De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Spreuken

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31]

Hoofdstuk 1

1 Spreuken van Salomon, den zoon van David, Den koning van Israël: 2 Ze leren u kennen wijsheid en tucht, Ze geven u begrip voor verstandige woorden; 3 Ze voeden u op tot heilzame tucht, Rechtschapenheid, plichtsbesef en oprechtheid. 4 Aan de onnozelen schenken ze ervaring, Aan jonge mensen doordachte kennis. 5 Als een wijze ze hoort, zal hij zijn inzicht verdiepen, Een verstandig mens zal er ideeën door krijgen; 6 Spreuk en strikvraag zal hij doorzien, De woorden der wijzen en hun problemen. 7 Het ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid; Maar ongelovigen lachen om wijsheid en tucht. 8 Mijn zoon, luister dus naar de wenken van uw vader, Sla niet in de wind, wat uw moeder u leerde; 9 Want het siert uw hoofd als een krans, Uw hals als een snoer. 10 Mijn zoon, als zondaars u willen verleiden, stem niet toe, 11 Als ze u zeggen: Ga met ons mee, Laat ons loeren op bloed, Laat ons zo maar onschuldigen belagen, 12 Gelijk de onderwereld hen levend verslinden, Als zij, die ten grave dalen, geheel en al; 13 Allerlei kostbare schatten zullen we vinden, Onze huizen vullen met buit; 14 Ge moogt meeloten in onze kring, Eén buidel zullen we samen delen! 15 Mijn zoon, ga dan niet met hen mee, En houd uw voet af van hun pad; 16 Want hun voeten ijlen naar het kwade, En haasten zich, om bloed te vergieten. 17 Maar zoals het niet geeft, of het net wordt gespannen, Terwijl alle vogels het zien: 18 Zo loeren ze slechts op hun eigen bloed, En belagen ze hun eigen leven! 19 Zo gaat het allen, die uit zijn op oneerlijke winst: Deze beneemt zijn bezitters het leven. 20 De wijsheid roept luid in de straten, Op de pleinen verheft ze haar stem; 21 Ze roept op de tinne der muren, En spreekt aan de ingang der poorten: 22 Hoe lang nog, dommen, blijft gij liever onnozel, Blijven de eigenwijzen verwaand, Willen de dwazen van geen wijsheid horen? 23 Keert u tot mijn vermaning; Dan stort ik mijn geest over u uit, En maak u mijn woorden bekend. 24 Maar zo ge weigert, als ik roep, En niemand er op let, als ik mijn hand verhef; 25 Zo ge mijn raad geheel en al in de wind slaat, En van mijn vermaning niet wilt weten: 26 Zal ik lachen, wanneer het u slecht gaat, Zal ik spotten, wanneer uw verschrikking komt als een onweer; 27 Wanneer uw ongeluk nadert als een orkaan, Wanneer benauwdheid en angst u overvallen! 28 Dan zal men mij roepen, maar zal ik niet antwoorden, Zal men mij zoeken, maar mij niet vinden! 29 Omdat ze van wijsheid niets wilden weten, En het ontzag voor Jahweh niet hebben verkozen, 30 Van mijn raad niets moesten hebben, En al mijn vermaan in de wind hebben geslagen: 31 Zullen ze eten de vrucht van hun wandel, Verzadigd worden met wat ze beraamden. 32 Want de onnozelen komen door hun onverschilligheid om, De dwazen storten door hun lichtzinnigheid in het verderf; 33 Maar die naar mij luistert, zal in veiligheid wonen, Bevrijd van de vrees voor de rampen!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 2

1 Mijn zoon, als ge mijn woorden aanvaardt, En mijn wenken ter harte neemt, 2 Uw oren te luisteren legt naar de wijsheid, Uw aandacht richt op ervaring; 3 Ja, als ge om wijsheid roept, En om inzicht uw stem verheft; 4 Als ge er naar streeft als naar geld, En er naar zoekt als naar schatten: 5 Dan zult ge de vreze voor Jahweh begrijpen, Zult ge vinden de kennis van God. 6 Want Jahweh schenkt wijsheid, Van zijn lippen komen kennis en inzicht; 7 Hij houdt hulp bereid voor de braven, Is een schild voor mensen van onberispelijke wandel; 8 Hij beschermt de paden des rechts, En beveiligt de weg van zijn dienaars! 9 Dan zult ge verstaan wat recht is en plicht, Recht vooruit gaan op elk goed pad. 10 Want de wijsheid zal haar intrede doen in uw hart, De kennis zoet zijn voor uw ziel; 11 Het overleg zal over u waken, Het verstand de wacht bij u houden. 12 Zij zullen u behoeden voor de weg van het kwaad, Voor den man, die leugentaal spreekt; 13 Voor hen, die het rechte pad hebben verlaten, En wandelen op duistere wegen; 14 Voor hen, wie de misdaad een vreugde is, En die om boze plannen juichen, 15 Die kronkelwegen gaan, En afdwalen op hun paden. 16 Zij zullen u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal, 17 Die den vriend van haar jeugd heeft verlaten, Het verbond van haar God heeft vergeten. 18 Want haar pad helt naar de dood, Naar de schimmen leiden haar wegen. 19 Wie zich met haar inlaat, keert nooit weerom, Bereikt nimmer de paden des levens! 20 Zo zult ge het pad der braven bewandelen, En de weg der rechtvaardigen houden. 21 Want de vromen zullen de aarde bewonen, Alleen de onberispelijken blijven er op; 22 Maar de bozen worden van de aarde verdelgd, De afvalligen eruit weggevaagd!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 3

1 Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, Neem mijn wenken ter harte. 2 Ze schenken u lengte van dagen, jaren van leven, En overvloedige welvaart! 3 Liefde en trouw mogen u nimmer verlaten, Hang ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart; 4 Dan zult ge goed en verstandig zijn, In de ogen van God en de mensen. 5 Vertrouw op Jahweh met heel uw hart, Verlaat u niet op uw eigen inzicht; 6 Denk aan Hem op al uw wegen, Dan zal Hij uw paden effenen. 7 Wees niet wijs in uw eigen ogen, Heb ontzag voor Jahweh en vermijd het kwaad: 8 Het zal genezing brengen voor uw lichaam, Verkwikking voor uw gebeente. 9 Eer Jahweh met heel uw bezit, Met het beste van al uw inkomsten: 10 Dan zullen uw schuren vol koren zijn, Uw kuipen bersten van most. 11 Mijn zoon, sla de lessen van Jahweh niet in de wind, Heb geen afkeer van zijn bestraffing; 12 Want Jahweh tuchtigt hem, dien Hij liefheeft, Kastijdt het kind, dat Hij mag. 13 Gelukkig de mens, die wijsheid verkreeg, De man die inzicht bekwam; 14 Want haar voordelen zijn groter dan die van zilver, Wat zij opbrengt is beter dan goud. 15 Zij is meer waard dan juwelen; Geen van uw kostbaarheden komt haar nabij! 16 Met de rechterhand schenkt ze lengte van dagen, Met de linker rijkdom en aanzien. 17 Haar wegen zijn liefelijke wegen, Al haar paden leiden tot vrede; 18 Zij is een boom des levens voor wie haar vatten, En wie haar vasthoudt, is zalig te prijzen! 19 Met wijsheid heeft Jahweh de aarde gegrond, Met inzicht de hemel gewelfd; 20 Naar zijn kennis rollen de zeeën aan, En druppelen de wolken van dauw. 21 Mijn zoon, verlies ze dus niet uit het oog, Maar doe alles met beleid en verstand; 22 Laat ze het leven zijn voor uw ziel, Een sieraad voor uw hals. 23 Dan zult ge veilig uw weg bewandelen, En zult ge uw voeten niet stoten; 24 Dan behoeft ge niet te vrezen, als ge u neerlegt, Kunt ge rustig sluimeren, als ge wilt slapen. 25 Dan behoeft ge niet te vrezen, voor wat de dommen verschrikt, Of als het onweer komt, dat de bozen overvalt; 26 Want Jahweh zal zijn op al uw wegen, Uw voet behoeden voor de strik. 27 Weiger het goede niet, aan wien het toekomt, Zolang het in uw macht is, het te doen. 28 Zeg niet tot uw naaste: "Ga heen en kom nog eens terug"; Of "Mórgen krijgt ge iets", terwijl ge het nú hebt! 29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, Terwijl hij, niets duchtend, bij u verblijft; 30 Zoek geen twist met iemand om niets, Als hij u geen kwaad heeft gedaan. 31 Wees niet jaloers op een tyran, Laat geen zijner wegen u gevallen; 32 Want Jahweh heeft een afschuw van den zondaar, Maar met de rechtvaardigen gaat Hij vertrouwelijk om. 33 De vloek van Jahweh rust op het huis van den boze, Zijn zegen op de woning der rechtvaardigen; 34 Met spotters drijft Hij de spot, Maar aan de nederigen schenkt hij genade. 35 Wijzen zullen achting verwerven, Dwazen schande verkrijgen!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 4

1 Luistert kinderen, naar wat vader leert; Let op, om inzicht te krijgen. 2 Ik prent u een gezonde leer in; Sla dus mijn lessen niet in de wind. 3 Toen ik voor mijn vader nog een kind was, Een teer en enig kind onder het oog van mijn moeder, 4 Gaf hij mij onderricht en zeide tot mij: Neem mijn woorden ter harte, Neem mijn wenken in acht, en leef; 5 Doe wijsheid, en doe inzicht op, Vergeet mijn woorden niet, En wijk er nimmer van af! 6 Verwaarloos haar niet, zij zal u behoeden, Als ge haar liefhebt, u beschermen. 7 Aanvang der wijsheid is: doe wijsheid op, Doe inzicht op, zoveel ge kunt; 8 Zij zal u verheffen, als ge haar hooghoudt, U aanzien verlenen, als ge haar omhelst; 9 Zij vlecht om uw hoofd een sierlijke krans, En verrijkt u met een prachtige kroon! 10 Luister mijn zoon, neem mijn woorden aan, Opdat ge lange jaren moogt leven. 11 Ik wijs u de weg van de wijsheid, Doe u de paden van het recht betreden. 12 Gaat ge daarop, dan zal men uw tred niet belemmeren, Snelt ge daar voort, dan struikelt ge niet. 13 Houd onverzwakt vast aan de tucht, Neem haar in acht, want zij is uw leven. 14 Begeef u niet op de weg der bozen, Ga niet voort op het pad der zondaars; 15 Laat ze liggen, ga er niet overheen, Mijd ze, ga ze voorbij! 16 Want ze rusten niet, of ze moeten kwaad kunnen doen, Ze gaan niet slapen, eer ze iemand hebben doen struikelen; 17 Ze eten het brood der boosheid, En drinken de wijn der geweldenarij. 18 Maar de weg der deugdzamen is als het morgenlicht, Dat gaandeweg opklaart, tot het dag is geworden. 19 De weg der bozen gelijkt op een donkere nacht, Ze weten niet, waarover ze struikelen; 20 Mijn zoon, schenk uw aandacht aan wat ik ga zeggen, Leg uw oor te luisteren naar mijn woorden; 21 Laat ze niet wijken uit uw ogen, Bewaar ze diep in uw hart; 22 Want ze zijn het leven voor hem, die ze vindt, Voor heel zijn lichaam genezing. 23 Bewaak dus uw hart met de uiterste zorg, Want daar ligt de oorsprong des levens. 24 Verwijder van u een onbetrouwbare mond, Houd verre van u venijnige lippen; 25 Laat uw ogen vrij voor zich uitzien, Uw wimpers zich richten recht voor u uit. 26 Effen de weg voor uw voet, Geef richting aan uw wegen; 27 Wijk niet af naar rechts of naar links, Houd uw voet verre van het kwaad.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 5

