 10 (65-11) Gij drenkt haar voren, bevochtigt haar kluiten, En maakt ze door regenslag week. Dan zegent Gij haar kiemen, 11 (65-12) En zet de kroon op het jaar van uw goedheid: Uw voetstappen druipen van vet, 12 (65-13) Zelfs de vlakten der steppen druipen er van. De heuvels zijn met gejubel omgord, 13 (65-14) De weiden met kudden bekleed, De dalen met koren getooid: Ze juichen en zingen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 66

1 Voor muziekbegeleiding. Een lied; een psalm. 2 Juich, heel de aarde, God ter ere, En prijs de glans van zijn Naam; Hef een heerlijk loflied aan, 3 En zeg tot God: Hoe ontzaglijk uw werken! Om uw almacht moeten uw vijanden U vleien, 4 En moet heel de aarde U aanbidden, U ter eer een lofzang zingen, Glorie brengen aan uw Naam! 5 Komt, en ziet de werken van God, Zijn wondere daden voor de kinderen der mensen: 6 De zee legde Hij droog, En ze trokken te voet door de stroom! Laat ons in Hem ons verheugen, 7 Hij, die eeuwig heerst door zijn kracht; Hij houdt zijn oog op de volkeren gericht, En geen weerspannige durft tegen Hem opstaan. 8 Zegent, volkeren, onzen God, Laat zijn loflied luid weerschallen; 9 Hij is het, die ons in het leven hield, Onze voet niet liet wankelen. 10 Toch hebt Gij ons beproefd, o mijn God, Ons gelouterd, als men zilver loutert; 11 Gij hebt ons in ellende gedompeld, Ons rampen op de heupen gelegd. 12 Gij hebt anderen ons op het hoofd doen zitten, We zijn door vuur en water gegaan: Maar eindelijk toch Hebt Gij ons uitkomst gebracht. 13 Zo treed ik met offers binnen uw huis, Om te volbrengen wat ik U heb beloofd: 14 Wat mijn lippen hebben gesproken, Wat mijn mond in mijn nood heeft gezegd. 15 Vette lammeren draag ik U Als brandoffers op; En met de offergeur van rammen, Bied ik U runderen en bokken aan. 16 Komt nu en hoort, ik wil u allen verkonden, U, die God vreest, wat Hij aan mij heeft gedaan: 17 Nauwelijks riep ik Hem aan met mijn mond, Of ik had een danklied op mijn tong! 18 Was ik mij kwaad bewust in mijn hart, Dan had de Heer mij niet verhoord: 19 Maar nu heeft God naar mij geluisterd, En op mijn smeken gelet! 20 Gezegend zij God, die mijn bede niet afwees, Mij zijn genade niet onthield!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 67

1 Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een psalm; een lied. (67-2) God zij ons genadig, en zegene ons, En doe zijn aanschijn over ons lichten; 2 (67-3) Opdat men op aarde zijn wegen erkenne, Onder alle volken zijn heil. 3 (67-4) De volkeren moeten U prijzen, o God; Alle naties moeten U loven! 4 (67-5) De volkeren zullen juichen en jubelen, Omdat Gij de wereld rechtvaardig regeert, Met gerechtigheid de volkeren richt, En de naties op aarde bestuurt. 5 (67-6) De volkeren moeten U prijzen, o God; Alle naties moeten U loven! 6 (67-7) De aarde heeft haar oogst gegeven, De Heer, onze God, ons gezegend; 7 (67-8) Moge God ons blijven zegenen, En alle grenzen der aarde Hem vrezen. De volkeren moeten U prijzen, o God; Alle naties moeten U loven!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 68

1 Voor muziekbegeleiding van David. Een psalm; een lied. (68-2) God staat op: zijn vijanden stuiven uiteen, Zijn haters vluchten voor Hem weg! 2 (68-3) Zoals rook spoorloos verdwijnt, En was wegsmelt in vuur, Zo vergaan de bozen Voor het aanschijn van God. 3 (68-4) Maar de rechtvaardigen mogen juichen en jubelen, Zich verheugen en verblijden in God! 4 (68-5) Zingt God ter ere, en verheerlijkt zijn Naam, Jubelt voor Hem, die door de woestijn kwam gereden; Verheugt u in Jahweh, En juicht voor zijn aanschijn! 5 (68-6) Hij is de Vader der wezen, de Beschermer der weduwen, Hij is God in zijn heilige tent; 6 (68-7) God, die de eenzame zwervers naar huis geleidde, Maar de weerspannigen bleven in de wildernis achter! 7 (68-8) Bij uw uittocht, o God, aan de spits van uw volk, En bij uw opmars door de woestijn: 8 (68-9) Beefde de aarde, dropen de hemelen voor het aanschijn van God, Rilde de Sinaï voor het aanschijn van Jahweh, Israëls God! 9 (68-10) Een regen van gaven hebt Gij uitgestort, o God, En toen uw erfdeel uitgeput was, hebt Gij het gesterkt; 10 (68-11) Uw beesten lieten zich onder hen neer, De uitgehongerden hebt Gij, o God, in uw goedheid verkwikt. 11 (68-12) Toen heeft de Heer zijn belofte vervuld, En een leger van vrouwen kwam het blijde verkonden: 12 (68-13) Machtige koningen slaan met haast op de vlucht, En het schone geslacht verdeelt de buit! 13 (68-14) Nu moogt gij gaan rusten in uw beemden: Zilverwit als de vleugels der duif, met goud overtrokken; 14 (68-15) Want de Almachtige heeft de koningen verstrooid, Zoals het sneeuwt op de Salmon! 15 (68-16) Bergen van Basjan, godengebergte met uw spitsen: 16 (68-17) Bergen en toppen, waarom kijkt gij scheel Naar de berg, die God tot woonplaats verkoos, En waar Jahweh eeuwig zal wonen? 17 (68-18) Op de wagens van God: tienduizenden, duizend maal duizend, Trokt Gij van de Sinaï uw heiligdom binnen, o Heer; 18 (68-19) Gij hebt de hoogte beklommen, De gevangenen meegevoerd, Van de mensen geschenken aanvaard, Van weerspannigen zelfs, voor de woonplaats van God! 19 (68-20) Geloofd zij de Heer, die ons altijd beschermt, de God van ons heil; 20 (68-21) Gij, die ons redt; Jahweh, die nog uitwegen kent van de dood; 21 (68-22) God, die de kop van zijn vijand verplettert, De harde schedel van hem, die in ongerechtigheid leeft! 22 (68-23) De Heer heeft gezegd: Ik sleep ze uit Basjan, Haal ze naar boven uit de diepten der zee, 23 (68-24) Opdat gij in hun bloed met uw voeten kunt plassen, Ook de tong van uw honden haar deel van de vijanden krijgt! 24 (68-25) Ziet, daar nadert de feeststoet van God, De feeststoet naar het heiligdom van mijn God en mijn Koning! 25 (68-26) Voorop gaan de zangers, de harpspelers volgen; 26 (68-27) In het midden de maagden met pauken: in koren loven ze God. Dan de heersers, uit Israëls bronnen ontsprongen: 27 (68-28) Benjamin de jongste vooraan, Met de vorsten van Juda in machtige drommen, En de vorsten van Zabulon en Neftali’s vorsten! 28 (68-29) Toon nu uw almacht, o God, die Gij ons hebt betuigd, 29 (68-30) Van uw heiligdom uit voor Jerusalems heil! Laat koningen U geschenken brengen: 30 (68-31) Jonge schapen, kudden stieren en kalveren uit Patros; Met staven van zilver en goud Als vrijwillige schatting der volken; 31 (68-32) Laat Egypte zijn vette gaven brengen, Koesj zijn handen vullen voor God! 32 (68-33) Koninkrijken der aarde, zingt ter ere van God, En stemt een loflied aan voor den Heer: 33 (68-34) Die de hoogste hemel der hemelen bestijgt, En met zijn stem de machtige donder doet rollen! 34 (68-35) Geeft glorie aan Israëls God, Wiens macht en kracht in de wolken reikt! 35 (68-36) Ontzaglijk is God in zijn heilige woning: Hij, Israëls God, Die kracht en sterkte geeft aan het volk: Gezegend zij God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 69

1 Voor muziekbegeleiding; op de wijze: "De leliën." Van David. (69-2) Red mij, o God! Want het water staat aan mijn lippen; 2 (69-3) Ik zink in een modderpoel weg, En voel geen grond meer onder de voeten; Ik ben in peilloze wateren geraakt, En de stroom sleurt mij mee. 3 (69-4) Ik ben afgemat van mijn schreien en schor is mijn keel; Mijn ogen staan mat van het staren naar God. 4 (69-5) Talrijker dan de haren op mijn hoofd, zijn zij, die mij onverdiend haten. Talrijker dan mijn beenderen, die mij bestrijden zonder enige grond; En wat ik niet heb geroofd, Vordert men nog van mij terug. 5 (69-6) Gij zoudt het weten, o God, als ik iets dwaas had gedaan, En als ik schuld had, was het U niet verborgen! 6 (69-7) Laat dus in mij niet worden beschaamd, Die op U hopen, Heer, Jahweh der heirscharen; In mij niet te schande worden, Die U zoeken, Israëls God! 7 (69-8) Neen, om Uwentwil moet ik schande verduren, En bedekt het schaamrood mijn gelaat! 8 (69-9) Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders geworden, Een onbekende voor de zonen mijner moeder: 9 (69-10) Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, Op mij valt de smaad van hen, die U smaden. 10 (69-11) Als ik ween, en mij door vasten kastijd, Wordt het mij tot schande gerekend; 11 (69-12) Trek ik het boetekleed aan, Men gaat er mee spotten; 12 (69-13) Die in de poort zitten, praten over mij, En de slempers maken er liedjes op. 13 (69-14) Maar tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, In de tijd der genade, o God. Verhoor mij om uw grote ontferming, En om de trouw van uw hulp; 14 (69-15) Red mij uit de modderpoel en laat mij er niet in verzinken; Verlos mij, en trek mij uit de diepe wateren omhoog! 15 (69-16) Laat de watervloed mij niet overstelpen, de kolken verzwelgen, De afgrond zijn mond niet boven mij sluiten. 16 (69-17) Red mij, Jahweh, naar de goedertierenheid uwer genade, En zie op mij neer naar uw grote ontferming; 17 (69-18) Verberg uw aanschijn niet voor uw dienaar, Verhoor mij spoedig, want het is mij bang om het hart! 18 (69-19) Wees mij nabij, en kom mij te hulp, Verlos mij om wille van mijn vijand! 19 (69-20) Gij kent toch mijn smaad, mijn schaamte en schande, En al mijn verdrukkers staan U voor ogen; 20 (69-21) Gij weet, hoe de smaad mij het hart heeft gebroken, En hoe vertwijfeld ik ben. Ik wachtte op een, die medelijden had, maar er was er geen, Op troosters, maar ik vond ze niet. 21 (69-22) Ze gaven mij gal in plaats van spijs, En lesten mijn dorst met azijn. 22 (69-23) Hun tafel worde hun tot een val, Hun offergelagen een strik; 23 (69-24) Laat hun ogen worden beneveld, zodat ze niet zien, En ontwricht hun lenden voor immer; 24 (69-25) Stort uw gramschap over hen uit, Uw woede moge hen treffen! 25 (69-26) Laat hun kamp tot steppe worden, En niemand hun tenten bewonen. 26 (69-27) Neen, ze vervolgden nog, dien Gij hadt geslagen, En vergrootten de smarten van die door U was gewond; 27 (69-28) Stapel de ene schuld op de andere, Zodat ze niet tot uw gerechtigheid komen; 28 (69-29) Laat ze uit het boek des levens worden geschrapt, Niet worden opgeschreven met de rechtvaardigen. 29 (69-30) Maar hoe ook geplaagd en bedroefd, Uw hulp, o God, zal mij redden! 30 (69-31) Dan zal ik de Naam van God in liederen prijzen, En Hem loven en danken! 31 (69-32) Dit zal Jahweh meer aangenaam zijn dan stieren, Meer dan varren met horens en hoeven. 32 (69-33) Verheugt u, ongelukkigen, wanneer gij dit ziet; Zoekt naar God, en uw hart leeft weer op. 33 (69-34) Want Jahweh hoort de behoeftigen aan, En versmaadt de geknevelden niet. 34 (69-35) Hemel en aarde moeten Hem loven, De zeeën, met wat er in leeft! 35 (69-36) Want God zal Sion verlossen, En de steden van Juda herbouwen. Men zal daarin terugkeren, En ze bezetten; 36 (69-37) Het geslacht van zijn dienaars zal ze erven, En wie zijn Naam liefheeft, daar wonen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 70

1 Voor muziekbegeleiding. Van David. Bij het reukoffer. (70-2) Gewaardig U, mij te verlossen, o God; Jahweh, snel mij te hulp! 2 (70-3) Laat smaad en ontering hen treffen, Die mijn leven belagen; Laat ze vluchten met schande, Die zich vrolijk over mijn ongeluk maken, 3 (70-4) En verstarren van schaamte, Die tot mij roepen: "Ha, ha!" 4 (70-5) Maar in U mogen jubelen, Al die U zoeken; Zonder ophouden zeggen: "God is groot!" Die verlangend zijn naar uw heil. 5 (70-6) Ik ben ellendig en arm, God, kom mij te hulp! Gij zijt mijn helper en redder: Toef niet, o Jahweh!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 71

1 Tot U neem ik mijn toevlucht, o Jahweh; Laat mij toch nooit beschaamd komen staan. 2 Bevrijd en verlos mij door uw genade, Hoor mij aan, en kom mij te hulp. 3 Wees mij een veilige, altijd toegankelijke rots; Gewaardig U, mij te helpen, want Gij zijt mijn toevlucht en schuts! 4 Mijn God, red mij uit de hand van den boze, Uit de vuist van tyran en verdrukker. 5 Want Gij, o Heer, zijt mijn hoop, Van kindsbeen af mijn vertrouwen, o Jahweh; 6 Ik steunde op U van de moederschoot af, Reeds vóór mijn geboorte waart Gij mijn beschermer. In U heb ik altijd gejubeld, 7 Zodat ik velen een voorbeeld kon zijn. Gij zijt mijn machtige toevlucht geweest, 8 Mijn mond bleef vervuld van uw lof; Zo heb ik uw glorie bezongen, Uw heerlijkheid iedere dag! 9 Verstoot mij niet, nu ik oud ben; Verlaat mij niet, nu de kracht mij ontzinkt. 10 Want mijn vijanden houden al beraad over mij, En die mijn leven belagen, smeden samen hun plannen. 11 Ze zeggen: "God heeft hem verlaten; vervolgt en grijpt hem; Want er is niemand, die hem kan redden!" 12 O God, blijf niet ver van mij af; Mijn God, kom mij spoedig te hulp! 13 Laat schaamte en schande hen treffen, Die mijn leven belagen; Hoon en smaad hen bedekken, Die mijn ongeluk zoeken. 14 Maar ìk wil standvastig vertrouwen, En al uw glorie blijven verkonden: 15 Mijn mond zal uw gerechtigheid melden, En altijd uw heil, want ik ken er geen maat van; 16 Ik zal de machtige daden des Heren verhalen, Jahweh, uw gerechtigheid roemen, de uwe alleen! 17 Gij hebt mij van jongsaf geleid, o mijn God, En tot nu toe heb ik uw wonderen verkondigd; 18 Wil mij ook thans, nu ik oud ben en grijs, Toch nimmer verlaten, o God; Dan zal ik dit geslacht uw arm doen kennen, Heel het komend geslacht uw kracht. 19 Uw rechtvaardigheid reikt tot de hemel, o God; Want Gij hebt grote dingen gedaan: wie is U gelijk, o mijn God! 20 Wel liet Gij mij veel smarten en rampen verduren, Maar Gij zult mij nu doen herleven, 21 Mij optrekken uit de diepten der aarde, Nog meer mij verhogen, en troosten. 22 Dan zal ik op harpen U danken voor uw trouw, o mijn God; U, Israëls Heilige, op de citer bezingen. 23 Mijn lippen zullen bij mijn lofzangen jubelen, Met mijn ziel, die Gij hebt verlost; 24 Ook mijn tong zal iedere dag uw rechtvaardigheid melden, Als schaamte en schande hen treffen, die mijn ongeluk zochten!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 72

1 Van Salomon. Geef aan den Koning uw rechtsmacht, o God, En uw gerechtigheid aan den Zoon van den Koning; 2 Opdat Hij uw volk met rechtvaardigheid richte, En uw misdeelden volgens recht. 3 De bergen zullen de vrede brengen, De heuvelen gerechtigheid voor het volk; 4 Hij zal recht verschaffen aan het volk in verdrukking, De armen helpen, maar den verdrukker vertrappen. 5 Hij zal leven, zolang de zon blijft stralen, Met de maan van geslacht tot geslacht; 6 Hij zal neerdalen als regen op de beemden, Als een bui, die de aarde besproeit. 7 In zijn dagen zal de gerechtigheid bloeien, En een volheid van vrede, totdat de maan niet meer schijnt. 8 Van zee tot zee zal Hij heersen, Van de Eufraat tot de grenzen der aarde. 9 Zijn tegenstanders zullen de knie voor Hem buigen, Zijn vijanden in het stof moeten bijten; 10 De koningen van Tarsjisj en zijn kusten, Zullen Hem geschenken brengen. De koningen van Sjeba en Seba Zullen Hem hun schatting betalen; 11 Alle vorsten Hem huldigen, Alle volken Hem dienen. 12 Want Hij zal den arme tegen den rijke beschermen, En den verdrukte, die geen helper meer heeft; 13 Zich over den zwakke en arme ontfermen, En uitkomst brengen aan de misdeelden. 14 Hij zal ze verlossen van druk en geweld, En hun bloed zal kostbaar zijn in zijn ogen; 15 Hij zal ze doen leven, en het goud van Sjeba hun schenken, Steeds voor hen bidden, ze iedere dag zegenen. 16 Dan zal er een overvloed van koren zijn in het land, Het zal wuiven op de toppen der bergen; Zijn aren zullen als de Libanon bloeien, En de halmen als het kruid op het veld. 17 Zijn Naam zij voor eeuwig gezegend, Zolang de zon schijnt, heerse zijn Naam: Alle volkeren zullen zich daarmee zegenen, Alle geslachten der aarde hem loven! 18 Gezegend zij Jahweh, lsraëls God, Die wonderen doet, Hij alleen! 19 Gezegend voor eeuwig zijn heerlijke Naam, Heel de aarde worde vervuld van zijn glorie! Amen, Amen! 20 Einde der gebeden van David, den zoon van Jesse.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 73

