De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Tobit

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14]

Hoofdstuk 1

1 {\cf2Tobit was uit de stam van Neftali, en uit een stad, die in Opper-Galilea ligt ten noorden van Chasor, dus ten noorden van de weg, die naar het westen voert en de stad Séfet links laat liggen. 2 Toen hij in de dagen van Salmanassar, den koning der Assyriërs, krijgsgevangen was gemaakt, week hij in de ballingschap toch niet van de weg der waarheid af; 3 zelfs deelde hij al wat hij kon overleggen, dagelijks uit aan zijn medeballingen, de broeders uit zijn eigen volk. 4 Reeds van zijn prilste jeugd af, toen hij nog in de stam van Neftali woonde, was er in zijn optreden niets onmannelijks. 5 Wanneer allen naar de gouden kalveren gingen, die Jeroboam, de koning van Israël, had opgericht, sloot hij alleen zich nooit bij hen aan; 6 hij ging naar Jerusalem, naar de tempel des Heren, om dáár den Heer, den God van Israël, te aanbidden, en trouw al zijn eerstelingen en tienden te offeren. 7 Ook droeg hij om de drie jaar alle tienden af voor de proselieten en vreemdelingen. 8 Deze en dergelijke voorschriften van de Wet Gods onderhield hij reeds van zijn prilste jeugd. 9 Nadat hij man was geworden, nam hij een vrouw uit zijn stam, Anna geheten, en verwekte bij haar een zoon, wien hij zijn eigen naam gaf. 10 Hij leerde hem van kindsbeen af God te vrezen en zich vrij te houden van alle zonde. 11 Toen hij nu met vrouw en kind en geheel zijn stam in ballingschap naar de stad Ninive was gekomen, 12 en allen van de spijzen der heidenen begonnen te eten, zorgde hij er voor, zich nooit door hun spijzen te verontreinigen. 13 En daar hij uit geheel zijn hart den Heer indachtig was, bezorgde God hem de gunst van Salmanassar, den koning; 14 deze gaf hem verlof te gaan, waar hij wilde, en onbelemmerd alles te doen, wat hij wenste. 15 Zo kon hij allen bezoeken, die in ballingschap leefden, en hun heilzame vermaningen geven. 16 Toen hij dus eens in Rages kwam, een stad in Medië, met tien talenten zilver bij zich, waarmee de koning hem had vereerd, 17 trof hij daar onder de vele lieden van zijn eigen volk zijn stamgenoot Gabaël aan; aan dezen gaf hij de genoemde som gelds tegen een ontvangbewijs in bewaring. 18 Maar toen lange tijd later, na de dood van koning Salmanassar, diens zoon Sinacherib in zijn plaats regeerde, begon deze de Israëlieten zeer vijandig te behandelen; 19 doch Tobit bleef dagelijks al zijn verwanten bezoeken, om hen te troosten en aan iedereen, zoveel hij kon, van zijn goederen mede te delen. 20 Aan de hongerigen gaf hij voedsel, de naakten verschafte hij kleding, en die gestorven waren of gedood, begroef hij met de grootste zorg. 21 Toen dan ook koning Sinacherib uit Judea op de vlucht was gedreven door de plaag, die God hem wegens zijn godslastering toebracht, en na zijn terugkeer in zijn woede vele van Israëls kinderen vermoordde, was het Tobit weer, die hun lijken begroef. 22 Maar toen dat aan den koning werd overgebracht, gaf deze bevel, hem te vermoorden en heel zijn vermogen in beslag te nemen. 23 Daarom ging Tobit met zijn zoon en zijn vrouw op de vlucht, en daar hij vele vrienden had, slaagde hij er in-ofschoon van alles beroofd-zich verborgen te houden. 24 Maar toen vijf en veertig dagen later de koning door zijn eigen zonen werd vermoord, 25 keerde Tobit naar zijn woning terug.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 2

1 {\cf2Naderhand, toen er eens op een feestdag des Heren in het huis van Tobit een feestmaaltijd was aangericht, 2 zeide hij tot zijn zoon: Ga enkele godvrezende stamgenoten van ons uitnodigen, om bij ons te komen eten. 3 Deze deed het, en vertelde hem bij zijn terugkomst, dat er op straat een Israëliet vermoord lag. Onmiddellijk stond hij van tafel op, liet de maaltijd onaangeroerd, en ging zonder gegeten te hebben naar het lijk; 4 hij nam het op en bracht het heimelijk in zijn huis, om het na zonsondergang behoedzaam te begraven. 5 En eerst na het lijk te hebben verborgen, nam hij zijn maaltijd in droefheid en vrees, 6 het woord indachtig, dat de Heer door den profeet Amos gesproken had: Uw feestdagen zullen verkeren in geweeklaag en rouw. 7 En na zonsondergang ging hij hem begraven. 8 Maar al zijn bloedverwanten keurden het af en zeiden hem: Men heeft al eens bevel gegeven, u hiervoor te doden, en nauwelijks zijt gij aan dit doodvonnis ontsnapt; en nu begraaft gij wederom de doden! 9 Tobit echter vreesde God meer dan den koning; hij bleef de lijken van vermoorden ophalen, verborg ze in zijn huis en begroef ze in het holst van de nacht. 10 Nu gebeurde het eens, dat hij vermoeid van het begraven thuis kwam, zich tegen de muur te rusten legde en insliep; 11 en terwijl hij sliep, viel hem uit een zwaluwnest warme drek op de ogen, zodat hij blind werd. 12 De Heer liet toe, dat deze beproeving hem trof, om de lateren een voorbeeld van geduld te geven, zoals dat van den heiligen Job. 13 Want ofschoon hij van zijn prilste jeugd steeds godvrezend was geweest en Gods geboden had onderhouden, en nu met blindheid was geslagen, morde hij toch niet tegen God; 14 neen, onwankelbaar bleef hij in de vreze Gods volharden, en God danken alle dagen van zijn leven. 15 Maar zoals de stamvorsten den zaligen Job hadden gehoond, zo werd ook hij door zijn verwanten en vrienden om zijn levenswandel bespot. Ze zeiden: 16 Waar blijft nu uw hoop, waarvoor gij aalmoezen hebt gegeven en begrafenissen hebt verzorgd? 17 Doch Tobit berispte hen en gaf hun ten antwoord: Spreekt toch niet zo; 18 want wij zijn van het geslacht der heiligen en verwachten het leven, dat God zal schenken aan hen, die hun trouw jegens Hem nimmer breken4. 19 Intussen ging Anna, zijn vrouw, dagelijks uit weven en bracht dan de eetwaren thuis, die zij voor haar handenarbeid had kunnen bekomen. 20 Nu gebeurde het eens, dat zij een geitebokje kreeg en meebracht naar huis. 21 Doch toen haar man het hoorde blaten, zeide hij: Wees voorzichtig, het kon wel eens gestolen zijn; geef het liever aan den eigenaar terug, want iets, dat gestolen is, mogen we niet eten of behouden. 22 Maar zijn vrouw gaf hem kwaad ten antwoord: Het is nu wel duidelijk genoeg, dat uw hoop niets meer waard is, en wat er van uw aalmoezen terechtkomt! 23 En op een dergelijke manier bleef zij hem verwijten doen.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 3