1 Mijn zoon, schenk uw aandacht aan mijn wijsheid, Neig uw oor tot mijn inzicht; 2 Dat overleg en ervaring u mogen behoeden, En u bewaren voor de lippen van een vreemde vrouw. 3 Want al druipen de lippen der vreemde van honing, En is haar gehemelte gladder dan olie, 4 Ten slotte is zij bitter als alsem, En scherp als een tweesnijdend zwaard. 5 Haar voeten dalen af naar de dood, Tot de onderwereld leiden haar schreden; 6 Ze bakent de weg des levens niet af, Maar haar paden kronkelen ongemerkt! 7 Welnu dan kinderen, luistert naar mij, Keert u niet af van mijn woorden. 8 Houd uw weg verre van haar, Nader niet tot de deur van haar huis: 9 Anders moet ge aan anderen uw frisheid afstaan, Uw jaren offeren aan een ongenadig mens 10 Verrijken zich vreemden met uw vermogen, En komt uw zuurverdiend loon in het huis van een ander. 11 Dan slaat ge ten slotte aan ‘t jammeren, En moet ge, als heel uw lichaam op is, bekennen: 12 Hoe heb ik toch de tucht kunnen haten, En de vermaning in de wind kunnen slaan? 13 Waarom heb ik niet geluisterd naar hen, die mij onderwezen, Geen aandacht geschonken aan hen, die mij leerden? 14 Nu hebben mij haast alle rampen getroffen Midden in de kring van mijn volk! 15 Drink water uit uw eigen bron, Een koele dronk uit uw eigen put 16 Zoudt ge úw wellen over de rand laten stromen, Uw watergolven over de straten? 17 Néén, u alleen behoren zij toe, Niet aan vreemden nevens u. 18 Houd dus uw bron voor u zelf, En geniet van de vrouw uwer jeugd: 19 Die aanminnige hinde, Die bevallige gems; Haar borsten mogen u ten allen tijde bevredigen. Aan haar liefde moogt ge u voortdurend bedwelmen. 20 Waarom, mijn zoon, zoudt ge u aan een vreemde te buiten gaan, De boezem strelen van een onbekende? 21 Voor de ogen van Jahweh liggen de wegen van iedereen open, Hij let op de paden van allen: 22 De boze wordt in zijn eigen wandaden verstrikt, In de banden van zijn zonden gevangen; 23 Zijn losbandigheid brengt hem om het leven, Door zijn vele dwaasheden komt hij om.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 6

1 Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde, 2 Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen: 3 Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste; 4 Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap; 5 Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar. 6 Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs! 7 Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser, 8 Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen. 9 Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap? 10 Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar: 11 En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover! 12 Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal; 13 Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers; 14 Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt! 15 Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel. 16 Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw: 17 Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten; 18 Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden; 19 Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt. 20 Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde; 21 Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals. 22 Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt. 23 Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven. 24 Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde. 25 Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden; 26 Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven 27 Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit; 28 Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt? 29 Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af. 30 Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft; 31 Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft. 32 Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen; 33 Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt. 34 Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien; 35 Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 7

1 Mijn zoon, neem mijn woorden in acht, En neem mijn wenken ter harte; 2 Onderhoud mijn geboden, opdat ge moogt leven, Let op mijn wenken als op de appel van uw oog. 3 Leg ze als een band om uw vingers, Schrijf ze op de tafel van uw hart 4 Zeg tot de wijsheid: "gij zijt mijn zuster", Noem het verstand: "een bekende"; 5 Opdat ze u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal. 6 Want kijkend door het venster van mijn woning Door de tralies heen, 7 Lette ik op het onervaren volk, En zag onder de jongemannen een onverstandigen knaap. 8 Hij ging langs de straat, dicht bij haar hoek, En sloeg de richting in naar haar huis, 9 In de schemering, toen de avond viel En het nachtelijk duister. 10 Daar komt de vrouw op hem af, Opzichtig gekleed met duidelijke bedoelingen. 11 Wat ziet ze er losbandig en lichtzinnig uit, In huis kunnen haar voeten het niet houden; 12 Ze loopt de straat, de pleinen op, En bij elke hoek staat ze op wacht! 13 Ze grijpt hem vast, geeft hem een kus, En zegt tot hem met een onbeschaamd gezicht: 14 Dankoffers had ik te brengen, Vandaag heb ik mijn geloften betaald; 15 Daarom ging ik naar buiten, u tegemoet, Om u te zoeken, en ik hèb u gevonden. 16 Dekens heb ik op bed gelegd, Bonte dekens van egyptisch lijnwaad; 17 Ik heb mijn bed met myrrhe besprenkeld, Met aloë en kaneel. 18 Kom, laat ons dronken worden van minne, En tot de morgen zwelgen in liefde. 19 Mijn man is niet thuis, Hij is op een verre reis; 20 Een buidel geld heeft hij bij zich gestoken, Dus komt hij met volle maan pas terug. 21 Door haar radde taal verleidde ze hem, Met haar gladde tong troonde ze hem mee. 22 Daar loopt de sukkel met haar mee, Als een stier, die naar de slachtbank gaat; Als een hert, dat huppelt naar het net, 23 Totdat een pijl hem het hart doorboort; Als een vogel, die scheert naar de strik, En niet vermoedt, dat het om zijn leven gaat. 24 Welnu dan, kinderen, luistert naar mij, Schenkt uw aandacht aan mijn woorden. 25 Laat u niet op haar wegen verleiden, Dwaalt niet op haar paden rond. 26 Want talrijke slachtoffers heeft ze gemaakt, Velen heeft ze om hals gebracht; 27 Een weg naar de onderwereld is haar huis, Vandaar daalt men af naar het dodenrijk.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 8

1 Waarachtig, de wijsheid roept, De schranderheid verheft haar stem! 2 Zij staat langs de weg op de toppen der hoogten, Op het kruispunt der wegen, 3 Opzij van de poorten, aan de ingang der stad, Waar men de poorten betreedt, predikt zij luid: 4 Ik roep tot u, mannen, Ik spreek tot de kinderen der mensen: 5 Leert toch, onnozelen, wat schranderheid is, Verstaat toch, dwazen, wat wijsheid betekent! 6 Luistert, want wat ik zeg is zeker, Wat over mijn lippen komt is juist; 7 Mijn mond spreekt de waarheid, Van leugentaal hebben mijn lippen een afschuw. 8 Al mijn woorden zijn oprecht, Niet één ervan is misleidend of vals; 9 Voor wie ze verstaat, zijn ze allen treffend, Voor wie ze wil begrijpen, allen juist. 10 Neemt liever mijn tucht aan dan zilver, Geeft aan kennis de voorkeur boven het fijnste goud; 11 Want de wijsheid is meer waard dan juwelen, Geen kostbaarheid komt haar nabij! 12 Ik, wijsheid, ben met overleg vertrouwd, En beschik over weloverwogen kennis; 13 Maar hoogmoed en trots, een slechte levenswandel, En een wispelturige tong zijn een afschuw voor mij. 14 Ik beschik over raad en beleid, Ik bezit doorzicht en kracht; 15 Door mij zijn de koningen koning, En bepalen de leiders wat recht is; 16 Door mij zijn de vorsten vorst, En zijn alle rechtvaardige rechters in aanzien. 17 Die mij beminnen heb ik lief, En die mij zoeken, zullen mij vinden. 18 Ik beschik over rijkdom en aanzien, Over duurzame welvaart en voorspoed; 19 Mijn vrucht is meer waard dan het edelste goud, Meer dan het fijnste zilver mijn oogst. 20 Ik wandel op de weg der gerechtigheid, Midden op de paden van het recht: 21 Om die mij beminnen, met bezit te verrijken, En hun schatkamers te vullen. 22 Jahweh schiep mij als zijn eerste gewrocht, Als het eerste werk, dat Hij ooit heeft gemaakt; 23 Van oudsher ben ik gevormd, Van den beginne, vóór de eerste tijden der aarde. 24 Toen er nog geen oceanen waren. was ik geboren, Toen er nog geen bronnen, rijk aan water, bestonden; 25 Eer de bergen waren neergelaten, Eer de heuvels ontstonden, werd ik geboren, 26 Eer Hij de aarde had gemaakt en de velden, En alle grondstoffen der wereld. 27 Toen Hij de hemel welfde, was ik aanwezig, Toen Hij een kring trok rond het vlak van de oceaan; 28 Toen Hij daarboven de wolken bevestigde, En de bronnen van de oceaan begonnen te stromen; 29 Toen Hij de zee haar grenzen stelde, Dat de wateren haar oevers niet zouden overschrijden; Toen Hij de fundamenten der aarde legde: 30 Was ik bij Hem als een troetelkind, Was ik elke dag zijn vermaak, Dartelde ik heel de tijd onder zijn ogen, 31 Spelend op zijn wereldrond, En mij vermakend met de kinderen der mensen. 32 Welnu dan kinderen luistert naar mij; Gelukkig zij, die mijn wegen bewaren; 33 Hoort naar de lessen, weest wijs, en verwerpt ze niet. En de wacht houden aan de posten van mijn poorten. (34b) 34 Gelukkig de mens, die naar mij luistert, (32b) Die elke dag aan mijn deuren waken, 35 Wie mij vindt, heeft het leven gevonden, En welbehagen verkregen van Jahweh; 36 Maar wie mij mist, benadeelt zichzelf, En al wie mij haten, beminnen de dood!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 9

