De Bijbel
Vertaling Petrus Canisius

De Heilige Schrift, vertaling uit de grondtekst in opdracht van de Apologetische Vereniging 'Petrus Canisius' ondernomen met goedkeuring van de hoogwaardige bisschoppen van Nederland

Oorspronkelijke uitgave 1939

gelovenleren.net

Wijsheid van Jezus Sirach

INHOUD | hoofdstuk: 1 [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15] [16] [17] [18] [19] [20] [21] [22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31] [32] [33] [34] [35] [36] [37] [38] [39] [40] [41] [42] [43] [44] [45] [46] [47] [48] [49] [50] [51]

Hoofdstuk 1

1 {\cf2De wijsheid van Jesus Sirach. Eerste afdeling. De wijsheid in de practijk van het leven. Eerste reeks. De wijsheid en onze plichten jegens God en mensen. Inleiding. Het zedelijk karakter van de wijsheid. Alle wijsheid komt van den Heer, En bij Hem blijft zij tot in eeuwigheid. 2 Het zand van de zee, de druppels van de regen, En de dagen der eeuwen, wie kan ze tellen? 3 De hoogte des hemels, de breedte der aarde, En de diepte van de oceanen, wie zal ze doorgronden? 4 Maar vóór alle dingen werd de wijsheid geschapen, En van eeuwigheid bestaat de verstandige kennis. 6 De wortel der wijsheid, wien werd ze geopenbaard, En haar raadsbesluiten, wie kan ze kennen? 8 Eén is er wijs, bovenmate vreeswekkend: De Heer, die op zijn troon is gezeten! 9 Hij heeft haar geschapen, gezien en geteld, Over al zijn werken haar uitgestort. 10 Zij toeft dus bij allen, naar gelang Hij ze gaf; Hij deelt haar mee aan wie Hem beminnen. 11 De vreze des Heren is eer en roem; Zij is blijdschap en een vreugdekrans. 12 De vreze des Heren verheugt het hart; Zij geeft blijdschap, vreugde en lengte van dagen. 13 Wie den Heer vreest, gaat het goed aan het einde; Op de dag van zijn dood zal hij genade vinden. 14 Het begin der wijsheid is den Heer te vrezen; Reeds vóór de geboorte wordt zij de vromen ingeschapen. 15 Bij de mensen heeft zij een eeuwige woonstee gevestigd, En zich toevertrouwd aan hun geslacht. 16 De volheid der wijsheid is den Heer te vrezen, En dronken maakt zij met haar vruchten. 17 Heel haar huis vult zij op met haar schatten, En haar voorraadschuren met haar vruchten. 18 De kroon der wijsheid is de vreze des Heren; Zij laat vrede bloeien en blakende welstand. 19 Zij doet kennis en verstandig inzicht stromen, En brengt, die haar trouw blijven, hoog in ere. 20 De wortel der wijsheid is den Heer te vrezen, En haar takken zijn lengte van dagen. 21 De vreze des Heren houdt de zonde verre; Wie daaraan vasthoudt, wendt de gramschap af. 22 Wie ten onrechte toornig wordt, krijgt geen gelijk; Want de onstuimigheid van zijn toorn brengt hem ten val. 23 Maar de lankmoedige wacht, tot zijn tijd is gekomen; En daarna wordt blijdschap zijn deel. 24 Tot het goede ogenblik houdt hij zijn woorden in; Daarom loven de lippen der braven zijn doorzicht. 25 In de schatten der wijsheid zijn wijze spreuken; Maar voor den zondaar is godsvrucht een gruwel. 26 Begeert ge dus wijsheid, onderhoud de geboden; En de Heer zal ze u schenken. 27 Want wijsheid en tucht zijn de vreze des Heren; Trouw en deemoed vinden zijn welbehagen. 28 Wees dus niet ongehoorzaam aan de vreze des Heren, En treed haar niet tegen met een weifelend hart. 29 Huichel ook niet tegenover de mensen, Maar geef acht op uw lippen; 30 Verhef u niet, opdat ge niet valt, En geen schande brengt over uzelf. Want de Heer zal uw geheimen onthullen, En in de kring der gemeente u doen vallen, Omdat ge niet wandelt naar de vreze des Heren, En uw hart vol bedrog is.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 2

1 {\cf2Mijn zoon, zijt ge besloten, den Heer te dienen. Bereid u dan voor op beproeving. 2 Wees sterk en standvastig, En blijf kalm in tijd van tegenspoed; 3 Blijf Hem trouw en val niet af, Opdat ge groot moogt zijn bij uw einde. 4 Neem alles aan wat u overkomt; Blijf geduldig bij de verschillende rampen. 5 Want het goud wordt beproefd in het vuur, Godgevallige mensen in de oven van het lijden. 6 Blijf vertrouwen op Hem, Hij neemt u weer aan; Houd het rechte pad en blijf op Hem hopen. 7 Gij, die den Heer vreest, verbeidt zijn erbarmen, En wijkt niet af, opdat gij niet valt. 8 Gij, die den Heer vreest, blijft op Hem vertrouwen; En uw loon zal u niet ontgaan. 9 Gij, die den Heer vreest, hoopt op geluk. Op eeuwige vreugde en ontferming. 10 Schouwt naar de vroegere geslachten en ziet: Wie vertrouwde er op den Heer. en is te schande geworden; Wie volhardde in zijn vreze, en werd verlaten, Of wie riep Hem aan. en vond geen verhoring? 11 Want genadig is de Heer en barmhartig; Hij vergeeft de zonden en redt ten tijde van nood. 12 Maar wee de weifelende harten en slappe handen; Wee den zondaar, die op twee wegen gaat. 13 Wee het bange hart, dat geen vertrouwen meer heeft, En daarom geen beschutting zal vinden. 14 Wee u, die het geduld hebt verloren; Want wat zult gij doen, als de Heer komt met bezoeking? 15 Die den Heer vrezen, onderhouden zijn geboden; En die Hem lief hebben, bewaren zijn wegen. 16 Die den Heer vrezen, zoeken zijn welbehagen; En die Hem beminnen, zijn vol van zijn Wet. 17 Die den Heer vrezen, houden hun harten bereid, En vernederen zich voor zijn aanschijn. 18 Vallen we dus liever in de handen des Heren, Dan in de handen der mensen; Want zo groot zijn heerlijkheid is, Zo groot is ook zijn ontferming!}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 3

1 {\cf2Kinderen, luistert naar het woord van uw vader, En handelt er naar, opdat het u wel ga. 2 Want de Heer heeft den vader gesteld over de kinderen, En het recht van de moeder over haar zonen vastgelegd. 3 Wie zijn vader eerbiedigt, krijgt vergiffenis van zonden, 4 En wie zijn moeder eert, verzamelt zich schatten. 5 Wie zijn vader acht, beleeft vreugde aan zijn kinderen; En wanneer hij bidt, zal hij worden verhoord. 6 Wie zijn vader eert, zal lang blijven leven, En wie den Heer gehoorzaamt, verkwikt zijn moeder. 7 Wie den Heer vreest, eert zijn vader en moeder, En dient zijn ouders als zijn meesters. 8 Mijn zoon, geef eer aan uw vader, in woord en daad, Opdat u niets overkome dan zegen. 9 De zegen van vader bevestigt de wortel, De vloek van moeder rukt de aanplanting uit. 10 Ga niet groot op de schande van uw vader; Want dat is voor u geen eer. 11 De roem van een man is de eer van zijn vader, Zijn grootste smaad de schande van zijn moeder. 12 Mijn zoon, kom op voor de eer van uw vader, En verwaarloos ze niet al de dagen uws levens. 13 Als zijn geest verzwakt, wees dan toegevend; Veracht hem nooit, zolang hij leeft. 14 De weldaad, aan vader bewezen, wordt nimmer vergeten, Maar als een offer voor de zonde u toegerekend. 15 Op de dag van nood zal ze u worden herdacht, Als hitte op rijp smelt ze uw zonde weg. 16 Maar wie zijn vader veracht, is een booswicht; En wie zijn moeder vervloekt, beledigt zijn Schepper. 17 Mijn zoon, als ge rijk zijt, wandel in deemoed, En ge wordt meer bemind dan wie geschenken geeft. 18 Verneder uzelf voor al het grote der wereld; Dan zult ge barmhartigheid vinden bij God. 20 Want groot is Gods barmhartigheid, Aan de nederigen openbaart Hij zijn raadsbesluit. 21 Streef niet naar wat u te boven gaat, En tracht het verborgene niet te doorgronden. 22 Denk alleen aan wat bereikbaar voor u is; Want wat verborgen is, hebt ge niet nodig. 23 Verdiep u niet in wat u te boven gaat, Want te veel werd u reeds te zien gegeven; 24 Eindeloos immers zijn de gedachten der mensen, En boze voorstellingen misleiden. 25 Waar geen oogappel is, helpt geen licht; En wie geen verstand heeft, hem baat geen wijsheid. 26 Met een vermetel hart loopt het slecht af; Maar wie het goede bemint, zal er wel bij varen. Een hart, dat twee wegen gaat, kent geen geluk; Want door zijn boosheid vindt het er zijn verderf. 27 Een vermetel hart zal veel pijn moeten lijden, Want in zijn verstoktheid stapelt het zonde op zonde. 28 Loop niet om artsenij voor de wonde van den verwaande; Er is toch geen genezing, want zijn planting is slecht. 29 Een verstandig hart begrijpt de spreuken der wijzen. En een oplettend oor verneemt de wijsheid graag. Wie verstandig en wijs is, houdt zich ver van de zonde, En legt zich op werken van gerechtigheid toe. 30 Zoals vlammend vuur wordt geblust met water, Zo wist gerechtigheid de zonde uit. 31 Wie goed doet, gaat het goed in het leven; En mocht hij soms wankelen, dan vindt hij een steun.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 4