1 Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart! 2 Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden! 3 Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag; 4 Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf. 5 Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd; 6 Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel. 7 De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten; 8 Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld. 9 Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten. 10 Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op. 11 Ze zeggen: "Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?" 12 Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op! 13 Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen: 14 De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen! 15 Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen; 16 Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog. 17 Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten: 18 Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf! 19 Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan: 20 Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten! 21 Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld, 22 Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog. 23 Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand; 24 Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere! 25 Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U! 26 Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel. 27 Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt; 28 Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 74

1 Een leerdicht van Asaf. O God, waarom zoudt Gij ons voor altijd verstoten, Zou uw toorn blijven woeden tegen de kudde uwer weide? 2 Gedenk toch uw volk, dat Gij U eens hebt verworven, De stam, die Gij hebt verlost als uw erfdeel, De Sionsberg, Die Gij U tot woonplaats verkoost! 3 Ach, richt toch uw schreden naar de onherstelbare puinen; Heel het heiligdom is door den vijand vernield. 4 Uw haters joelden in uw heilige tent, En hebben er hun banieren geplant. 5 Ze hakten de friezen boven de ingangen stuk, Zoals een bijl in het kreupelhout woedt. 6 Ze hebben het drijfwerk in stukken geslagen, Met bijl en houweel het vernield; 7 Uw heiligdom in brand gestoken, De woonplaats van uw Naam tot de grond toe ontwijd. 8 Ze zeiden: "Wij zullen alles verwoesten, Alle godshuizen verbranden door ‘t hele land!" 9 Wij zien geen voortekens meer, en er is geen profeet, Niemand onder ons, die kan zeggen: Hoelang nog! 10 Ja, hoelang nog, o God, zal de vijand U honen, De vijand maar altijd uw Naam blijven lasteren? 11 Waarom trekt Gij uw hand van ons terug, En houdt Gij uw rechter in uw boezem verborgen? 12 Gij zijt toch van ouds onze Koning, o God, Die op aarde altijd de zege bevocht: 13 Gij hebt de zee opgezweept door uw kracht, Op het water de schedels der draken verpletterd; 14 Gij hebt Liwjatan zijn koppen verbrijzeld, En hem een prooi der jakhalzen gemaakt. 15 Gij liet bronnen en beken ontspringen, Maar eeuwige stromen verdrogen. 16 Door U kwam de dag, door U kwam de nacht, Gij hebt de maan en de zon haar plaatsen bereid. 17 Gij hebt al de grenzen der aarde gesteld, Zomer en winter, Gij hebt ze gemaakt! 18 Denk aan dit alles, o Jahweh, als de vijand blijft honen, Een waanzinnig volk uw Naam blijft lasteren! 19 Geef, die U loven, niet prijs aan de beesten, En vergeet uw ongelukkigen niet voor altoos. 20 Zie neer op uw verbond, en houd het gestand: Het rampzalige Land is een oord van verdrukking! 21 Laat de vertrapte niet onverhoord gaan, Maar de verdrukte en arme uw Naam verheerlijken. 22 Sta op, o God, en verdedig uw zaak, Gedenk, hoe die dwazen U steeds blijven honen; 23 Vergeet het geschreeuw van uw vijanden niet, Het geloei van uw haters, dat altijd maar raast!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 75

1 Voor muziekbegeleiding; op de wijze: "Verderf niet." Een psalm van Asaf; een lied. (75-2) Wij loven U, God, en prijzen U, Wij roepen uw Naam aan, en vermelden uw wonderen! 2 (75-3) Als Ik de tijd acht gekomen, Zal Ik een rechtvaardig oordeel houden: 3 (75-4) Al wankelt de aarde met al haar bewoners, Ik zet haar zuilen weer recht! 4 (75-5) Daarom roep ik de hoogmoedigen toe: Weest niet trots, De goddelozen: Steekt de hoorn niet omhoog! 5 (75-6) Steekt uw hoorn tegen de hemel niet op, En spreekt niet hooghartig tegen de Rots! 6 (75-7) Want niet uit het oosten of westen, Niet uit de woestijn komt de glorie! 7 (75-8) Neen, het is God, die zal richten, Den een vernederen, den ander verheffen! 8 (75-9) Want in Jahweh’s hand is een beker Met schuimende wijn vol bittere kruiden! Hij schenkt hem leeg tot de droesem toe: Alle bozen der aarde moeten slurpen en drinken. 9 (75-10) Maar ìk zal in eeuwigheid jubelen, Den God van Jakob mijn loflied zingen: 10 (75-11) Alle hoornen der bozen worden gebroken, Maar de hoornen der rechtvaardigen steken omhoog!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 76

1 Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een psalm van Asaf; een lied. (76-2) God heeft Zich in Juda doen kennen, Ontzaglijk is in Israël zijn Naam! 2 (76-3) Zijn tent staat in Sjalem, Zijn woning op Sion: 3 (76-4) Daar sloeg Hij de schichten van de boog, Schild en zwaard en strijdknots stuk! 4 (76-5) Vol majesteit straalt Gij Uit de eeuwige bergen 5 (76-6) Kloeke harten werden ontmoedigd en vielen in slaap, De arm ontzonk alle dappere strijders; 6 (76-7) God van Jakob, door uw dreigen Werden ruiters en paarden versuft. 7 (76-8) Geweldig zijt Gij! Wie houdt voor U stand, Als uw toorn is ontstoken? 8 (76-9) Toen Gij uit de hemel uw vonnis deedt horen, Werd de aarde stil van ontzetting: 9 (76-10) Toen Gij opstondt ten oordeel, o God, Om alle ongelukkigen in het Land te redden. 10 (76-11) Alle stammen der mensen moeten U prijzen, Wat uw toorn heeft gespaard, U feestelijk loven! 11 (76-12) Doet geloften aan Jahweh, uw God, en blijft ze trouw, Brengt Hem geschenken, gij allen, die rond Hem moogt wonen: 12 (76-13) Den Geweldige, die de hoogmoed der vorsten vernedert, Die door de koningen der aarde wordt gevreesd!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 77

1 Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen. Een psalm van Asaf. (77-2) Luide roep ik tot Jahweh; Luide tot God, opdat Hij mij hore! 2 (77-3) Overdag zoek ik in mijn benauwdheid den Heer, ‘s Nachts strekken mijn handen zich uit, onvermoeid. 3 (77-4) Mijn ziel weigert troost: denk ik aan God, ik moet kreunen; Peins ik na, mijn geest is verslagen. 4 (77-5) Ik kan mijn ogen niet sluiten, En van onrust niet spreken. 5 (77-6) Ik denk aan de oude dagen terug, En herinner me weer de vroegere jaren; 6 (77-7) Ik lig er ‘s nachts over te peinzen, Te klagen, en in mijn gedachten te tobben. 7 (77-8) Zou de Heer dan voor altijd verstoten, En nooit genadig meer zijn; 8 (77-9) Zou zijn liefde voorgoed zijn verdwenen, Zijn belofte verbroken, die Hij deed van geslacht tot geslacht; 9 (77-10) Zou God zijn vergeten, Zich te ontfermen, Of in zijn toorn zijn hart hebben gesloten? 10 (77-11) Maar ik sprak: Neen, dìt werp ik ver van mij af, Dat de hand van den Allerhoogste veranderd zou zijn! 11 (77-12) Ik dacht dus aan uw daden, o Jahweh, Dacht terug aan uw vroegere wonderen; 12 (77-13) Peinsde over al uw werken, Overwoog, wat door U is verricht. 13 (77-14) Ja, uw weg was heilig, o God; Welke God was ontzaglijk als Jahweh! 14 (77-15) Gij waart de God, die wonderen wrochtte, En uw macht aan de heidenen toonde! 15 (77-16) Gij hebt door uw arm uw volk verlost, De zonen van Jakob en Josef! 16 (77-17) De wateren zagen U, o God, De wateren zagen U en beefden, Zelfs de zeeën begonnen te rillen; 17 (77-18) De wolken goten stromen neer, Het zwerk daverde en dreunde, Langs alle kant vlogen uw schichten rond. 18 (77-19) Uw donder kraakte en rolde, Uw bliksems verlichtten de wereld, De aarde rilde en beefde! 19 (77-20) Uw weg liep midden door de zee, Uw pad door onstuimige wateren; Toch bleven uw sporen onzichtbaar! 20 (77-21) Zo hebt Gij uw volk als schapen geleid, Door de hand van Moses en Aäron!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 78

1 Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond; 2 Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden! 3 Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld, 4 Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed. 5 Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren, 6 Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen. 7 Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden; 8 Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God. 9 Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd. 10 Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven. 11 Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond. 12 Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan: 13 Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam. 14 Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht. 15 Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen; 16 Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen. 17 Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn; 18 Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen. 19 En krenkend spraken ze over God: "Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?" 20 "Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?" 21 Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn: 22 Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp. 23 Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels; 24 Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren: 25 De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe. 26 Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht: 27 Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee; 28 Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten. 29 Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden; 30 Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond, 31 Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer. 32 Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven. 33 Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren. 34 Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God. 35 Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser, 36 Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong. 37 Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw. 38 Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden: 39 Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert. 40 Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt; 41 Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd? 42 Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste. 43 En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan! 44 Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt; 45 Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten. 46 Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten; 47 Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel; 48 Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting. 49 En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten: 50 Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest. 51 Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham. 52 Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd; 53 Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt. 54 Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd. 55 Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen. 56 Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet. 57 Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog; 58 Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden. 59 God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen: 60 Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde; 61 Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand. 62 Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel: 63 Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied; 64 Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet. 65 Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn: 66 Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande. 67 Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit! 68 Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad; 69 Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig. 70 En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg, 71 En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel. 72 Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 79

1 Een psalm van Asaf. Ach God, de heidenen zijn in uw erfdeel gedrongen, Hebben uw heilige tempel ontwijd, En Jerusalem tot een puinhoop gemaakt! 2 Ze hebben de lijken van uw dienaren Als spijs toegeworpen aan de vogels in de lucht, En aan de wilde dieren het vlees uwer vromen; 3 Ze hebben hun bloed als water vergoten Rondom Jerusalem; en niemand heeft ze begraven. 4 Wij zijn een smaad voor onze buren geworden, Een spot en een hoon voor onze omgeving! 5 Hoelang nog, Jahweh, blijft Gij altijd maar toornen, En zal uw ijverzucht branden als vuur? 6 Neen, stort uw gramschap over de heidenen uit, die U niet kennen, Over de koninkrijken, die uw Naam niet vereren; 7 Want ze hebben Jakob verslonden, En zijn woonplaats verwoest! 8 Ach, reken ons de vroegere zonden niet toe; Uw ontferming trede ons snel tegemoet, Want onze ellende is groot! 9 Help ons, o God van ons heil, En red ons om de eer van uw Naam; Vergeef onze zonden om wille van uw Naam! 10 Waarom zouden de heidenen zeggen: "Waar is nu hun God?" Neen, laat de heidenen voor onze ogen de wraak ondergaan Voor het vergoten bloed van uw dienaars; 11 Laat het gekerm van den gevangene voor uw aangezicht komen: Verlos de ten dode gewijden door de kracht van uw arm. 12 Werp in de schoot onzer buren tot zevenmaal toe De smaad, o Heer, waarmee ze U hebben gehoond. 13 Maar wij blijven uw volk en de kudde uwer weide; Wij prijzen U eeuwig, en verkonden uw lof van geslacht tot geslacht.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 80

1 Voor muziekbegeleiding; op de wijze: "Leliën der Wet." Een psalm van Asaf. (80-2) Herder van Israël, ach, wil toch horen: Gij, die Josef leidt als een kudde; Die troont op de Cherubs, laat stralen uw licht 2 (80-3) Over Efraïm, Benjamin en Manasse; Doe uw kracht weer ontwaken, En kom ons te hulp! 3 (80-4) O God, richt ons weer op; Laat uw aanschijn lichten, dat we worden gered! 4 (80-5) God der heirscharen, Jahweh, Hoelang nog blijft Gij vergramd ondanks het gebed van uw volk! 5 (80-6) Hoelang nog laat Gij ons tranenbrood eten, En tranen drinken bij stromen; 6 (80-7) Maakt Gij ons tot twistappel voor onze buren, En zal onze vijand de spot met ons drijven? 7 (80-8) God der heirscharen, richt ons weer op; Laat uw aanschijn lichten, dat we worden gered! 8 (80-9) Een wijnstok hebt Gij uit Egypte overgebracht, Volkeren uitgetrokken, om hem te planten; 9 (80-10) Gij hebt hem plaats gemaakt, zodat hij wortel kon schieten, En het hele land kon begroeien. 10 (80-11) Zijn lommer bedekte de bergen, Zijn ranken Gods ceders; 11 (80-12) Hij strekte zijn takken uit tot de Zee, Zijn loten naar de Rivier. 12 (80-13) Maar waarom hebt Gij dan zijn omheining vernield, Zodat iedereen, die voorbij gaat, hem leeg plukt, 13 (80-14) Het everzwijn uit het woud hem ontwortelt, Het veldgedierte hem kaal vreet? 14 (80-15) Jahweh der heirscharen, ach, keer toch terug, Blik neer uit de hemel, zie toe; Zoek deze wijnstok weer op, 15 (80-16) De stek, die uw rechterhand heeft geplant! 16 (80-17) Laat, die hem als vuilnis verbranden, Vergaan voor uw dreigende blik! 17 (80-18) Maar laat uw hand op de man blijven rusten, Uw rechter op het mensenkind, dat Gij groot hebt gebracht; 18 (80-19) Laat ons toch nimmermeer van U wijken, Maar doe ons weer leven, en wij eren uw Naam! 19 (80-20) God der heirscharen, Jahweh, richt ons weer op; Laat uw aanschijn lichten, dat we worden gered!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 81

1 Voor muziekbegeleiding; op de gittiet. Van Asaf. (81-2) Jubelt voor God, onze sterkte, Juicht den God van Jakob ter eer; 2 (81-3) Stemt lofzangen aan, slaat de pauken, Met lieflijke citer en harp; 3 (81-4) Steekt deze maand de bazuinen, Bij volle maan voor de dag van ons feest! 4 (81-5) Want dit is een voorschrift aan Israël, En een bevel van Jakobs God: 5 (81-6) Een gebod, aan Josef gegeven, Na zijn tocht uit het land van Egypte, Toen hij een woord vernam, Dat hij nooit had gehoord: 6 (81-7) Ik heb de last van uw schouders genomen, En uw handen werden van de draagkorf bevrijd. 7 (81-8) Gij riept in de nood, En Ik heb u verlost, In donderwolken u verhoord, Bij de wateren van Meriba u beproefd. 8 (81-9) Hoor, mijn volk, Ik ga het u plechtig verkonden; Israël, ach, luister naar Mij: 9 (81-10) Geen andere god mag er onder u zijn; Geen vreemden god moogt gij aanbidden! 10 (81-11) Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, En die uw mond heb gevuld, toen hij wijd was geopend! 11 (81-12) Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, En Israël gehoorzaamde niet; 12 (81-13) Toen gaf ik ze prijs aan verstoktheid des harten, En iedereen ging zijn eigen weg. 13 (81-14) Ach, had mijn volk naar Mij toch geluisterd, En Israël mijn wegen bewandeld! 14 (81-15) Hoe snel had Ik dan zijn vijand vernederd, Mijn hand op zijn verdrukkers doen komen; 15 (81-16) Al hadden Jahweh’s haters Hem nog zo gevleid, Hun tijd was voor eeuwig gekomen! 16 (81-17) Maar u zou Ik spijzen met de bloem van de tarwe, En verzadigen met honing uit de rotsen.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 82

1 Een lied van Asaf. God staat op in de goddelijke raad, Houdt gericht te midden der goden! 2 Hoelang nog zult gij onrechtvaardige vonnissen vellen, En voor de bozen partij blijven trekken? 3 Neemt het op voor zwakken en wezen, Geef den geringe en verdrukte zijn recht: 4 Redt den behoeftige en arme, En rukt ze uit de handen der bozen! 5 Maar ze hebben verstand noch begrip; ze tasten in duisternis rond, En brengen alle grondslagen der aarde aan het wankelen! 6 Ik had gezegd: Gij zijt goden, Zonen van den Allerhoogste, gij allen; 7 Maar gij zult sterven als mensen, En als een der afgoden vallen! 8 Sta op, o God, en richt de aarde; Want alle volkeren behoren U toe!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 83