1 De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, Haar zeven zuilen opgericht, 2 Haar vee geslacht, haar wijn gemengd, Haar dis ook bereid. 3 Nu laat ze haar dienstmaagden noden Op de hoogste punten der stad: 4 Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken. 5 Komt, eet van mijn spijzen, En drinkt van de wijn die ik mengde; 6 Laat de onnozelheid varen, opdat gij moogt leven, Betreedt de rechte weg van het verstand! 7 Wie een spotter vermaant, berokkent zich schande, En wie een booswicht bestraft, op hem komt een smet. 8 Ge moet geen spotter bestraffen, hij zal u erom haten, Bestraf een wijze, hij zal er u dankbaar voor zijn. 9 Deel mee aan een wijze: hij wordt nog wijzer, Onderricht een rechtvaardige: hij zal zijn inzicht verdiepen. 10 Ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid, Den Heilige kennen is inzicht. 11 Want door Jahweh worden uw dagen vermeerderd. Worden jaren van leven u toegevoegd. 12 Zijt ge wijs, ge zijt wijs tot uw eigen voordeel; Zijt ge eigenwijs, gij alleen moet ervoor boeten! 13 De dwaasheid is een wispelturige vrouw, Een verleidster, die geen schaamte kent. 14 Ze zit aan de deur van haar huis, In een zetel op de hoogten der stad; 15 Zij nodigt de voorbijgangers uit, Hen die recht huns weegs willen gaan: 16 Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken! 17 Gestolen water is zoet, Heimelijk gegeten brood smaakt lekker! 18 Maar men vermoedt niet, dat de schimmen daar wonen, Dat haar gasten diep in het dodenrijk komen!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 10

1 Spreuken van Salomon. Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader; Een kind, dat niet oppast, bezorgt zijn moeder verdriet. 2 Oneerlijk verkregen rijkdom zal niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt uit de dood. 3 Jahweh zal een rechtvaardige geen honger doen lijden, Maar de begeerlijkheid der bozen wijst Hij af. 4 Een vadsige hand kweekt armoe, De hand der vlijtigen maakt rijk. 5 Wie in de zomer voorraad opdoet, is wijs; Wie in de oogsttijd slaapt, wordt beschaamd. 6 Zegen rust op het hoofd van den rechtvaardige, Maar geweld zal het gezicht der bozen bedekken 7 De nagedachtenis van den rechtvaardige wordt gezegend, De naam der bozen vervloekt. 8 Wie wijs is van harte, neemt voorschriften aan; Wie dwaze dingen zegt, komt ten val. 9 Hij gaat veilig, die onberispelijk wandelt; Maar wie zich op dwaalwegen waagt, wordt betrapt. 10 Wie een oogje toedoet, veroorzaakt droefheid; Wie vrijmoedig terechtwijst, sticht vrede. 11 Een bron van leven is de mond van den rechtvaardige, De mond der bozen verbergt geweld. 12 De haat verwekt twist, Maar de liefde bedekt alle overtredingen. 13 Op de lippen van een wijze vindt men wijsheid, Op de rug van een onverstandig mens dient de stok. 14 Wijzen houden de kennis voor zich, Maar de mond van een dwaas is een dreigend onheil. 15 Het bezit is voor den rijke een sterke burcht, De armoede voor de behoeftigen een ongeluk. 16 Wat een rechtvaardige verdient, strekt ten leven; Maar de winst van een boze tot zonde. 17 Wie de tucht in ere houdt, betreedt de weg ten leven; Wie vermaningen in de wind slaat, verdwaalt. 18 Eerlijke lippen houden hatelijkheden binnen; Wie lasterpraatjes verspreidt, is een dwaas. 19 In een vloed van woorden wordt licht een fout begaan; Wijs dus hij, die zijn lippen opeenknijpt! 20 Het fijnste zilver is de tong van een rechtvaardige, Het hart der bozen is weinig waard. 21 De lippen van een rechtvaardige kunnen velen leiden, Maar de bozen gaan aan hun onverstand dood. 22 Het is de zegen van Jahweh, die rijk maakt; Eigen beslommering voegt er niets aan toe. 23 Voor den dwaze is kwaaddoen een genot, Voor een man van inzicht het betrachten van wijsheid. 24 Wat de boze ducht, dat overkomt hem; Wat een rechtvaardige verlangt, wordt hem geschonken. 25 Steekt er een storm op, dan is de boze verdwenen; Maar de rechtvaardige staat blijvend vast. 26 Azijn voor de tanden en rook voor de ogen, Dàt is de luiaard voor wie hem een boodschap laat doen. 27 Het ontzag voor Jahweh verlengt het leven, Maar de jaren der bozen zijn kort. 28 De hoop der rechtvaardigen eindigt in vreugde, De verwachting der bozen loopt uit op niets. 29 Jahweh is een steun voor wie onberispelijk wandelen, Maar een verschrikking voor allen, die kwaad doen. 30 De rechtvaardige zal in der eeuwigheid niet wankelen, De bozen zullen de aarde niet blijven bewonen. 31 De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, Maar een sluwe tong wordt uitgerukt. 32 De lippen van een rechtvaardige weten wat welgevallig is, Maar de mond der bozen heeft slinkse streken.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 11

1 Van een valse weegschaal heeft Jahweh een afschuw, Hij houdt van een zuiver gewicht. 2 Komt de overmoed, dan komt ook de schande; Alleen bij ootmoedigen is wijsheid. 3 De vromen worden door hun deugd geleid; Hun eigen valsheid stort de zondaars in het verderf. 4 Op de dag van gramschap kan rijkdom niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt van de dood. 5 De weg van den rechtvaardige wordt door zijn deugd geëffend, Maar de boze komt door zijn boosheid ten val. 6 De rechtvaardigen worden door hun deugd gered, Maar de zondaars lopen door hun begeerlijkheid in de val. 7 Als een boosdoener sterft, vervliegt zijn hoop; De verwachting der zondaars loopt uit op niets 8 De rechtvaardige wordt uit de verdrukking gered, En de boze komt in zijn plaats. 9 Met zijn mond tracht de onverlaat zijn naaste te gronde te richten, Maar door hun kennis worden de rechtvaardigen gered. 10 Om de voorspoed der rechtvaardigen jubelt de stad, Maar er wordt gejuicht bij de ondergang der bozen. 11 Door de zegenbeden der deugdzamen komt een stad tot bloei, Door de mond der bozen wordt ze verwoest. 12 Een onverstandig mens smaalt op zijn naaste, Een man van inzicht zwijgt. 13 Wie lasterend rondgaat, verraadt licht een geheim; Een betrouwbaar karakter houdt de zaak vóór zich. 14 Bij gebrek aan overleg komt een volk ten val, De redding berust op veel beraad. 15 Slecht vergaat het hem, die borg blijft voor een vreemde; Maar wie de handslag mijdt, leeft gerust. 16 Een lieve vrouw dwingt eerbied af; Maar een vrouw, die oprechtheid haat, is een schandvlek. De luiaards krijgen geen vermogen Stoere werkers geraken tot welstand. 17 Een vriendelijk mens doet zich zelven goed, Een wreedaard kwelt zijn eigen vlees. 18 Een boze maakt winst, die niet gedijt; Maar wie gerechtigheid zaait, oogst waarachtig gewin. 19 Een deugdzaam mens gaat ten leven; Maar wie het kwade najaagt, zoekt zijn eigen dood. 20 Jahweh heeft een afschuw van valse karakters, Maar welbehagen in hen, die onberispelijk wandelen. 21 De hand erop: een boze zal zijn straf niet ontlopen, Maar het geslacht der rechtvaardigen wordt behouden. 22 Een gouden ring in een varkenssnuit, Is een knappe vrouw, die geen hersens heeft. 23 De wens der rechtvaardigen loopt uit op geluk, De verwachting der bozen op toorn. 24 Er zijn mensen, die maar uitdelen, en nòg worden ze rijker; Anderen, die maar oppotten, en ze gaan achteruit. 25 Iemand, die weldoet, wordt welgedaan; En wie iemand te drinken geeft, zal worden gelaafd. 26 Wie het koren inhoudt, wordt door het volk verwenst, Maar een zegenbede daalt op het hoofd van wie het verkoopt. 27 Wie naar het goede streeft, vindt welbehagen; Wie het kwaad najaagt, hem zal het treffen. 28 Wie op rijkdom vertrouwt, zal verwelken; Maar de rechtvaardigen botten als bladeren uit. 29 Wie zijn huis verwaarloost, oogst storm; Een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens. 30 De vrucht der gerechtigheid is een levensboom, Het onrecht echter verwoest mensenlevens. 31 Als een rechtvaardige op aarde krijgt wat hem toekomt, Hoeveel te meer dan de boze en de zondaar!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 12

1 Wie op tucht gesteld is, is op kennis gesteld; Wie geen vermaning kan velen, is als redeloos vee. 2 De deugdzame geniet het welbehagen van Jahweh, Doortrapte mensen veroordeelt Hij. 3 Door misdaad houdt de mens geen stand, Maar de wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar. 4 Een flinke vrouw is de kroon van haar man; Een die zich misdraagt, een kanker in zijn gebeente. 5 Wat rechtvaardigen overleggen is recht, Wat bozen uitdenken bedrog. 6 In de woorden der bozen loert levensgevaar, Maar de mond der vromen brengt redding. 7 De bozen worden omvergeworpen, en ze zijn er niet meer; Het huis der rechtvaardigen houdt stand. 8 Naar de mate van zijn doorzicht wordt men geprezen, Maar een nar is niet in tel. 9 Beter onderschat te worden en over een knecht beschikken, Dan voornaam te doen en broodgebrek hebben. 10 De rechtvaardige kent de noden zelfs van zijn vee, Maar het hart der bozen is zonder erbarmen. 11 Wie zijn akker bebouwt, heeft eten genoeg; Maar wie zijn tijd verbeuzelt, lijdt gebrek. 12 De burcht der bozen stort in puin, De wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar. 13 Door zijn tong te misbruiken loopt de boze in de val, Maar de rechtvaardige ontkomt uit de benauwdheid. 14 Wat van iemands lippen komt, wordt hem rijkelijk vergolden; En wat iemands handen doen, valt terug op hemzelf. 15 De dwaze houdt zijn weg voor recht; Alleen wie naar raad luistert, is wijs. 16 Een dwaas laat ogenblikkelijk zijn woede blijken, Wijs is hij, die een belediging doodzwijgt. 17 Wie waarheid spreekt, verbreidt recht; Maar een valse getuige pleegt bedrog. 18 Sommigen laten zich woorden ontvallen als dolkstoten, Maar de tong der wijzen verzacht. 19 Het woord der waarheid houdt eeuwig stand, Een leugentong slechts een ogenblik. 20 Ontgoocheling is het lot van wie kwaad beramen; Maar bij hen, die heilzame raad geven, heerst vreugde. 21 Geen kwaad zal den rechtvaardige treffen, Maar de bozen worden door het ongeluk achtervolgd. 22 Jahweh heeft een afschuw van leugentaal, Maar welbehagen in hen, die de waarheid betrachten. 23 Een wijze houdt zijn wetenschap voor zich, Een dwaas loopt met zijn domheid te koop. 24 De hand der vlijtigen zal regeren, Vadsigheid leidt tot slavernij. 25 Kommer in het hart maakt een mens neerslachtig, Een goed woord fleurt hem weer op. 26 Een rechtvaardige vindt zijn weide wel, Maar de weg der bozen voert hen op een dwaalspoor. 27 Een vadsig mens zal geen wild verschalken, Een ijverig mens verwerft een kostbaar bezit. 28 Op de weg der deugd is leven, Het pad der boosheid leidt naar de dood.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 13