1 {\cf2Toen begon Tobit te zuchten en onder tranen te bidden: 2 Gij zijt rechtvaardig, o Heer, en rechtvaardig is geheel uw gericht; al uw wegen zijn barmhartigheid, waarheid en recht. 3 Wees dus mijner gedachtig, o Heer, neem geen wraak over mijn zonden, en wil mijn overtredingen en die van mijn vaderen niet meer gedenken. 4 Omdat wij niet gehoorzaamd hebben aan uw geboden, daarom werden wij overgeleverd aan plundering, verbanning en dood, aan bespotting en hoon voor alle volkeren, waaronder Gij ons hebt verstrooid. 5 Ja, Heer; zwaar zijn uw straffen, omdat wij niet geleefd hebben naar uw geboden en niet in oprechtheid voor uw ogen hebben gewandeld. 6 Welnu dan, Heer; doe met mij wat Gij wilt, maar laat mijn geest opgenomen worden in vrede; want sterven is mij liever dan leven. 7 Nu gebeurde het dezelfde dag, dat Sara, de dochter van Raguël in Ekbátana, de stad der Meden, eveneens verwijten moest horen van één der dienstmeisjes van haar vader. 8 Want zij was aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest, Asmodéus genaamd had hen gedood, zodra zij bij haar waren binnengekomen. 9 Toen zij nu dat meisje berispte over een fout van haar gaf het haar ten antwoord: Ik hoop, dat we van u nooit een zoon of een dochter te zien krijgen op aarde, moordenares van uw mannen. 10 Of wilt ge ook mij soms vermoorden, zoals ge reeds zeven mannen vermoord hebt? Op dat gezegde ging zij naar het bovenvertrek van haar huis en gebruikte drie dagen geen eten of drinken, 11 maar bleef volharden in gebed en smeekte God onder tranen, haar van die smaad te bevrijden. 12 Toen zij op de derde dag haar gebed beëindigde, loofde zij den Heer, 13 en sprak: Gezegend is uw Naam, o God onzer vaderen, Gij, d ie weer barmhartigheid toont, als uw toorn is bevredigd, en in dagen van lijden de zonden vergeeft aan hen, die U aanroepen. 14 Tot U wend ik mijn aangezicht, Heer, op U richt ik mijn ogen. 15 Ik bid U, Heer, mij uit de boeien dezer schande te bevrijden, of anders mij weg te nemen van de aarde. 16 Gij weet, Heer, dat ik nooit een man heb begeerd, en mijn ziel rein heb bewaard van iedere lust. 17 Nooit heb ik aan uitspattingen meegedaan en nooit omgang gezocht met lichtzinnige mensen. 18 Ik heb slechts een man willen nemen in vreze voor U, en niet om mijn hartstocht te volgen. 19 Maar òfwel ik was hunner niet waardig, of zij waren wellicht mijner niet waardig, omdat Gij mij misschien voor een anderen man hebt bestemd. 20 Want uw raadsbesluit kan niemand doorgronden. 21 Doch hiervan is ieder, die U eert, overtuigd: als hij in zijn leven beproefd wordt, zal hij worden gekroond; als hij in kwelling mocht zijn, zal hij worden bevrijd; en als hij straf ondergaat, zal hij de weg naar uw barmhartigheid vinden. 22 Want Gij vindt geen behagen in ons verderf; maar na de storm geeft Gij rust, en na wenen en schreien weer blijdschap. 23 God van Israël, uw Naam zij gezegend voor eeuwig! 24 En hun beider gebed vond gelijktijdig verhoring bij de Majesteit van den allerhoogsten God. Rafaël, de heilige engel des Heren, werd gezonden, om hen beiden te genezen, wier gebed terzelfder tijd voor het aanschijn des Heren was uitgesproken.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 4