1 {\cf2Mijn zoon, spot niet met het leven van den arme, En laat de ogen van den bedrukte niet versmachten. 2 Stel een hongerig mens niet teleur, En verberg u niet voor een gebroken hart. 3 Verbitter het gemoed van den arme niet, En wil hem uw gave niet weigeren. 4 Veracht de bede van den arme niet, 5 Geef hem geen aanleiding, om u te vloeken; 6 Want als de bedroefde roept in zijn zielesmart, Dan hoort zijn Schepper naar zijn schreien. 7 Maak u bemind bij de gemeente, En buig uw hoofd voor de groten der stad; 8 Maar neig ook uw oor tot den arme, En beantwoord vriendelijk zijn groet. 9 Help den bedrukte tegen zijn verdrukkers; Wees niet bang, om rechtvaardig vonnis te vellen. 10 Wees voor de wezen als een vader, Voor de weduwen als een man; God noemt u dan zijn zoon En redt u in zijn liefde van het verderf. 11 Tweede reeks. De wijsheid en de gevaren, die ons bedreigen. Inleiding. De zegeningen der wijsheid. De wijsheid onderricht haar kinderen, En waarschuwt allen, die haar zoeken. 12 Wie haar beminnen, beminnen het leven, En die haar zoeken, vinden welbehagen bij God. 13 Wie haar vasthouden, vinden glorie bij Jahweh, En wonen in de zegen van God; 14 Wie haar dienen, dienen den Heilige, Wie haar beminnen, worden door God bemind. 15 Wie naar mij luistert, oordeelt rechtvaardig, Wie naar mij hoort, zal wonen in mijn huis; 16 Wie mij vertrouwt, zal mij beërven, En zijn geslacht zal mij blijven bezitten. 17 Want omzichtig ga ik met hem om, En stel hem in het begin op de proef; Vrees en angst slinger ik op hem neer, En toets hem eerst door beproeving. Maar als zijn hart van mij is vervuld, 18 Maak ik hem gelukkig, en ontsluier hem mijn geheimen. 19 Doch valt hij van mij af, dan verwerp ik hem, En lever hem over aan verdelgers. 20 Mijn zoon, benut de tijd en vrees het kwaad; Dan behoeft ge u niet over uzelf te schamen. 21 Want er is een schaamte, die tot zonde voert, Maar ook een schaamte, die eer brengt en genade. 22 Wees niet toegevend voor uzelf; Dan komt ge niet ten val tot eigen verderf. 23 Houd op zijn tijd het woord niet achter, En uw wijsheid niet verborgen; 24 Want in het spreken leert men de wijsheid kennen, Het inzicht in het antwoord van de tong. 25 Strijd niet tegen de waarheid, Erken met schaamte uw ongelijk. 26 Schaam u niet, terug te keren van het kwaad, En roei niet op tegen de stroom. 27 Onderwerp u niet aan een dwaas, Maar verzet u niet tegen de overheid. 28 Strijd voor de deugd tot aan de dood, En Jahweh zal strijden voor u. 29 Wees geen zwetser met de tong, En slap en traag in uw daden; 30 Wees thuis niet als een leeuw, En schuw en bang voor uw knechten. 31 Uw hand zij niet open om te krijgen, En gesloten, als ze moet geven.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 5

1 {\cf2Verlaat u niet op uw rijkdom; Denk niet: "Ik ben machtig genoeg." 2 Verlaat u niet op uw schatten, Om uw lusten na te jagen; Loop uw hart en uw ogen niet na, Om toe te geven aan kwade begeerten. 3 Zeg niet: "Wie kan er tegen mijn rijkdom aan;" Want Jahweh wreekt de vervolgden. 4 Denk niet: Ik heb gezondigd, maar Hij doet mij niets; Want Hij is een lankmoedige God. 5 Reken niet vast op vergiffenis, Om zonde op zonde te stapelen, 6 En te zeggen: Groot is zijn ontferming; Hij vergeeft mij al mijn zonden wel. Want bij Hem is barmhartigheid, maar ook toorn, En zijn gramschap rust op de bozen. 7 Toef dus niet, om tot Hem terug te keren, En stel het niet uit van dag tot dag; Want plotseling breekt zijn gramschap los, Op de dag der vergelding wordt ge verpletterd. 8 Stel geen vertrouwen op bedriegelijke schatten, Want zij baten u niet op de dag van de wraak. 9 Ga niet wannen bij iedere wind, En wandel niet langs iedere weg; 10 Houd aan uw overtuiging vast, En blijf bij uw woord. 11 Wees prompt om te luisteren, En geef antwoord met geduld. 12 Hebt ge iets te zeggen, geef dan antwoord; Zo niet, houd de hand op uw mond. 13 Eer en schande liggen in de hand van den zwetser, En 's mensen tong is zijn val. 14 Ge moogt niet dubbelhartig heten, Of met uw tong den naaste lasteren; Want voor den dief is schande weggelegd, En bittere smaad voor de dubbele tong. 15 Werp geen smaad op groot of klein,}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 6

1 {\cf2En word niet hun vijand in plaats van hun vriend. Verguizing en schande erft de lasteraar, Evenals de slechtaard met dubbele tong. 2 Laat u niet door uw hartstocht beheersen, Want hij graast uw kracht af als een stier; 3 Hij vreet uw blad, rukt af uw vruchten, En laat u achter als een dorre boom. 4 Want onbeheerstheid brengt verderf over wie er aan toegeeft, En verschaft leedvermaak aan den vijand; 5 Maar zachte woorden maken vele vrienden, En vriendelijke lippen worden gaarne gegroet. 6 Leef met vele mensen op goede voet, Maar uw vertrouweling zij slechts één uit duizend. 7 Wint ge een vriend, doe het door beproeving, En stel niet te gauw in hem uw vertrouwen. 8 Want soms is men vriend, zolang het uitkomt, Maar blijft het niet bij tegenspoed; 9 Menig vriend verkeert dan in vijand, En legt de twist tot uw schande uit. 10 Vriend is hij, als hij uw tafel deelt; Maar men vindt hem niet in tijd van nood. 11 Gaat het u goed, hij is het met u eens; Maar gaat het u slecht, hij gaat van u heen. 12 Als het ongeluk u treft, keert hij zich van u af, En houdt zich voor u verborgen. 13 Houd u dus ver van uw vijand, Maar wees voorzichtig met uw vrienden. 14 Een trouwe vriend is een sterke burcht; Wie er een vindt, ontdekt een vermogen. 15 Voor een trouwen vriend bestaat geen prijs, Zijn waarde is niet te betalen. 16 Een trouwe vriend is een buidel des levens; Wie God vreest, zal hem bekomen. 17 Wie den Heer vreest, is trouw in de vriendschap; Want zoals men zelf is, zo is ook de vriend. 18 Derde reeks. De wijsheid en onze maatschappelijke plichten. Inleiding. Aansporing tot beoefening der wijsheid. Mijn zoon, streef van uw jeugd af naar tucht, En tot in ouderdom zult ge wijsheid vinden. 19 Nader tot haar als een ploeger en maaier, En wacht dan op haar rijke oogst; Want in haar dienst behoeft ge maar weinig te zwoegen, Om weldra haar vruchten te eten. 20 Hinderlijk is ze slechts voor den dwaas, En de onverstandige kan haar niet dragen; 21 Zij drukt op hem als een zware steen, Hij zal niet aarzelen, haar af te werpen. 22 Want de tucht is, zoals het woord het zegt; Daarom is ze slechts weinigen welkom. 23 Mijn zoon, luister, en aanvaard mijn les; Versmaad mijn raadgeving niet. 24 Steek uw voeten in haar boeien, En uw hals in haar gareel; 25 Zet uw schouder er onder en draag ze, En laat haar banden u niet verdrieten. 26 Nader tot haar met heel uw ziel, En houd haar wegen met al uw kracht. 27 Vraag en vors; zoek en ge zult vinden; En hebt ge haar vast, laat ze niet weer los. 28 Want tenslotte vindt ge er rust, En wordt zij voor u een genot. 29 Haar net wordt u dan een sterke burcht, En haar boeien een kleed van brokaat; 30 Haar juk wordt een sieraad van goud, Haar banden purperen snoeren. 31 Dan trekt zij u een feestkleed aan, En siert u met een heerlijke kroon. 32 Mijn zoon, als ge er lust in hebt, wordt ge wijs, En verstandig, als ge uw hart er op zet; 33 Als ge komt om te luisteren En uw oor open zet, wordt ge wijs. 35 Luister dus graag naar iedere onderrichting, En laat geen wijze spreuk u ontgaan. 36 Zie wie er wijs is, en ga dien bezoeken; Uw voet verslijte zijn drempel. 37 Uw gedachte blijve bij de vreze des Allerhoogsten, En uw peinzen bij zijn geboden; Dan zal Hij uw hart verstandig maken En u wijsheid geven, zoveel ge begeert.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 7