1 Een verstandig kind volgt de tucht van zijn vader, Een deugniet is doof voor verwijten. 2 De goede geniet van de vrucht der gerechtigheid Het verlangen der zondaars gaat uit naar geweld. 3 Wie op zijn mond let, behoedt zichzelf; Maar wie zijn lippen openspalkt, hèm dreigt gevaar. 4 De begeerte van den luiaard blijft onvervuld, Het verlangen der vlijtigen wordt ruimschoots bevredigd. 5 De rechtvaardige heeft een afkeer van leugentaal, Maar de boze smaadt en schimpt. 6 De deugd beschermt hem, die onberispelijk wandelt, De boosheid brengt de zondaars ten val. 7 Er zijn er, die zich rijk houden, maar alles ontberen; Ook, die zich arm voordoen, en kapitalen bezitten. 8 Met rijkdom kan men zijn leven kopen, Maar de arme kan geen losprijs vinden. 9 Het licht der rechtvaardigen brandt lustig, De lamp der bozen gaat uit. 10 Overmoed geeft enkel twist, Alleen bij ootmoedigen is wijsheid. 11 Snel verworven rijkdom slinkt even vlug weg; Alleen wie gestadig verzamelt, wordt rijk. 12 Langdurig wachten sloopt het hart, Maar een vervulde wens is een boom des levens. 13 Wie het bevel niet telt, wordt ervoor gestraft; Wie het voorschrift eerbiedigt, wordt beloond. 14 Het onderricht van den wijze is een bron van leven; Men vermijdt er mee de strikken des doods. 15 Gezond verstand maakt bemind, Het gedrag der veinzaards leidt tot hun eigen verderf. 16 Een wijze doet alles met beleid, Maar een zot kraamt zijn dwaasheid uit. 17 Een onbekwaam boodschapper brengt ongeluk aan, Een betrouwbaar gezant wendt het af. 18 Armoe en schande voor wie de berisping niet telt; Maar wie een vermaning ter harte neemt, wordt geëerd. 19 Een vervulde wens is zoet voor de ziel, Het kwaad te mijden is voor de bozen een gruwel. 20 Wie met wijzen omgaat wordt wijs; Wie het met dwazen houdt, vergaat het slecht. 21 De zondaars zit het ongeluk op de hielen, Welvaart is het deel der rechtvaardigen. 22 De deugdzame laat zijn kleinkinderen een erfenis na, Wat een zondaar bezit, is voor den rechtvaardige bestemd. 23 Veel voedsel geeft het braakland der armen, Maar door onrecht gaat het meeste verloren. 24 Wie de roede spaart, houdt niet van zijn kind; Want wie het liefheeft, kastijdt het. 25 De rechtvaardige kan eten tot verzadigens toe, De maag der bozen komt te kort.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 14

1 De wijsheid bouwt zich een huis, De dwaasheid breekt het eigenhandig af. 2 Wie Jahweh vreest, gaat de rechte weg; Wie Hem veracht, gaat kronkelwegen. 3 In de mond van een dwaas ligt een stok voor zijn rug, De wijzen worden door hun lippen beschermd. 4 Waar geen runderen zijn, blijft de kribbe schoon; Rijke inkomsten dankt men aan de kracht van den os. 5 Een eerlijk getuige liegt niet, Een vals getuige verspreidt leugens. 6 De spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; Voor een wijze is de kennis gemakkelijk te vinden. 7 Blijf uit de buurt van een dwaas, Want verstandige taal bespeurt ge er niet. 8 De wijsheid der schranderen wijst hun de weg, Maar de dommen worden door hun dwaasheid op een dwaalspoor geleid. 9 Het zoenoffer spot met de dwazen, Maar bij rechtvaardigen woont de genade. 10 Het hart kent zijn eigen droefheid alleen; Ook in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen. 11 Het huis der bozen wordt verwoest, De tent der rechtvaardigen richt zich op. 12 Soms houdt iemand een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood. 13 Ook als iemand lacht, kan hij verdriet hebben; Blijdschap loopt soms op droefheid uit. 14 Een zondaar krijgt uit zijn wandel ruimschoots zijn deel, Maar ook een deugdzaam mens uit zijn daden. 15 De onnozele gelooft alles wat er gezegd wordt; De wijze let op het antwoord, dat hij ontvangt. 16 De wijze is behoedzaam en mijdt het kwaad, De dwaas is zorgeloos en gaat er op in. 17 De lichtgeraakte haalt dwaasheden uit, Een beleidvol mens is verdraagzaam. 18 De onnozelen valt dwaasheid ten deel, De wijze wordt met kennis gekroond. 19 De bozen moeten zich voor de deugdzamen buigen, De snoodaards voor de poorten der rechtvaardigen staan. 20 Zelfs bij zijn buur is een arme gehaat, Maar de vrienden van een rijkaard zijn talrijk. 21 Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt! 22 Wie kwaad beramen, geraken op een doolweg; Die op het goede bedacht zijn, ondervinden liefde en trouw. 23 Van alle inspanning komt gewin, Praten brengt alleen maar gebrek. 24 Bedachtzaamheid is de kroon der wijzen, Dwaasheid de krans der dommen. 25 Een betrouwbaar getuige redt mensenlevens; Maar wie leugen verspreidt, pleegt verraad. 26 Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht. 27 Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods. 28 Trots gaat een vorst op een talrijke bevolking, Gebrek aan volk is het eind van een heerser. 29 De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op. 30 Een kalme natuur doet het lichaam goed, Hartstocht is een kanker voor het gebeente. 31 Die een arme verdrukt, smaadt zijn Schepper; Maar wie zich over hem ontfermt, brengt Hem eer. 32 Door zijn boosheid wordt de zondaar voortgejaagd, Maar de rechtvaardige vindt een toevlucht in zijn deugd. 33 In het hart van een verstandige vindt de wijsheid een rustplaats, In het binnenste der dwazen is zij niet bekend. 34 Rechtvaardigheid verheft een volk, De zonde brengt de naties tot schande. 35 De koning heeft behagen in een verstandig dienaar, Maar zijn toorn doodt hem, die zich misdraagt.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 15

1 Een vriendelijk antwoord ontwapent de toorn, Een krenkend gezegde jaagt de woede op. 2 De tong der wijzen druipt van wijsheid, De mond der dommen stort dwaasheid uit. 3 Jahweh’s ogen waren overal rond, Nauwkeurig lettend op slechten en goeden. 4 Rustige taal is een boom des levens, Heftige woorden wonden de ziel. 5 Een dwaas slaat het vermaan van zijn vader in de wind; Verstandig hij, die op een waarschuwing let. 6 In het huis van den rechtvaardige heerst grote welvaart, Maar het gewin der zondaars gaat teloor. 7 De lippen der wijzen verspreiden de kennis, Het hart der dwazen doet het niet. 8 Jahweh heeft een afschuw van het offer der bozen, Maar welbehagen in het gebed der rechtvaardigen. 9 Jahweh verafschuwt de weg van een boosdoener; Hij houdt van hem, die naar rechtvaardigheid streeft. 10 Strenge straf wacht hem, die het rechte pad verlaat; Wie niets van bestraffing wil weten, zal sterven. 11 Onderwereld en dodenrijk liggen open voor Jahweh, Hoeveel te meer de harten van de kinderen der mensen! 12 De spotter houdt er niet van, dat men hem vermaant; Daarom gaat hij niet met wijzen om. 13 Een vrolijk hart maakt een blij gezicht, Verdriet in het hart slaat de geest terneer. 14 Een verstandig hart streeft naar kennis, De mond der dommen vermeit zich in dwaasheid. 15 Een neerslachtig mens heeft steeds kwade dagen, Voor een blijmoedig karakter is het altijd feest. 16 Beter weinig te bezitten en Jahweh te vrezen, Dan vele schatten met wroeging erbij. 17 Beter een schoteltje groente, waar liefde heerst, Dan een gemeste stier met haat erbij. 18 Een driftkop stookt ruzie, Een lankmoedig mens bedaart de twist. 19 De weg van een luiaard is als een doornheg, Het pad der vlijtigen is gebaand. 20 Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader, Een dwaas mens minacht zijn moeder. 21 In dwaasheid vindt een onverstandig mens zijn genoegen, Een man van inzicht houdt de rechte weg. 22 Bij gebrek aan overleg mislukken de plannen, Na rijp beraad komen ze tot stand. 23 Men kan plezier hebben in zijn eigen antwoord; Maar hoe treffend is een woord, dat van pas komt! 24 De wijze gaat de weg des levens omhoog, Hij wil het dodenrijk beneden ontwijken. 25 Jahweh haalt het huis der hoogmoedigen neer, Maar zet de grenspaal van een weduwe vast. 26 Jahweh heeft een afschuw van snode plannen, Maar vriendelijke woorden zijn Hem rein. 27 Wie oneerlijke winst maakt, schaadt zijn eigen huis; Maar wie van omkoperij niets moet hebben, blijft leven. 28 Een rechtvaardig mens overweegt wat hij zegt, De mond der bozen stort onheil uit. 29 Jahweh is verre van de zondaars, Maar Hij hoort het gebed der rechtvaardigen. 30 Stralende ogen verblijden het hart, Een goede tijding verkwikt het gebeente. 31 Wie naar heilzame vermaning luistert, Woont in de kring der wijzen. 32 Wie de tucht niet telt, telt zich zelven niet; Wie naar vermaning luistert, krijgt inzicht. 33 Het ontzag voor Jahweh voedt op tot wijsheid, Aan de eer gaat ootmoed vooraf.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 16