1 {\cf2Daar Tobit meende, dat zijn gebed was verhoord en hij dus ging sterven, riep hij zijn zoon Tobias bij zich, 2 en sprak tot hem: Mijn zoon, luister naar de woorden van mijn mond, en leg ze als een fundament in uw hart. 3 Wanneer God mijn ziel tot Zich neemt, begraaf dan mijn lichaam, en houd uw moeder in ere al de dagen van uw leven; 4 want gij moet er aan blijven denken, welke vele gevaren zij voor u heeft doorstaan, toen zij u droeg. 5 En wanneer ook zij haar levensloop heeft voltooid, begraaf haar dan naast mij. 6 Houd verder iedere dag van uw leven God voor de geest, en wacht u er voor, ooit toe te stemmen in de zonde, en de geboden van den Heer, onzen God, te overtreden. 7 Deel aalmoezen uit van hetgeen ge bezit, en wend u nooit van een arme af; want dan wendt ook de Heer zijn aangezicht niet af van u. 8 Zoveel gij kunt, moet gij barmhartigheid betonen. 9 Hebt gij veel, geef dan overvloedig; hebt gij maar weinig, zorg er dan voor, ook van dat weinige gaarne iets weg te schenken. 10 Want daardoor legt gij een heerlijke schat voor u weg voor de dag van nood; 11 want de aalmoes bevrijdt van alle zonden en van de dood, en duldt niet, dat iemand de duisternis ingaat. 12 Zo is de aalmoes voor ieder, die ze uitreikt, een waardevol onderpand bij den allerhoogsten God. 13 Mijn zoon, wacht u voor alle ontucht, en zorg er voor, nooit een misstap te begaan met een andere vrouw. 14 Laat nooit de hoogmoed heersen in uw hart of uw woord; want alle bederf vond daarin zijn oorsprong. 15 Als iemand voor u enig werk heeft verricht, geef hem dan onmiddellijk zijn loon, en houd het loon van uw dienstknecht geen ogenblik achter. 16 Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. 17 Deel uw brood met hen, die hongerig en behoeftig zijn, en dek met uw kleding den naakte. 18 Schenk uw brood en uw wijn voor de begrafenis van een rechtvaardige, maar eet of drink er niet van met zondaars. 19 Win altijd de raad in van verstandige mensen. 20 Zegen God ten allen tijde, en vraag Hem, dat Hij uw wegen mag leiden, en al uw plannen doet slagen. 21 Mijn zoon, ik heb u ook dit nog mee te delen: toen gij nog een kind waart, heb ik tien talenten zilver in bewaring gegeven aan Gabaël, in Rages, de stad der Meden, en zijn ontvangbewijs heb ik hier. 22 Denk er daarom eens over na, hoe gij hem kunt bereiken, om de genoemde som van hem in ontvangst te nemen en hem zijn bewijs terug te geven. 23 Wees overigens niet bevreesd, mijn zoon; al zouden wij ook arm blijven, toch zullen we vele goederen bezitten, als wij God vrezen, iedere zonde vermijden, en het goede doen!}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 5

1 {\cf2Tobias gaf zijn vader ten antwoord: Vader, alles wat gij mij opdraagt, zal ik doen. 2 Maar ik begrijp niet, hoe ik dat geld moet terugkrijgen. Hij kent mij niet, en ik ken hèm niet; wat voor bewijs zal ik hem geven? Bovendien is zelfs de weg erheen mij onbekend. 3 Maar zijn vader zeide hem: Wel, ik heb hier toch zijn ontvangbewijs; als gij hem dat laat zien, zal hij onmiddellijk uitbetalen. 4 En ga nu maar eens zien, of ge een betrouwbaar man kunt vinden, die tegen een behoorlijk loon met u wil meegaan, om het geld terug te halen, vóórdat ik sterf. 5 Tobias ging er dus op uit, en trof een deftigen jongeman, met opgeschort kleed en kant en klaar voor de reis. 6 Zonder te weten, dat het een engel Gods was, sprak hij hem aan en vroeg: Waar komt ge vandaan, edele jongeling? 7 Hij antwoordde: Van de kinderen van Israël. Tobias vroeg verder: Kent gij de weg naar het land der Meden? 8 Hij antwoordde: Zeker, en alle wegen daarheen heb ik al dikwijls bereisd; ik verbleef dan bij Gabaël, onzen broeder, die in Rages woont, de stad der Meden in de bergen van Ekbátana. 9 Tobias verzocht hem: Zoudt ge een ogenblik op mij willen wachten; dan ga ik het aan mijn vader vertellen. 10 Tobias ging dus naar huis en berichtte dit alles aan zijn vader. En zijn vader stond er over verbaasd en liet hem vragen, bij hem binnen te komen. 11 De ander deed het, en begroette hem: Vreugde zij u ten allen tijde! 12 Maar Tobit zeide: Wat kan er nog vreugde zijn voor mij, die in duisternis zit en het licht van de hemel niet zie! 13 De jongeman sprak: Houd goede moed, want God zal u weldra genezen. 14 Toen vroeg Tobit hem: Kunt gij mijn zoon begeleiden naar Gabaël in Rages, de stad der Meden; ik zal u het loon geven, als gij terugkomt. 15 De engel antwoordde hem: Ik zal hem er heen begeleiden en hem bij u terugbrengen. 16 Tobit vroeg hem verder: Ik bid u mij te willen zeggen, van welke familie en welke stam gij zijt? 17 De engel Rafaël gaf hem ten antwoord: Zoekt gij de afkomst van den dienaar of den dienaar zelf, om uw zoon te vergezellen? 18 Maar om u soms niet bezorgd te maken: ik ben Azarias, den zoon van den groten Ananias. 19 Tobit sprak: Dan zijt gij uit een voornaam geslacht; neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik uw afkomst wilde weten. 20 De engel verzekerde hem: Ik zal uw zoon gezond er heen geleiden, en gezond weer bij u terugbrengen. 21 Toen sprak Tobit: Moge uw reis voorspoedig zijn; God zij met u onderweg, en moge zijn engel u begeleiden! 22 Toen alles was klaargemaakt, wat voor de reis moest worden meegenomen, nam Tobias afscheid van zijn vader en zijn moeder, en ze gingen samen op weg. 23 Maar na hun vertrek begon zijn moeder te schreien, en sprak: De staf van onze oude dag hebt gij weggenomen en van ons heen laten gaan. 24 Hadden wij maar nooit dat geld gehad, waarvoor gij hem hebt uitgestuurd. 25 Want wij waren met onze armoe tevreden; en als wij onzen zoon maar zagen, voelden wij ons rijk. 26 Maar Tobit antwoordde haar: Schrei maar niet; onze zoon komt zeker behouden aan, en keert gezond en wel bij ons terug; en uw ogen zullen hem weerzien. 27 Want ik geloof, dat een goede engel Gods hem vergezelt en alles ten beste regelt, wat hem overkomt, zodat hij vol blijdschap weer bij ons terugkeert. 28 Bij deze verzekering hield de moeder op met schreien en zweeg.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 6