1 {\cf2Doe geen kwaad, dan treft u geen kwaad; 2 Houd u ver van de zonde, dan wijkt ze van u. 3 Zaai geen wind tegen uw broeder, Want zevenvoudig zoudt ge hem maaien. 4 Vraag van God geen heerschappij, Noch een erezetel van den koning; 5 Reken uzelf niet rechtvaardig voor God, En speel voor den koning niet den wijze. 6 Streef er niet naar, een ambt te bekleden, Zo ge de overmoed niet kunt breken; Anders gaat ge wellicht voor een machtige op zij, En laadt ge een smet op uw eerlijkheid. 7 Bezondig u niet in de bijeenkomst aan de poort, En breng u niet ten val in de gemeente; 8 Waag het niet, uw fout te herhalen, Want reeds de eerste maal blijft ge niet ongestraft. 9 Denk niet: Hij zal wel neerzien op mijn vele gaven; Als ik den Allerhoogste maar offer, neemt Hij mij aan. 10 Wil uw gebeden niet verkorten, En stel de gerechtigheid niet uit. 11 Zie nooit minachtend op een ongelukkige neer; Bedenk, dat er Eén is, die verheft en vernedert. 12 Beraam geen misdaad tegen uw broeder, Noch tegen een vriend of tegen een buur. 13 Schep geen behagen in leugen op leugen; Want daarop vertrouwen brengt geen zegen. 14 Wees geen prater in de bijeenkomst der groten, En gebruik niet veel woorden, als gebidt. 15 Wees niet afkerig van moeilijke arbeid, Noch van de landbouw, door God zo gewild. 16 Schat u niet hoger dan uw medeburgers; Bedenk, dat de toorn niet zal uitblijven. 17 Verneder uw hoogmoed, zo diep gij kunt; Want het einde van den mens is de worm. Zeg niet te gauw: Wat is dat een ramp! Laat het over aan God, en aanvaard zijn beschikking. 18 Ga een vriend niet verruilen voor geld, Of een trouwen broeder voor goud van Ofir. 19 Een verstandige vrouw moet ge niet verachten; Want bevallige schoonheid gaat boven paarlen. 20 Wees niet hard voor een slaaf, die trouw voor u werkt, Noch voor een knecht, die u vol toewijding dient; 21 Bemin een verstandigen slaaf als uzelf, En weiger hem de vrijheid niet. 22 Draag ook zorg voor uw vee, En doe het niet weg, zolang het van nut is. 23 Hebt ge zonen: houd ze in tucht, En neem voor hen vrouwen, als ze nog jong zijn. 24 Hebt ge dochters: draag dan zorg voor haar reinheid; Ga niet uitgelaten met ze om. 25 Huw uw dochter uit en uw taak is volbracht; Maar geef haar ten huwelijk aan een verstandig man. 26 Hebt ge een vrouw, verstoot haar niet; En huw niet een, die gescheiden is. 27 Eer uw vader met heel uw hart, En vergeet nooit de smarten van uw moeder. 28 Bedenk, dat ge aan hen het bestaan hebt te danken; Wat kunt ge hun geven, voor wat zij gaven aan u? 29 Heb vreze voor God, met heel uw hart, En eerbied voor zijn priesters; 30 Bemin uw Schepper met heel uw kracht, En laat zijn dienaars niet in de steek. 31 Eer God en eerbiedig den priester, En geef hem zijn aandeel, zoals het u is voorgeschreven: Het brood, de zoenoffers, en de hefoffers, De reinigingsoffers en de heilige tienden. 32 Reik echter ook den arme uw hand, Opdat uw zegen volkomen zij. 33 Geef aan alle levenden uw gaven, En weiger ook de doden uw liefde niet. 34 Houd u niet ver van die wenen, Maar treur met hen, die bedroefd zijn; 35 Trek uw hart niet af van den zieke, En ge zult door hem worden bemind. 36 Bij al uw handelen denk aan het einde, En in eeuwigheid zult ge niet zondigen.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 8

1 {\cf2Begin geen twist met een grote; Waarom zoudt ge u tegen hem keren? Strijd niet met iemand, die sterker is; Waarom in zijn handen vallen? 2 Twist niet met iemand die rijk is; Hij zou een prijs voor u betalen, om u te verderven. Want het goud heeft velen overmoedig gemaakt, Zelfs het hart van vorsten verleid. 3 Strijd niet tegen een grote mond; Want het is hout werpen op het vuur. 4 Heb geen omgang met een dwaas; Anders gaan hoogstaande lieden u verachten. 5 Maar veracht niemand, die zich van zijn zonde bekeert; Bedenk, dat wij allen schuldig zijn. 6 Spot nooit met iemand om zijn ouderdom, Want ook wij worden oud. 7 Wees niet verheugd over iemands dood; Bedenk, dat wij allen eens sterven. 8 Versmaad de raad der wijzen niet, Maar houd u bezig met hun spreuken; Van hen toch kunt ge wijsheid leren, Om sterk te staan tegenover vorsten. 9 Veracht de verhalen der ouden niet, Die zij hoorden van hun vaderen; Van hen toch kunt ge wijsheid leren, Om antwoord te geven in tijd van nood. 10 Kom niet te dicht bij de kolen der zondaars; Anders wordt ge verbrand door hun gloed. 11 Loop niet weg voor den spotter; Laat hem niet zitten als iemand, die u een hinderlaag legt. 12 Geef niet te leen aan iemand, die machtiger is, En als ge het doet, beschouw het dan als verloren. 13 Blijf geen borg boven uw vermogen; Maar blijft ge borg, reken dan op betalen. 14 Begin geen proces met een rechter; Want hij kan uitspraak doen, zoals hij wil. 15 Ga niet op reis met een waaghals; Ge zoudt grote ongelukken kunnen belopen. Want hij doet, wat hem invalt, En ge gaat door zijn dwaasheid te gronde. 16 Begin geen strijd met een driftkop, En rijd niet met hem de woestijn in; Want bloed heeft voor hem geen waarde, En hij brengt u om, zonder dat iemand u redt. 17 Pleeg geen overleg met een dwaas; Hij kan uw plannen toch niet geheim houden. 18 Doe in andermans bijzijn niet wat geheim moet blijven; Want ge weet niet, wat hij zal doen. 19 Leg uw hart niet bloot aan iedereen, Maar stoot ook vriendelijkheid niet af.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 9

1 {\cf2Wees niet achterdochtig op de vrouw aan uw boezem; Ge leert haar maar kwaad tot uw eigen nadeel. 2 Lever u niet over aan uw vrouw, En laat haar niet over u heersen. 3 Onderhoud geen betrekking met andere vrouwen, Om niet in haar strikken te vallen. 4 Leg het niet aan met zangeressen; Anders zetten zij u in vlam met haar mond. 5 Blik niet begerig naar jonge meisjes; Anders beloopt ge nog straf. 6 Geef u niet af met slechte vrouwen; Want zij brengen uw erfgoed er door. 7 Spied niet rond in de straten der stad, En slenter niet over haar pleinen. 8 Wend uw blik af van een mooie vrouw, En kijk niet naar schoonheid, die u niet toekomt. Door vrouwenschoonheid kwamen velen ten val; Want de hartstocht vlamt op als een vuur. 9 Eet niet samen met andermans vrouw, En zit niet dronken met haar aan, Opdat het hart zich niet tot haar neige, En gij ten grave zoudt dalen in bloed. 10 Laat een ouden vriend niet gaan, Want een nieuwe is niet zo aanhankelijk. Als nieuwe wijn is een nieuwe vriend; Eerst als hij oud is, kunt ge hem drinken. 11 Wees niet jaloers op een zondaar, Want ge weet niet, welk lot hem nog treft. 12 Benijd den trotsaard niet, al gaat het hem goed; Bedenk, dat hij niet tot de dood ongestraft blijft. 13 Houd u ver van den man, die macht heeft te doden, Dan hoeft geen vrees voor de dood u te kwellen; Maar moet ge hem naderen, doe niets verkeerds, Opdat hij u niet het leven beneemt. Weet, dat ge loopt temidden van strikken, 14 Geef uw naaste antwoord naar best vermogen, Maar win zelf raad bij de wijzen in. 15 Pleeg overleg met verstandige mensen, Maar ieder besluit zij naar Jahweh's Wet. 16 Eet met rechtschapen mannen uw brood, En in de vreze Gods zij uw roem. 17 In vaardige handen is de kunst goed bewaard; Wie het volk bestuurt, moet wijs zijn van inzicht. 18 Een praatvaar is gevreesd in de stad, Een woord uit zijn mond is niet gewild.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 10