1 Een lied; een psalm van Asaf. (83-2) O God, houd U niet stil, Niet rustig en werkeloos, o God! 2 (83-3) Want zie, uw vijanden razen, En uw haters steken hun hoofden omhoog. 3 (83-4) Ze smeden listige plannen tegen uw volk, En spannen tegen uw beschermelingen samen: 4 (83-5) "Komt, laat ons ze uitroeien uit de rij van de volken, Zodat men zelfs Israëls naam niet meer noemt!" 5 (83-6) Ja, eensgezind hebben ze samengezworen, En een verbond gesloten tegen U: 6 (83-7) De tenten van Edom en van de Jisjmaëlieten, Van Moab en de zonen van Hagar. 7 (83-8) En Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de bewoners van Tyrus, 8 (83-9) Zelfs Assjoer sluit zich bij hen aan, En leent zijn arm aan de zonen van Lot. 9 (83-10) Doe met hen als met Midjan, Als met Sisera en Jabin bij de beek Kisjon, 10 (83-11) Die bij En-Dor werden vernietigd, En tot mest voor het veld zijn gemaakt. 11 (83-12) Zet het hun vorsten betaald als Oreb en Zeëb, Als Zébach en Salmoenna, 12 (83-13) Met al hun groten, die zeggen: Laat ons het land van God gaan bezetten! 13 (83-14) Maak ze aan dwarrelende blaren gelijk, o mijn God, En aan kaf voor de wind! 14 (83-15) En zoals het vuur de bossen verteert, De vlammen de bergen verzengen: 15 (83-16) Zo moogt Gij hen met uw stormwind vervolgen, In verwarring brengen door uw orkaan! 16 (83-17) Bedek met smaad hun gelaat, Opdat ze uw Naam mogen eren, o Jahweh; 17 (83-18) Laat ze beschaamd staan en verbijsterd voor eeuwig, En in schande vergaan! 18 (83-19) Dan zullen zij weten, dat "Jahweh" uw Naam is; Dat Gij de Allerhoogste zijt op heel de aarde, Gij alleen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 84

1 Voor muziekbegeleiding; op de gittiet. Een psalm van de zonen van Kore. (84-2) Hoe lieflijk is uw woning, Jahweh der heirscharen! 2 (84-3) Mijn ziel smacht van verlangen Naar de voorhoven van Jahweh; Mijn hart en mijn lichaam heffen een jubelzang aan Voor den levenden God! 3 (84-4) Ook de mus vindt een woning, De zwaluw een nest, waar ze haar jongen kan leggen: Bij uw altaren, Jahweh der heirscharen, Mijn Koning en God. 4 (84-5) Gelukkig, die in uw huis mogen wonen, En eeuwig U loven! 5 (84-6) Gelukkig de mensen, die hun kracht in U vinden, Als ze met blijdschap ter bedevaart gaan! 6 (84-7) Het dorre dal wordt hun een bron, En de lenteregen bedekt het met vijvers; 7 (84-8) Zo gaan ze steeds krachtiger voort, Totdat ze voor God op de Sion verschijnen. 8 (84-9) Jahweh der heirscharen, hoor mijn gebed; Jakobs God, ach, luister toch! 9 (84-10) 10 (84-11) Waarachtig, één dag in uw voorhoven Is beter dan duizend daarbuiten; Liever wil ik op de drempel van Gods huis blijven staan, Dan wonen in de tenten der bozen. 11 (84-12) Want Jahweh is een zon en een schild; God geeft genade en glorie. Nooit weigert Jahweh een weldaad aan hen, Die onberispelijk leven. 12 (84-13) Jahweh der heirscharen: Gelukkig de mens, die op U blijft vertrouwen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 85

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van de zonen van Kore. (85-2) Jahweh, Gij hebt weer uw land begenadigd, En het lot van Jakob ten beste gekeerd; 2 (85-3) Gij hebt uw volk zijn schuld vergeven, En al zijn zonden bedekt, 3 (85-4) Heel uw gramschap laten varen, Geblust de gloed van uw toorn. 4 (85-5) Richt ons dan op, o God van ons heil, En leg uw wrevel over ons af! 5 (85-6) Of zoudt Gij voor eeuwig op ons vertoornd willen zijn, Verbolgen blijven van geslacht tot geslacht, 6 (85-7) En niet liever ons laten herleven, Opdat uw volk zich in U kan verheugen? 7 (85-8) Toon ons uw goedheid, o Jahweh, En schenk ons uw heil! 8 (85-9) Ik wil horen wat Jahweh mij zegt; Want Hij spreekt woorden van vrede Voor zijn volk en zijn vromen, Voor die op Hem blijven hopen! 9 (85-10) Waarachtig; zijn heil is nabij aan hen, die Hem vrezen, En zijn heerlijkheid woont in ons Land. 10 (85-11) Genade en trouw ontmoeten elkander, Gerechtigheid en vrede omhelzen elkaar: 11 (85-12) De trouw ontspruit aan de aarde, De gerechtigheid blikt uit de hemel. 12 (85-13) Jahweh zelf schenkt zijn zegen, En ons Land geeft zijn oogst; 13 (85-14) Gerechtigheid gaat voor Hem uit, En geluk volgt zijn schreden!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 86

1 Een gebed van David. Luister toch Jahweh, en wil mij verhoren, Want ik ben zo ellendig en arm. 2 Wees mijn behoeder, want ik ben uw vrome vereerder; Mijn God, kom uw dienaar te hulp, die op U hoopt. 3 Ontferm U mijner, o Heer; Want ik roep tot U de ganse dag. 4 Stort vreugde in de ziel van uw dienaar, Want tot U verhef ik mijn geest, o mijn Heer; 5 Want Gij, o Heer, zijt goed en barmhartig, Rijk aan genade voor al wie U aanroept. 6 Jahweh, hoor mijn gebed, zie neer op mijn smeken; 7 Ik roep tot U op de dag van mijn nood, daar Gij mij verhoort! 8 Heer, geen der goden komt U nabij, En niets gelijkt op uw werken! 9 Alle volkeren, die Gij hebt geschapen, o Heer, Moeten U komen aanbidden en uw Naam verheerlijken! 10 Want Gij zijt groot, Gij doet wonderen; Waarachtig, Gij alleen zijt God! 11 Jahweh, toon mij uw weg, opdat ik wandele in uw waarheid, Vervul enkel mijn hart van de vrees voor uw Naam; 12 Dan zal ik U hartelijk danken, mijn Heer en mijn God, En uw Naam verheerlijken voor eeuwig! 13 Want dan toont Gij mij uw grote ontferming, En redt Gij mij uit het diepst van de afgrond! 14 Mijn God, onbeschaamden staan tegen mij op, Een bende geweldenaars bedreigt mijn leven; Want ze houden U niet voor ogen! 15 Maar Gij zijt een barmhartig en genadig God, o mijn Heer, Lankmoedig en rijk aan goedheid en trouw: 16 Wend U tot mij, en wees mij genadig! Verleen uw dienaar bescherming, En red den zoon van uw dienstmaagd. 17 Geef mij een teken van heil; Opdat mijn haters tot hun beschaming aanschouwen, Dat Gij het zijt, Jahweh, Die mij bijstaat en troost!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 87

1 Een psalm van de zonen van Kore; een lied. Zijn stichting op de heilige bergen Heeft Jahweh lief; 2 De poorten van Sion nog meer Dan alle woonsteden van Jakob! 3 Heerlijke dingen zegt Hij van u, Stad van God: 4 Ik zal Ráhab en Babel tellen Bij mijn belijders; Zie, Filistea, Tyrus en Koesj; Hier zijn ze geboren! 5 Ja, van Sion zal men eens zeggen: "Man voor man is daar geboren!" En de Allerhoogste zal het bevestigen, 6 Jahweh het schrijven In het boek van de volkeren: "Hier zijn ze geboren!" 7 Dan zullen ze allen in reidans zingen: "In U is mijn woning!"

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 88

1 Een lied; een psalm van de zonen van Kore. Voor muziekbegeleiding; met de fluit. Een klaag- en leerdicht van Heman, den Ezrachiet. (88-2) Jahweh, mijn God, overdag roep ik om hulp, En schrei des nachts voor uw aanschijn. 2 (88-3) Laat mijn gebed voor uw aangezicht dringen; Luister toch naar mijn klagen. 3 (88-4) Want mijn ziel is zat van ellende, Mijn leven het rijk der doden nabij; 4 (88-5) Men telt mij bij hen, die ten grave dalen, Ik ben als een man, aan het eind van zijn kracht. 5 (88-6) Ik ben als de doden verstoten, Als lijken, die in het graf zijn gelegd: Aan wie Gij niet langer meer denkt, En die aan uw hand zijn onttrokken. 6 (88-7) Gij hebt mij in de diepe grafkuil gestort, In duisternis en in de schaduw des doods; 7 (88-8) Uw toorn drukt zwaar op mij neer, Al uw golven slaan over mij heen. 8 (88-9) Gij hebt mijn vrienden van mij vervreemd, En ze van mij laten walgen; Ik zit in de knel, en kan er niet uit, 9 (88-10) Mijn oog versmacht van ellende. De ganse dag, Jahweh, roep ik U aan, En strek mijn handen naar U uit: 10 (88-11) Of doet Gij aan de doden nog wonderen, Staan de schimmen soms op, om U te loven? 11 (88-12) Zal men in het graf van uw goedheid gewagen, Van uw trouw in de afgrond; 12 (88-13) Zal men in de duisternis uw wondermacht kennen, Uw gerechtigheid in het land van vergeten? 13 (88-14) Daarom, Jahweh, roep ik U aan, Treedt iedere morgen mijn bede U tegen. 14 (88-15) Waarom zoudt Gij mij dan verstoten, o Jahweh, En mij uw aanschijn verbergen? 15 (88-16) Van jongsaf ben ik in ellende en zorgen gedompeld, Ik ben radeloos onder de last van uw plagen; 16 (88-17) Uw gramschap slaat over mij heen, Uw verschrikkingen overstelpen mij. 17 (88-18) Als water omringen ze mij iedere dag, En sluiten mij helemaal in; 18 (88-19) Gij hebt vrienden en makkers van mij vervreemd, En mijn bekenden door mijn ellende.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 89

1 Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. (89-2) Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht! 2 (89-3) Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast. 3 (89-4) Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar: 4 (89-5) Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht! 5 (89-6) De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen; 6 (89-7) Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk? 7 (89-8) Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen! 8 (89-9) God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh! 9 (89-10) Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven; 10 (89-11) Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm. 11 (89-12) Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat. 12 (89-13) Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam! 13 (89-14) Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven. 14 (89-15) Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit! 15 (89-16) Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh; 16 (89-17) Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt. 17 (89-18) Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog: 18 (89-19) Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning! 19 (89-20) Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk. 20 (89-21) Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd; 21 (89-22) Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten! 22 (89-23) Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen; 23 (89-24) Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond. 24 (89-25) Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen; 25 (89-26) Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren. 26 (89-27) Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil; 27 (89-28) En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde. 28 (89-29) Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn: 29 (89-30) Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels! 30 (89-31) En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden, 31 (89-32) Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden: 32 (89-33) Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld, 33 (89-34) Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen. 34 (89-35) Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd; 35 (89-36) Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord! 36 (89-37) Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn; 37 (89-38) Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan. 38 (89-39) En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken; 39 (89-40) Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond. 40 (89-41) Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd; 41 (89-42) Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem. 42 (89-43) Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen, 43 (89-44) Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd. 44 (89-45) Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen; 45 (89-46) De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt. 46 (89-47) Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur? 47 (89-48) Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt. 48 (89-49) Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf? 49 (89-50) Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen? 50 (89-51) Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop, 51 (89-52) Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap! 52 (89-53) Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 90

1 Een gebed van Moses, den man Gods. Heer, Gij waart ons een schuts van geslacht tot geslacht, 2 Voordat de bergen waren geboren; Eer aarde en wereld werden gebaard, Zijt Gij, o God, in de eeuwen der eeuwen! 3 Maar de mensen laat Gij tot stof vergaan, En zegt: Keert er toe terug, gij kinderen der mensen! 4 Ja, duizend jaren zijn als de dag van gisteren in uw oog, En als een nachtwaak, wanneer ze voorbij is. 5 Gij laat ze verdwijnen als slaap in de morgen, En als het welig tierende gras, 6 Dat ‘s morgens opgroeit en bloeit, Maar ‘s avonds verwelkt en verdort. 7 Want wij komen om door uw toorn, Verdwijnen plotseling door uw gramschap. 8 Gij hebt U onze zonden voor ogen gesteld, Onze geheime fouten in het licht van uw aanschijn: 9 Zo snellen door uw toorn onze dagen voorbij, En vliegen onze jaren heen als een zucht. 10 Ons leven duurt maar zeventig jaren, Of zijn we krachtig, tachtig jaar. Het meeste daarvan is nog onheil en jammer, Want de verzwakking komt snel, en dan vlieden we heen. 11 Ach, mochten we toch de kracht van uw gramschap beseffen, En uw toorn leren vrezen! 12 Leer ons dan zó onze dagen tellen, Dat we er verstandig van harte door worden. 13 Ach Jahweh, wend U eindelijk toch eens tot ons, En ontferm U over uw dienaars; 14 Verzadig ons met uw genade, als we nog jong zijn, Opdat we heel ons leven mogen jubelen en juichen. 15 Geef ons vreugde, even lang als Gij ons hebt gekastijd; Evenveel jaren als wij ellende doorstonden. 16 Laat uw dienaars uw machtige daden aanschouwen, En hun kinderen uw glorie! 17 Moge de goedheid van Jahweh, onzen God, met ons blijven, En het werk onzer handen doen gedijen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 91

1 Wie onder de hoede van den Allerhoogste verblijft, En in de schaduw van den Almachtige woont, 2 Mag zeggen tot Jahweh: "Mijn toevlucht en sterkte, Mijn God, op wien ik vertrouw!" 3 Want Hij behoedt u voor de strik van den jager, En voor de verraderlijke kuil; 4 Hij zal met zijn vleugelen u dekken, En onder zijn wieken vindt gij een schuilplaats. 5 Gij hebt de verschrikkingen van de nacht niet te vrezen, Geen pijl, die vliegt overdag; 6 Geen pest, die in de duisternis rondsluipt, Geen besmetting, die ‘s middags haar verwoestingen aanricht. 7 Al vallen er duizend aan uw zijde, Tienduizend aan uw rechterhand, U treffen ze niet; Zijn trouw is een schild en een pantser! 8 Ja, met eigen ogen zult gij het zien, En de vergelding der bozen aanschouwen; 9 Want úw toevlucht is Jahweh, Den Allerhoogste hebt gij u tot beschermer gekozen. 10 Geen onheil zal u dus treffen, Geen plaag uw tenten bereiken; 11 Want Hij zal voor u zijn engelen ontbieden, Om u op al uw wegen te hoeden. 12 Zij zullen u op de handen dragen, Opdat gij aan geen steen uw voeten zult stoten; 13 Op slang en adder zult gij treden, Leeuwenwelp en draak vertrappen. 14 "Omdat hij Mij liefheeft, zal Ik hem redden, En omdat hij mijn Naam kent, hem beschermen; Roept hij Mij aan, Dan antwoord Ik hem." 15 Ik zelf sta hem bij in de nood; Ik red hem en herstel hem in ere: 16 Lengte van dagen zal Ik hem schenken, En hem mijn heil doen aanschouwen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 92

1 Een psalm; een lied voor de Sabbat. (92-2) Heerlijk is het, Jahweh te loven, Uw Naam te prijzen, Allerhoogste, 2 (92-3) ‘s Morgens vroeg uw goedheid te roemen, En uw trouw in de nacht: 3 (92-4) Op lier en harp, Met citerslag. 4 (92-5) Want Gij hebt mij verblijd door uw daden, o Jahweh, En ik juich om het werk uwer handen. 5 (92-6) Hoe groot zijn uw werken, o Jahweh, Hoe peilloos diep uw gedachten! 6 (92-7) Dom, wie dàt niet erkent; Dwaas, wie dàt niet begrijpt. 7 (92-8) Wanneer dan de zondaars groeien als gras, En al de boosdoeners bloeien: Dan is het, om voor altijd te gronde te gaan, 8 (92-9) Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig verheven! 9 (92-10) Ja, uw vijanden, Jahweh, lopen hun bederf tegemoet, En alle boosdoeners worden verstrooid. 10 (92-11) Maar mijn hoorn heft zich op als die van een buffel, Met verse olie word ik gezalfd; 11 (92-12) Vol vreugde ziet mijn oog op mijn vijanden neer, Hoort mijn oor van die mij bestrijden. 12 (92-13) Maar de rechtvaardige groeit als een palm, Als de ceder op de Libanon rijst hij omhoog. 13 (92-14) Zij worden in Jahweh’s tempel geplant, En bloeien in de voorhoven van onzen God; 14 (92-15) Zij dragen nog vrucht als ze oud zijn, En blijven nog sappig en fris. 15 (92-16) Zo verkondigen ze, dat Jahweh gerecht is, Mijn Rots, aan wien geen onrecht kleeft!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 93

1 Jahweh is Koning! Jahweh heeft Zich met hoogheid bekleed, En met kracht Zich omgord. De aarde staat onwankelbaar vast, 2 Maar vóór alle tijd staat uw troon; Gij zijt van eeuwigheid af! 3 De stromen verheffen, o Jahweh, De stromen verheffen hun stem, De stromen verheffen hun bruisen. 4 Maar boven het druisen der machtige wateren, Boven de ontzaglijke branding der zee, Zijt Gij ontzaglijk in den hoge, o Jahweh! 5 Onveranderlijk blijven uw wetten, Heiligheid past aan uw huis, Tot in lengte van dagen, o Jahweh!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 94

1 Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op; 2 Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen! 3 Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen? 4 Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan! 5 Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel; 6 Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen. 7 En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet! 8 Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs? 9 Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen; 10 Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht? 11 Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn. 12 Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet: 13 Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven; 14 Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat; 15 Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk! 16 Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij? 17 Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf. 18 Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh; 19 En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel. 20 Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet; 21 Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen? 22 Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots; 23 Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 95

1 Komt, laat ons juichen ter ere van Jahweh, Jubelen voor de Rots van ons heil; 2 Laat ons met lofzangen voor zijn aangezicht treden, En onze liederen voor Hem zingen: 3 Want Jahweh is een machtige God! Hij is Koning, boven alle goden verheven: 4 Hij houdt in zijn hand de diepten der aarde, En de toppen der bergen behoren Hem toe; 5 Van Hem is de zee, Hij heeft ze geschapen, Het vaste land, dat zijn hand heeft gemaakt! 6 Komt, buigen en werpen wij ons neer, Knielen wij voor Jahweh, die ons heeft geschapen; 7 Want Hij is onze God, Wij het volk, dat Hij leidt, En de kudde aan zijn hand! Als gij dan heden mijn stem verneemt, 8 Verstokt uw hart als bij Meriba niet; Als op de dag van Massa in de woestijn, 9 Toen uw vaders Mij tartten en beproefden, Ofschoon ze mijn werken hadden aanschouwd! 10 Veertig jaar lang was dat geslacht Mij een walg, En Ik sprak: Steeds dwaalt hun hart van Mij af, En mijn wegen kennen ze niet. 11 Daarom zwoer Ik in mijn toorn: Neen, ze zullen niet ingaan in mijn Rust!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 96