1 {\cf2Intussen trok Tobias verder, gevolgd door zijn hond; de eerste rust hield hij aan de rivier de Tigris. 2 Toen hij daar zijn voeten ging wassen, schoot er plotseling een grote vis naar voren, die hem in zijn voet wilde happen. 3 Geheel van streek schreeuwde Tobias het uit: Heer, hij valt mij aan. 4 Maar de engel sprak: Grijp hem bij de kieuwen, en trek hem naar u toe. Hij deed het en trok hem op het droge, waar hij lag te spartelen aan zijn voeten. 5 Toen sprak de engel: Haal de ingewanden uit die vis en leg het hart, de gal en de lever ter zijde; want die kunnen goede diensten bewijzen als geneesmiddel. 6 Toen hij dit had gedaan, bakten zij de vis en aten er van. Op weg naar Ekbátana, de stad der Meden, 7 stelde Tobias den engel de vraag: Azarias, mijn broeder, zeg mij toch eens, wat er voor geneeskracht ligt in de dingen, die gij mij van de vis laat bewaren? 8 De engel antwoordde: Als gij een stukje van hart en lever op kolen legt, verdrijft de rook daarvan bij mannen of bij vrouwen alle mogelijke boze geesten, zodat ze nooit meer bij hen terugkomen. 9 En de gal dient om er de ogen mee te bestrijken, die witte vlekken vertonen, en ze daarmee te genezen. 10 Toen zij eindelijk Ekbtana naderden, sprak Tobias tot den engel: Waar wilt gij, dat wij onze intrek nemen? 11 Hij antwoordde: Hier woont een zekere Raguël, die tot uw stam behoort en zelfs een bloedverwant van u is. Hij heeft een dochter, die Sara heet; er is geen zoon en ook geen andere dochter dan deze. 12 Gij hebt dus recht op geheel zijn bezit; maar dan moet ge met haar trouwen. 13 Vraag haar dus aan haar vader; hij geeft u haar zeker tot vrouw. 14 Maar Tobias bracht er tegen in: Ik heb horen zeggen, dat zij al aan zeven mannen is uitgehuwd, en dat die allen gestorven zijn; ik heb zelfs gehoord, dat een boze geest ze heeft gedood. 15 Daarom ben ik bang, dat ook mij zo iets overkomt; want ik ben het enige kind van mijn ouders, en zou dan de schuld zijn, dat die oude mensen van verdriet naar het dodenrijk gaan. 16 Toen sprak de engel Rafaël tot hem: Luister eens naar me; ik zal u uitleggen, over wie de duivel macht kan hebben. 17 De boze geest heeft macht over hen, die zó het huwelijksleven beginnen, dat zij God buiten hun hart en hun geest verbannen, en enkel zinnelust zoeken als een paard of een muilezel, zonder verstand, 18 maar als gij met haar trouwt en haar kamer betreedt, moet gij u drie dagen lang haar ontzeggen en slechts met haar bidden. 19 In de eerste nacht zal de boze geest op de vlucht gaan, als de lever van de vis wordt verbrand. 20 In de tweede nacht zult gij worden toegelaten tot de gemeenschap der heilige aartsvaders. 21 En in de derde nacht zult gij de zegen ontvangen, dat gij flinke kinderen ter wereld brengt. 22 Eerst als de derde nacht voorbij is, moogt ge het meisje bezitten in de vreze des Heren, meer gedreven door verlangen naar kroost, dan door genot van de zinnen; dan zult gij in het geslacht van Abraham gezegend worden in uw kinderen.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 7