1 Wel kan de mens bij zichzelf overleggen, Maar van Jahweh komt het antwoord van de mond. 2 Al denkt de mens, dat al zijn wegen onschuldig zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst! 3 Wentel uw zorgen op Jahweh af, Dan komen uw plannen ten uitvoer. 4 Jahweh heeft alles gemaakt met een doel, Zo ook den zondaar voor de dag van het onheil. 5 Jahweh verafschuwt alle hooghartige mensen; De hand erop: ze ontkomen niet aan hun straf. 6 Door oprechte liefde wordt de zonde uitgeboet, Uit vrees voor Jahweh leert men het kwaad mijden. 7 Als Jahweh behagen heeft in iemands wegen, Maakt Hij zelfs diens vijanden met hem bevriend. 8 Beter weinig met eerlijke middelen, Dan rijke inkomsten door onrecht. 9 Al kan de mens bij zichzelf overleggen, Het is Jahweh, die zijn schreden richt. 10 Van ‘s konings lippen komt een orakel, Bij een rechtszaak faalt zijn uitspraak niet. 11 Een juiste balans en weegschaal zijn van Jahweh, En iedere gewichtssteen is zijn werk. 12 Koningen moeten een afschuw van misdaden hebben; Alleen door rechtvaardigheid staat een troon sterk. 13 Een koning heeft welbehagen in eerlijke taal, En houdt van iemand, die waarheid spreekt. 14 De toorn eens konings is de bode van de dood; Een wijs man weet hem te ontwapenen. 15 Een vriendelijk gezicht van den koning betekent leven, Zijn welgevallen is als een wolk vol lenteregen. 16 Wijsheid verwerven is beter dan goud, Ervaring krijgen verkieslijker dan zilver. 17 Het pad der deugdzamen weet het kwaad te vermijden; Wie op zijn weg let, beschermt zichzelf. 18 Hoogmoed komt vóór de val, Hooghartigheid, voordat men struikelt. 19 Beter deemoedig te zijn met armen, Dan met hovaardigen buit te delen. 20 Wie op zijn woorden let, heeft het goed; Gelukkig hij, die op Jahweh vertrouwt! 21 Een wijze geest wordt verstandig genoemd, Maar met goede woorden bereikt men nog meer. 22 Inzicht is een levensbron voor wie het bezit, Dwazen worden met dwaasheid bestraft. 23 Een wijze geest spreekt verstandige taal, Hij maakt, dat zijn woorden overtuigen. 24 Vriendelijke woorden zijn een honingraat, Zoet voor de ziel en verkwikkend voor het gebeente. 25 Soms houdt men een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood. 26 De honger zet den arbeider aan tot werken; Zijn mond dwingt hem ertoe. 27 Een man, die niet deugt, is een oven van boosheid; Op zijn lippen brandt als het ware een vuur. 28 Een wispelturig mens stuurt op ruzie aan, Een lastertong brengt onenigheid tussen vrienden. 29 Een booswicht tracht zijn naaste te verleiden, En hem te brengen op een weg, die niet deugt. 30 Wie zijn ogen toeknijpt, is iets vals van plan; Wie zijn lippen opeenperst, heeft het kwaad al gedaan. 31 Het grijze haar is een heerlijke kroon, Die op het pad der deugd wordt verkregen. 32 Een lankmoedig man is meer waard dan een krachtmens; Wie zichzelf beheerst, staat hoger, dan wie een stad bedwingt. 33 Wel wordt het lot in de schoot geworpen Maar wat het uitwijst, komt van Jahweh.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 17

1 Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist. 2 Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis. 3 De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh! 4 De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden. 5 Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft. 6 Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen. 7 Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal. 8 Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes. 9 Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden. 10 Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas. 11 Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af. 12 Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid. 13 Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken. 14 Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst. 15 Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh. 16 Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft? 17 Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder. 18 Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste. 19 Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val. 20 Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten. 21 Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde. 22 Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente. 23 De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien. 24 De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde. 25 Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde. 26 Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten! 27 Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig. 28 Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 18

1 Wie zich afscheiden wil, zoekt een voorwendsel; Met alle middelen stuurt hij op ruzie aan. 2 Een domoor houdt niet van wijsheid, Maar zegt toch gaarne zijn mening. 3 Met de misdaad komt ook de minachting, Op de schanddaad volgt de smaad. 4 De woorden van sommige mensen zijn diepe wateren, Een bruisende beek, een bron van leven. 5 Het is onverantwoord, partij te kiezen voor een boosdoener, of een onschuldige voor het gerecht te verdringen. 6 Wat een dwaas zegt, leidt tot twist; Zijn mond roept om slaag. 7 Wat een dwaas zegt, stort hem in het ongeluk; Zijn woorden zijn een valstrik voor hemzelf. 8 Woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepste van de maag. 9 Wie ook maar slap is in zijn werk, Is al een broer van de vernielgeest. 10 De naam van Jahweh is een sterke burcht; De rechtvaardige ijlt erheen, en is veilig. 11 Het vermogen is voor den rijke een sterke vesting, In zijn verbeelding een hoge muur. 12 Vóór de val is men hooghartig, Maar aan de eer gaat ootmoed vooraf. 13 Geeft iemand antwoord, eer hij heeft geluisterd, Dan strekt hem dit tot dwaasheid en schande. 14 Geestkracht houdt iemand staande in zijn lijden, Maar wie beurt een gebroken geest weer op? 15 Een verstandig hart doet inzicht op, Het oor der wijzen spitst zich op kennis. 16 Een geschenk verschaft iemand ruimte, Het geeft hem toegang tot de groten. 17 Wie het eerst zijn zaak bepleit, krijgt gelijk; Maar dan komt zijn buur en zet hem recht. 18 Het lot maakt een einde aan twisten, En scheidt machtigen van elkaar. 19 Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een sterke vesting; Ruzie is als de grendel van een burcht. 20 Door de vrucht van de mond wordt iemands maag gevuld; Van de oogst zijner lippen wordt hij verzadigd 21 Dood en leven zijn in de macht van de tong; Wie haar veel gebruikt, moet haar vrucht dan ook eten. 22 Wie een vrouw heeft gevonden, heeft iets goeds gevonden, En de gunst van Jahweh gewonnen. 23 Al klaagt een arme nog zo smekend, De rijke antwoordt met hardheid. 24 Er zijn makkers, die iemand in het ongeluk storten; Maar ook vrienden, die aanhankelijker zijn dan een broer.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 19

1 Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat. 2 Zonder verstand deugt zelfs de ijver niet; Wie te haastig loopt, doet een misstap. 3 Door zijn dwaasheid komt de mens op het verkeerde pad, Maar hij zelf wijt het aan Jahweh! 4 Rijkdom maakt vele vrienden, Een arme raakt zijn vrienden kwijt. 5 Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal niet ontkomen. 6 Velen dingen naar de gunst van een voorname; Wie geschenken geeft, heeft allen tot vriend. 7 Als een arme al door zijn broers wordt gehaat, Hoever zullen zijn vrienden zich dan van hem terugtrekken! Wie te veel spreekt, wordt een meester in de boosheid; Wie woorden najaagt, ontkomt niet. 8 Wie verstand verwerft, heeft zichzelven lief; Wie inzicht bewaart, zal het goede ondervinden. 9 Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal omkomen. 10 Weelde staat een dwaas evenmin, Als een knecht het heersen over vorsten. 11 Wijsheid maakt den mens lankmoedig; Hij gaat er groot op, een misstap te vergeven. 12 Een toornig koning brult als een leeuw, Maar als dauw op het groen is zijn gunst. 13 Een dwaas kind is een ramp voor zijn vader, Het getwist van een vrouw een gestadig druppelend lek. 14 Huis en have worden van vader geërfd, Maar een verstandige vrouw komt van Jahweh. 15 Luiheid verwekt een diepe slaap, Een trage geest moet honger lijden. 16 Wie de geboden in acht neemt, behoedt zichzelf; Wie niet past op zijn wandel, zal sterven. 17 Wie goed is voor een arme, leent aan Jahweh; Hij zal hem zijn weldaad vergelden. 18 Tuchtig uw kind, zo lang er nog hoop is; Maar laat u niet vervoeren tot toorn. 19 Een driftig mens zal moeten boeten; Wilt ge hem helpen, ge maakt het nog erger. 20 Luister naar raad, en neem vermaning aan, Opdat ge tenslotte wijs moogt zijn. 21 Vele plannen gaan er om in den mens, Maar het besluit van Jahweh, dàt komt tot stand. 22 Goedheid strekt den mens tot gewin, Beter arm te zijn dan wreed 23 Het ontzag voor Jahweh leidt ten leven; Men rust dan tevreden, niet door rampen bezocht. 24 Als een luiaard zijn hand in de schotel heeft gestoken, Brengt hij haar nog niet eens naar de mond. 25 Slaat ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Vermaant ge een verstandig mens, hij leert er nog uit. 26 Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verjaagt, Is een kind, dat beschaamt en te schande maakt. 27 Mijn zoon, houdt ge op, naar vermaning te luisteren, Dan dwaalt ge af van verstandige taal. 28 Een kwaadwillige getuige spot met het recht, De mond der bozen stort onrecht uit. 29 Voor de spotters liggen roeden gereed, En slagen voor de rug van de dwazen.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 20

1 De wijn is een spotter, de drank luidruchtig; Onwijs is hij, die zich eraan te buiten gaat. 2 Een toornig koning brult als een leeuw; Wie hem prikkelt, vergrijpt zich aan zichzelf. 3 Het is een eer voor den mens, buiten twisten te blijven; Alleen dwazen zoeken ruzie. 4 Als een luiaard in de herfst niet wil ploegen, Zoekt hij in de oogsttijd tevergeefs. 5 Diep water is het, wat iemand bij zichzelf overlegt; Maar een verstandig mens weet het te putten. 6 Velen worden vriendelijke mensen genoemd; Waar vindt men echter iemand, die betrouwbaar is? 7 Een deugdzaam mens, die onberispelijk wandelt: Ook na zijn dood gaat het zijn kinderen goed. 8 De koning, die op zijn rechterstoel zit, Zift met zijn ogen al wat slecht is. 9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein gehouden, Ik ben vrij van zonde? 10 Tweeërlei gewicht en tweeërlei maat: Jahweh heeft van beide een afschuw. 11 Zelfs uit het gedrag van een kind kan men opmaken, Of zijn daden zuiver zijn en oprecht. 12 Een oor dat hoort, en een oog dat ziet: Jahweh heeft ze beide gemaakt. 13 Wees niet verzot op slapen, anders wordt ge arm; Houd uw ogen open, en ge krijgt eten genoeg. 14 Slecht! Slecht! klaagt de koper; Maar als hij is weggegaan, gaat hij er groot op 15 Er is goud, er zijn veel juwelen, Maar het kostbaarst bezit zijn verstandige lippen. 16 Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis een pand van hem, terwille van vreemden. 17 Gestolen brood smaakt iemand wel goed, Maar achteraf heeft hij een mond vol zand. 18 Alleen door beraad komen plannen ten uitvoer; Voer dus de strijd met beleid. 19 Wie altijd maar babbelt, verraadt licht een geheim; Bemoei u dus niet met een praatvaar. 20 Als iemand zijn vader en moeder vervloekt, Gaat zijn lamp uit, wanneer de duisternis intreedt. 21 Een bezit, te spoedig verkregen, Brengt tenslotte geen zegen. 22 Zeg niet: Ik zal u het kwaad vergelden! Vertrouw op Jahweh; Hij zal u helpen. 23 Tweeërlei gewicht is een gruwel voor Jahweh, Een valse weegschaal is kwaad. 24 Door Jahweh zijn de schreden der mensen bepaald; Hoe zou ook de mens zijn weg kunnen zien? 25 In de val loopt hij, die ijlings "Heilig" roept En eerst ná zijn geloften overlegt. 26 Een wijs koning zift de bozen uit, En laat het rad over hen heengaan. 27 Jahweh slaat de geest der mensen gade En doorzoekt alle schuilhoeken der ziel. 28 Liefde en trouw beschermen den koning, Op rechtvaardigheid stut hij zijn troon. 29 Het sieraad der jongemannen is hun kracht, Grijze haren zijn de pronk van de ouderdom. 30 Bloedige striemen polijsten het hart, Slagen de schuilhoeken der ziel.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 21