1 Zingt een nieuw lied ter ere van Jahweh, Heel de aarde, zingt Jahweh ter eer! 2 Zingt voor Jahweh, en zegent zijn Naam, Verkondigt zijn heil iedere dag; 3 Meldt aan de naties zijn glorie, Aan alle volkeren zijn wonderen! 4 Want groot is Jahweh, hoog te prijzen, En boven alle goden te vrezen! 5 Ja, alle goden der volkeren zijn niets, Maar Jahweh heeft de hemel gemaakt; 6 Glans en glorie zijn voor zijn aanschijn, Kracht en luister in zijn heilige woning. 7 Brengt Jahweh, geslachten der volken, Brengt Jahweh glorie en lof. 8 Brengt Jahweh de eer van zijn Naam, En treedt met offers zijn voorhoven binnen; 9 Werpt u neder voor Jahweh in zijn heilige woning, Heel de aarde, beef voor zijn aanschijn! 10 Roept het onder de volkeren uit, "Jahweh is Koning! Hij houdt de weegschaal der wereld, zodat ze niet schommelt, En de volkeren richt Hij naar recht!" 11 Laat de hemelen juichen, de aarde jubelen, Laat bulderen de zee met wat ze bevat. 12 Laat jubelen het veld, met wat er op groeit, In het woud alle bomen juichen 13 Voor het aanschijn van Jahweh, want Hij komt, Hij komt, om de aarde te richten! Met rechtvaardigheid richt Hij de wereld, En de volkeren naar zijn trouw.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 97

1 Jahweh is Koning! Laat de aarde jubelen, De ontelbare eilanden juichen! 2 Donkere wolken pakken zich om Hem heen, Recht en gerechtigheid schragen zijn troon. 3 Vuur gaat voor zijn aangezicht uit, En het vlamt om zijn schreden; 4 Zijn bliksems verlichten de wereld, De aarde ziet het, en beeft! 5 De bergen smelten als was voor het aanschijn van Jahweh, Voor den Heer van de volheid der aarde; 6 De hemelen kondigen zijn gerechtigheid aan, Alle volken aanschouwen zijn glorie. 7 Alle beeldenaanbidders worden te schande, Die zich op hun goden beroemen; En diep in het stof werpen alle afgoden Zich voor Hem neer. 8 Sion hoort het vol vreugde, Juda’s dochteren juichen, Jahweh, om uw gericht; 9 Want Gij zijt de Allerhoogste op heel de aarde, o Jahweh, Hoog boven alle goden verheven! 10 Jahweh heeft lief Die de ongerechtigheid haat; Hij behoedt het leven van zijn getrouwen, En redt ze uit de handen der bozen. 11 Een licht straalt over de rechtvaardigen uit, En blijdschap over de oprechten van hart; 12 De vromen zullen zich in Jahweh verheugen, En loven zijn heilige Naam!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 98

1 Zingt een nieuw lied ter ere van Jahweh, Want wonderen heeft Hij gewrocht; Zijn rechterhand heeft Hem geholpen, Zijn heilige arm Hem gesteund. 2 Jahweh heeft zijn redding doen zien, Voor het oog der volken zijn goedheid getoond; 3 Hij was zijn liefde voor Jakob indachtig, En zijn trouw aan Israëls huis. Ziet nu, alle grenzen der aarde, De redding, door God ons gebracht! 4 Jubelt voor Jahweh, heel de aarde, Juicht, weest vrolijk en zingt; 5 Speelt op de citer voor Jahweh, Op citer en harp, 6 Op trompet en bazuin: Jubelt voor Jahweh, den Koning! 7 Laat daveren de zee met wat ze bevat, De aarde met wat er op woont, 8 De stromen in hun handen klappen, De bergen tezamen juichen: 9 Voor het aanschijn van Jahweh, Want Hij komt, om de aarde te richten! Met rechtvaardigheid richt Hij de wereld, En de volkeren volgens recht.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 99

1 Jahweh is Koning: de volkeren rillen; Hij troont op de Cherubs: de aarde beeft. 2 Jahweh is groot op de Sion, Hoog boven alle volkeren verheven; 3 Ze prijzen uw grote, ontzaglijke Naam: Hij is heilig en machtig! 4 Gij zijt een Koning, die de gerechtigheid liefhebt, Gij handhaaft het recht; Recht en gerechtigheid hebt Gij in Jakob gegrond. 5 Prijst dan Jahweh, onzen God, En werpt u neer voor zijn voetbank: Want heilig is Jahweh, onze God! 6 Een Moses en Aäron waren onder zijn priesters, Een Samuël onder de belijders van zijn Naam: Ze riepen tot Jahweh, en Hij heeft ze verhoord, 7 En in een wolkkolom tot hen gesproken. Ze hadden zijn geboden volbracht, De wet, die Hij hun had gegeven: 8 Daarom hebt Gij, Jahweh, onze God, hen verhoord; Gij waart hun een God, die vergiffenis schonk, En hun daden niet strafte. 9 Prijst dan Jahweh, onzen God, En werpt u neer voor zijn heilige berg: Want heilig is Jahweh, onze God!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 100

1 Een psalm bij het dankoffer. Juicht Jahweh ter eer, heel de aarde, 2 Dient Jahweh met vreugde, Treedt jubelend voor zijn aangezicht. 3 Erkent het: Jahweh is God; Hij heeft ons gemaakt, Hem behoren wij toe, Als zijn volk en de kudde zijner weide. 4 Treedt zijn poorten met dankzegging binnen, Zijn voorhoven met jubelzang, Brengt Hem glorie, en zegent zijn Naam. 5 Want Jahweh is goed, Zijn genade duurt eeuwig, Zijn trouw van geslacht tot geslacht!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 101

1 Een psalm van David. Van vroomheid en recht wil ik zingen, U loven, o Jahweh! 2 Op de wandel der vromen gaan dichten: Ach, mocht hij mijn deel zijn! Rein van hart wil ik leven Binnen mijn huis; 3 Voor mijn ogen niets dulden Wat slecht is. Uitspatting haat ik, En neem er geen deel aan; 4 Een bedorven hart blijft verre van mij, En van kwaad wil ik niets weten. 5 Wie heimelijk zijn naaste belastert, Doe ik verstommen; De hoogmoedige blik en het trotse hart Kan ik niet uitstaan. 6 Mijn ogen zijn gericht op de getrouwen in het land, Om ze bij mij te doen wonen; En wie een onberispelijk leven leidt, Mag mij dienen. 7 Maar niemand blijft in mijn huis, Die zich schuldig maakt aan bedrog; En wie leugens spreekt, Houdt geen stand voor mijn ogen. 8 Iedere morgen delg ik Alle boosdoeners uit in den lande; En drijf uit Jahweh’s stad Alle misdadigers weg.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 102

1 Gebed van een ongelukkige, als de moed hem ontzinkt, en hij voor Jahweh zijn jammerklacht uitstort. (102-2) Jahweh, hoor mijn gebed, Mijn jammerklacht dringe tot U door! 2 (102-3) Verberg voor mij uw aanschijn niet, Wanneer het mij bang wordt; Luister naar mij, als ik roep, En verhoor mij toch snel! 3 (102-4) Want als rook gaan mijn dagen voorbij; En mijn gebeente gloeit als een oven; 4 (102-5) Mijn hart is verdroogd en verdord als het gras, Want ik denk er niet aan, mijn brood nog te eten; 5 (102-6) En door mijn klagen en kermen, Kleeft mijn gebeente aan mijn vlees. 6 (102-7) Ik ben als een pelikaan der woestijn, En als een uil tussen puinen; 7 (102-8) Ik kan niet meer slapen, en zit maar te klagen, Als een eenzame mus op het dak. 8 (102-9) Mijn vijanden houden niet op, mij te honen, En tegen mij te razen en te vloeken. 9 (102-10) Ja, ik eet as als mijn brood, En met tranen meng ik mijn drank; 10 (102-11) Want Gij hebt om uw gramschap en toorn Mij opgenomen en weggeslingerd! 11 (102-12) Mijn dagen vlieden heen als een schaduw, Ik kwijn weg als het gras. 12 (102-13) Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig, En uw Naam van geslacht tot geslacht! 13 (102-14) Gij zult opstaan, en U over Sion ontfermen: Het is tijd, hem genadig te zijn; het uur is gekomen! 14 (102-15) Want uw dienaars hebben zijn stenen lief, En hebben deernis met zijn puinen. 15 (102-16) Dan zullen de heidenen de Naam van Jahweh vrezen, Alle vorsten der aarde uw majesteit: 16 (102-17) Omdat Jahweh Sion herbouwt, En Zich openbaart in zijn glorie; 17 (102-18) Zich tot de bede der verlatenen neigt, En hun gebed niet versmaadt! 18 (102-19) Men schrijve dit op voor een volgend geslacht, Opdat het volk, door Jahweh herschapen, Hem zal prijzen: 19 (102-20) Als Jahweh weer neerziet Uit zijn heilige woning, En uit de hemel Weer neerblikt op aarde: 20 (102-21) Om het gekerm der gevangenen te horen, Te verlossen, die ten dode zijn gewijd; 21 (102-22) En om Jahweh’s Naam in Sion te melden, In Jerusalem zijn lof, 22 (102-23) Wanneer de volkeren zich verzamelen, En de koninkrijken, om Jahweh te dienen! 23 (102-24) Wel heeft Hij midden op mijn weg mijn krachten gebroken, En mijn dagen verkort; maar toch blijf ik bidden: 24 (102-25) Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen; Uw jaren duren van geslacht tot geslacht. 25 (102-26) In den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn het werk uwer handen! 26 (102-27) Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; Als een kleed zullen zij allen verslijten. 27 (102-28) Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; Maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde. 28 (102-29) Zo blijven ook de zonen uwer dienaars bestaan, En hun kroost houdt stand voor uw aanschijn!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 103

1 Van David. Loof Jahweh, mijn ziel, Heel mijn binnenste zijn heilige Naam; 2 Loof Jahweh, mijn ziel, En vergeet zijn talloze weldaden niet! 3 Hij is het, die al uw zonden vergeeft, En al uw zwakheid geneest; 4 Die uw leven behoedt voor het graf, U kroont met genade en ontferming; 5 Die al uw verlangens bevredigt, En als een adelaar uw jeugd verjongt! 6 Jahweh oefent gerechtigheid uit, Schaft recht aan alle verdrukten: 7 Hij toonde Moses zijn wegen, Aan de kinderen van Israël zijn machtige werken! 8 Maar Jahweh is ook barmhartig en genadig, Lankmoedig en rijk aan ontferming: 9 Hij toornt niet voor immer, En wrokt niet voor eeuwig; 10 Hij vergeldt ons niet naar onze zonden, En straft ons niet naar onze schuld. 11 Neen, zo hoog als de hemel Zich boven de aarde verheft, Zo groot is zijn goedheid Voor hen, die Hem vrezen! 12 Zo ver het oosten staat van het westen, Werpt Hij onze schuld van Zich af; 13 Zoals een vader zich over zijn kinderen ontfermt, Ontfermt Zich Jahweh over hen, die Hem vrezen: 14 Want Hij kent onze aard, En bedenkt, dat wij stof zijn. 15 Als het gras zijn de dagen der mensen, Ze bloeien als een bloem op het veld: 16 Waait er een wind overheen, ze is weg, En men weet niet meer, waar ze stond. 17 Maar van eeuwigheid is de goedheid van Jahweh, En tot in eeuwigheid blijft zij bestaan; Zijn barmhartigheid is voor hen, die Hem vrezen, En voor de kinderen van hun zonen: 18 Voor hen, die zijn Verbond onderhouden, Zijn geboden gedenken en ze volbrengen. 19 In de hemel heeft Jahweh zijn troon opgeslagen, En zijn koningschap beheerst het heelal; 20 Jahweh’s engelen zingen Hem glorie, De sterke helden, die zijn geboden volbrengen, Die gehoorzamen aan zijn bevelen! 21 Looft Jahweh dan, al zijn legerscharen, Zijn dienaars, die zijn wil volbrengt; 22 Looft Jahweh, al zijn werken, In iedere plaats van zijn rijk; Loof Jahweh, mijn ziel!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 104

1 Halleluja! Loof Jahweh, mijn ziel: Jahweh, mijn God, hoog zijt Gij verheven! Gij hebt U met glorie en luister omkleed, 2 En hult U in het licht als een mantel; Gij spant de hemelen uit als een tent, 3 En legt op de wateren uw opperzalen. Gij maakt van de wolken uw wagen, Zweeft op de vleugels van de wind; 4 Stelt de stormen aan tot uw boden, Laaiend vuur tot uw knechten. 5 Gij hebt de aarde op haar pijlers gegrond, Zodat ze voor eeuwig niet wankelt. 6 De Oceaan bedekte haar als een kleed, Nog boven de bergen stonden de wateren: 7 Maar ze namen de vlucht voor uw dreigen, Rilden van angst voor de stem van uw donder; 8 Toen rezen de bergen, en zonken de dalen Op de plaats, die Gij hun hadt bestemd. 9 Gij hebt ze grenzen gesteld, die ze niet overschreden, Ze mochten niet meer de aarde bedekken; 10 Gij zendt de bronnen in de dalen, En tussen de bergen stromen ze voort; 11 Ze laven al de wilde dieren, En de woudezel lest er zijn dorst; 12 Daar nestelen de vogels uit de lucht, En fluiten er tussen de struiken. 13 Uit uw zalen drenkt Gij de bergen, Door het sap van uw nevel wordt de aarde verzadigd; 14 Gij laat voor het vee het gras ontspruiten, En het groen voor wat de mensen dient. Gij roept het graan uit de aarde te voorschijn, 15 En de wijn, die het hart van de mensen verheugt; Olie, om het gelaat te doen glanzen, Brood, dat het hart van de mensen verkwikt. 16 Jahweh’s bomen drinken zich vol, De Libanon-ceders, die Hij heeft geplant: 17 Waar de vogels zich nestelen, In wier toppen de ooievaar woont. 18 De hoogste bergen zijn voor de gemzen, De klippen een schuilplaats voor bokken. 19 Gij schiept de maan, om de tijd te bepalen, De zon weet, wanneer ze onder moet gaan. 20 Maakt Gij het donker, dan wordt het nacht, En sluipen de wilde beesten rond, 21 Brullen de leeuwen om buit, En vragen God om hun voedsel. 22 De zon gaat op: ze kruipen weg, En leggen zich neer in hun holen; 23 Maar de mens tijgt aan zijn werk, En aan zijn arbeid tot aan de avond. 24 Hoe ontzaglijk zijn uw werken, o Jahweh: Gij hebt ze allen met wijsheid gewrocht! De aarde is vol van uw schepselen, 25 Niet minder de zee; Die is groot en geweldig, En het wemelt daarin zonder tal: Beesten, kleine en grote, 26 Monsters trekken er door, Liwjatan dien Gij hebt geschapen, Om er mede te spelen. 27 Allen zien naar U uit, Om voedsel, elk op zijn tijd. 28 Geeft Gij het: ze eten het op; Gij opent uw hand: ze worden van het goede verzadigd. 29 Maar verbergt Gij uw aanschijn: Ze verstarren van schrik; Gij ontneemt hun de adem: Ze sterven en keren terug tot hun stof. 30 Maar Gij zendt weer uw geest: en ze worden geschapen, En Gij vernieuwt het aanschijn der aarde! 31 Eeuwig dure de glorie van Jahweh, En blijve Jahweh Zich in zijn werken verheugen; 32 Hij, die de aarde beziet: en ze beeft; Die de bergen aanraakt: ze roken! 33 Heel mijn leven zal ik zingen voor Jahweh, Mijn God blijven loven, zolang ik besta! 34 Moge mijn zang Hèm behagen, En ìk mij in Jahweh verblijden; 35 Maar mogen de zondaars van de aarde verdwijnen, En de goddelozen niet blijven bestaan! Loof Jahweh, mijn ziel!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 105