1 {\cf2Daarna gingen zij bij Raguël binnen, die hen vol vreugde ontving. 2 Toen Raguël nu Tobias goed aankeek, zei hij tot Anna, zijn vrouw: Wat lijkt die jongeman op mijn neef! 3 Daarom vroeg hij: Waar komt gij vandaan, jonge mannen, onze broeders? Zij antwoordden: Wij zijn uit de stam van Neftali, en behoren tot de ballingen van Ninive. 4 Raguël vroeg verder: Kent gij dan Tobit, mijn broeder? Zij zeiden: Welzeker. 5 En toen Raguël nu veel goeds over hem begon te vertellen, sprak de engel tot hem: Die Tobit, naar wien gij vraagt, is zijn vader. 6 Toen sprong Raguël op en kuste hem onder tranen; wenend viel hij hem om de hals en riep uit: 7 Wees gezegend, mijn zoon; want gij zijt het kind van een goed en voortreffelijk man. 8 Ook Anna, zijn vrouw, en Sara, hun dochter, begonnen te schreien. 9 Nadat zij waren uitgesproken, liet Raguël een ram slachten en een feestmaal bereiden. Maar toen hij hen uitnodigde, zich aan tafel te zetten, 10 sprak Tobias: Ik eet of drink hier niet vandaag, vóórdat gij mijn verzoek hebt ingewilligd en mij belooft, Sara, uw dochter, te geven. 11 Toen Raguël dat hoorde, werd hij dodelijk verschrikt; want hij wist, wat die zeven mannen was overkomen, die bij haar waren binnengegaan; daarom beving hem de vrees, dat ook hem wellicht hetzelfde zou overkomen. Daar hij dus aarzelde en op die vraag maar geen antwoord gaf, 12 sprak de engel hem toe: Wees niet bevreesd, haar aan hem hier te geven; want omdat hij God vreest, is uw dochter voor hem tot vrouw bestemd; daarom juist kon geen ander haar bezitten. 13 Toen sprak Raguël: Nu weet ik zeker, dat God mijn gebeden en mijn tranen voor zijn aanschijn heeft aanvaard. 14 En ik ben er van overtuigd, dat Hij u daarom tot mij heeft gezonden, opdat zij in de echt verbonden zou worden met haar bloedverwant, zoals de wet van Moses dat eist; twijfel er daarom niet aan, ik geef haar aan u. 15 Toen nam hij de rechterhand van zijn dochter, legde die in de rechterhand van Tobias, en sprak: De God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob zij met u, en Hij verenige u; moge Hij zijn zegen ten volle over u uitstorten! 16 En zij namen perkament en maakten de huwelijksoorkonde op. 17 Daarna gingen zij aan tafel en prezen God. 18 Intussen riep Raguël zijn vrouw Anna binnen, en zeide haar, de andere kamer gereed te maken. 19 Toen zij echter haar dochter Sara daar binnen bracht, begon deze te schreien. 20 Maar zij sprak tot haar: Houd moed, mijn kind; de Heer des Hemels zal u vreugde geven in ruil voor al het verdriet, dat gij verduurd hebt.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 8

1 {\cf2Na de maaltijd bracht men dus den jongeman bij haar binnen. 2 Maar de woorden van den engel indachtig, haalde Tobias uit zijn reiszak een stuk van het hart en van de lever te voorschijn, en legde dat op de gloeiende kolen. 3 Toen greep de engel Rafaël den bozen geest, en bond hem vast in de woestijn van Boven-Egypte. 4 Daarna richtte Tobias zich tot het meisje en sprak tot haar: Sara, sta op; wij moeten vandaag, morgen en overmorgen tot God blijven bidden. Deze drie nachten blijven we verbonden met God; eerst als de derde nacht voorbij is, zullen we ons huwelijksleven beginnen. 5 Wij zijn immers kinderen der heiligen, en kunnen dus het huwelijk niet beginnen als de heidenen, die God niet kennen. 6 Zij stonden dus beiden op en begonnen samen vurig te bidden, dat zij gespaard mochten blijven. 7 En Tobias sprak: Heer, God van onze vaderen; dat hemel en aarde U loven, met de zee, de bronnen en de stromen, en met al uw schepselen, die er in wonen. 8 Gij hebt Adam geschapen uit het stof van de aarde, en hem Eva toegewezen als een hulp. 9 Welnu dan Heer; Gij weet, dat ik niet uit wellust mijn zuster tot vrouw heb genomen, maar alleen uit verlangen naar kroost, opdat zij uw Naam mogen zegenen in de eeuwen der eeuwen. 10 Ook Sara sprak: Ontferm U over ons, Heer, ontferm U onzer, en houd ons beiden samen gezond tot op onze oude dag. 11 Tegen de tijd van het hanengekraai liet Raguël zijn knechten roepen, en dezen gingen met hem mee, om een graf te delven. 12 Want hij dacht: Er mocht hem toch eens hetzelfde overkomen zijn, als de zeven andere mannen, die bij haar zijn geweest. 13 Toen zij het graf gereed hadden, ging Raguël terug naar zijn vrouw en zeide haar: 14 Stuur een van uw dienstmeisjes naar binnen, om te zien, of hij dood is; dan kan ik hem nog begraven, vóórdat het dag wordt. 15 Zij stuurde dus een van haar meisjes; deze ging de kamer binnen en vond ze gezond en wel, beiden in slaap. 16 Toen zij met dat blijde nieuws terugkwam, loofden Raguël en Anna, zijn vrouw, den Heer; 17 en ze zeiden: Wij loven U, Heer, God van Israël, omdat er niet is gebeurd, wat wij vreesden. 18 Neen, Gij hebt ons barmhartigheid bewezen, en ons van den vijand, die ons vervolgde, bevrijd. 19 Gij hebt medelijden gehad met deze twee, die beiden enig kind zijn. Geef dan, Heer, dat zij U nog meer mogen loven, en dankoffers brengen voor hun geluk, opdat heel de heidenwereld moge weten, dat Gij alleen God zijt over heel de aarde! 20 Onmiddellijk gaf Raguël nu aan zijn knechten bevel, om het graf, dat zij gedolven hadden, nog vóór het daglicht dicht te werpen. 21 Hij liet zijn vrouw een feestmaal klaar maken en alles in gereedheid brengen, wat er voor het eten nodig was. 22 Ook liet hij twee vette koeien en vier rammen slachten, om een feestmaal te bereiden voor al zijn buren en vrienden. 23 Toen drong Raguël er bij Tobias op aan, dat hij nog twee weken bij hem zou blijven. 24 En de helft van alles, wat Raguël bezat, schonk hij aan Tobias, en gaf hem een schriftelijk bewijs, dat na hun dood ook de andere helft in het bezit van Tobias zou komen.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 9