1 {\cf2Een verstandig vorst houdt zijn volk in tucht, En het bestuur van een wijze is welgeordend. 2 Zoals de vorst van een volk, zo ook zijn beambten; En zoals het hoofd van een stad, zo ook haar bewoners. 3 Een onbesuisd koning brengt verderf over de stad, Maar de wijsheid van haar vorst brengt de stad tot bloei. 4 In de hand van God rust het bestuur van de wereld; In iedere tijd geeft Hij haar den geschikten man. 5 In de hand van God ligt ieders gezag; Hij verleent den bestuurder zijn aanzien. 6 Verdruk den naaste niet met geweld, En bewandel niet de weg van de hoogmoed. 7 Hoogmoed is gehaat bij God en de mensen, Bij beiden nog erger dan verdrukking. 8 De heerschappij ging over van volk op volk, Ter oorzake van verdrukking en hoogmoed. 9 Wat durft stof en as zich verheffen, Wiens lichaam reeds bij zijn leven verteert. 10 Een lichte ziekte: de dokter lacht; Heden nog koning: komt hij morgen ten val. 11 En sterft de mens, hij krijgt als zijn deel ontbinding en maden, ongedierte en wormen. 12 De trots begint, als de mens tot macht komt; Dan keert zijn hart zich af van zijn Schepper. 13 Want de hoogmoed is een vergaarbak van zonde, Een bron, waaruit ongerechtigheid opborrelt. Daarom zal God dat hart met kwelling vervullen, En hem slaan tot vernietiging toe. 14 De troon der hovaardigen stort God omver; Hij zet de deemoedigen in hun plaats. 16 De sporen der trotsen wist God uit, En hun stronk houwt Hij af tot de grond; 17 Hij rukt ze uit het land en drijft ze weg, En doet hun gedachtenis van de aarde verdwijnen. 18 Want hoogmoed past niet aan den mens, Verwaten trots niet aan het kind van de vrouw. 19 Welk mensengeslacht staat hoog in ere? Dat geslacht is in ere, dat God vreest. Welk mensengeslacht is zonder eer? Dat geslacht is veracht, dat de geboden overtreedt. 20 Zoals een vorst geëerd is in de kring van zijn broeders, Zo is een godvrezende geëerd in Gods ogen; 22 Bijwoner, vreemdeling, buitenlander of arme: Hun aller roem is de vreze Gods. 23 Veracht dus geen arme, die rechtschapen is, En eer geen zondaar, wie het ook zij. 24 Prins, vorst en rechter staan in ere, Maar geen is er groter, dan wie God vreest. 25 Een verstandige slaaf wordt door vrijen gediend, En geen wijze, die er om mort. 26 Wees niet eigenwijs, dat gij slechts werkt, als het u lust, En poch niet ten tijde van nood; 27 Beter wie werkt en van alles genoeg heeft, Dan wie pocht, maar niets heeft te eten. 28 Mijn zoon, houd in alle ootmoed uzelf in ere, En bezorg u de achting, zoals het behoort. 29 Wie zal hem rechtvaardigen, die zichzelf veroordeelt; Wie hem eren, die zichzelf onteert?. 30 Soms worden armen geëerd om hun wijsheid, Terwijl anderen in ere zijn om hun bezit. 31 Werd zo'n arme eens rijk, hoeveel groter zijn eer; Werd zo'n rijke eens arm, hoeveel groter zijn schande!}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 11

1 {\cf2De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten. 2 Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk. 3 De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere. 4 Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen. 5 Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon; 6 Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi. 7 Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen! 8 Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede; 9 Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen. 10 Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt. 11 Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel. 12 Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm; 13 Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan. 14 Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!. 16 In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad; 17 Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk. 18 Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt: 19 Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft. 20 Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk. 21 Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken. 22 De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop. 23 Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer? 24 Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen? 25 Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk. 26 Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden. 27 De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is. 28 Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens. 29 Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers. 30 Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent; 31 Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden. 32 Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed. 33 Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden? 34 Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 12

1 {\cf2Als ge wel doet, let dan op aan wien, Opdat ge van uw weldadigheid loon moogt verwachten. 2 Doe wel aan den rechtvaardige: dan wordt ge beloond; Zo niet door hem, dan tenminste door Jahweh. 3 Maar de weldoener van bozen wordt niet beloond; Hij doet er immers geen goed werk mee. 4 Geef den goede, maar weiger den boze; 5 Verkwik den kleine, en geef niet aan den trotse. Geef hem geen wapens in de hand: Hij zou er mee tegen u strijden; 6 Want ook God haat de bozen, En oefent vergelding aan de slechten. 7 Dubbel treft u de boze ten tijde van nood, Voor al het goede, dat ge hem deedt. 8 Een vriend kan men niet erkennen bij voorspoed; Maar bij ongeluk verbergt de vijand zich niet. 9 Als het goed gaat, is ook de vijand een vriend; Maar bij ongeluk gaat de vriend zelfs lopen. 10 Vertrouw dus nooit op een vijand, Want als ijzerroest zit hij vol boosheid; 11 Al luistert hij naar u nog zo gedwee, Blijf zorgvuldig voor hem op uw hoede. Wees voor hem als iemand, die een spiegel poetst, Begrijp, dat men nooit zeker is tegen roest. 12 Geef hem geen plaats aan uw zijde; Anders jaagt hij u op en neemt uw plaats in beslag. Zet hem niet aan uw rechterhand, Opdat hij niet uw zetel bezet; Dan zoudt ge ten slotte mijn woord begrijpen, En moeten instemmen met mijn klachten. 13 Wie beklaagt een slangenbezweerder, die wordt gebeten, Of allen, die zich bij wilde beesten wagen? 14 Evenmin hem, die met een hoogmoedige omgaat, En zich in diens zonde verstrikt. 15 Een tijdlang blijft hij, zonder zich te doen kennen, Maar als ge gaat wankelen, houdt hij het niet uit. 16 Met zijn lippen is de vijand wel vriendelijk, Maar in zijn hart graaft hij diepe kuilen; 17 Met zijn ogen weet de vijand te wenen, Maar ziet hij de kans, hij wordt niet zat van uw bloed. 18 Treft u een ongeluk, dan is hij aanwezig, Als wilde hij helpen, maar hij belaagt uw hiel; Dan schudt hij het hoofd en klapt in de handen, En vertrekt zijn gezicht tot een grijns.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 13

1 {\cf2Wie pek aanraakt, aan zijn hand blijft het kleven; Wie met een spotter omgaat, krijgt zijn manieren. 2 Wilt ge dragen, wat te zwaar voor u is? Waarom dan omgang hebben met wie rijker is dan gij? Kan de pot wel samengaan met de ketel? Stoten ze tegen elkander, de pot zal breken. 3 Doet de rijke onrecht, hij beroemt er zich op; De arme moet nog smeken, als hij verdrukt wordt. 4 Zo ge hem van dienst zijt, buit hij u uit; Als ge er bij neervalt, spaart hij u niet. 5 Zo lang ge hebt, doet hij vriendelijk met u, Maar maakt u arm zonder enige spijt. 6 Heeft hij u nodig, dan is hij verknocht, Schertst met u, en doet erg vertrouwelijk; 7 Totdat hij geslaagd is. drijft hij zijn spel met u, Tweemaal, driemaal kleedt hij u uit. Ziet hij u later, dan loopt hij u voorbij, En schudt zijn hoofd over u. 8 Geef dus acht, word niet te overmoedig; Word niet gelijk aan mensen zonder verstand. 9 Nadert er een prins, houd u op een afstand, Met des te groter aandrang zal hij u ontbieden; 10 Dring u niet op, anders wijst men u terug, Blijf ook niet te ver, anders wordt ge vergeten. 11 Ga niet te vrijpostig met hem om, En vertrouw niet te veel op zijn praten; Want hij praat zo veel, om u te beproeven, Hij schertst met u en hoort u uit. 12 Meedogenloos drijft hij met iemand de spot, Onbarmhartig legt hij lagen voor velen. 13 Wees dus gewaarschuwd en blijf op uw hoede; Ga niet om met mensen van geweld. 15 Zoals ieder wezen zijns gelijke bemint, Evenzo de mens dengene, die op hem gelijkt. 16 Ieder wezen sluit zich aan bij zijn soort, Zo moet ook de mens slechts omgaan met zijns gelijke. 17 Sluit de wolf zich soms aan bij het lam? Evenmin de boze bij den rechtvaardige. 18 Is er wel vrede tussen hyena en hond? Evenmin is er vrede tussen rijk en arm. 19 De ezel der steppe is een prooi voor den leeuw, Zo zijn de armen de kudde der rijken. 20 Zoals de trotse de ootmoed veracht, Zo minacht de rijke den arme. 21 Wankelt de rijke, hij wordt gesteund door een vriend; Maar wankelt de arme, men stuurt hem van den een naar den ander. 22 Als de rijke spreekt, heeft hij vele handlangers, En zijn lelijke woorden noemt men nog mooi. Maar spreekt de arme, dan lacht men hem uit; Al spreekt hij verstandig, hij vindt geen gehoor. 23 Als de rijke spreekt, zwijgen allen stil, En hemelhoog verheft men zijn onzin. Maar spreekt een arme, dan zegt men: "Wie is dat?" Begaat hij een vergissing, dan stoot men hem neer. 24 Goed is de rijkdom, als hij is zonder zonde; Maar slecht is de armoe, die voortkomt uit kwaad. 25 's Mensen hart verandert zijn gelaat, Hetzij ten goede of ten kwade; 26 Een blij gelaat is het teken van een goed geweten, In eenzaamheid peinzen het teken van zinnen op kwaad.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 14