1 Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend; 2 Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen! 3 Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders! 4 Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken; 5 Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten: 6 Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend! 7 Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten! 8 Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten: 9 Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen. 10 En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond: 11 Hij zeide: "Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel." 12 Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd. 13 En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere, 14 Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil: 15 "Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!" 16 En toen Hij honger in het land had ontboden, Alle broodstokken stuk had geslagen, 17 Zond Hij een man voor hen uit, Werd Josef verkocht als een slaaf; 18 Men sloeg zijn voeten in boeien, In ijzeren ketens werd hij gekluisterd. 19 Maar toen eindelijk zijn voorzegging vervuld was, En Jahweh’s uitspraak hem in het gelijk had gesteld, 20 Beval de koning, hem te bevrijden, Liet de heerser der volken hem los; 21 Hij stelde hem aan tot heer van zijn huis, Tot bestuurder van heel zijn bezit. 22 En terwijl hij diens vorsten door zijn geest onderrichtte, En wijsheid leerde aan zijn oudsten, 23 Trok Israël Egypte binnen, Werd Jakob gast in het land van Cham. 24 Daar liet Hij zijn volk heel vruchtbaar worden, Veel talrijker dan zijn verdrukkers. 25 Maar toen hun hart verstarde, en zij zijn volk gingen haten, En trouweloos zijn dienaren kwelden, 26 Zond Hij Moses, zijn dienstknecht, Aäron, dien Hij zelf had gekozen; 27 En zij verrichtten zijn tekenen onder hen, En wonderen in het land van Cham. 28 Hij zond duisternis af, en maakte het donker; Maar men achtte niet op zijn bevel. 29 Hij veranderde hun wateren in bloed, En doodde hun vissen. 30 Hun land krioelde van kikkers, Tot in de zalen zelfs van hun koning. 31 Hij sprak: Daar kwamen de muggen, Muskieten over heel hun gebied. 32 Hij gaf hun hagel voor regen, En het vuur laaide op in hun land. 33 Hij sloeg hun wijnstok en vijg, En knakte de bomen op hun grond. 34 Hij sprak: Daar kwamen de sprinkhanen aan, En ontelbare slokkers; 35 Ze verslonden al het gewas op het veld, En schrokten de vruchten weg van hun akker. 36 Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, Al de eersten van hun mannenkracht. 37 Toen voerde Hij hen uit met zilver en goud, En geen van hun stammen bleef struikelend achter. 38 Egypte was blij, dat ze gingen; Want de schrik voor hen had ze bevangen. 39 En Hij spreidde een wolk uit tot dek, Een vuur, om de nacht te verlichten. 40 Zij baden: Hij liet de kwakkels komen, En verzadigde hen met brood uit de hemel; 41 Hij spleet de rotsen: daar borrelden de wateren, En vloeiden door de woestijn als een stroom: 42 Want Hij was zijn heilige belofte indachtig, Aan Abraham, zijn dienaar, gedaan! 43 Zo leidde Hij zijn volk met gejubel, Zijn uitverkorenen onder gejuich. 44 Hij schonk hun de landen der heidenen, En ze erfden het vermogen der volken: 45 Opdat ze zijn geboden zouden volbrengen, En zijn wetten onderhouden!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 106

1 Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig! 2 Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden? 3 Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen! 4 Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil, 5 Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen! 6 Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan! 7 Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet! 8 Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen: 9 Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land. 10 Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand; 11 De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over! 12 Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof. 13 Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af; 14 Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe. 15 Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen. 16 Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd. 17 Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram; 18 Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen! 19 Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer; 20 Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund. 21 Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan, 22 Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee. 23 En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen. 24 Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord; 25 Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem. 26 Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn, 27 Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden! 28 Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens; 29 Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde. 30 Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op; 31 Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd. 32 Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht: 33 Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten. 34 Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen; 35 Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan: 36 Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik; 37 Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer; 38 Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd. 39 Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen! 40 Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen: 41 Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters; 42 Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht. 43 En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld, 44 Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam; 45 Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming; 46 Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd. 47 Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen! 48 Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 107

1 Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig! 2 Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered; 3 Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid. 4 Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden; 5 Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde. 6 Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten: 7 Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten. 8 Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen: 9 Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd! 10 Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd; 11 Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht; 12 Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer. 13 Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten: 14 Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien. 15 Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen: 16 Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen! 17 Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld; 18 Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods. 19 Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten. 20 Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf. 21 Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen: 22 Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden! 23 Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren. 24 Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen. 25 Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog; 26 Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst; 27 Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs. 28 Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten: 29 Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer; 30 Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde! 31 Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen: 32 Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen! 33 Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond; 34 Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners. 35 Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land; 36 Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten. 37 Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten. 38 Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee. 39 En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer: 40 Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen. 41 Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden: 42 De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil. 43 Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 108

1 Een lied; een psalm van David. (108-2) Mijn hart is gerust, o mijn God; Ik wil zingen en spelen: 2 (108-3) Word wakker, mijn lofzang; harp en citer ontwaak; Ik wil het morgenrood wekken! 3 (108-4) Ik wil U loven onder de volken, o Jahweh, U verheerlijken onder de naties; 4 (108-5) Want uw goedheid reikt tot de hemel, En tot de wolken uw trouw. 5 (108-6) Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde! 6 (108-7) Wil uw geliefden dan redden, Strek uw rechterhand uit, en verhoor ons! 7 (108-8) Bij zijn heiligheid heeft God het beloofd: Juichend zal ik Sikem verdelen, En het dal van Soekkot meten; 8 (108-9) Mij behoort Gilad, van mij is Manasse. Efraïm is de helm van mijn hoofd, Juda mijn schepter, 9 (108-10) Moab is mijn voetenbekken; Op Edom werp ik mijn schoeisel, Over Filistea hef ik mijn zegekreet aan. 10 (108-11) Maar wie brengt mij nu binnen de vesting, Wie zal mij naar Edom geleiden; 11 (108-12) Moet Gij het niet zijn, die ons hebt verstoten, o God, En niet langer met onze heirscharen optrekt, o God? 12 (108-13) Ach, help ons dan tegen den vijand, Want hulp van mensen is ijdel. 13 (108-14) Maar met God zijn wij sterk; Hij zal onze verdrukkers vertrappen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 109

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Mijn God, tot wien mijn loflied klinkt, Zwijg toch niet stil! 2 Want men zet een mond vol boosheid en bedrog tegen mij op, En belastert mij met leugentongen; 3 Men bestookt mij met woorden van haat, En bestrijdt mij zonder enige grond; 4 Men belaagt mij tot loon voor mijn liefde, En tot loon voor mijn bidden; 5 Men vergeldt mij kwaad voor goed, En haat voor mijn liefde. 6 Stel een gewetenloos rechter over hem aan, En aan zijn rechterhand trede een valse aanklager op; 7 Voor het gerecht worde hij schuldig bevonden, En smeke hij tevergeefs om genade. 8 Mogen zijn dagen maar kort zijn, En zijn ambt aan een ander vervallen. 9 Zijn kinderen mogen wezen, Zijn vrouw een weduwe worden; 10 Mogen zijn zonen als bedelaars zwerven, Zelfs uit hun krotten worden verjaagd. 11 De woekeraar legge beslag op heel zijn bezit, En vreemden mogen met zijn verdiensten gaan strijken. 12 Laat niemand zich zijner ontfermen, Niemand zich over zijn wezen erbarmen; 13 Laat zijn kroost ten ondergang worden gedoemd, Zijn naam al verdwijnen in het eerste geslacht. 14 Moge Jahweh de misdaad zijner vaderen gedenken, En de schuld van zijn moeder nooit worden gedelgd; 15 Jahweh houde ze altijd voor ogen, Zodat zelfs hun aandenken van de aarde verdwijnt. 16 Want hij dacht er niet aan, barmhartig te zijn, Maar vervolgde den ellendige, arme en bedroefde ten dode. 17 Hij hield van vervloeking: die treffe hem dan; Geen zegen wilde hij spreken: die blijve hem verre! 18 De vloek trok hij aan als een kleed: Die dringe hem als water in het lijf, als olie in zijn gebeente; 19 Die worde de mantel, waarin hij zich hult, De gordel, die hij altijd moet dragen. 20 Zó moge Jahweh mijn haters vergelden, En die laag van mij lasteren! 21 Maar treed Gìj voor mij op, o Jahweh, mijn Heer, En red mij omwille van uw Naam naar de rijkdom uwer genade! 22 Want ik ben arm en ellendig, En mijn hart krimpt ineen in mijn borst; 23 Ik zink weg als een verdwijnende schaduw, Word voortgejaagd als een sprinkhanenzwerm; 24 Van het vasten knikken mijn knieën, En mijn vermagerd lichaam schrompelt ineen. 25 Zó ben ik hun een bespotting geworden; Die mij zien, schudden meewarig het hoofd. 26 Help mij, Jahweh, mijn God, En red mij naar uw genade; 27 Opdat men erkenne, dat het uw hand is, Jahweh: dat Gij het volbracht! 28 Laat hèn dan maar vloeken, als Gìj mij wilt zegenen; Mijn vijand zich schamen, maar uw knecht zich verheugen; 29 Mogen mijn tegenstanders met smaad worden bekleed, En zich in hun schande hullen als in een mantel! 30 Dan zal ik Jahweh juichend danken, En voor een talloze schare Hem prijzen; 31 Omdat Hij aan de rechterhand van den ongelukkige staat, Om hem te redden, van die hem verdoemen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 110

1 Een psalm van David. Jahweh spreekt tot mijn Heer: "Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg als een voetbank voor uw voeten!" 2 Jahweh zal U een machtige schepter verlenen: Treed uit Sion als Heerser te midden uwer vijanden! 3 Gij draagt de offers ten dage van uw mannelijke kracht, Zijt met de heilige gewaden bekleed Van de moederschoot af, Sinds de morgendauw uwer jeugd. 4 Jahweh heeft gezworen, en het zal Hem nimmer berouwen: "Gij zijt Priester voor eeuwig, zoals Melkisédek was!" 5 De Heer zal aan uw rechterhand blijven staan, En de vorsten vermorzelen op de dag van zijn toorn; 6 Vol majesteit de volkeren richten, De koppen verpletteren tegen de grond! 7 Maar U alleen zal Hij een kostbaar erfdeel schenken, En daarom fier uw hoofd verheffen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 111

1 Halleluja! Ik wil Jahweh loven met heel mijn hart In de kring en de gemeente der vromen: 2 Groot zijn de werken van Jahweh, En door allen gezocht, die hun vreugd erin vinden. 3 Zijn daden stralen van glorie en luister, En zijn gerechtigheid houdt eeuwig stand. 4 Door zijn wonderen heeft Hij het in de herinnering gegrift: "Genadig en barmhartig is Jahweh!" 5 Hij gaf voedsel aan hen, die Hem vreesden, En bleef zijn Verbond voor eeuwig indachtig; 6 Hij heeft zijn volk zijn machtige daden getoond, Door hun het erfdeel der heidenen te schenken. 7 Waarheid en recht zijn het werk zijner handen, Onveranderlijk al zijn geboden: 8 Onwrikbaar voor altijd en eeuwig, Gedragen door trouw en door recht. 9 Hij heeft zijn volk verlossing gebracht, Zijn Verbond voor eeuwig bekrachtigd; (9) Heilig, ontzaglijk is zijn Naam! 10 Het begin van de wijsheid is de vreze van Jahweh, En die haar beoefent, zal helder inzicht bekomen; Voor eeuwig zij Hij geprezen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 112

1 Halleluja! Heil den man, die Jahweh vreest, En zijn geboden van harte bemint: 2 Zijn kroost zal machtig op aarde zijn, Het geslacht der vromen zal worden gezegend. 3 Welvaart en rijkdom bewonen zijn huis, En zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand; 4 De vromen gaat een licht in de duisternis op, Hem, die genadig, barmhartig en rechtvaardig zal zijn. 5 Heil den man, die weggeeft en leent, En zijn zaken beheert volgens recht; 6 Want in eeuwigheid zal de rechtvaardige niet wankelen, En hij blijft in de herinnering voor eeuwig. 7 Voor kwade geruchten is hij niet bang; Zijn hart blijft rotsvast op Jahweh vertrouwen, 8 Onverstoorbaar, onbevreesd, Totdat hij op zijn vijanden neerziet. 9 Milddadig deelt hij aan de armen uit: Zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand, En zijn hoorn verheft zich in ere. 10 De boze ziet het vol afgunst, En knarsetandend gaat hij te gronde: Nooit wordt de wens der bozen vervuld!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 113

1 Halleluja! Looft, dienaars van Jahweh, Looft Jahweh’s Naam! 2 Gezegend zij de Naam van Jahweh Van nu af tot in eeuwigheid; 3 Van de opgang tot de ondergang der zon Zij de Naam van Jahweh geprezen! 4 Hoog boven alle volkeren is Jahweh verheven, Hoog boven de hemelen zijn glorie! 5 Wie is Jahweh gelijk, onzen God: Die troont in de hoogte, 6 En schouwt in de diepte, In hemel en aarde? 7 Den geringe verheft Hij uit het stof, Den arme beurt Hij uit het slijk: 8 Om hem een plaats bij de vorsten te geven, Bij de vorsten van zijn volk; 9 En de onvruchtbare herstelt Hij in ere, Als een blijde moeder van zonen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 114

1 Halleluja! Toen Israël uit Egypte trok, Jakobs huis uit een volk van barbaren, 2 Werd Juda zijn heiligdom, En Israël zijn rijk. 3 De zee zag het, en sloeg op de vlucht, De Jordaan deinsde terug; 4 Als rammen sprongen de bergen weg, Als lammeren de heuvels. 5 Zee, wat was er, dat gij gingt vluchten, Jordaan, dat gij achteruit zijt geweken; 6 Bergen, dat gij wegsprongt als rammen, Gij heuvels als lammeren? 7 Voor den Heer kromp de aarde ineen, Voor het aangezicht van Jakobs God; 8 Die de rots in een vijver herschiep, De klip in een borrelende bron!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 115

1 Niet ons, o Jahweh, niet ons, Maar uw Naam geef eer om uw goedheid en trouw! 2 Waarom zouden de heidenen zeggen: "Waar is toch hun God?" 3 De God van òns is in de hemel, En Hij doet wat Hij wil; 4 Doch hùn goden zijn maar zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt. 5 Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien; 6 Oren, maar kunnen niet horen; Een neus, maar kunnen niet ruiken. 7 Hun handen kunnen niet tasten, Hun voeten niet gaan; Ze geven geen geluid met hun keel, En hebben geen adem in hun mond. 8 Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen! 9 Maar Israël blijft op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild; 10 Het huis van Aäron blijft op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild; 11 Die Jahweh vrezen, blijven op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild! 12 En Jahweh zal ons gedenken, Ons zijn zegen verlenen: Het huis van Israël zegenen, Het huis van Aäron zegenen, 13 Die Jahweh vrezen zegenen, Kleinen en groten; 14 En Jahweh zal u blijven zegenen, U en uw kinderen! 15 Weest dan gezegend door Jahweh, Die hemel en aarde heeft gemaakt: 16 De hemel blijft de hemel van Jahweh, Maar de aarde gaf Hij aan de kinderen der mensen. 17 De doden zullen Jahweh niet prijzen, Niemand, die in het oord van Stilte is gedaald: 18 Maar wij, wij zullen Jahweh loven, Van nu af tot in eeuwigheid!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 116

1 Halleluja! Ik heb Jahweh lief, Want Hij hoort naar mijn smeken! 2 Hij luisterde naar mij, toen ik riep 3 En de strikken des doods mij omknelden; Toen doodsangst mij kwelde, Nood en jammer mij troffen. 4 Ik riep de Naam van Jahweh aan: "Ach, Jahweh, spaar toch mijn leven!" 5 En Jahweh was genadig en trouw, Onze God vol ontferming: 6 Jahweh waakt over de zwakken; Ik was uitgeput, maar Jahweh heeft mij gered! 7 Wees dan gelaten, mijn ziel; Want Jahweh blijft voor u zorgen: 8 Hij heeft mij gered van de dood, Mijn ogen van tranen, mijn voeten van stoten; 9 Nog mag ik voor Jahweh’s aanschijn wandelen In de landen der levenden! 10 Ik blijf dus vertrouwen, al roep ik ook uit: "Ik ben diep ongelukkig!" 11 Al zou ik in mijn ellende ook zeggen: "Er is geen mens te vertrouwen!" 12 Hoe zal ik Jahweh kunnen vergelden Al het goede, dat Hij mij deed? 13 De kelk der redding hef ik omhoog, En roep de Naam van Jahweh aan; 14 Ik zal mijn gelofte aan Jahweh volbrengen Ten overstaan van heel het volk: 15 Want te duur was in de ogen van Jahweh De dood zijner vromen. 16 Ach Jahweh, ik ben maar uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd, Toch hebt Gij mijn boeien verbroken: 17 Ik breng U dan een offer van dank, En roep de Naam van Jahweh aan, 18 - 19 In de voorhoven van Jahweh’s huis, Binnen uw muren, Jerusalem!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 117

1 Hallejuja! Looft Jahweh, alle volken, Verheerlijkt Hem, alle naties; 2 Want machtig toont zich voor ons zijn genade, En in eeuwigheid duurt Jahweh’s trouw!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 118

1 Halleluja! Brengt Jahweh dank, want Hij is goed: Zijn genade duurt eeuwig! 2 Laat Israël herhalen: Zijn genade duurt eeuwig! 3 Laat het huis van Aäron herhalen: Zijn genade duurt eeuwig! 4 Die Jahweh vrezen, herhalen: Zijn genade duurt eeuwig! 5 In mijn benauwdheid riep ik tot Jahweh; En Jahweh heeft mij verhoord en verkwikt. 6 Voor mij neemt Jahweh het op: Niets heb ik te vrezen; Wat zouden de mensen mij doen! 7 Voor mij neemt Jahweh het op: Hij komt mij te hulp; Zo zie ik op mijn vijanden neer! 8 Beter tot Jahweh te vluchten, dan op mensen te bouwen; 9 Beter tot Jahweh te vluchten, dan te bouwen op vorsten! 10 Al houden mij alle volken omsingeld: In de Naam van Jahweh sla ik ze neer! 11 Al hebben ze mij van alle kanten omringd: In de Naam van Jahweh sla ik ze neer! 12 Al zwermen ze als wespen om mij heen: In de Naam van Jahweh sla ik ze neer! Al laaien ze op als vuur in de doornen: In de Naam van Jahweh sla ik ze neer! 13 Ik ben gestompt en geslagen, om te vallen, Maar Jahweh heeft mij gestut; 14 Jahweh is mijn kracht en mijn schuts, Hij heeft mij de zege verleend! 15 Een jubel van blijdschap en zege Juicht onder de tenten der vromen: Jahweh’s rechterhand brengt de victorie; 16 Jahweh’s rechter overwint! 17 Neen, ik zal niet sterven, maar leven, Om Jahweh’s daden te melden! 18 Wel heeft Jahweh mij streng gekastijd, Maar Hij gaf mij niet prijs aan de dood. 19 Doet dan de poorten der gerechtigheid open: Ik wil er doorheen, om Jahweh te danken! 20 - 21 Ik wil U danken, want Gij hebt mij verhoord, Gij hebt mij de zege verleend! 22 De steen, die de bouwlieden hadden verworpen, Is hoeksteen geworden; 23 Jahweh heeft het gedaan: Een wonder was het in onze ogen! 24 Dit is de dag, die Jahweh gemaakt heeft: Laat ons thans jubelen en juichen! 25 Ach Jahweh, blijf ons toch helpen; Ach Jahweh, maak ons gelukkig! 26 Gezegend, die komt in de Naam van Jahweh:7 Uit Jahweh’s woning bidden wij zegen u toe! 27 Jahweh is God: Hij doet ons stralen van vreugde; Bindt dan de feestslingers tot de hoornen van het altaar! 28 Gij zijt mijn God: U wil ik loven; Gij zijt mijn God: U wil ik roemen! 29 Brengt Jahweh dank, want Hij is goed: Zijn genade duurt eeuwig!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 119