1 {\cf2Toen riep Tobias den engel bij zich, dien hij nog altijd voor een mens aanzag, en zeide hem: Azarias, mijn broeder, ik bid u te willen luisteren naar mijn woorden. 2 Als ik mijzelf aan u zou geven als slaaf, zou dat lang niet opwegen tegen uw goede zorgen. 3 Toch heb ik nog een verzoek aan u: Neem rijdieren en slaven met u mee, en ga naar Gabaël in Rages, de stad der Meden; overhandig hem zijn bewijs, neem van hem het geld in ontvangst en nodig hem uit op mijn bruiloft. 4 Gij weet immers zelf, hoe mijn vader de dagen telt; als ik ook maar één dag langer uitblijf, is hij zielsbedroefd. 5 Maar gij hebt ook gezien, hoe Raguël bij mij heeft aangedrongen, en ik kan zijn dringend verzoek niet weigeren. 6 Daarom nam Rafaël vier slaven van Raguël en twee kamelen met zich mee, en vertrok naar Rages, de stad der Meden; daar vond hij Gabaël, overhandigde hem zijn ontvangbewijs en beurde van hem al het geld. 7 Ook verhaalde hij hem alles, wat er met Tobias, den zoon van Tobit, gebeurd was, en wist hem zo te bewegen, met hem mee te gaan naar de bruiloft. 8 Toen Gabaël het huis van Raguël binnenkwam, trof hij Tobias aan tafel; deze sprong op en zij kusten elkander. En Gabaël weende, en loofde God; 9 en hij sprak: Moge de God van Israël u zegenen; want gij zijt de zoon van een voortreffelijk en rechtvaardig man, die God vreest en veel aalmoezen geeft. 10 Ook aan uw vrouw en uw ouders wens ik zegen toe. 11 Moogt gij uw kinderen en de kinderen uwer kinderen aanschouwen tot in het derde en vierde geslacht; en moge uw kroost gezegend worden door den God van Israël, die heerst in de eeuwen der eeuwen! 12 Allen zeiden: Amen! Daarna zetten zij zich aan de maaltijd; maar ook het bruiloftsmaal vierden zij in de vreze des Heren.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 10

1 {\cf2Daar Tobias nu wegens deze bruiloft langer uitbleef, werd zijn vader Tobit bezorgd; en hij zeide Waarom zou mijn zoon nog niet komen, en wat zou hem ginder weerhouden? 2 Zou Gabaël soms gestorven zijn, en niemand hem het geld willen teruggeven? 3 Zo begon hij zeer verdrietig te worden, en Anna, zijn vrouw, eveneens; en beiden begonnen samen te wenen, omdat hun zoon nog niet bij hen terug was op de dag, dat zij hem hadden verwacht. 4 Zijn moeder bleef maar schreien en haar tranen wilden niet drogen; en zij zuchtte: Ach, helaas, mijn zoon; waarom hebben wij u naar den vreemde laten vertrekken, gij, het licht onzer ogen en de staf van onze oude dag, de troost van ons leven en onze hoop op nageslacht. 5 Nooit hadden wij u van ons moeten laten heengaan; want in u alleen bezaten wij alles. 6 Doch Tobit sprak tot haar: Wees maar stil en maak u niet ongerust; onze zoon maakt het goed; de man met wien wij hem hebben laten vertrekken, is geheel te vertrouwen. 7 Maar zij was volstrekt niet te troosten; dagelijks ging zij naar buiten en zag naar alle kanten uit; alle wegen liep zij af, waarlangs hij misschien zou kunnen terugkeren, om zo mogelijk reeds van verre hem te zien aankomen. 8 Intussen sprak Raguël tot zijn schoonzoon: Blijf nog wat hier; ik zal uw vader Tobit berichten, dat gij het nog goed maakt. 9 Maar Tobias gaf hem ten antwoord: Ik weet, dat mijn vader en mijn moeder de dagen al tellen, en dat het een kwelling is voor hun hart. 10 En nadat Raguël nogmaals bij Tobias had aangedrongen, maar deze bleef weigeren, gaf hij hem eindelijk Sara mee met de helft van zijn bezit aan slaven en slavinnen, aan schapen, kamelen en koeien, en met nog veel geld bovendien. En toen hij gezond en blij van hem ging vertrekken, 11 sprak hij tot hem: De heilige engel des Heren zij met u onderweg, en geleide u behouden naar huis; ik hoop, dat gij uw ouders in welstand moogt terugzien, en dat mijn ogen nog uw kinderen zien, eer ik sterf. 12 Dan namen de ouders hun dochter en kusten haar vaarwel; en nog bij het vertrek 13 vermaanden zij haar, dat ze haar schoonouders zou eren en haar man zou beminnen, dat zij haar gezin zou besturen en orde zou hebben in haar huis en zichzelf onberispelijk zou gedragen.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 11