1 {\cf2Gelukkig de mens dus, wiens mond hem niet aanklaagt, En wiens hart geen beschuldiging tegen hem uit; 2 Gelukkig de mens, wiens geweten geen verwijten doet, Want zijn hoop zal nimmer vergaan! 3 Een gierig mens heeft niets aan rijkdom, En een vrek is met goud niet gebaat. 4 Wie zich zelf te kort doet, spaart voor anderen, En vreemden genieten van zijn goed. 5 Wie zichzelf niets gunt, is voor niemand goed; Maar ook zelf geniet hij niet van zijn bezit. 6 Wie slecht is voor zichzelf, geen slechter dan hij; Maar hij wordt ook beloond voor zijn slechtheid! 7 Doet hij soms goed, het is bij vergissing; Want tenslotte komt zijn ondeugd uit. 8 Slecht is de mens met hebzuchtige blik; Hij wendt het gelaat af en bekommert zich om niemand, 9 Het oog van den vrek heeft aan zijn bezit niet genoeg, En het afgunstig oog mergelt hem uit. 10 Het gierig oog ziet uit naar spijzen, Want niets staat er op zijn tafel; Maar een goed mens heeft spijs genoeg, Zelfs uit een droge bron stroomt water op tafel. 11 Mijn zoon, zo ge wat hebt, doe uzelf dan te goed, En geniet ervan naar vermogen; 12 Denk er aan, dat de dood niet draalt, Dat de tijd, die u rest, u niet wordt gemeld. 13 Voordat ge sterft, doe wel aan uw naaste, Geef hem, zoveel ge maar kunt; 14 Maar ontzeg ook uzelf geen gelukkige dag, Laat uw deel van het genot u niet ontsnappen. 15 Moet ge niet uw bezit aan anderen achterlaten; Zullen zij uw vermogen niet verdelen door het lot? 16 Geef dus uw naaste, en vertroetel uzelf, Want in het dodenrijk is geen vreugde meer te vinden; 17 Alle vlees wordt oud als een kleed, Want van ouds luidt de wet: Het moet sterven! 18 Zoals de bloesem ontspruit aan de groene boom, En het ene verwelkt, als het andere ontluikt, Zo ook het geslacht van vlees en bloed: Het ene sterft uit, het andere komt op; 19 Al zijn werken zullen vergaan, Want het werk van zijn handen komt achter hem aan. 20 Vierde reeks. De wijsheid en de zonde der mensen. Inleiding. De vruchten der wijsheid. Gelukkig de mens, die bedacht is op wijsheid, En naarstig zich toelegt op inzicht; 21 Die zijn hart er op zet, haar wegen te kennen, En inzicht te krijgen in haar geheimen; 22 Die haar achtervolgt, als was hij een verspieder, En al haar wegen beloert; 23 Die door haar venster naar binnen gluurt, En luistervink speelt aan haar deur; 24 Die rond haar huis zijn verblijfplaats zoekt, En zijn tentpin in haar muren drijft; 25 Die aan haar zijde zijn tent opslaat, En daar een goede woning vindt; 26 Die zijn nest in haar lover bouwt, En op haar takken verpoost; 27 Die in haar schaduw zich tegen de hitte beschut, En een schuilhoek vindt om te wonen.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 15

1 {\cf2 Wie Jahweh vreest, zal dit alles doen, En wie de Wet nastreeft, zal haar vinden; 2 Zij treedt als een moeder hem tegemoet, En ontvangt hem als de vrouw zijner jeugd. 3 Dan spijst zij hem met het brood der wijsheid, En laaft hem met het water der kennis; 4 Hij kan op haar steunen zonder te wankelen, Op haar vertrouwen, en nooit tevergeefs. 5 Zij zal hem verheffen boven zijn makkers, Zijn mond ontsluiten in de vergadering. 6 Vreugde en blijdschap zal hij vinden, En eeuwige roem doet zij hem erven. 7 Maar zondaars verkrijgen haar nooit, En trotsaards zijn voor haar blind; 8 Van spotters houdt zij zich verre, En leugenaars gedenken haar niet. 9 In de mond van den zondaar past haar lof niet, Want hij heeft haar van God niet verkregen; 10 Maar de mond van den wijze verkondigt haar lof, Want wie haar bezit, kan haar aan anderen leren. 11 Denk niet: Mijn zonde komt van God; Want wat Hij haat, dat kan Hij niet doen. 12 Zeg toch niet: Hij heeft mij doen vallen; Want Hij heeft den zondaar niet nodig. 13 Jahweh haat alle zonde en kwaad, En die hem vrezen, bewaart Hij er voor. 14 Sinds God den mens schiep in de aanvang, Heeft Hij hem overgelaten aan zijn eigen verstand. 15 Als ge wilt, kunt ge de geboden bewaren. Als ge wijs zijt, volbrengt ge zijn wil. 16 Vóór u zijn neergelegd water en vuur; Steek uit uw hand naar wat ge verkiest. 17 Vóór den mens ligt de keus tussen leven en dood; Wat hij verlangt, dat wordt hem gegeven. 18 Onmetelijk is de wijsheid van Jahweh; Sterk is zijn kracht en alles doorschouwt Hij. 19 De ogen van God zien neer op zijn werken, En Hij kent alle daden der mensen; 20 Hij heeft den mens niet bevolen te zondigen, En daarom zegent Hij zondaars niet.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 16

1 {\cf2Verblijd u niet om de schoonheid van knapen, die niet deugen, En verheug u niet over goddeloze kinderen; 2 Al gedijen ze ook, schep er geen vreugde in, Als zij de vreze des Heren niet hebben. 3 Heb geen verwachtingen van hun leven, En stel geen vertrouwen in hun toekomst; Want één, die Gods wil doet, is meer waard dan duizend, Beter kinderloos sterven, dan veel slechte kinderen. 4 Door één godvrezende blijft een stad bewoond; Maar door een geslacht van zondaars gaat ze te gronde. 5 Meer dergelijke dingen hebben mijn ogen gezien, Nog sterker gevallen vernamen mijn oren: 6 In de bende der bozen ontvlamde het vuur. In het goddeloze volk ontbrandde de toorn; 7 Hij schonk geen vergiffenis aan de reuzen der oudheid, Die de wereld beroerden door hun kracht. 8 De medeburgers van Lot heeft Hij niet gespaard, Toen zij Hem tartten door hun overmoed; 9 Evenmin de volkeren, door de banvloek getroffen, Maar om hun zonden dreef Hij ze weg. 10 Zo ook de zeshonderdduizend man voetvolk, Die werden verdelgd om de verstoktheid huns harten. 11 Ja, al bleef er maar één hardnekkig, Wonder, als hij niet zou worden gestraft. Want bij Hem is erbarming, maar ook gramschap; Hij spaart en vergeeft, maar stort op de bozen zijn toorn. 12 Zo groot zijn ontferming, zo groot ook zijn straffen; Hij oordeelt eenieder volgens zijn werken. 13 De boze zal met zijn bezit niet ontkomen; Maar de hoop van de goeden zal Hij nimmer beschamen. 14 Ieder, die gerechtigheid doet, zal worden beloond; Iedere mens ontvangt van Hem naar zijn werken. 17 Denk niet: Ik ben voor God verborgen; Wie in den hoge denkt er aan mij? Onder zo'n grote massa word ik niet bemerkt; Wat ben ik onder zo vele mensen? 18 Zie, hemel en hemel der hemelen, afgrond en aarde, Zij beven, als Hij er op neerziet; 19 De grondslagen der bergen, de fundamenten der aarde, Zij sidderen, als Hij ze beschouwt. 20 En toch schenkt Hij geen aandacht aan mij; Wie zou er letten op mijn wegen? 21 Als ik zondig, geen oog dat het ziet; Als ik lieg in het diepste geheim, wie weet het? 22 Een goede daad, wie maakt ze bekend; Wat heb ik te hopen, al doe ik mijn plicht? 23 Stompzinnigen zijn het, die zo denken; Alleen een dwaas kan zo spreken! 24 Luistert naar mij en verneemt mijn wijsheid, Schenkt aandacht aan mijn woorden; 25 Na diep gepeins zal ik mijn geest laten sprankelen, Met bescheidenheid mijn kennis verkonden. 26 Toen God in den beginne zijn werken schiep, En volgens hun taak hun een plaats bereidde, 27 Heeft Hij voor immer hun werk geordend, Voor altijd hun gebied vastgesteld. Ze worden niet hongerig en lijden geen dorst, En houden niet op met hun werk; 28 Er is er niet één, die den ander verdringt, 29 Nooit zijn ze aan zijn woord ongehoorzaam. 30 Toen blikte de Heer op de aarde neder, En vervulde haar met zijn gaven; 31 Hij heeft haar met allerlei levende wezens bedekt, Die eens tot haar zullen terugkeren.