1 Gelukkig, die onberispelijk zijn in hun wandel, En leven volgens Jahweh’s wet; 2 Gelukkig, die op zijn vermaningen letten, Hem zoeken met geheel hun hart; 3 Zij ook, die geen ongerechtigheid plegen, Maar blijven leven naar zijn woord. 4 Gij zelf hebt uw bevelen gegeven, Opdat men ze trouw zou volbrengen; 5 Ach, mocht mijn gedrag zo onwankelbaar zijn, Dat ik uw inzettingen trouw onderhield. 6 Dan zal ik nooit beschaamd komen staan, Als ik het oog richt op al uw geboden; 7 Maar in oprechtheid des harten zal ik U danken, Als ik uw rechtvaardige voorschriften leer. 8 Ik houd mij vast aan uw bestel: Verlaat mij dan niet voor altoos! 9 Hoe kan een jongeman zijn reinheid bewaren? Door zich te houden aan uw woord! 10 Ik heb U met heel mijn hart gezocht, Laat mij nooit uw geboden verlaten; 11 Ik bewaar uw bestel in mijn hart, Om nooit te zondigen tegen U. 12 Geprezen zijt Gij, o Jahweh, Leer mij uw inzettingen kennen; 13 Dan zal ik met mijn lippen verbreiden Al de voorschriften van uw mond. 14 Ik verheug mij over de weg, die uw vermaning mij wees, Meer dan over alle schatten; 15 Uw bevelen wil ik overwegen, En op uw paden blijven letten; 16 Ik wil mij aan uw wet verkwikken, En nimmermeer uw woord vergeten! 17 Laat uw dienstknecht leven, En ik zal uw woord onderhouden; 18 Neem de sluier van mijn ogen, Opdat ik de wonderen van uw wet aanschouwe. 19 Al ben ik maar een zwerver op aarde, Verberg mij uw bevelen niet; 20 Want mijn ziel wordt verteerd van verlangen Naar uw voorschriften, altijd door. 21 Gij bedreigt de hoogmoedigen, Vervloekt, die uw geboden verlaat; 22 Wend dan smaad en hoon van mij af, Want uw vermaningen neem ik ter harte. 23 Al spannen ook vorsten tegen mij samen, Uw dienstknecht peinst over uw inzettingen na; 24 Ja, uw bestel is mij een lust, En mijn berader. 25 Reeds ligt mijn ziel aan het stof gekluisterd: Wek mij ten leven naar uw woord. 26 Mijn leven heb ik U open gelegd: Gij hebt mij gehoord, Leer mij thans uw inzettingen kennen; 27 Onderricht mij, hoe ik naar uw bevelen moet leven, En ik zal uw wonderen vermelden. 28 Mijn ziel kwijnt weg van ellende: Richt mij naar uw bestel weer op. 29 Houd de weg der leugen ver van mij af, En schenk mij genadig uw wet; 30 Ik heb de weg der waarheid gekozen, Uw voorschriften mij voor ogen gesteld. 31 Ik klamp mij aan uw vermaningen vast, Maak mij niet te schande, o Jahweh; 32 De weg uwer geboden zal ik bewandelen, Als Gij mijn hart maar verblijdt. 33 Leer mij, Jahweh, naar uw inzettingen leven, Opdat ik ze ten einde toe onderhoud; 34 Geef mij inzicht om uw wet te volbrengen, En met heel mijn hart te beleven; 35 Laat mij het pad uwer geboden betreden, Want dat is mijn vreugd. 36 Neig mijn hart naar uw vermaningen, En niet naar gewin; 37 Wend mijn ogen van de ijdelheid af, En laat mij leven naar uw woord. 38 Doe uw bestel aan uw dienstknecht gestand, Dat Gij beschikt hebt voor hen, die U vrezen; 39 Wentel de smaad, die ik ducht, van mij weg, Want uw voorschriften blijven voortreffelijk. 40 Zie, ik hunker naar uw bevelen, Laat mij door uw gerechtigheid leven! 41 Moge uw genade mijn deel zijn, o Jahweh, En uw heil naar uw bestel; 42 Dan zal ik mijn lasteraars te woord kunnen staan, Want ik vertrouw op uw woord; 43 Neem het woord der waarheid niet geheel uit mijn mond, Want ik wacht uw voorschriften af. 44 Uw wet wil ik steeds onderhouden, Voor eeuwig en immer; 45 Dan zal ik ongestoord kunnen leven, Omdat ik naar uw bevelen vraag. 46 Zelfs koningen zal ik van uw vermaningen spreken, En mij er nooit over schamen; 47 Ik zal mij aan uw geboden verkwikken, Die ik van harte bemin; 48 Tot U zal ik mijn handen verheffen, En uw inzettingen overwegen. 49 Gedenk het woord, tot uw dienstknecht gesproken, En waarop Gij mijn hoop hebt gesteld; 50 Dit is mijn troost in mijn ellende, Dat uw bestel mij het leven behoudt. 51 Al bespotten de bozen mij nog zo vijandig, Toch wijk ik niet af van uw wet; 52 Ik blijf uw aloude voorschriften indachtig, En voel mij er door getroost, o Jahweh; 53 Maar gramschap maakt zich van mij meester, Om de zondaars, die uw geboden verlaten. 54 Uw inzettingen ruisen als zangen mij tegen In het huis van mijn ballingschap; 55 Des nachts, o Jahweh, gedenk ik uw Naam, En volg uw vermaningen op; 56 Want dit is mijn plicht: Dat ik uw bevelen volbreng. 57 Gij zijt mijn erfdeel, o Jahweh: Ik heb beloofd, uw woord te volbrengen; 58 Van ganser harte zoek ik uw aanschijn, Wees mij genadig naar uw bestel. 59 Ik overleg bij mijzelf, welke weg ik moet gaan, En naar uw vermaningen richt ik mijn schreden; 60 Ik haast mij, zonder ooit te talmen, Om uw geboden te onderhouden; 61 En al houden mij de strikken der bozen gevangen, Nooit vergeet ik uw wet; 62 Midden in de nacht sta ik op, Om U voor uw rechtvaardige voorschriften te danken. 63 Ik ben de vriend van al, die U vreest, En die uw bevelen volbrengt; 64 De aarde is vol van uw goedheid, o Jahweh, Leer mij maar uw inzettingen kennen. 65 Gij hebt uw dienstknecht wèl gedaan, O Jahweh, naar uw woord; 66 Schenk mij een helder oordeel en inzicht, Want ik heb vertrouwen in uw geboden. 67 Eer ik vernederd werd, dwaalde ik af, Maar nu houd ik mij aan uw bestel; 68 Gij zijt goed en doet wèl: Leer mij dan uw inzettingen kennen. 69 Onbeschaamden belasteren mij, Want van ganser harte neem ik uw bevelen in acht; 70 Lomp als vet is hun hart, Maar ìk vind mijn vreugd in uw wet; 71 En het was mij goed, te worden vernederd, Om uw vermaningen te leren verstaan; 72 Want de voorschriften van uw mond schat ik hoger, Dan duizenden in goud en zilver! 73 Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd, Geef mij ook inzicht, om uw geboden te kennen; 74 Dan zien, die U vrezen, met vreugd op mij neer, Omdat ik vertrouw op uw woord. 75 Ik weet, dat uw oordeel rechtvaardig is, Jahweh, En dat Gij mij naar verdienste kastijdt; 76 Maar uw genade zij mij tot troost, Naar uw bestel voor uw knecht; 77 Uw ontferming dale op mij neer, en doe mij herleven, Want uw wet is mij een verkwikking. 78 Schande voor de trotsen, die onverdiend mij verdrukken, Daar ik uw bevelen bedenk; 79 Maar mijn vrienden mogen zijn, die U vrezen, En die uw vermaningen kennen; 80 Door uw inzettingen worde mijn hart zonder smet, Zodat ik niet beschaamd hoef te staan. 81 Mijn ziel smacht naar uw heil, Ik vertrouw op uw woord; 82 Mijn ogen hunkeren naar uw bestel, En vragen: Wanneer brengt Gij mij troost? 83 Al ben ik als een leren zak in de rook, Toch vergeet ik uw inzettingen niet. 84 Ach, hoelang zal uw dienstknecht nog leven, En wanneer voltrekt Gij aan mijn vervolgers uw oordeel? 85 Onbeschaamden hebben mij kuilen gegraven, Want ze leven niet naar uw wet. 86 Al uw geboden zijn waarachtig, Maar men vervolgt mij met leugens: Ach kom mij te hulp; 87 Men had mij haast van de aarde verdelgd, Toch had ik mij niet aan uw bevelen onttrokken; 88 Behoud mij in het leven naar uw genade, En de vermaningen van uw mond volg ik op! 89 Uw woord blijft eeuwig, o Jahweh, Het staat vast als de hemel; 90 Uw bestel houdt stand van geslacht tot geslacht, Staat vast als de aarde, die Gij hebt gegrond; 91 En naar uw voorschriften blijven ze ook nu nog bestaan, Want het heelal is uw dienstknecht! 92 Wanneer uw wet mij niet had verkwikt, Dan was ik in mijn ellende te gronde gegaan; 93 Nimmer zal ik dan uw bevelen vergeten, Want juist daardoor doet Gij mij leven. 94 Ik ben de uwe: Ach, kom mij te hulp, Want ijverig spoor ik uw voorschriften na; 95 De bozen loeren, om mij te verdelgen, Maar ik blijf uw vermaningen achten. 96 Aan alles zie ik een eind, al is het nog zo volmaakt, Maar uw gebod is onbegrensd! 97 Hoe lief toch heb ik uw wet, Ik overweeg ze de hele dag door! 98 Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden zijn, Want het vergezelt mij voor eeuwig; 99 Ik heb meer verstand dan al mijn meesters, Want ik denk over uw vermaningen na; 100 En ik heb helderder inzicht dan de oudsten, Want ik neem uw bevelen in acht. 101 Van alle slechte paden houd ik mijn voeten, Om uw woord te volbrengen; 102 En van uw voorschriften wijk ik niet af, Want Gij hebt ze mij zelf onderwezen. 103 Hoe zoet voor mijn gehemelte is uw bestel, Meer dan honing voor mijn mond; 104 Door uw inzettingen ben ik verstandig geworden, En haat dus ieder leugenpad. 105 Uw woord is een lamp voor mijn voeten, En een licht op mijn pad; 106 Ik heb gezworen, en zal het gestand doen, Uw rechtvaardige voorschriften te onderhouden. 107 Ach, Jahweh, ik ga zo diep gebukt, Wek mij ten leven naar uw bestel; 108 Wil de offeranden van mijn mond aanvaarden, o Jahweh, En onderricht mij in uw geboden. 109 Al zweeft mijn leven in voortdurend gevaar, Toch vergeet ik nimmer uw wet; 110 En al leggen de bozen mij strikken, Van al uw bevelen wijk ik niet af. 111 Uw vermaningen blijven mijn erfdeel voor eeuwig, Want ze zijn de vreugd van mijn hart; 112 En ik heb er mijn hart op gezet, Naar uw inzettingen te leven voor eeuwig en immer! 113 Ik haat halfslachtige wezens, Maar uw wet heb ik lief; 114 Gij zijt mijn schuts en mijn schild, Ik vertrouw op uw woord; 115 Weg van mij, zondaars, Laat mij de geboden van mijn God onderhouden! 116 Sterk mij naar uw bestel, opdat ik blijf leven, En laat mijn hoop niet worden beschaamd; 117 Stut mij, opdat ik worde gered, En mij altijd aan uw bevelen verkwikke. 118 Wie uw inzettingen verlaten, zijn U een gruwel, Want ze bedenken enkel leugens; 119 En als afval veracht Gij alle bozen op aarde, Daarom heb ik uw vermaningen lief. 120 Mijn lichaam beeft voor U van schrik, En ik ben bevreesd voor uw oordeel! 121 Een rechtvaardig oordeel hebt Gij geveld, Lever mij niet over aan mijn verdrukkers; 122 Uw woord blijve borg voor uw dienaar, Laat geen onbeschaamde mij kwellen. 123 Mijn ogen smachten naar uw heil, En naar uw rechtvaardig bestel; 124 Handel met uw dienstknecht naar uw genade, En leer mij uw inzettingen kennen; 125 Ik ben uw dienstknecht: ach, geef mij verstand, Opdat ik uw vermaningen moge begrijpen. 126 Het is tijd om te handelen, Jahweh: Men verkracht uw wet; 127 Daarom heb ik uw geboden lief, Boven goud en edel metaal; 128 Daarom richt ik mij naar al uw bevelen, En haat ik ieder leugenpad. 129 Uw vermaningen zijn wondervol, Mijn ziel neemt ze daarom in acht; 130 De openbaring van uw woord straalt licht van zich uit, En geeft wijsheid aan de eenvoudigen; 131 En smachtend open ik mijn mond, Want ik hunker naar uw geboden. 132 Keer U tot mij, en wees mij genadig, Naar uw beschikking voor hen, die uw Naam beminnen; 133 Richt mijn schreden naar uw bestel, En laat geen onheil mij treffen. 134 Bevrijd mij van de verdrukking der mensen, Opdat ik trouw uw bevelen volbrenge; 135 Laat uw aangezicht stralen over uw dienstknecht, En leer mij uw inzettingen kennen. 136 Stromen van tranen ontwellen mijn ogen, Omdat men uw wet niet beleeft. 137 Rechtvaardig zijt Gij, o Jahweh, En ook uw voorschriften zijn volgens recht; 138 In gerechtigheid hebt Gij uw vermaningen gegeven, En in volledige trouw. 139 Ik word door ergernis verteerd, Omdat mijn vijanden uw woord vergeten; 140 Maar uw bestel is beproefd als in vuur, En uw dienstknecht heeft het lief; 141 En al ben ik maar klein en gering, Nooit wil ik uw bevelen vergeten. 142 Ongerept blijft uw gerechtigheid voor eeuwig en immer, En waarachtig uw wet; 143 Al treffen mij nood en ellende, Uw geboden zijn mijn verkwikking. 144 Uw inzettingen zijn rechtvaardig voor eeuwig; Onderricht mij er in, opdat ik blijf leven! 145 Ik roep met heel mijn hart: Jahweh verhoor mij! Uw inzettingen wil ik trouw onderhouden; 146 Ik roep U aan: ach, kom mij te hulp, Om uw vermaningen te beleven. 147 Ik ben met mijn smeken de dageraad vóór, Want ik smacht naar uw woord; 148 En mijn ogen voorkomen de nachtwake, Om op te zien naar uw bestel. 149 Hoor in uw goedheid mijn smeken, o Jahweh, En wek mij naar uw beschikking ten leven; 150 Mijn listige vervolgers zijn al nabij, Maar ze houden zich ver van uw wet; 151 Maar Gij ook, Jahweh, zijt nabij, En waarachtig zijn al uw geboden; 152 Van oudsher ken ik uw bevelen, Want Gij hebt ze gegeven voor eeuwig! 153 Aanschouw mijn ellende, en kom mij te hulp, Want nooit vergeet ik uw wet; 154 Wees mijn verdediger en mijn beschermer, En doe mij leven naar uw bestel. 155 Het heil blijft ver van de bozen verwijderd, Want ze zoeken uw inzettingen niet; 156 Maar uw barmhartigheid, Jahweh, is groot, Wek mij ten leven naar uw woord. 157 Al zijn mijn vervolgers en vijanden talrijk, Van uw vermaningen wijk ik niet af; 158 Het walgt mij, als ik trouwelozen aanschouw, Die uw geboden niet willen volbrengen. 159 Zie, hoe ik uw bevelen liefheb, o Jahweh, Laat mij dan leven naar uw genade; 160 Uw woord is een en al waarheid, En eeuwig houden al uw rechtvaardige voorschriften stand. 161 Vorsten vervolgen mij zonder enige grond, Maar mijn hart is enkel beducht voor uw woord. 162 Ik verheug mij over uw bestel, Als iemand, die rijke buit heeft gemaakt; 163 Leugen en haat verfoei ik, Maar uw inzettingen heb ik lief. 164 Zeven maal daags zing ik uw lof, Om uw rechtvaardige voorschriften; 165 Die uw wet beminnen, genieten een heerlijke vrede, En struikelen nooit. 166 Jahweh, ik smacht naar uw heil, En onderhoud uw geboden; 167 Ik volg uw vermaningen op, En bemin ze van harte; 168 Ik volbreng uw bevelen, Ja, heel mijn leven ligt voor U bloot! 169 Jahweh, mijn smeken dringe tot U door, Geef mij inzicht naar uw woord; 170 Moge mijn gebed voor uw aangezicht komen, Breng mij redding naar uw bestel. 171 Dan zal een lofzang mijn lippen ontstromen, Omdat Gij uw inzettingen mij hebt geleerd; 172 En mijn tong zal uw waarachtigheid loven, Want al uw vermaningen zijn gerecht. 173 Uw hand zij bereid, mij te helpen, Want uw bevelen heb ik verkoren; 174 Jahweh, ik smacht naar uw heil, En uw wet is mij een verkwikking. 175 Mijn ziel moge leven, om U te loven, En uw voorschriften mogen mij helpen; 176 Als een verloren schaap dool ik rond: zoek uw dienaar weer op, Want nimmer heb ik uw geboden vergeten!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 120