1 {\cf2Op hun terugreis kwamen zij op de elfde dag bij Charan, dat halverwege in de richting van Ninive ligt. 2 Toen sprak de engel: Tobias, mijn broeder, gij weet in welke toestand gij uw vader hebt achtergelaten. 3 Als gij het goedvindt, laat ons dan vooruitgaan; de slaven kunnen met uw vrouw en het vee langzaam achter ons aankomen. 4 Nadat zij daartoe waren besloten, zeide Rafaël tot Tobias: Neem wat gal van de vis met u mee; want gij zult het nodig hebben. Daarom nam Tobias wat van die gal, en toen gingen zij op weg. 5 Intussen zat Anna iedere dag langs de weg op een top van een berg, vanwaar zij een ruim vergezicht had. 6 En toen zij op diezelfde plaats weer eens zat uit te zien naar zijn komst, zag zij haar zoon reeds in de verte aankomen. Zij herkende hem terstond, en haastig ging zij het nieuws aan haar man vertellen, en riep: Luister, uw zoon komt er aan! 7 Onderwijl sprak Rafaël tot Tobias: Als gij binnenkomt in uw huis, aanbid dan onmiddellijk den Heer, uw God, en breng Hem uw dank. Ga dan naar uw vader, en kus hem. 8 Bestrijk aanstonds zijn ogen met de gal van de vis, die gij bij u hebt; want ge kunt er zeker van zijn, dat zijn ogen terstond zullen opengaan, zodat uw vader het licht van de hemel kan zien en zich in uw aanblik verheugen. 9 De hond, die hen onderweg vergezeld had, liep hen intussen vooruit, en als bode van het blijde nieuws kwispelde hij vrolijk met zijn staart. 10 Toen stond zijn blinde vader op en strompelend begon hij te lopen; hij strekte de handen uit naar zijn kind en liep zo zijn zoon tegemoet. 11 Hij omhelsde hem en kuste hem; zijn vrouw deed evenzo, en beiden begonnen te schreien van blijdschap. 12 Nadat zij God hadden aanbeden en gedankt gingen zij zitten. 13 Toen nam Tobias wat van de gal van de vis en streek het zijn vader op de ogen. 14 En na ongeveer een half uur wachten begon de witte vlek, als het velletje van een ei, uit de ogen los te laten. 15 Tobias pakte het vast, en trok het zijn vader van de ogen. Op hetzelfde ogenblik ontving deze het gezicht terug. 16 Toen verheerlijkten zij God, hijzelf met zijn vrouw, en allen, die hem kenden. 17 En Tobit sprak: Ik loof U, Heer God van Israël; want wel hebt Gij mij gekastijd, maar mij ook genezen; want zie, nu aanschouw ik weer Tobias, mijn zoon. 18 Zeven dagen later kwam ook Sara, de vrouw van zijn zoon, behouden aan, met al de slaven, het vee en de kamelen, en met al het geld, zowel dat van de vrouw als hetgeen hij van Gabaël had terugontvangen. 19 Hij verhaalde zijn ouders al de weldaden, die God hem bewezen had door den man, die hem vergezeld had, 20 Nu kwamen ook Achior en Nabat, de neven van Tobias, vol blijdschap hem bezoeken, om hem geluk te wensen met al de weldaden, die God hem had bewezen. 21 En zij vierden zeven dagen feest, en allen waren met grote blijdschap vervuld.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 12

1 {\cf2Toen riep Tobit zijn zoon bij zich en sprak tot hem: Wat kunnen wij geven aan dezen heiligen man, die u begeleid heeft? 2 Tobias gaf zijn vader ten antwoord: Vader, ja, wat zullen wij hem voor loon geven; of wat kan er opwegen tegen zijn weldaden? 3 Hij heeft mij behouden heen en terug gebracht en bij Gabaël het geld gehaald; hij heeft mij een vrouw bezorgd, den bozen geest van haar verdreven en aan haar ouders vreugde verschaft; hij heeft mij gered uit de greep van de vis, en uzelf het licht van de hemel weer doen aanschouwen. Ja, wij zijn met allerlei weldaden door hem overladen. Wat kunnen wij hem geven, dat daartegen opweegt? 4 Maar ik bid u, vader; vraag hem, of hij misschien de helft wil aanvaarden van alles, wat wij hebben meegebracht. 5 De vader en de zoon riepen hem dus terzijde en vroegen hem, of hij de helft van alles, wat zij hadden meegebracht, zou willen aanvaarden. 6 En terwijl hij nog met hen alleen was, sprak hij tot hen: Richt uw dank tot God in de hemel, en looft Hem tegenover al wat leeft; want Hij heeft u zijn barmhartigheid bewezen. 7 Zeker, het is goed, het geheim van een koning verborgen te houden; maar de werken Gods openbaar maken en prijzen, is eervol. 8 Bidden en vasten is een voortreffelijk werk, en aalmoezen geven is meer waard, dan schatten gouds te verzamelen. 9 Want de aalmoes redt van de dood; zij is het, die reinigt van de zonden, en barmhartigheid en eeuwig leven doet vinden. 10 Maar wie zonden bedrijven en onrecht, zijn hun eigen vijand. 11 Ik ga u dus de waarheid bekend maken, en wat nog omsluierd is, zal ik u niet langer verbergen. 12 Toen gij onder tranen uw gebeden verrichtte, toen gij de doden begroeft en uw eten er voor liet staan, toen gij overdag de doden in uw huis gingt verbergen, om ze 's nachts te begraven, toen droeg ik uw gebeden op aan den Heer. 13 Maar omdat gij welgevallig waart aan God, daarom moest gij door lijden worden beproefd. 14 Doch nu heeft de Heer mij gezonden, om u te genezen, en Sara, de vrouw van uw zoon, van den bozen geest te bevrijden. 15 Want ik ben de engel Rafaël, één van de zeven, die voor s Heren aanschijn staan. 16 Toen zij dat hoorden, verschrokken zij hevig, en wierpen zich sidderend neer, met het gelaat op de grond. 17 Maar de engel sprak tot hen: Vrede zij u; vreest niet. 18 Want het was door Gods wil, dat ik bij u vertoefde; zegent Hem en zingt Hem lof. 19 Het had wel de schijn, dat ik met u at en dronk; maar ik geniet onzichtbare spijs en drank, die geen mens kan aanschouwen. 20 Nu is het tijd, dat ik terugkeer naar Hem, die mij heeft gezonden; looft gij echter den Heer en verkondigt al zijn wonderdaden. 21 Toen hij dat gezegd had, werd hij aan hun ogen onttrokken, zodat zij hem niet meer konden zien. 22 Nog drie uur lang bleven zij diep gebogen liggen en loofden God; toen stonden zij op, en verkondigden al zijn wonderdaden.}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 13