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 17

1 {\cf2De Heer heeft den mens uit aarde geschapen, Maar Hij voert hem ook tot haar terug; 2 Hij schonk hun slechts weinige dagen, een vaste tijd, En gaf hun macht over wat er op aarde bestaat. 3 Naar hun aard heeft Hij hen met macht bekleed, En naar zijn beeld hen geschapen; 4 Alle vlees vervulde Hij met ontzag voor den mens, Want Hij maakte hem heer over dieren en vogels. 6 Hij schonk hun een tong, ogen en oren, En gaf hun een hart om te denken; 7 Met verstand en kennis vervulde Hij hen, En toonde hun, wat goed is en kwaad. 8 Hij plaatste zijn oog in hun hart, Opdat zij de grootheid zijner werken zouden begrijpen. 10 Zij zullen de lof verkonden van zijn heilige Naam, Om de grootheid van zijn werken te prijzen. 11 Hij gaf hun nog weer nieuwe kennis, Toen Hij hun de wet des levens gaf; 12 Hij sloot met hen een eeuwig verbond, En openbaarde hun zijn wetten. 13 Hun ogen hebben zijn grote glorie aanschouwd, Hun oren zijn heerlijke stem vernomen. 14 Hij sprak tot hen: "Wacht u voor alle kwaad"; En gaf iedereen geboden over zijn naaste. 15 Hun wegen liggen altijd voor Hem open, En zijn niet verborgen voor zijn ogen; 19 Al hun werken staan als de zon voor zijn aanschijn, Want zijn ogen rusten steeds op hun wegen. 20 Hun ongerechtigheden zijn voor Hem niet verborgen; Al hun zonden liggen open voor den Heer. 22 Als een zegelring bewaart Hij de aalmoes der mensen, Iemands weldaad als de appel van het oog; 23 Later verheft Hij Zich om het hun te belonen, Of om straf op hun hoofd te doen komen. 24 Toch schenkt Hij bekering aan de boetvaardigen. En moedigt de vertwijfelden aan: 25 Keer terug tot den Heer, en verlaat de zonden; Bid voor zijn aanschijn, en verminder het kwaad. 26 Bekeer u tot God, wend u af van het onrecht. Haat, zo diep als ge kunt, alle gruwel!'. 27 Wie zal in het dodenrijk den Allerhoogste loven, Zoals de levenden Hem prijzen? 28 Een dode is niet meer; hij heeft alle lof gestaakt; De levende en gezonde kunnen Jahweh nog loven. 29 Hoe groot is Jahweh's ontferming, En zijn erbarming voor die zich tot Hem bekeren! 30 Niet alles toch is volmaakt bij de mensen, Daar het mensenkind niet onsterfelijk is. 31 Wat straalt er meer dan de zon; toch wordt ze verduisterd: En de mens is maar een schepsel van vlees en bloed. 32 Hij overziet het heir aan de hoge hemel, Maar de mensen zijn allen stof en as.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 18

1 {\cf2Hij die in eeuwigheid leeft, en het heelal heeft geschapen, 2 Jahweh alleen wordt rechtvaardig bevonden. 4 Geen mens is in staat, zijn werken te melden; Wie zou zijn grootheid kunnen doorgronden? 5 Wie zou zijn grote macht kunnen meten, Of wie zijn barmhartigheid kunnen verhalen? 6 Niets kan men er af doen en niets er aan toevoegen: Jahweh's wonderwerken zijn niet te doorgronden. 7 Als de mens er mee eindigt, is het pas begonnen; Als hij er mee ophoudt, staat hij verlegen. 8 Wat is de mens en waartoe van nut; Wat brengt hij voor voordeel of nadeel? 9 Het getal zijner dagen is op zijn hoogst honderd jaar; 10 Een druppel water der zee, een korreltje zand. 11 Daarom is Jahweh lankmoedig met hem, En stort Hij zijn erbarming over hem uit. 12 Hij ziet en weet, hoe moeilijk zij zich bekeren; Daarom vermeerdert Hij nog zijn erbarmen. 13 Een mens ontfermt zich slechts over zijn naaste, Maar God ontfermt Zich over alle vlees. Hij tuchtigt, bestraft en onderricht, En leidt als een herder zijn kudde; 14 Hij ontfermt Zich over hen, die zijn tucht aanvaarden, En zich beijveren voor zijn wetten. 15 Kind, voeg bij uw gave geen verwijt, Geen krenkend woord bij een gift. 16 Brengt de dauw geen verkoeling na de hitte? Zo is een goed woord beter nog dan een gave. 17 Zie, gaat een goed woord niet een goede gave te boven? Een beminnelijk man beschikt over beide; 18 Maar een dwaas doet liefdeloos verwijten, En de gift van zo'n vitter perst tranen uit de ogen. 19 Vóór ge spreekt, moet ge leren, En genezen, eer de ziekte er is. 20 Onderzoek uzelf vóór het oordeel, Om op het uur der bezoeking erbarming te vinden; 21 Vóórdat ge ziek wordt, moet ge u vernederen, Ten tijde der zonden reeds bekering tonen. 22 Verzuim niet, op tijd een belofte te vervullen, En wacht niet tot de dood, om die schuld te voldoen. 23 Eer ge iets belooft, moet ge u bezinnen; Wees niet als een mens, die Jahweh beproeft. 24 Denk aan de toorn op de dag van het einde, Aan de tijd der vergelding, als God Zich afkeert; 25 Denk aan de honger ten tijde van weelde, Aan armoe en gebrek in dagen van rijkdom. 26 Van 's morgens tot 's avonds wisselt de tijd; Alles ijlt voorbij voor het aanschijn van Jahweh. 27 Een verstandig man neemt zich bij alles in acht, En wacht zich in zondige tijden voor een misstap. 28 Wie verstandig is, wil wijsheid leren, En prijst hem, die haar heeft gevonden. 29 Die spreuken verstaan, onderrichten de wijsheid, En brengen scherpzinnige gelijkenissen voort. 30 Loop niet achter uw begeerten aan, En houd u ver van uw lusten; 31 Als ge u toestaat, wat de hartstocht wil, Maakt ge uzelf tot een vreugd voor uw vijand. 32 Verheug u niet over een weinig genot, Want dubbel zwaar valt dan het gemis; 33 Wees geen verkwister en geen drinker, Want dan blijft er niets in de buidel.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 19

1 {\cf2Wie zo doet, wordt zeker niet rijk; Want wie het kleine versmaadt, gaat te gronde. 2 Wijn en vrouwen maken het hart overmoedig, En wie met deernen zich afgeeft, is nog vermeteler; 3 Verrotting en wormen nemen hem in bezit, Want een vermetel mens wordt weggerukt. 4 Wie lichtvaardig gelooft, is lichtzinnig van hart; Wie zo zich bezondigt, misdoet tegen zichzelf. 5 Want wie zich over boosheid verheugt, wordt veracht, 6 En wie praatjes herhaalt, heeft geen verstand. 7 Wil daarom nooit iets oververtellen, Dan zal men ook u niet bekladden. 8 Hetzij vriend of vijand, vertel het niet; Kan het zonder zonde, breng het niet aan. 9 Want men hoort u aan, en is voor u op zijn hoede, En ter gelegener tijd zal men u er om haten. 10 Hebt ge iets gehoord, laat het met u sterven; Wees gerust: het doet u niet bersten. 11 De dwaas krijgt weeën van een nieuwtje, Zoals de barende van haar dracht; 12 Zoals een pijl vasthaakt in het vlees van de schenkel, Zo een nieuwtje in het hart van den dwaas. 13 Ondervraag uw vriend, of hij het niet heeft gedaan; En deed hij het wel, dat hij het niet weer doe. 14 Ondervraag uw vriend, of hij het niet heeft gezegd, En zei hij het wel, dat hij het niet weer zegge. 15 Ondervraag uw vriend, want men lastert veel; Geloof dus niet al wat men zegt. 16 Men doet soms een misstap, maar zonder bedoeling; Maar wie heeft er niet met zijn tong gezondigd? 17 Ondervraag uw vriend, eer ge hem bedreigt, En neem de Wet van den Allerhoogste in acht. 20 Volmaakte wijsheid is de vreze des Heren, Volkomen wijsheid streeft naar het volbrengen der Wet; 22 Maar de kennis der boosheid is geen wijsheid, En de raad der zondaars geen verstand. 23 Er is een schranderheid, die een gruwel is, En er zijn onverstandigen zonder boosheid. 24 Beter zwak van inzicht, maar godvrezend, Dan een groot verstand, maar de Wet overtredend. 25 Er is een geslepen sluwheid, maar onrechtvaardig, Die het recht verdraait, als ze vonnis velt. 26 Men gaat soms rond, als gebukt onder rouw, Maar zijn binnenste is vol bedrog; 27 Met gebogen hoofd, als wezenloos, Maar onverhoeds zal hij u overvallen. 28 Hij mist de kracht, om zonde te doen, Maar zo gauw hij de kans ziet, doet hij kwaad. 29 Aan het gezicht kent men den mens, Aan de gelaatstrekken kent men den wijze. 30 's Mensen kleding, zijn lachen en gang Tonen, wat hij werkelijk is.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 20