1 In Jahweh’s hand is het hart van een koning als een beekje; Hij leidt het, waarheen Hij wil. 2 Al denkt de mens, dat al zijn wegen recht zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst. 3 Rechtvaardigheid beoefenen en billijkheid, Is Jahweh meer waard dan offers. 4 Een hooghartige blik, een opgeblazen hart, De aanplant der bozen is zonde 5 De plannen van een ijverig mens brengen louter voordeel, Maar wie zich overhaast, krijgt enkel gebrek. 6 Wie met leugens schatten wil verwerven, Jaagt ijdelheid na en de strikken des doods. 7 Bozen worden door hun gewelddaden meegesleept; Want zij weigeren, recht te doen. 8 Kronkelig is de weg van een bedrieger; Wie eerlijk is, handelt oprecht. 9 Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning. 10 Een slecht karakter haakt naar kwaad; Zelfs zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen. 11 Straft ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Leest men een wijze de les, hij leert er nog uit. 12 De Rechtvaardige let op het huis van den boze, En stort de boosdoeners in het verderf. 13 Wie zich doof houdt voor de smeekbede van een arme, Zal ook zelf roepen en geen antwoord krijgen. 14 Toorn wordt door een stille gift ontwapend, Hevige gramschap door een geschenk in de buidel. 15 Dat er recht wordt gedaan, is voor den rechtvaardige een vreugde, Voor de boosdoeners een ramp. 16 De mens, die afdwaalt van het pad der wijsheid, Mag in de kring der schimmen uitrusten. 17 Wie van feestvieren houdt, vervalt tot gebrek; Wie veel wijn en olie verbruikt, wordt niet rijk. 18 De boze is een losprijs voor den rechtvaardige, Zondaars komen voor de deugdzamen in de plaats. 19 Beter in een woestijn te wonen, Dan bij een snibbige en humeurige vrouw. 20 In de woning van een wijze blijven kostbare schatten, Maar de domoor jaagt ze erdoor. 21 Wie naar rechtvaardigheid en goedheid streeft, Zal leven vinden en aanzien. 22 De wijze beklimt een stad van helden, En werpt het bolwerk neer, waarop zij vertrouwen. 23 Wie let op zijn mond en zijn tong, Bespaart zich moeilijkheden. 24 "Spotter" noemt men een overmoedig, vermetel mens, Een die handelt in mateloze trots. 25 Een luiaard komt nog om door zijn ondeugd, Want zijn handen weigeren te werken. 26 Heel de dag zit de zondaar te hunkeren, Maar de rechtvaardige deelt rijkelijk uit. 27 Het offer der bozen is iets afschuwelijks; Hoeveel te meer, als hij het brengt voor een wandaad. 28 Een leugenachtig getuige gaat te gronde; Iemand die luistert, mag altijd spreken. 29 Wel trekt een boosdoener een brutaal gezicht, Maar een rechtvaardige doorziet zijn gedrag. 30 Er is geen wijsheid, geen beraad, Geen verstand tegenover Jahweh. 31 Wel worden paarden getuigd voor de dag van de strijd, Maar de zege hangt van Jahweh af.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 22

1 Een goede naam is meer waard dan een groot vermogen, Bemind te zijn is beter dan zilver en goud. 2 Rijk en arm ontmoeten elkaar, Jahweh is hun aller Schepper. 3 De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten. 4 Het loon voor ootmoed en vreze voor Jahweh Is rijkdom, aanzien en leven. 5 Doornen en strikken liggen op de weg van den valsaard; Wie zijn leven liefheeft, blijft er ver vandaan. 6 Oefen kinderen in de weg, die ze moeten gaan, Dan wijken ze ook in hun ouderdom er niet van af. 7 Wie rijk is, heerst over de armen; Wie leent, wordt de slaaf van wie uitleent. 8 Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten; De vrucht van zijn arbeid gaat te niet. 9 Een vriendelijk mens wordt gezegend, Want hij deelt met den arme zijn brood. 10 Jaag den spotter weg, en het twisten houdt op, Er komt een eind aan vechten en schimpen. 11 De zuivere van harte wordt door Jahweh bemind, De vleier is de vriend van den koning. 12 De ogen van Jahweh houden vol kennis de wacht; Hij verijdelt de woorden van den zondaar. 13 De luiaard zegt: Buiten loopt een leeuw, Midden op straat word ik nog verscheurd! 14 Een diepe kuil is de mond van vreemde vrouwen; Op wien Jahweh vertoornd is, die valt erin. 15 Al zit de dwaasheid in het hart van een kind geworteld, De tuchtroede haalt ze er uit! 16 Wie een arme verdrukt, brengt hem voordeel; Wie aan een rijkaard iets geeft, veroorzaakt gebrek 17 Woorden van wijzen Neig uw oor en luister naar mijn woorden; Zet uw aandacht erop, om ze te leren kennen. 18 Het is goed, als ge ze ter harte neemt, En ze allen bestendig op uw lippen hebt. 19 Opdat ge in Jahweh uw vertrouwen moogt stellen, Maak ik ze heden bekend, ook aan u! 20 Een dertigtal heb ik er voor u opgeschreven: Ze bevatten goede raad en ervaring; 21 Ze leren u de waarheid en betrouwbare woorden, Zodat ge een goed antwoord kunt geven aan hen die u ondervragen 22 Buit een arme niet uit, omdat hij arm is, Trap in de poort niet op den kleinen man; 23 Want Jahweh zal het voor hen opnemen, En die hèn beroven, van het leven beroven. 24 Sluit geen vriendschap met een driftkop, Laat u niet in met een heethoofd; 25 Anders raakt ge vertrouwd met hun wegen, En zet ge een valstrik voor uzelf. 26 Behoor niet tot hen, die handslag geven, En borg blijven voor schulden; 27 Als ge niets hebt om te betalen, Haalt men het bed onder u weg. 28 Raak niet aan de eeuwenoude grenzen, Die uw voorvaderen hebben getrokken. 29 Ziet ge iemand die handig is met zijn werk, Hij komt bij koningen in dienst; Het gewone volk hoeft hij niet te dienen!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 23

1 Als ge bij den koning aan tafel zit, Let dan enkel op wat voor u staat, 2 En zet een mes op uw keel Als ge een goede eetlust hebt; 3 Wees niet belust op zijn lekkernijen, Want ze zijn een bedriegelijke spijs. 4 Doe geen moeite, om rijkdom te verwerven, Zie van uw voornemen af; 5 Zodra ge uw zinnen daarop zet, Is hij al heen! Want hij maakt zich vleugels, En vliegt als een arend de lucht in. 6 Ga niet eten bij een vrek, Wees niet belust op zijn lekkernijen; 7 Want het is iemand, die bij zichzelf zit te rekenen, Die "Eet en drink" tot u zegt, maar het niet meent. 8 De spijs, die ge gegeten hebt, spuwt ge weer uit, En uw vriendelijke woorden hebt ge verspild. 9 Spreek niet ten aanhoren van een dwaas; Hij geeft niets om uw wijze woorden. 10 Verleg de grenzen van weduwen niet En raak niet aan de akker van wezen; 11 Want hun Losser is sterk, Hij neemt het voor hen tegen u op. 12 Neem een vermaning wel ter harte Open uw oren voor verstandige taal. 13 Ge moet een knaap geen vermaning sparen, Al slaat ge hem met een stok, hij gaat er niet van dood; 14 Want als ge hem met een stok hebt geslagen, Hebt ge hem van de onderwereld gered. 15 Mijn kind, als úw hart wijs is, Zal ook mijn hart zich verheugen; 16 Mijn ziel zal jubelen, Als uw lippen juiste dingen zeggen. 17 Laat uw hart niet jaloers zijn op zondaars, Maar ijveren voor de vrees voor Jahweh, iedere dag; 18 Als ge die bewaart, is er toekomst, En zal uw verwachting niet worden beschaamd. 19 Mijn zoon, luister en wees wijs, Breng uw hart op het rechte pad. 20 Doe niet mee met wijnslempers, Met hen, die zich aan vlees te buiten gaan; 21 Want een drinker en een veelvraat verarmt, De roes hult iemand in lompen. 22 Luister naar uw vader, die u heeft verwekt, Minacht uw moeder niet, als ze oud is geworden. 23 Verwerf u waarheid, en verkoop ze niet, Wijsheid, tucht en inzicht. 24 Innig verheugt zich de vader van een rechtschapene, Wie een wijze baarde, beleeft genoegen aan hem: 25 Zo moge uw vader zich over u verheugen, Zij zich verblijden, die u ter wereld bracht. 26 Mijn zoon, schenk mij uw hart, Laat uw ogen op mijn wegen letten; 27 Want een deerne is een diepe kuil, Een vreemde vrouw een nauwe put. 28 Ja, zij ligt op de loer als een rover, En maakt vele mensen ontrouw. 29 Waar klinkt ach, en waar klinkt wee; Waar heerst twist, waar nijpen de zorgen? Waar worden zonder reden wonden geslagen, Waar worden de blikken beneveld? 30 Waar men nog laat aan de wijn zit, Waar men komt, om de drank te keuren. 31 Zie niet om naar de wijn, hoe rood hij is, Hoe hij fonkelt in het glas. Wel glijdt hij zachtjes naar binnen, Vloeiend langs lippen en tanden. 32 Maar ten leste bijt hij als een slang, Is hij giftig als een adder. 33 Uw ogen zien vreemde dingen, Uw hart slaat wartaal uit; 34 Ge voelt u als iemand, die dobbert op zee, Als een matroos bij zware storm: 35 "Ze hebben me geslagen, en ik voelde het niet, Ze hebben me gebeukt, en ik merkte het niet! Wanneer ben ik weer wakker? Dan ga ik er nog eens op uit!"