1 Een bedevaartslied. Tot Jahweh riep ik in mijn nood, En Hij heeft mij verhoord. 2 Verlos mij, Jahweh, van leugenlippen En lastertongen! 3 Wat kan een lastertong u al brengen, En wat er nog bij doen: 4 Scherpgepunte oorlogspijlen, Met gloeiende houtskool! 5 Wee mij, dat ik moet toeven In de tenten van Mésjek, En dat ik moet wonen In de tenten van Kedar! 6 Reeds te lang leef ik samen Met vredeverstoorders; 7 Als ìk over vrede wil spreken, Zoeken zij strijd!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 121

1 Een bedevaartslied. Ik hef mijn ogen omhoog naar de bergen: "Vanwaar komt mijn hulp?" 2 Mijn hulp komt van Jahweh, Die hemel en aarde heeft gemaakt! 3 Neen, Hij laat uw voeten niet struikelen, Hij slaapt niet, uw Wachter; 4 Neen, Hij sluimert noch dommelt, Israëls Beschermer! 5 Jahweh is uw Behoeder, Uw schaduw aan uw rechterhand: 6 Overdag zal de zon u niet hinderen, En de maan niet des nachts. 7 Jahweh behoedt u voor iedere ramp, Hij is bezorgd voor uw leven; 8 Jahweh waakt over uw komen en gaan Van nu af tot in eeuwigheid.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 122

1 Een bedevaartslied. Wat was ik verheugd, toen men zeide: "Wij trekken op naar Jahweh’s huis!" 2 En nu staan onze voeten Al binnen uw poorten, Jerusalem! 3 Jerusalem, als stad herbouwd, Met burgers, vast aaneen gesloten; 4 Waar de stammen naar opgaan, De stammen van Jahweh. Daar is het Israël een wet, De Naam van Jahweh te loven; 5 Daar staan de zetels voor het gericht, En het troongestoelte van Davids huis. 6 Jerusalem, die u liefhebben, Wensen u vrede en heil; 7 Vrede zij binnen uw muren, Heil binnen uw burchten! 8 Om mijn broeders en vrienden Bid ik de vrede over u af; 9 Om het huis van Jahweh, onzen God, Wil ik smeken voor uw heil!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 123

1 Een bedevaartslied. Tot U hef ik mijn ogen omhoog, Tot U, die troont in de hemel! 2 Zie, als de ogen van slaven op de hand hunner meesters, En het oog der slavin op de hand van haar gebiedster: Zo zijn ònze ogen op Jahweh gericht, Onzen God, totdat Hij Zich onzer erbarmt. 3 Ontferm U onzer, o Jahweh. Ach, erbarm U over ons! Want we zijn met hoon overkropt, 4 En onze ziel is er zat van: Door de spot van de snoevers, Door de smaad van de trotsen.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 124

1 Een bedevaartslied; van David. Was Jahweh niet vóór ons geweest: Laat Israël getuigen, 2 Toen de mensen tégen ons waren, 3 Dan hadden zij ons levend verslonden, In hun ziedende woede; 4 Dan hadden de wateren ons verzwolgen, Had ons een stortvloed bedolven; 5 Dan waren over ons heengeslagen De bruisende golven. 6 Maar geprezen zij Jahweh, Die ons geen prooi voor hun tanden heeft gemaakt! 7 Levend zijn wij ontsnapt, Als een vogel uit het net van den vinker: Het net is gescheurd, En wij zijn ontkomen! 8 Onze hulp is in de Naam van Jahweh, Die hemel en aarde heeft gemaakt!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 125

1 Een bedevaartslied. Die op Jahweh vertrouwen, zijn als de berg Sion, Die niet wankelt, maar eeuwig blijft staan. 2 Zoals Jerusalem van bergen is omringd, Omringt Jahweh zijn volk, van nu af tot in eeuwigheid! 3 Neen, de schepter der bozen Mag niet blijven drukken op het erfdeel der vromen: Opdat ook de braven ten leste Hun handen niet aan ongerechtigheid slaan. 4 Wees dan goed voor de vromen, o Jahweh, En voor de oprechten van hart; 5 Maar die een kronkelpad gaan, moge Jahweh verdelgen, Tegelijk met de bozen: Over Israël vrede!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 126

1 Een bedevaartslied. Toen Jahweh Sion uit de ballingschap bracht, Was het ons als een droom; 2 Toen werd onze mond met lachen gevuld, Onze tong met gejubel. Toen zei men onder de volken: "Jahweh heeft hun grote dingen gedaan!" 3 Ja, grote dingen heeft Jahweh ons gedaan; En daarom zijn wij verheugd! 4 Ach Jahweh, wend ons lot weer ten beste, Als voor de dorre greppels van Négeb: 5 Die nu zaaien met tranen, Laat ze maaien met jubel! 6 Met geween trekt men op, Om het zaad uit te strooien: Maar met gejuich keert men terug, Met schoven beladen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 127

1 Een bedevaartslied; van Salomon. Wanneer Jahweh het huis niet bouwt, Is het zwoegen der bouwlieden ijdel; Wanneer Jahweh de stad niet behoedt, Waken de wachters vergeefs. 2 Dan heeft het geen zin, vroeg op te staan, Of laat u te ruste te leggen; Gij eet dan het brood in uw zweet: Maar dien Hij liefheeft, geeft Hij het ook in de slaap. 3 Waarachtig; zonen zijn geschenken van Jahweh, De vrucht van de schoot een beloning! 4 Als pijlen in de hand van den strijder, Zijn de zonen, verwekt in de jeugd; 5 Gelukkig de man, Die er zijn koker van vol heeft: Hij hoeft niet verlegen te staan, Als hij onder de poort met zijn vijanden twist.

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 128

1 Een bedevaartslied. Gelukkig hij, die Jahweh vreest, En zijn wegen bewandelt. 2 Want van uw arbeid zult gij eten, Voorspoedig en gelukkig zijn! 3 Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wingerd Binnen uw huis; Uw zonen als ranken van de olijf Rondom uw dis. 4 Zie, zó wordt de man gezegend, Die Jahweh vreest; 5 Zó zal Jahweh uit Sion U zegen bereiden! Dan moogt gij Jerusalems heil aanschouwen Al de dagen uws levens; 6 Nog de kinderen van uw kinderen zien: De vrede over Israël!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 129

1 Een bedevaartslied. Van jongs af heeft men wreed mij mishandeld, Mag Israël wel zeggen; 2 Mij hardvochtig gekweld sinds mijn jeugd, Maar nooit mij gebroken. 3 Ploegers hebben mijn rug beploegd, En lange voren getrokken; 4 Maar Jahweh bleef trouw: De riemen der bozen sneed Hij stuk. 5 Beschaamd moeten vluchten Alle haters van Sion. 6 Ze zullen worden als gras op de daken, Dat vóór het opschiet, verdort; 7 Waarmee geen maaier zijn hand kan vullen, Geen hooier zijn arm. 8 En niemand zal in het voorbijgaan zeggen: "De zegen van Jahweh over u; Wij zegenen u in Jahweh’s Naam!"

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 130

1 Een bedevaartslied. Uit de diepten, o Jahweh, roep ik tot U, 2 Heer, hoor mijn klagen; Laat uw oren toch luisteren Naar mijn bidden en smeken! 3 Ach Jahweh, zo Gij de zonde gedenkt, Ach Heer, wie zou het bestaan? 4 Neen, bij U is vergeving, Opdat ik vol hoop U zou vrezen, o Jahweh. 5 Mijn ziel schouwt hunkerend naar zijn belofte, Mijn ziel smacht naar den Heer; 6 Meer dan wachters naar de morgen, 7 Ziet Israël naar Jahweh uit. Want bij Jahweh is ontferming, En overvloed van verlossing; 8 Hij zal Israël bevrijden Van al zijn zonden!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 131

1 Een bedevaartslied. Van David. Jahweh, mijn hart is niet trots, Niet hovaardig mijn ogen; Ik houd mij niet op met geweldige plannen, Met dingen, die te hoog voor mij zijn. 2 Neen, ik voel mij zo klein, En beeld mij niets in; Zoals de zuigeling aan de borst van zijn moeder, Ben ik een kindje voor U. 3 Israël, stel uw hoop op Jahweh, Van nu af tot in eeuwigheid!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 132

1 Een bedevaartslied. Blijf David gedenken, o Jahweh, En alle moeite, die hij zich troostte, 2 Omdat hij Jahweh had gezworen, Jakobs Sterke had beloofd: 3 Ik zal mijn woontent niet ingaan, Mijn legerstede niet beklimmen, 4 Mijn ogen geen slaap gunnen, Mijn wimpers geen sluimer: 5 Voordat ik een plaats heb gevonden voor Jahweh, Voor Jakobs Sterke een woning! 6 Zie, wij hoorden, dat zij in Efráta was, Wij vonden haar weer in de velden van Jáar; 7 Laat ons naar zijn Woning gaan, En ons voor zijn voetbank werpen! 8 Jahweh, trek op naar uw rustplaats, Gij zelf en de ark uwer glorie! 9 Mogen uw priesters met gerechtigheid worden bekleed, En uw vromen een jubellied zingen! 10 Om wille van David, uw dienaar, Wijs het gebed van uw gezalfde niet af! 11 En Jahweh heeft aan David gezworen, Een trouwe Belofte, waarvan Hij niet afwijkt: Van de vrucht van uw schoot Zet Ik er een op uw troon! 12 En zo uw zonen mijn verbond onderhouden, En de vermaningen, die Ik hun gaf, Dan zullen ook hùn zonen voor eeuwig Op uw troon blijven zitten! 13 Want Jahweh heeft Sion verkoren, En Zich tot woning begeerd! 14 "Hij is mijn rustplaats voor eeuwig; Hier wil Ik wonen, want hèm heb Ik verkoren! 15 Zijn mondkost zal Ik ruimschoots zegenen, Zijn armen verzadigen met brood; 16 Zijn priesters zal Ik met heil bekleden. Zijn vromen zullen een jubellied zingen! 17 Hier zal Ik David een Hoorn doen ontspruiten, Een lamp ontsteken voor mijn Gezalfde; 18 Zijn vijanden zal Ik met schande bedekken, Mijn kroon zal schitteren op zijn hoofd!"

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 133

1 Een bedevaartslied. Van David. Zie, hoe goed en lieflijk het is, Als broeders eendrachtig samen zijn: 2 Het is als kostelijke balsem op het hoofd, Die afdruipt op de baard; Als de baard van Aäron, Die neergolft over de hals van zijn kleed; 3 Als de dauw van de Hermon, Die neerslaat op de bergen van Sion! Want daar geeft Jahweh zijn zegen, En leven tot in eeuwigheid!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 134

1 Een bedevaartslied. Welaan dan, zegent nu Jahweh, Gij allen, dienaars van Jahweh: Die in het huis van Jahweh verblijft, En ‘s nachts in zijn voorhoven toeft! 2 Heft uw handen naar het heiligdom op, En zegent nu Jahweh; 3 En uit Sion zal Jahweh u zegenen, Die hemel en aarde heeft gemaakt!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 135

1 Halleluja! Looft Jahweh’s Naam, Looft Hem, dienaars van Jahweh: 2 Gij, die in het huis van Jahweh staat, In de voorhoven van het huis van onzen God! 3 Looft Jahweh: want Jahweh is goed, Verheerlijkt zijn Naam: want die is zo lieflijk; 4 Want Jahweh heeft Zich Jakob verkoren, En Israël tot zijn bezit! 5 Ja, ik weet het: Jahweh is groot, Onze Heer boven alle goden verheven; 6 Jahweh doet wat Hij wil In hemel en aarde, in zeeën en diepten. 7 Hij laat de wolken verrijzen Aan de kimmen der aarde; Smeedt de bliksem tot regen, Haalt de wind uit zijn schuren. 8 Hij was het, die Egypte’s eerstgeborenen sloeg, Van mensen en vee; 9 Die tekenen en wonderen deed in uw midden, Egypte, Tegen Farao en al die hem dienden; 10 Die talrijke volken versloeg, En machtige koningen doodde: 11 Sichon, den vorst der Amorieten, En Og, den koning van Basjan. Hij was het, die alle vorsten vernielde En alle koninkrijken van Kanaän; 12 En die hun land ten erfdeel gaf, Tot bezit aan Israël, zijn volk. 13 Uw Naam duurt eeuwig, o Jahweh, Uw roem, o Jahweh, van geslacht tot geslacht; 14 Want Jahweh schaft recht aan zijn volk, En ontfermt Zich over zijn dienaars. 15 Maar de goden der volken zijn zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt: 16 Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien; 17 Oren, maar kunnen niet horen; Ze hebben geen adem in hun mond. 18 Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen! 19 Huis van Israël, zegent dan Jahweh; Huis van Aäron, zegent dan Jahweh; 20 Huis van Levi, zegent dan Jahweh; Die Jahweh vrezen, zegent dan Jahweh; 21 Gezegend zij Jahweh uit Sion, Hij, die in Jerusalem woont!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 136

1 Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed: Zijn genade duurt eeuwig! 2 Looft den God der goden: Zijn genade duurt eeuwig! 3 Looft den Heer der heren: Zijn genade duurt eeuwig! 4 Die grote wonderen doet, Hij alleen: Zijn genade duurt eeuwig! 5 Die met wijsheid de hemelen schiep: Zijn genade duurt eeuwig! 6 De aarde op de wateren legde: Zijn genade duurt eeuwig! 7 De grote lichten heeft gemaakt: Zijn genade duurt eeuwig! 8 De zon, om over de dag te heersen: Zijn genade duurt eeuwig! 9 Maan en sterren, om te heersen over de nacht: Zijn genade duurt eeuwig! 10 Die Egypte in zijn eerstgeborenen sloeg: Zijn genade duurt eeuwig! 11 En Israël uit zijn midden voerde: Zijn genade duurt eeuwig! 12 Met sterke hand, en vaste arm: Zijn genade duurt eeuwig! 13 Die de Rode Zee in tweeën kliefde: Zijn genade duurt eeuwig! 14 Israël erdoor deed gaan: Zijn genade duurt eeuwig! 15 Maar Farao in de Rode Zee heeft gestort met zijn heir: Zijn genade duurt eeuwig! 16 Die zijn volk door de woestijn heeft geleid: Zijn genade duurt eeuwig! 17 Machtige vorsten versloeg: Zijn genade duurt eeuwig! 18 Beroemde koningen doodde: Zijn genade duurt eeuwig! 19 Sichon, den vorst der Amorieten: Zijn genade duurt eeuwig! 20 Og, den koning van Basjan: Zijn genade duurt eeuwig! En alle vorsten van Kanaän: Zijn genade duurt eeuwig! 21 Die hun land ten erfdeel gaf: Zijn genade duurt eeuwig! 22 Tot bezit aan Israël; zijn dienaar: Zijn genade duurt eeuwig! 23 Die in onze vernedering ons gedacht: Zijn genade duurt eeuwig! 24 En ons van onzen vijand verloste: Zijn genade duurt eeuwig! 25 Die voedsel geeft aan al wat leeft: Zijn genade duurt eeuwig! 26 Looft den God der hemelen: Zijn genade duurt eeuwig!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 137

1 Aan Babels stromen zaten wij schreiend Bij de gedachte aan Sion; 2 En aan de wilgen, die daar stonden, Hingen wij onze harpen op. 3 Ja, daar durfden onze rovers Ons nog liederen vragen; En onze beulen: "Zingt ons vrolijke wijsjes Uit de zangen van Sion!" 4 Ach, hoe zouden wij Jahweh’s liederen zingen Op vreemde bodem! 5 Jerusalem, zo ik u zou vergeten, Ik vergat mijn rechterhand nog eer; 6 Mijn tong mag aan mijn gehemelte kleven, Zo ik u niet gedenk: Zo ik niet meer van Jerusalem houd, Dan van het toppunt van vreugde. 7 Jahweh, reken de zonen van Edom De dag van Jerusalem toe; Die riepen: Smijt ze neer, smijt ze neer; Neer met haar op de grond! 8 En gij, dochter van Babel, moordenares: Heil hem, die u vergeldt wat gij ons hebt gedaan; 9 Heil hem, die uw kinderen grijpt, En tegen de rots te pletter slaat!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 138

1 Van David. Van ganser harte wil ik U danken, o Jahweh, U roemen hoog boven de goden: Want Gij hebt mijn smeken gehoord. 2 Ik werp mij neer, naar uw heilige tempel gericht, En verheerlijk uw Naam, Om uw genade en trouw. 3 Gij hebt onnoemelijk meer gedaan, dan Gij hebt beloofd; Gij hebt mij verhoord, toen ik tot U riep, En mijn zielskracht vermeerderd. 4 Alle koningen der aarde zullen U loven, o Jahweh; En als zij uw belofte vernemen, 5 Zullen zij de wegen van Jahweh bezingen. Waarachtig, groot is de glorie van Jahweh; 6 Hoog verheven is Jahweh: toch ziet Hij op de nederigen neer, En kent de trotsen van verre! 7 Gij behoedt mijn leven, als ik in ellende verkeer, Steekt uw hand uit, als mijn vijanden woeden, En uw rechter komt mij te hulp. 8 Jahweh, volbreng het voor mij ten einde toe: Jahweh laat uw genade duren voor eeuwig; Laat het werk uwer handen niet onvoltooid!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 139