1 {\cf2Soms is een terechtwijzing wel wat ontijdig; Zwijgen kan soms verstandig zijn. 2 Toch is het beter, te berispen dan te razen; Want wie bekent, wordt voor slechter bewaard. 4 Als een ontmande, die in hartstocht een jonkvrouw onteert: Zo is hij, die een berisping geeft met geweld. 5 Er zijn er, die hun wijsheid tonen door zwijgen, Zoals anderen zich gehaat maken door hun gepraat. 6 Er zijn er, die zwijgen, bij gebrek aan een antwoord, Maar anderen zwijgen, en wachten hun tijd. 7 De wijze zwijgt, tot zijn tijd is gekomen, Maar de zwetser en dwaze let op geen tijd. 8 Aan een praatvaar heeft men een hekel, En wie zich veel aanmatigt, wordt gehaat. 9 Een schijnbaar succes strekt den mens soms tot onheil, En een gewin wordt soms een verlies. 10 Soms brengt een geschenk u geen voordeel, En soms wordt het dubbel vergolden. 11 Soms vindt men vernedering in plaats van glorie, En anderen heffen na de vernedering het hoofd omhoog. 12 De een koopt veel voor weinig geld, Een ander betaalt het zevenvoudig. 13 De wijze maakt zich bemind met spreken, Het vleien der dwazen is tevergeefs. 14 Het geschenk van een dwaas zal u niet baten, Want in plaats van één heeft hij vele ogen; 15 Hij geeft slechts weinig, maar doet veel verwijten, En zet zijn mond als een omroeper open. Vandaag zal hij lenen, morgen eist hij het terug; Hoe hatelijk is zo'n mens! 16 De dwaas moet zeggen: Ik heb geen vriend; Ik ontvang geen dank voor mijn gaven. 17 Die zijn brood eten, hebben een valse tong; Wat lachen zij hem dikwijls uit! Want zonder takt deelt hij uit, wat hij moest behouden, Met wat hij niet hoeft te behouden. 18 Liever een gladde vloer dan een gladde tong; Daardoor komt de boze spoedig ten val. 19 Een ontijdig woord is als een onaangenaam mens; Een onbeschaafd man heeft het steeds in de mond. 20 Een spreuk uit de mond van een dwaas heeft geen waarde; Want hij zegt ze niet op de rechte tijd. 21 Soms wordt men door armoe belet om te zondigen; Men heeft dan ook geen last van de wroeging. 22 Maar velen storten zich in het verderf door schaamte, En gaan te gronde om wille van een dwaas; 23 Zij doen aan een vriend beloften uit menselijk opzicht, En maken hem zo tot vijand om niet. 24 De leugen is een lelijke vlek op den mens; Toch vindt men ze dikwijls in de mond van onbeheersten. 25 Beter een dief, dan wie altijd liegt; Maar beiden oogsten verderf. 26 Het gedrag van een leugenaar is eerloos, En zijn schande kleeft hem altijd aan. 27 Wie wijs is in het spreken, brengt zichzelf vooruit; Want een verstandig mens behaagt aan de groten. 28 Wie het land bewerkt, maakt hoge schelven, Maar wie gerechtigheid oefent, wordt zelf verheven. 29 Giften en geschenken verblinden het oog van den wijze, En houden als een muilkorf de berisping terug in zijn mond. 30 Verborgen wijsheid en een verstopte schat: Wat voor nut hebben beide? 31 Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 21

1 {\cf2Mijn zoon, hebt ge gezondigd, doe het niet meer, En bid voor uw vroegere zonden. 2 Vlucht voor de zonde als voor een slang, Want als ge haar nadert, zal ze u bijten; Leeuwentanden zijn haar tanden, Ze verslinden de zielen der mensen. 3 Iedere zonde is als een tweesnijdend zwaard; Geen genezing is er voor haar wonde. 4 Bedreiging en hoogmoed verwoesten de rijkdom, Daardoor stort het huis van den trotse in puin; 5 Maar het gebed van den kleine dringt door tot Gods oor, En hem zal spoedig recht wedervaren. 6 Wie berisping haat, volgt het spoor van den zondaar; Maar wie God vreest, neemt ze ter harte. 7 De snoever is alom bekend, Maar de verstandige merkt diens misstappen wel. 8 Wie zijn huis gaat bouwen met andermans geld, Is als een, die stenen vergaart voor de winter. 9 De bent der zondaars is een stapel vlas; Hun einde is het vlammende vuur. 10 De weg der zondaren is vrij van stenen; Maar aan het einde ervan ligt de diepte der hel. 11 Wie de Wet onderhoudt, is heer van zijn denken; Want wijsheid is het einde van de vreze des Heren. 12 Wie niet schrander is, wordt niet geleerd; Maar er is ook een schranderheid, die vol bitterheid is. 13 De kennis van een wijze zwelt aan als een stortvloed, En zijn schranderheid als een levende bron; 14 Maar het hart van den dwaas is als een gebroken kruik, Het kan geen enkele kennis behouden. 15 Als de verstandige een wijs woord verneemt, Prijst hij het en voegt er een ander aan toe; Hoort de lichtzinnige het, dan walgt het hem, En hij werpt het achter zijn rug. 16 Het gesprek van den dwaas is als een last op reis, Maar op de lippen van den wijze ligt bevalligheid; 17 In de vergadering hangt men aan de mond van den wijze, En zijn woorden overdenkt men in het hart. 18 Voor een dwaas is de wijsheid als een vervallen huis; Zijn kennis beperkt zich tot ordeloze woorden. 19 De tucht is voor den dwaas als kluisters aan de voeten, Als boeien aan de rechterhand. 20 Lacht de dwaas, hij schatert het uit; De wijze echter glimlacht nauwelijks. 21 De tucht is voor den wijze als een sieraad van goud, Als een armband aan de rechterhand. 22 De dwaas rent hals-over-kop de huizen binnen, Maar een man van ervaring blijft bescheiden buiten; 23 De dwaas gluurt door de deur naar binnen, Maar een welopgevoed man blijft buiten staan. 24 Het staat onbeschaafd, aan de deur te luisteren; Een wijs man zou daarbij van schaamte vergaan. 25 De dwaas heeft de mond vol over anderen; De wijze weegt zijn woorden op een schaal. 26 De dwazen hebben het hart in de mond; De wijze heeft zijn mond in het hart. 27 Als een dwaas den satan vervloekt, Dan vervloekt hij zichzelf; 28 Wie kwaadspreekt, schandvlekt zichzelf, En is gehaat in heel de buurt.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 22

1 {\cf2De luiaard gelijkt op een smerige steen: Iedereen geeft af op zijn schande. 2 Een luiaard gelijkt op het vuil van de mesthoop: Ieder, die het aanraakt, veegt zijn hand af. 3 Een tuchteloos meisje is een schande voor haar vader; Zo'n dochter berokkent hem oneer. 4 Een verstandige dochter vindt haar man; Een eerloze echter wordt een smart voor haar vader. 5 De schaamteloze maakt vader en man te schande, En wordt door beiden veracht. 6 Een ontijdig woord is als muziek ten tijde van rouw, Maar slagen en tucht zijn altijd wijsheid. 9 Wie een dwaas onderricht, lijmt scherven aaneen, Maakt een slaper wakker uit diepe rust. 10 Wie spreekt tot een dwaas, spreekt tot iemand, die droomt; Ten slotte zal hij zeggen: "Wat is er?" 11 Ween over een dode, want het licht ging uit; Ween ook over een dwaas, want het verstand is heen. Ween minder over een dode, want hij heeft rust bekomen; Maar het leven van een dwaas is erger nog dan de dood. 12 Zeven dagen moet men een dode bewenen, Maar den dwaas en goddeloze geheel zijn leven. 13 Spreek niet veel met een dwaas, En ga niet om met onverstand; Wacht u voor hem, om geen last te hebben, En niet door zijn aanraking te worden besmet. Ontwijk hem, en ge zult rust vinden, En geen last hebben van zijn dwaasheid. 14 Wat is er zwaarder dan lood? Is zijn naam niet "een zot"? 15 Zand en zout en ijzerklompen Zijn lichter te dragen dan een overstandig mens. 16 Houten spanten, bij het bouwen verbonden, Laten bij geen schokken los; Zo zal het hart, dat vasthoudt aan een welberaamd plan, Geen ogenblik van zijn stuk geraken. 17 Een hart, dat zich verlaat op een verstandig besluit, Is sterk als een glad gepleisterde muur; 18 Maar stenen zonder kalk op elkaar gestapeld, Houden geen stand voor de storm. Zo is het hart, dat de plannen vreest van een dwaas, Tegen geen enkele angst bestand. 19 Wie in het oog prikt, doet tranen vloeien, Wie prikt in het hart, wekt gevoeligheid op; 20 Wie een steen gooit naar vogels, jaagt ze weg, Wie zijn vriend beschimpt, verbreekt de vriendschap. 21 Al trekt getegen uw vriend ook het zwaard, Wanhoop niet: het komt weer terecht; 22 Al zet ge een mond op tegen uw vriend, Wees niet bevreesd; het kan nog worden hersteld; Maar voor schimpen, trots en geheimen verklappen, Voor geniepige zetten gaat iedere vriend op de loop. 23 Blijf uw vriend in armoe trouw, Opdat ge ook in zijn voorspoed moogt delen. Verlaat hem niet ten tijde van nood; Dan deelt ge ook in zijn welvaart. 24 Vóór het vuur geeft de oven rook en smook: Zo gaat schelden aan bloedvergieten vooraf. 25 Nooit zal ik me schamen, een vriend te beschermen, En nooit zal ik me voor hem verbergen; 26 En al zou hij mij soms met kwaad vergelden, Ieder, die het hoort, zal zich dan voor hem wachten. 27 Wie geeft mij een wacht op mijn mond, Een goedsluitend zegel op mijn lippen, Opdat ik er niet door ten val moge komen, En mijn tong mij niet in het verderf moge storten?}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 23