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 24

1 Wees niet afgunstig op booswichten, Verlang niet naar hun gezelschap; 2 Want wat zij willen is geweld, Wat zij bespreken, is onheil. 3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, Door inzicht houdt het stand; 4 Door kunde worden de kamers vol Van allerlei kostbaar en prettig bezit. 5 Een wijze is meer waard dan een sterke, Een man van ervaring meer dan een krachtmens; 6 Want alleen met overleg wordt een oorlog gevoerd, De zege bevochten door rijp beraad. 7 Voor een dwaas is de wijsheid te hoog; Daarom doet hij in de poort zijn mond niet open. 8 Wie op kwaad zint, Wordt een gluiperd genoemd. 9 De gedachten van een dwaas zijn zondig, Een spotter is voor de mensen een gruwel. 10 Gedraagt ge u slap, als het u goed gaat, Dan schieten in moeilijke tijden uw krachten te kort. 11 Red hen, die ter dood worden gebracht; Bevrijd hen, die naar de plaats van terechtstelling wankelen. 12 Al zegt ge: "Och, we wisten het niet," Zou Hij, die de harten peilt, het niet merken, Hij, die uw leven beschermt, het niet weten, En den mens niet naar zijn werken vergelden? 13 Mijn zoon, eet honing, want die smaakt goed; Honingzeem is zoet voor het gehemelte: 14 Zo is ook de kennis goed voor uw hart, En de wijsheid voor uw ziel. Vindt ge haar, dan is er toekomst, En wordt uw verwachting niet beschaamd. 15 Booswicht, loer niet op de woning van den rechtvaardige, Beproef niet, zijn verblijf te vernielen; 16 Want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, Maar de bozen blijven liggen in het kwaad. 17 Als uw vijand valt, moet ge u niet verheugen, Als hij struikelt, u niet verblijden; 18 Want als Jahweh het ziet, mishaagt het Hem, En wendt Hij zijn gramschap van hem op u af. 19 Erger u niet over hen, die kwaad doen, Wees niet jaloers op booswichten; 20 Want voor den booswicht is er geen toekomst, De lamp der bozen gaat uit. 21 Mijn zoon, vrees Jahweh en den koning, Houd u niet met nieuwlichters op; 22 Want plotseling daagt hun ongeluk, Wie weet, wat hun einde zal zijn? 23 Ook de volgende spreuken zijn van wijzen. Partijdigheid in een rechtszaak is nooit goed 24 Wie tot een schuldige zegt: ge hebt gelijk, De volkeren zullen hem verwensen, De naties hem vloeken. 25 Maar die hem bestraffen, gaat het goed, Op hen rust zegen en voorspoed; 26 Een kus op de lippen krijgt hij, Die een rechtvaardige uitspraak doet. 27 Stel orde op uw werk buitenshuis, Maak, dat het klaar is op uw akker; Neem dan eerst een vrouw En bouw u een huis. 28 Leg geen valse getuigenis af tegen uw naaste, Waarom zouden uw lippen bedriegen? 29 Zeg niet: "Zoals hij mij heeft gedaan, zal ik hem doen; Ik zet den man zijn daden betaald." 30 Ik kwam eens langs de akker van een luiaard, Langs de wijngaard van een dwaas; 31 En zie: hij was geheel met onkruid begroeid, De grond met distels bedekt, En de stenen muur lag in puin. 32 Toen ik dat zag, nam ik het ter harte; Toen ik dat merkte, heb ik er deze les uit getrokken: 33 Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar; 34 Dan overvalt u de armoe als een zwerver, Het gebrek als een rover.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 25

1 Ook de volgende spreuken zijn van Salomon; ze zijn verzameld door de beambten van Ezekias, den koning van Juda. 2 Het is de glorie van God, iets verborgen te houden, De glorie der koningen, het uit te zoeken. 3 Zoals de hoogte der hemelen, en de diepte der aarde, Zo is ook het hart der koningen: ondoorgrondelijk. 4 Worden de slakken uit het zilver verwijderd, Dan slaagt de kunstenaar in zijn werk; 5 Verjaagt men de bozen uit de tegenwoordigheid van den koning, Dan staat zijn troon door rechtvaardigheid sterk. 6 Dring u niet op bij den koning, En ga niet staan op de plaats van voornamen; 7 Het is beter, dat men tot u zegt: "Neem hier plaats, hogerop," Dan dat men u voor een aanzienlijke vernedert. Wat uw ogen hebben gezien, 8 Moet ge niet terstond voor het gerecht gaan brengen; Wat zult ge na afloop doen, Als uw naaste u in het ongelijk heeft gesteld? 9 Beslecht uw eigen zaak met den naaste, Maar maak daarbij het geheim van een derde niet openbaar; 10 Anders zal hij, die het hoort, u beschimpen, En houdt ge voor altijd een slechte naam. 11 Gouden vruchten op zilveren schalen: Zijn woorden, te pas gesproken. 12 Een gouden ring en een sieraad van edel metaal: Is een wijs vermaner voor een luisterend oor. 13 Als koele sneeuw bij de hitte van de oogst Is een trouwe bode voor hem, die hem stuurt: Hij fleurt zijn meester weer op. 14 Wolken en wind, en toch geen regen: Dat is iemand, die praalt op een gift, waar toch niets van komt. 15 Door lankmoedigheid laat een vorst zich vermurwen, Milde taal breekt beenderen stuk. 16 Hebt ge honing gevonden, eet dan niet meer dan ge aan kunt; Anders staat het u tegen, en geeft ge het over. 17 Kom niet te dikwijls in het huis van uw naaste; Anders krijgt hij genoeg van u, en gaat hij u haten. 18 Een knots, een zwaard en een scherpe pijl: Is iemand, die valse getuigenis geeft tegen zijn naaste. 19 Een slechte tand en een zwikkende voet: Is de steun van een trouweloze in moeilijke tijden. 20 Als azijn op hoofdzeer Zo werkt het zingen van liederen op een slecht humeur. 21 Heeft uw vijand honger, geef hem brood te eten, Heeft hij dorst, laat hem water drinken; 22 Zo stapelt ge vurige kolen op zijn hoofd, En Jahweh zal het u vergelden. 23 Noordenwind brengt een stortvloed, Een geniepige tong maakt boze gezichten. 24 Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning. 25 Een koele dronk voor een dorstige keel: Is goede tijding uit een ver land. 26 Een bedorven bron, een vervuilde wel: Is een rechtvaardige, die voor den boze wankelt. 27 Te veel honing eten is niet gezond; Wees daarom spaarzaam met vleiende woorden. 28 Als een stad met een bres, zonder muren: Is iemand zonder zelfbeheersing.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 26

1 Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas. 2 Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel. 3 Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok. 4 Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken. 5 Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is 6 Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen. 7 Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen. 8 Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas 9 Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen. 10 Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt. 11 Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt. 12 Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem. 13 De luiaard zegt: "Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!" 14 Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed. 15 Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen. 16 Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven. 17 Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt. 18 Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert, 19 Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap! 20 Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist. 21 Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken. 22 De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag. 23 Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent. 24 De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog. 25 Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart. 26 Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht. 27 Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug. 28 Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 27

1 Wil de dag van morgen niet prijzen: Ge weet niet, wat hij u brengt. 2 Laat een ander u prijzen, niet uw eigen mond; Een vreemde, niet uw eigen lippen. 3 Plomp is een steen, en zwaar het zand; Zwaarder dan beide is het humeur van een dwaas. 4 Wreed is de wraak, een stortvloed de toorn; Maar wie houdt het uit voor de jaloezie? 5 Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit. 6 Goed bedoeld zijn de wonden, door een vriend geslagen; Verraderlijk de kussen van een vijand. 7 Iemand die genoeg heeft, geeft niet om honing; Als iemand honger heeft, is al het bittere zoet. 8 Als een vogel, die uit het nest fladdert, Zo is een man, die rondzwerft ver van zijn huis. 9 Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel. 10 Laat uw eigen vriend en dien van uw vader niet in de steek; Maar betreed niet het huis van uw broeder, als het u slecht gaat, Beter een vriend dichtbij. Dan een broer veraf. 11 Mijn zoon, wees wijs, en verblijd mijn hart; Dan kan ik te woord staan hem, die mij hoont. 12 De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten. 13 Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis pand van hem terwille van een vreemde vrouw. 14 Als iemand zijn naaste op de vroege morgen luidruchtig begroet, Dan wordt het als een vloek beschouwd 15 Een gestadig druppelend lek op een stortregen-dag, En een snibbige vrouw, ze gelijken op elkaar. 16 De noordenwind is een ruwe wind, Toch wordt hij geluksbode genoemd 17 Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander. 18 Wie op zijn vijgeboom past, zal zijn vruchten eten; Wie voor zijn meester zorgt, wordt rijk beloond. 19 Zoals het ene gezicht op het andere lijkt, Zo lijkt ook het ene mensenhart op het andere. 20 Dodenrijk en onderwereld krijgen nooit genoeg; De ogen der mensen zijn nimmer bevredigd. 21 Voor het zilver de smeltkroes, de oven voor het goud: De mens wordt beproefd naar zijn goede naam. 22 Al stampt ge den dwaas in een vijzel, Tussen de gerstekorrels met een stamper: Ge krijgt er zijn dwaasheid niet uit. 23 Let goed op, hoe uw schapen eruit zien, En volg uw kudde met aandacht; 24 Want welvaart duurt niet eeuwig, Een schat niet van geslacht op geslacht. 25 Als het hooi binnen is, de nawas verschijnt, En het groen der bergweide wordt ingezameld, 26 Dan verschaffen de lammeren u kleding, De bokken u de prijs van een akker; 27 Dan is er geitenmelk genoeg tot voedsel van u en uw gezin, En levensonderhoud voor uw dienstboden.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 28

1 De boze vlucht, ook al wordt hij niet vervolgd; De rechtvaardige voelt zich veilig als een leeuw. 2 De misdaad van tyrannen doet twisten ontstaan; Door een verstandig man worden ze bijgelegd 3 Een man, die rijk is, maar de armen verdrukt, Is een regen, die wegspoelt, geen brood geeft. 4 Die om de wet niet geven, prijzen den boze; Die de wet onderhouden, zijn kwaad op hem. 5 Slechte mensen verstaan geen recht, Maar die Jahweh zoeken begrijpen alles. 6 Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat. 7 Het kind, dat de Wet onderhoudt, is verstandig; Maar gaat het om met verkwisters, het maakt zijn vader beschaamd. 8 Wie zijn bezit vermeerdert met rente en toeslag, Spaart het op voor hem, die goed is voor de armen. 9 Wie weigert, naar de Wet te luisteren, Is een gruwel, zelfs als hij bidt. 10 Wie brave mensen op het slechte pad brengt, Valt zelf in zijn eigen kuil. Deugdzamen zullen het goede verwerven 11 Een rijkaard denkt, dat hij wijs is; Een arme, maar verstandige drommel doorziet hem. 12 Als de rechtvaardigen juichen, is de welvaart groot; Krijgen bozen de macht, dan zijn de mensen zoek. 13 Wie zijn zonden verheimelijkt, zal geen voorspoed hebben; Wie ze belijdt en laat varen, zal vergiffenis krijgen. 14 Gelukkig de mens, die altijd angstvallig is; Wie zijn hart afstompt, valt in het kwaad. 15 Een brullende leeuw en een roofzuchtige beer: Dat is een goddeloos heerser over een behoeftig volk. 16 Een kortzichtig vorst maakt zich aan veel afpersing schuldig; Haat hij oneerlijke winst, dan leeft hij lang. 17 Een mens, die bezwaard is door bloedschuld, Moet tot het graf een vluchteling blijven, door niemand geholpen. 18 Wie onberispelijk wandelt, wordt gered; Wie verkeerde wegen gaat, valt in een kuil. 19 Wie een akker bebouwt, heeft eten genoeg; Wie zijn tijd verbeuzelt, zit volop in de armoe. 20 Een eerlijk mens wordt rijkelijk gezegend; Wie te spoedig rijk wil worden, blijft niet ongestraft. 21 Partijdigheid is altijd verkeerd: Voor een stuk brood kan iemand een misdrijf begaan. 22 Een boosaardig mens wil spoedig rijk worden, Niet vermoedend, dat het gebrek hem wacht. 23 Wie iemand vermaant, oogst later dank, Meer dan iemand met een gladde tong. 24 Wie zijn vader en moeder berooft, en zegt: "Het is niet verkeerd", Is een gezel van den misdadiger. 25 Een hebzuchtig mens stookt ruzie; Wie op Jahweh vertrouwt, heeft het goed. 26 Wie op zichzelf vertrouwt, is een domoor; Wie in wijsheid wandelt, wordt gered. 27 Wie aan een arme geeft, krijgt geen gebrek; Wie zijn ogen voor hem sluit, wordt diep vervloekt. 28 Krijgen bozen de macht, dan bergt zich de mens; Als zij ten onder gaan, worden de rechtvaardigen talrijk.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 29