1 {\cf2En de oude Tobit opende zijn mond, om den Heer te loven, en sprak: Groot zijt Gij, Heer, in eeuwigheid, En tot in alle eeuwen duurt uw rijk. 2 Want Gij slaat wel, maar geneest weer, Gij brengt naar de onderwereld, en voert eruit terug; Niemand is er, die uw hand kan ontlopen. 3 Kinderen Israëls, looft den Heer, En prijst Hem, dat de heidenen het horen; 4 Want Hij verspreidde u onder volken, die Hem niet kennen. Om zijn wonderdaden te verkonden en hen te doen weten, Dat er geen almachtige God is dan Hij. 5 Hij heeft ons getuchtigd om onze zonden, Maar Hij zal ons weer redden om zijn barmhartigheid. 6 Ziet toch, wat Hij voor ons heeft gedaan, En looft Hem in vreze en siddering; Verheerlijkt door uw daden den Koning der eeuwen. 7 Ik zelf wil Hem loven in het land van mijn ballingschap; Want Hij heeft zijn glorie getoond aan het zondige volk. 8 Bekeert u dan, zondaars; beoefent voor God de gerechtigheid; En gelooft, dat Hij u barmhartig zal zijn. 9 Met geheel mijn ziel wil ik in Hem mij verblijden. 10 Looft den Heer, gij allen, die Hij heeft uitverkoren; Viert dagen van blijdschap, en brengt Hem uw lof. 11 Jerusalem, gij stad van God, De Heer heeft u gestraft, om wat uw handen misdeden. 12 Loof nu den Heer door uw goede daden. En wil den God der eeuwen prijzen, Opdat Hij zijn tent weer in u opbouwe, Al uw ballingen tot u terugroepe, En gij weer vreugde moogt hebben in alle eeuwen der eeuwen. 13 Gij zult stralen in schitterend licht, En alle uiteinden der aarde zullen u huldigen. 14 Van verre zullen de volkeren komen, En met hun gaven in uw midden den Heer aanbidden; Uw land zullen zij beschouwen als heilig, 15 Want zij komen tot U, om de heerlijke Naam te vereren. 16 Vervloekt zijn allen, die u verachten; En die u belasteren, worden allen gestraft. Maar gezegend zijn zij, die u weer opbouwen. 17 Dan zult gij weer vreugde vinden in uw kinderen, Daar zij allen gezegend worden en bijeengebracht bij den Heer. 18 Gelukkig allen, die u beminnen, En verheugd zijn over uw vrede. 19 Loof, mijn ziel, den Heer, Want Hij heeft Jerusalem, zijn stad, Bevrijd van al haar kwelling, Hij, de Heer, onze God! 20 Ik zal gelukkig zijn, als mijn geslacht blijft bestaan, Om de heerlijkheid van Jerusalem te aanschouwen. 21 Jerusalems poorten worden dan opgebouwd uit safier en smaragd, En heel de kring van haar muren uit kostbare steen. 22 Al haar pleinen worden met zuiver wit marmer belegd, In haar straten wordt het Alleluja gezongen. 23 Gezegend de Heer, die haar groot heeft gemaakt, Hij heerse over haar in de eeuwen der eeuwen! Amen!}

INHOUD | [Tobit]

Hoofdstuk 14

1 {\cf2En dit is het einde der geschiedenis van Tobit. Nadat Tobit het gezicht had teruggekregen, leefde hij nog twee en veertig jaar, en mocht de kinderen van zijn kinderen nog aanschouwen. 2 Hij bereikte de leeftijd van honderd en twee jaar, en werd toen met alle eer in Ninive begraven. 3 Want zes en vijftig jaar oud verloor hij het licht der ogen en in zijn zestigste jaar kreeg hij het terug. 4 De rest van zijn leven was zeer gelukkig; hoe meer hij vooruit ging in de vreze des Heren, hoe meer hij vrede genoot. 5 Maar toen hij ging sterven, liet hij zijn zoon Tobias met diens zeven jonge zonen, zijn kleinkinderen, komen, en sprak tot hen: 6 De ondergang van Ninive moet dichtbij zijn; want het woord des Heren kan niet falen. Onze broeders, die buiten het land van Israël verstrooid zijn, zullen daarheen terugkeren; 7 heel het land, dat verlaten ligt, zal weer bevolkt worden, en het huis van God, dat daar verbrand neerligt, zal worden herbouwd. Allen, die God vrezen, keren daarheen terug; 8 zelfs de heidenen zullen hun afgoden verlaten en naar Jerusalem komen, om daar te gaan wonen; 9 en al de koningen der aarde zullen den Koning van Israël aanbidden en daar zich verblijden4. 10 Mijn kinderen, luistert dus naar uw vader: Blijft trouw in de dienst van den Heer, en beijvert u te doen wat Hem behaagt; 11 beveelt uw kinderen, de gerechtigheid te beoefenen en de weldadigheid, God voor ogen te houden en Hem trouw te loven ten allen tijde met geheel hun kracht. 12 Mijn kinderen, luistert nog verder naar mij: Gij moet hier niet blijven; maar als gij uw moeder naast mij in hetzelfde graf hebt begraven, begeeft u dan aanstonds op weg, om van hier te vertrekken; 13 want ik zie, dat de boosheid hier de ondergang zal brengen. 14 Tobias trok dan ook na de dood van zijn moeder met zijn vrouw, zijn kinderen en kleinkinderen uit Ninive weg, en keerde naar zijn schoonouders terug. 15 Hij trof hen welvarend aan in gezegende ouderdom; hij zorgde voor hen en sloot hun zelf de ogen. Hij erfde heel het vermogen van Raguëls huis, en zag nog de kinderen van zijn kinderen tot in het vijfde geslacht. 16 En nadat hij in de vreze des Heren met vreugde de leeftijd van negen en negentig jaar had bereikt, werd hij ten grave gedragen. 17 Ook al zijn verwanten en heel zijn geslacht bleven in een deugdzaam leven en een heilige levenswandel volharden, zodat zij welgevallig waren aan God en de mensen, aan al de bewoners van dat land.}