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, Gij doorschouwt mij volmaakt, Gij zijt het, die mij doorgrondt; 2 Gij kent mijn zitten en staan, En verstaat mijn gedachten van verre. 3 Gij meet mijn lopen en liggen, Zijt met al mijn wegen vertrouwd; 4 Ja, er komt geen woord op mijn tong, Of Gij kent het nauwkeurig, o Jahweh! 5 Gij omsluit mij van achter en voren, En houdt mij geheel in uw hand. 6 Te wonderlijk is mij uw weten, Te hoog: ik kan het niet vatten. 7 Waar zou ik ooit uw geest ontlopen, Uw aanschijn kunnen ontvluchten? 8 Stijg ik ten hemel: Gij zijt er; Daal ik in het dodenrijk af: Gij zijt er! 9 Sla ik de wieken als het morgenrood uit, En laat ik mij neer aan de grenzen der zee: 10 Ook daar nog leidt mij uw hand, En houdt uw rechter mij vast. 11 Al zeg ik: Ha, de duisternis zal mij bedekken, De nacht mij verschuilen: 12 Dan maakt duisternis zelfs het niet donker voor U, Straalt de nacht als de dag, het donker als licht! 13 Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Mij in de schoot van mijn moeder gevormd: 14 Ik dank U voor het ontzaglijk wonder van mijn ontstaan, En voor uw heerlijke werken. 15 Gij hebt ook mijn ziel zorgvuldig gekend, En mijn gebeente bleef voor U niet verborgen, Toen ik in dat geheimvolle oord werd geschapen, Kunstig bewerkt in de diepten der aarde. 16 Uw ogen hebben mijn vormeloze leden aanschouwd, In uw boek stonden ze allen beschreven: Ook de dagen, waarop ze werden gemaakt, Voordat er nog één van bestond. 17 Maar hoe ondoorgrondelijk zijn ùw gedachten voor mij, Hoe overweldigend is haar getal, o mijn God; 18 Ga ik ze tellen, ze zijn talrijker nog dan het zand, En als ik ontwaak, is mijn geest met U bezig! 19 Dood dan de bozen, o God, En laat de bloeddorstigen ver van mij blijven: 20 Die zich tegen uw plannen verzetten, En uw raadsbesluiten willen verijdelen. 21 Zou ik niet haten, die U haten, o Jahweh, Niet walgen van wie tegen U opstaan? 22 Ik haat ze zo fel, als ik haten kan, Mijn eigen vijanden zullen ze zijn! 23 Beproef mij, o God, en doorgrond mijn hart, Toets mij, en ken mijn gedachten: 24 Zie, of ik op de weg der ongerechtigheid ben; Breng mij dan terug op het eeuwige pad!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 140

1 Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. (140-2) Red mij, Jahweh, uit de macht van de bozen, Behoed mij voor den man van geweld: 2 (140-3) Die kwaad verzinnen in hun hart, Dag in, dag uit blijven twisten; 3 (140-4) Die scherpe tongen hebben als slangen, En adderengif op hun lippen. 4 (140-5) Bescherm mij, Jahweh, tegen de macht van den boze, Behoed mij voor den man van geweld, Die mij de voet trachten te lichten, 5 (140-6) Mij klemmen en strikken durven leggen, Netten spannen langs mijn weg, En een val voor mij zetten. 6 (140-7) Ik zeg tot Jahweh: Gij zijt mijn God, Hoor naar mijn smeken, o Jahweh! 7 (140-8) Jahweh, mijn Heer, Gij zijt mijn machtige Helper, Gij beschut mijn hoofd op de dag van de strijd. 8 (140-9) Jahweh, laat de opzet der bozen niet slagen, Hun aanslag niet lukken. 9 (140-10) Laat mijn belagers hun hoofd niet verheffen, Maar de vloek van hun eigen lippen ze treffen; 10 (140-11) Laat het vurige kolen op hen regenen, In kuilen hen vallen, waaruit ze niet opstaan. 11 (140-12) Moge de kwaadspreker geen voorspoed genieten op aarde, Maar onheil den geweldenaar meedogenloos vervolgen! 12 (140-13) Ik weet, dat Jahweh den ongelukkige recht zal verschaffen, En gerechtigheid aan de armen; 13 (140-14) Dan zullen de vromen uw Naam verheerlijken, De deugdzamen voor uw aangezicht wonen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 141

1 Een psalm van David. Ik roep tot U, Jahweh; ach, snel mij te hulp, Hoor naar mijn klagen, wanneer ik U smeek; 2 Laat mijn gebed voor U als een reukoffer gelden, Mijn opgeheven handen als een avondoffer zijn. 3 Jahweh, zet een wacht voor mijn mond, Een post voor de deur van mijn lippen; 4 Laat mijn hart zich naar het kwade niet neigen, Om slechte dingen te doen. Met zondaars zoek ik geen omgang, En van hun lekkernijen wil ik niet eten; 5 Maar de rechtvaardige, zelfs als hij slaat, is een zegen, En als hij mij tuchtigt, nog balsem op het hoofd. Mijn hoofd zal niet schudden, wanneer ze vermanen, En als ze kastijden, stijgt mijn gebed nog omhoog; 6 En al word ik door mijn rechters gestenigd, Zij horen van mij enkel vriendelijke woorden. 7 Als barsten en scheuren in de akker Liggen mijn beenderen verstrooid aan de rand van het graf: 8 Maar op U, Jahweh mijn Heer, blijven mijn ogen gericht, Tot U neem ik mijn toevlucht: giet mijn leven niet weg! 9 Behoed mij voor het net, dat men mij heeft gespannen, En voor de strikken der zondaars; 10 Laat de bozen in hun eigen kuilen verzinken, Maar ìk er alleen aan ontsnappen!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 142

1 Een leerdicht van David, toen hij zich in de spelonk bevond. Een gebed. (142-2) Luide roep ik tot Jahweh, Innig smeek ik tot Jahweh; 2 (142-3) Ik stort mijn klacht voor Hem uit, En klaag Hem mijn nood. 3 (142-4) Voor mijn geest hangt een nevel, Maar Gij kent mijn weg: Op het pad, dat ik ga, Heeft men mij heimelijk strikken gelegd. 4 (142-5) Al kijk ik naar rechts en naar links, Er is niemand, die acht op mij slaat; Nergens vind ik een toevlucht, Niet een, die om mij zich bekommert. 5 (142-6) Daarom roep ik tot U, Ach Jahweh, en bid ik tot U; Gij zijt mijn toevlucht, Mijn erfdeel in het land van de levenden. 6 (142-7) Ach, hoor naar mijn smeken: Want ik voel mij zo zwak; Red mij van die mij vervolgen, Want ze zijn veel sterker dan ik. 7 (142-8) Bevrijd mij uit mijn benauwing, Opdat ik uw Naam moge danken, En de vromen mij blijde omringen, Omdat Gij zo goed voor mij zijt!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 143

1 Een psalm van David. Jahweh, hoor mijn gebed, En geef acht op mijn smeken. Verhoor mij om uw trouw En om uw barmhartigheid; 2 Treed niet in het gericht met uw dienstknecht, Want geen levende is voor úw aanschijn rechtvaardig. 3 Zie, de vijand vervolgt mij, En trapt mijn leven tegen de grond; Hij maakt het nacht om mij heen, Als voor hen, die al lang zijn gestorven. 4 Zo hangt er een floers voor mijn geest, En mijn hart is ontsteld in mijn borst. 5 Ik denk terug aan de vroegere dagen, Overweeg wat Gij deedt; Ik peins over het werk uwer handen, 6 En strek mijn handen naar U uit; Naar U smacht mijn ziel Als een dorstende bodem. 7 Verhoor mij toch spoedig, o Jahweh, Want mijn geest gaat bezwijken. Verberg mij uw aangezicht niet, Anders word ik als die in het graf zijn gezonken; 8 Laat mij spoedig uw goedertierenheid smaken, Want op U blijf ik hopen! Toon mij de weg, die ik volgen moet, Want tot U verhef ik mijn geest. 9 Verlos mij van mijn vijanden, Jahweh, Want ik neem mijn toevlucht tot U. 10 Leer mij, uw wil te volbrengen, want Gij zijt mijn God; En uw goede geest leide mij op het veilige pad! 11 Jahweh, terwille van uw Naam, Laat mij leven door uw genade, En verlos mijn ziel uit de nood; 12 Maar verniel in uw goedheid mijn vijand, En vernietig al mijn verdrukkers: Want ik ben uw dienstknecht!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 144

1 Van David. Geprezen zij Jahweh, Mijn Rots; Die mijn handen leert strijden, En mijn vingers leert kampen. 2 Mijn sterkte en burcht, Mijn schuilplaats en toevlucht, Mijn schild, waarop ik vertrouw: Die de volkeren aan mij onderwerpt. 3 Jahweh, wat is de mens, dat Gij acht op hem slaat; Een mensenkind, dat Gij om hem U bekommert? 4 De mens lijkt enkel een zucht, Zijn dagen een vluchtige schaduw. 5 Jahweh, buig uw hemel omlaag, en daal neer, Raak de bergen aan, en ze roken; 6 Slinger uw bliksems, en strooi ze in het rond, Schiet uw pijlen, en jaag ze uiteen. 7 Reik mij uw hand uit den hoge, En verlos mij uit de macht der barbaren, 8 Wier mond alleen maar leugentaal spreekt, En wier rechter een hand van bedrog is. 9 Dan zal ik een nieuw lied voor U zingen, o God, Op de tiensnarige harp voor U spelen: 10 Voor U, die aan koningen de zege verleent, Die redding brengt aan David, uw dienaar. 11 Ja, Hij hééft mij gered van het moordende zwaard, Mij verlost uit de macht der barbaren, Wier mond alleen maar leugentaal spreekt, En wier rechter een hand van bedrog is. 12 Nu zijn onze zonen als planten, Zorgvuldig gekweekt in hun jeugd; Onze dochters als zuilen, Voor de bouw van paleizen gehouwen. 13 Onze schuren gevuld, Boordevol van allerlei vrucht; Onze schapen bij duizenden werpend, 14 De runderen in onze weiden bij tienduizenden drachtig. Geen bres en geen stormloop, Op onze pleinen geen kermen: 15 Gelukkig het volk, wat zo’n lot is beschoren; Gelukkig het volk, waarvan Jahweh de God is!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 145

1 Een loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God en mijn Koning Uw Naam in eeuwigheid loven; 2 Ik wil U zegenen iedere dag, Uw Naam verheerlijken voor altijd en eeuwig. 3 Groot is Jahweh, en hooggeprezen, Zijn majesteit is niet te doorgronden! 4 Van geslacht tot geslacht zal men uw werken verheffen, En uw machtige daden vermelden; 5 Van de heerlijke luister van uw Majesteit spreken, En uw wonderen bezingen; 6 Van de macht uwer ontzaglijke daden gewagen, En uw grootheid verkonden! 7 Men zal de roem van uw onmetelijke goedheid verbreiden, En over uw goedertierenheid jubelen: 8 "Genadig en barmhartig is Jahweh, Lankmoedig, vol goedheid; 9 Goedertieren is Jahweh voor allen, Zijn barmhartigheid strekt zich over al zijn schepselen uit!" 10 Al uw werken zullen U loven, o Jahweh, En uw vromen zullen U prijzen; 11 Ze zullen de glorie van uw Koningschap roemen, En uw almacht verkonden: 12 Om de kinderen der mensen uw kracht te doen kennen, En de heerlijke glans van uw Rijk. 13 Uw Koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, Uw heerschappij blijft van geslacht tot geslacht! Trouw is Jahweh in al zijn beloften, En in al zijn werken vol goedheid. 14 Jahweh stut die dreigen te vallen, En die gebukt gaan, richt Hij weer op. 15 Aller ogen zien naar U uit, Gij geeft voedsel aan allen, elk op zijn tijd; 16 Gij opent uw handen, En verzadigt naar hartelust al wat leeft! 17 Goedertieren is Jahweh in al zijn wegen, En in al zijn werken vol liefde. 18 Jahweh is allen, die Hem roepen, nabij: Allen, die oprecht tot Hem bidden. 19 Hij vervult de wensen van hen, die Hem vrezen; Hij hoort hun smeken, en komt ze te hulp. 20 Jahweh behoedt wie Hem liefheeft, Maar vernielt alle bozen! 21 Mijn mond zal de lof van Jahweh verkonden; Alle vlees zijn heilige Naam zegenen voor eeuwig!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 146

1 Halleluja! Loof Jahweh mijn ziel! 2 Zolang ik leef, wil ik Jahweh prijzen, Mijn God verheerlijken, zolang ik besta! 3 Vertrouwt niet op vorsten, Op mensen, die niet kunnen helpen: 4 Is hun adem heen, ze keren terug tot het stof, En het is met hun plannen gedaan. 5 Gelukkig, wien de God van Jakob blijft helpen, Wiens hoop is gevestigd op Jahweh, zijn God: 6 Die hemel en aarde heeft gemaakt, De zee met wat ze bevat. Jahweh, die trouw blijft voor eeuwig, 7 De verdrukten verdedigt, Brood aan de hongerigen reikt, En de gevangenen bevrijdt! 8 Jahweh opent de ogen der blinden, Jahweh richt de gebukten weer op; Jahweh heeft de rechtvaardigen lief, 9 Jahweh draagt zorg voor de zwervers. Hij is een steun voor weduwen en wezen, Maar de bozen richt Hij te gronde: 10 Jahweh is Koning voor eeuwig; Uw God, o Sion, van geslacht tot geslacht!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 147

1 Halleluja! Looft Jahweh: want het is goed, Hem te prijzen, Onzen God: want het is lieflijk en schoon, Hem te roemen! 2 Jahweh bouwt Jerusalem weer op, En brengt de verstrooiden van Israël bijeen. 3 Hij is het, die de gebroken harten geneest, En hun wonden verbindt; 4 Die het getal van de sterren bepaalt, En ze allen roept bij haar naam. 5 Groot is onze Heer, geweldig zijn macht, Zijn wijsheid oneindig; 6 Jahweh richt de nederigen op, Maar de bozen werpt Hij ter aarde. 7 Heft Jahweh een jubelzang aan Speelt op de citer voor onzen God: 8 Die de hemel met wolken bedekt, En de regen bereidt voor de aarde. Die op de bergen gras doet ontspruiten, En groen voor de beesten, die den mens moeten dienen; 9 Die aan het vee zijn voedsel geeft, En aan de jonge raven, die er om roepen. 10 Hij vindt geen vreugde in de sterkte der paarden, Hem verheugen geen krachtige schenkels; 11 Maar Jahweh heeft behagen in hen, die Hem vrezen, En die smachten naar zijn genade! 12 Breng Jahweh lof, Jerusalem; Sion, loof uw God! 13 Want Hij heeft de grendels van uw poorten versterkt, Uw zonen binnen uw muren gezegend, 14 De vrede aan uw grenzen geschonken, U met de bloem der tarwe verzadigd. 15 Hij is het, die de aarde zijn bevelen stuurt, En haastig rept zich zijn woord: 16 Die sneeuw als wolvlokken zendt, Zijn ijzel rondstrooit als as. 17 Hij werpt zijn hagel bij brokken, En voor zijn koude stollen de wateren; 18 Maar Hij stuurt zijn bevel, en ze smelten: Zijn winden waaien, weer stromen de wateren. 19 Hij maakte Jakob zijn geboden bekend, Israël zijn bevelen en wetten: 20 Zo deed Hij voor geen ander volk, Nooit heeft Hij hùn zijn wetten geleerd! Halleluja!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 148

1 Halleluja! Looft Jahweh in de hemel, Looft Hem in den hoge; 2 Looft Hem al zijn engelen, Looft Hem heel zijn heir! 3 Looft Hem, zon en maan, Looft Hem allen, flonkerende sterren; 4 Looft Hem hoogste gewesten, De wateren boven de hemel! 5 De Naam van Jahweh moeten ze loven, Want Hij gebood, en ze werden geschapen; 6 Hij wees hun een plaats voor altijd en eeuwig, Hij gaf hun een wet, die ze niet overtreden. 7 Looft Jahweh op aarde: Monsters der zee en alle oceanen, 8 Vuur en hagel, sneeuw en ijzel, Stormwind, die zijn bevelen volbrengt! 9 Alle bergen en heuvels, Alle vruchtbomen en ceders; 10 Alle beesten, wilde en tamme, Kruipende dieren en gevleugelde vogels! 11 Alle koningen en volken der aarde, Alle vorsten en wereldbestuurders; 12 Jonge mannen en maagden, Grijsaards en kinderen! 13 De Naam van Jahweh moeten ze loven: Want zijn Naam is verheven; Zìjn glorie alleen Gaat hemel en aarde te boven! 14 Hij heeft de hoorn van zijn volk weer verhoogd, En de roem van al zijn getrouwen: Van Israëls zonen, Van het volk, van zijn vrienden! Halleluja!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 149

1 Halleluja! Zingt een nieuw lied ter ere van Jahweh, Zijn lof in de gemeenschap der vromen. 2 Laat Israël zich in zijn Schepper verheugen, Sions kinderen zich in hun Koning verblijden; 3 Zijn Naam met reidansen vieren, Hem verheerlijken met pauken en citer! 4 Want Jahweh heeft zijn volk begenadigd, De verdrukten met zege gekroond; 5 Laat de vromen nu hun krijgsroem bezingen, En jubelen over hun wapens: 6 Met Gods lof in hun keel, En een tweesnijdend zwaard in hun hand! 7 Zich op de heidenen wreken, De volken richten, 8 Hun koningen in ketenen slaan, Hun vorsten in ijzeren boeien, 9 Aan hen het vonnis voltrekken, zoals het geveld is: Dìt is de glorie van al zijn vromen! Halleluja!

INHOUD | [De Psalmen]

Hoofdstuk 150

1 Halleluja! Looft Jahweh in zijn heiligdom, Looft Hem in het firmament zijner glorie; 2 Looft Hem om zijn machtige daden, Looft Hem om zijn ontzaglijke grootheid! 3 Looft Hem met bazuingeschal, Looft Hem met harp en citer; 4 Looft Hem met pauken en koren, Looft Hem op snaren en fluit! 5 Looft Hem met schelle cimbalen, Looft Hem met kletterende bekkens! 6 Looft Jahweh, alles wat ademt! Halleluja!