1 Iemand die hardnekkig blijft, ondanks vermaning, Wordt plotseling onherstelbaar gebroken. 2 Als rechtvaardigen heersen, verheugt zich het volk; Als de boze regeert, zuchten de mensen. 3 Een man, die de wijsheid liefheeft, is een vreugde voor zijn vader; Wie zich ophoudt met deernen, verkwist zijn vermogen. 4 Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand; Wie veel belastingen heft, put het uit. 5 Iemand die zijn naaste vleit, Spant een strik voor zijn voeten. 6 Op het pad van een booswicht ligt een valstrik, Maar de rechtvaardige loopt vrolijk voort. 7 De rechtvaardige houdt rekening met de rechten der armen, De boze echter verstaat geen reden. 8 Spotters steken een stad in brand, Wijzen bedaren het oproer. 9 Als een dwaas een rechtszaak heeft met een wijze, Is hij luidruchtig en vrolijk, maar heeft geen rust. 10 Bloeddorstige mensen haten den deugdzame, De goeden zijn bezorgd voor zijn leven. 11 De dwaas laat zijn toorn de vrije loop, De wijze houdt zijn gramschap inl. 12 Als een vorst geloof schenkt aan leugentaal, Worden al zijn dienaren slecht. 13 Een arme en een geldschieter ontmoeten elkaar: Jahweh schenkt beiden het licht der ogen. 14 Als een koning de armen billijk behandelt, Staat zijn troon voor altijd sterk. 15 Een stok en een vermaning schenken wijsheid; Een kind, dat aan zichzelf is overgelaten, maakt zijn moeder te schande. 16 Als de bozen regeren, tiert de misdaad; Als zij vallen, zien de rechtvaardigen met vreugde toe. 17 Tuchtig uw zoon, dan geeft hij u rust, En bezorgt hij u vreugde. 18 Is er geen openbaring dan verwildert het volk; Gelukkig is het, als het de Wet onderhoudt! 19 Niet met woorden alleen moet ge een slaaf vermanen; Hij verstaat ze wel, maar doet er niet naar. 20 Ziet ge iemand, die overijld spreekt: Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem. 21 Wie zijn slaaf van jongsaf verwent, Wordt tenslotte met ondank beloond. 22 Een opvliegend karakter sticht ruzie, Een driftkop misdraagt zich vaak. 23 Hoogmoed brengt een mens ten val, Ootmoed brengt hem tot eer. 24 Wie met een dief deelt, is zijn eigen vijand: Omdat hij de vloek hoort, en de zaak toch niet aangeeft 25 Menselijk opzicht spant een strik; Maar wie op Jahweh vertrouwt, is veilig. 26 Velen dingen naar de gunst van den koning, Maar Jahweh geeft ieder wat hem toekomt. 27 De rechtvaardigen hebben een afschuw van zondaars, De bozen een afschuw van een eerlijk man. Aanhangsel. Woorden van Agoer.

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 30

1 Woorden van Agoer, den zoon van Jake, uit Massa De mens spreekt: Ik heb mij afgemat, o God; Ik heb mij afgemat, o God; ik ben op! 2 Ik ben de domste van alle mensen, Ik bezit geen mensenverstand; 3 Maar God heeft mij wijsheid geleerd Nu bezit ik kennis van den Heilige! 4 Wie steeg ten hemel op, en daalde weer neer; Wie ving de wind in zijn holle hand; Wie bond het water in zijn mantel; Wie stelde de grenzen der aarde vast? Hoe is zijn naam, hoe de naam van zijn zoon? Zeg het mij, wanneer ge het weet. 5 Elk woord van God is vertrouwd; Hij is een schild, voor wie op Hem bouwen. 6 Voeg aan zijn woorden niets toe, Anders berispt Hij u, en blijkt ge een leugenaar. 7 Twee dingen wil ik van U vragen, Weiger mij die niet, eer ik sterf: 8 Onwaarheid en leugentaal, Houd ze verre van mij! Geef mij armoede noch rijkdom, Maar schenk mij het voedsel, dat ik nodig heb, 9 Opdat ik U in mijn overvloed niet verloochene En zeggen durf: "Wie is Jahweh!" Of in mijn armoede niet tot stelen kom, En mij vergrijp aan de Naam van mijn God. 10 Belaster een knecht niet bij zijn meester; Anders vloekt hij u, en boet gij ervoor. 11 Wee het geslacht, dat zijn vader vloekt, En zijn moeder niet eert; 12 Het geslacht, dat zich onschuldig waant, Maar niet eens is schoongewassen van zijn vuil; 13 Het geslacht dat uit de hoogte neerziet, En de wenkbrauwen optrekt; 14 Het geslacht, met tanden als zwaarden En kiezen als messen, Om den arme van de aarde weg te vreten, En den behoeftige weg van zijn grond. 15 De bloedzuiger heeft twee dochters, Ze heten: Hap, hap! Drie dingen zijn niet te verzadigen; Vier dingen zeggen nimmer: genoeg! 16 De onderwereld, De onvruchtbare moederschoot, Het land, dat water te kort komt, Het vuur, dat nooit "genoeg" zegt. 17 Een oog, dat met vader spot, En met de gehoorzaamheid aan moeder lacht: De raven van het dal zullen het uitpikken, De jonge arenden het opvreten. 18 Drie dingen zijn mij te wonderlijk, Vier dingen begrijp ik niet: 19 De weg van een arend door de lucht, De weg van een slang over de rots, De weg van een schip midden door zee, En de weg van een man naar een meisje. 20 Maar dit is de weg van een overspelige vrouw: Ze eet, veegt zich de mond af, En zegt: Ik heb geen kwaad gedaan. 21 Onder drie dingen beeft de aarde, Onder vier dingen houdt ze het niet uit: 22 Onder een slaaf, wanneer hij koning wordt; Onder een dwaas, als hij genoeg te eten heeft; 23 Onder een oude vrijster, die nog een man vindt; En onder een slavin, die haar meesteres verdringt 24 Vier dingen zijn de kleinste op aarde; Toch zijn ze wijzen te slim af! 25 De mieren: het is een volk zonder kracht, Maar ‘s zomers vergaart het zijn voedsel; 26 De klipdassen: het zijn zwakke dieren, Maar ze hebben hun hol in de rots; 27 De sprinkhanen: ze hebben geen koning, Maar hun zwerm trekt ordelijk uit; 28 Een hagedis: ze laat zich met de handen vatten, Maar ze woont in de paleizen des konings. 29 Drie dingen hebben een statige tred; Vier dingen hebben een statige gang: 30 Een leeuw, de held onder de dieren, Voor niets schrikt hij terug; 31 Een haan, die trots voor de kippen uitloopt; Een bok, die de geiten voorafgaat; Een koning aan het hoofd van zijn troepen. 32 Moogt ge dwaas zijn of verstandig: Als ge u verheffen wilt, hand op de mond! 33 Want een druk op melk geeft boter, Een druk op de neus geeft bloed, Een druk op de gramschap geeft twist!

INHOUD | [Spreuken]

Hoofdstuk 31

1 Wenken voor Lemoeël, den koning van Massa, die zijn moeder hem gaf. 2 Mijn zoon, wat zal ik u zeggen; Wat, kind van mijn schoot; Wat, kind van mijn geloften! 3 Verkwist uw geld niet aan vrouwen, Schenk uw hart niet aan haar, die koningen verderven; 4 Dat past geen koningen, Lemoeël! Het past geen koningen, wijn te drinken; Vorsten mogen niet verzot zijn op drank. 5 Anders vergeten zij al drinkend de wet, En verdraaien het recht van alle verdrukten. 6 Geef de drank maar aan hen, die ontredderd zijn, Schenk wijn aan bedroefden: 7 Al drinkend vergeten ze hun armoe, En denken niet meer aan hun zorgen. 8 Kom op voor hen, die niets weten te zeggen, Voor het recht van allen, die verkwijnen; 9 Open uw mond, geef een billijk vonnis, Verschaf recht aan armen en tobbers. 10 Een flinke vrouw! Men vindt haar niet licht; Haar waarde is hoger dan die van juwelen! 11 Haar man kan vast op haar bouwen, Hem ontgaat geen winst. 12 Ze brengt hem voordeel, zolang hij leeft, Nimmer zal ze hem schaden; 13 Ze haalt wol en linnen in huis, En verwerkt die met willige handen. 14 Als een handelsschip haalt ze van verre haar spijs, 15 En als het nog nacht is, staat ze al op, Bereidt ze het eten voor haar gezin, En wijst haar dienstboden de dagtaak aan. 16 Na rijp beraad koopt ze een akker, Van wat ze verdiende plant ze een wijngaard; 17 Ze gordelt haar lenden met kracht, De handen steekt ze uit de mouwen. 18 Ze onderzoekt, of haar huishouden loopt, Zelfs in de nacht gaat haar lamp niet uit; 19 Ze slaat de hand aan het spinnewiel, Haar vingers grijpen de klos. 20 Ze is vrijgevig voor den arme, Den behoeftige stopt ze iets toe; 21 Voor haar gezin hoeft ze de kou niet te vrezen, Want heel haar gezin heeft een dubbel stel kleren. 22 Zelf maakt ze haar mantels, Ze gaat in lijnwaad en purper gekleed; 23 Ook haar man valt op in de poorten, Waar hij zetelt met de oudsten van het land. 24 Ze verkoopt de eigengemaakte gewaden, En levert den handelaar gordels; 25 Ze is met kracht en voornaamheid bekleed, En kent geen angst voor de komende dag. 26 Haar mond is vol wijsheid, Een vriendelijke wenk ligt op haar tong: 27 Zo gaat ze de gangen na van haar gezin, Niet in ledigheid eet ze haar brood! 28 Haar zonen staan op, en prijzen haar gelukkig, Haar man ook geeft haar deze lof: 29 "Menige vrouw weert zich dapper, Maar gij hebt ze allen overtroffen!" 30 Bedriegelijk is de bevalligheid, en broos is de schoonheid; Maar een vrouw, die Jahweh vreest, blijft geëerd. 31 Laat haar genieten van wat haar handen wrochtten, In de poorten zullen haar daden haar prijzen!