1 {\cf2 Jahweh, Vader en Heer van mijn leven, Laat niet toe, dat ik door hen bezwijk. 2 Wie stelt er een tuchtroede bij mijn verstand, En een wijze regel over mijn hart, Opdat ze mijn fouten niet sparen, En mijn zonden niet verdragen. 3 Anders zouden mijn misslagen zich verdubbelen, En mijn zonden nog talrijker worden; Zou ik bezwijken voor mijn belagers, En mijn vijand zich over mij verheugen. 4 Jahweh, Vader en God van mijn leven, Laat mij toch niet aan hun willekeur over; 5 Laat de hovaardij mijner ogen niet toe, En houd de begeerlijkheid verre van mij; 6 Laat gulzigheid en ontucht mij niet beheersen, En lever mij niet over aan schandelijke hartstocht. 7 Luistert, kinderen, naar de regels over het spreken; Want wie ze in acht neemt, wordt er niet door gevangen. 8 De zondaar laat zich door zijn lippen verstrikken, De lasteraar en trotse komen er door ten val. 9 Gewen uw mond niet aan het zweren; Heb geen gewoonte de heilige Naam te gebruiken. 10 Want zoals een slaaf, die steeds ondervraagd wordt, Niet vrij kan blijven van striemen, Zo zal ook wie zweert en altijd Gods naam noemt, Niet vrij kunnen blijven van zonde. 11 Een man, die veel zweert, is vol zonde; De roede zal niet wijken van zijn huis. Doet hij het lichtvaardig, dan is het al zonde, En houdt hij die eed niet, het is een dubbele zonde; En zweert hij vals, hij blijft niet ongestraft, Want zijn huis zal zich vullen met rampen. 12 Er is nog een spreken, dat gelijk staat met de dood; Mocht het in het erfdeel van Jakob niet worden gevonden! Want van rechtvaardigen blijft dit alles verre; Die wentelen zich niet in de zonde. 13 Gewen uw mond niet aan zedeloos vuil; Want in dergelijke taal ligt zonde. 14 Denk aan uw vader en uw moeder, Wanneer ge te midden van groten zit, Opdat ge u niet bij hen vergete, En door uw gewoonte u slecht gedraagt. Dan zoudt ge wensen, niet te zijn geboren, En zoudt ge de dag van uw geboorte vervloeken; 15 Want een man, die aan liederlijke taal is gewend, Leert het nooit van zijn leven meer af. 16 wee klassen stapelen zonden op, En de derde haalt zich de Toorn op de hals; 17 Een geile ziel is als een brandend vuur, Dat niet wordt geblust, eer het verslonden heeft. Een mens, die onreinheid begaat met zichzelf, Houdt niet op, vóór het vuur is gedoofd. Een ontuchtig mens smaakt alle brood goed; Hij heeft er nooit genoeg van tot aan zijn dood. 18 Een mens, die de trouw van de echt overtreedt, Denkt bij zichzelf: Wie ziet mij? Duisternis omringt mij, de muren houden mij schuil; Geen mens, die mij ziet; wat heb ik te vrezen? De Allerhoogste gedenkt mijn zonden niet. 19 Hij is enkel bevreesd voor de ogen der mensen! Hij denkt er niet aan, dat de ogen des Heren Tienduizendmaal helderder zijn dan de zon; Dat zij alle wegen der mensen overschouwen, En de meest verborgen hoeken doorzien. 20 Vóór het bestaat is Hem alles bekend, En zeker, nadat het volbracht is. 21 Zo een wordt bestraft op de pleinen der stad, En gegrepen, waar hij het niet had verwacht; Voor iedereen wordt hij tot spot, Omdat hij de vreze des Heren niet kent. 22 Zo ook de vrouw, die haar man heeft verlaten, En een erfgenaam van een ander onderschuift! 23 Want vooreerst heeft zij de Wet van den Allerhoogste overtreden, Ten tweede misdreven tegen haar man; Ten derde heeft zij in ontucht echtbreuk gepleegd, En kinderen onderschoven uit een anderen man. 24 Zij zal voor de gemeente worden gebracht, En naar haar kinderen zal men onderzoek doen. 25 Haar kinderen zullen geen wortel schieten, En haar takken dragen geen vrucht; 26 Haar nagedachtenis zal een vervloeking blijven, Haar schande niet worden uitgewist. 27 Zo zullen al haar landgenoten erkennen, En die achterblijven het inzien: Dat er niets beter is dan de vreze des Heren, Niets zoeter dan Jahweh's gebod te volbrengen.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 24

1 {\cf2Vijfde reeks. De wijsheid en onze verhouding tot anderen. Inleiding. Het hooglied der wijsheid. De wijsheid gaat zichzelve prijzen, Te midden van haar volk zich roemen. 2 Zij opent haar mond in de gemeente van den Allerhoogste, En gaat zich verheffen voor zijn heirschaar; Bij het uitverkoren volk gaat zij zich loven, En onder de gezegenden zich verheerlijken: 3 "Uit de mond des Allerhoogsten kwam ik voort, En bedekte de aarde als een nevel; 4 In de hoogten had ik mijn woontent, Op de wolkenzuil mijn troon. 5 Ik alleen doorliep de kring des hemels, En wandelde in de diepten van de afgrond; 6 Over de golven der zee en heel de aarde, In iedere stam en volk toonde zich mijn macht. 7 Bij die allen zocht ik een rustplaats, Een erfdeel, waar ik kon blijven. 8 Toen gaf de Schepper van het heelal mij zijn bevel; Hij, die mij vormde, wees mijn tent een plaats, En sprak: "In Jakob zal uw woontent zijn, In Israël uw erfdeel." 9 Vóór de eeuwen, van de aanvang af door Hem gevormd, Blijf ik tot in eeuwigheid bestaan. 10 In de heilige tent deed ik dienst voor zijn aanschijn, En kreeg ik op de Sion vaste voet; 11 Hij deed mij wonen in zijn geliefde stad, En vestigde in Jerusalem mijn heerschappij. 12 Zo schoot ik wortel in een roemvol volk, In het erfdeel van Jahweh, midden in zijn bezit. 13 Ik rees omhoog als een ceder op de Libanon, Als een cypres op de berg Hermon; 14 Ik schoot op als een palm in En-Gédi, Als rozenstruiken in Jericho, Als een schone olijf op het veld, En groot werd ik als een plataan. 15 Ik geurde als kaneel en muskaat, Verspreidde zoete reuk als kostelijke mirre, Als hars of nagelen en balsem, Als de geur van wierook in de Tent. 16 Ik strekte als een terebint mijn takken uit, En mijn twijgen waren vol schoonheid en pracht; 17 Als een wijnstok schoot ik frisse loten, En mijn bloesem gaf heerlijke en rijke vrucht. 18 Ik ben de moeder van de schone liefde, Van de godsvrucht, de kennis en de heilige hoop; In mij is alle genade van leven en waarheid, In mij alle hoop op leven en deugd. 19 Komt tot mij, gij die mij begeert, En verzadigt u aan mijn vruchten. 20 Aan mij te denken is zoeter dan honing, Mij te bezitten gaat boven honingraat uit; 21 Wie mij eten, blijven naar mij hongeren, Wie mij drinken, dorsten naar meer. 22 Wie naar mij luistert, wordt nimmer te schande, En wie zich om mij beijveren, zondigen niet." 23 Dit alles is het Verbondsboek van den Allerhoogste, De wet, die Moses gaf als erfgoed voor Jakobs gemeenten; 25 Die wijsheid geeft, overvloedig als de Pisjon, Als de Tigris in de dagen der eerstelingen; 26 Die inzicht verleent, zo vol als de Eufraat, Als de Jordaan in de dagen van de oogst. 27 Die kennis doet stromen als de Nijl, Als de Gichon in de tijd van de wijnoogst. 28 Geen eerste heeft haar kunnen doorgronden, Geen laatste heeft haar doorvorst; 29 Want rijker dan de zee is haar inhoud, Rijker dan de grote Oceaan haar zin. 30 En ik kwam als een zijtak uit die stroom, Als een kanaal, dat een lusthof bevloeit. 31 Ik sprak: "Drenken wil ik mijn hof, En besproeien mijn weide." En zie, mijn zijtak wies tot een stroom, En mijn stroom tot een zee. 32 Nog meer wil ik wijsheid doen stralen als de morgen, En tot in de verte ze doen lichten; 33 Verder nog de onderrichting als een profetie laten stromen, En ze achterlaten voor verre geslachten. 34 Ziet, ik zwoeg niet voor mijzelf alleen, Maar ook voor allen, die haar zoeken.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 25

1 {\cf2In drie dingen vindt mijn ziel behagen; Want lieflijk zijn ze voor God en de mensen: Eendracht onder broeders, liefde voor den evenmens, En man en vrouw, die bij elkander goed passen. 2 Maar drie soorten mensen haat mijn ziel; Een diepe afschuw heb ik van hun leven: Een trotsen arme, een rijken bedrieger, En een overspeligen grijsaard, zonder verstand. 3 Als ge niet opspaart in uw jeugd, Hebt ge niets in voorraad, als ge oud zijt! 4 Hoe schoon staat de grijze haren het oordeel, De ouden, goede raad te weten. 5 Hoe schoon past wijsheid bij grijsaards, Overleg en raad bij mannen van aanzien. 6 Rijke ervaring is de kroon der bejaarden, Maar hun roem is de vreze des Heren. 7 Negen dingen ken ik, die ik prijs in het hart, En het tiende neem ik op de tong: Een man, die vreugde ondervindt van zijn kinderen, En hij, die de val van zijn vijanden beleeft. 8 Gelukkig, wie samenwoont met een verstandige vrouw, En hij, die niet ploegt met os en ezel tezamen; Gelukkig, wie niet struikelt door de tong, En hij, die niet zijn mindere hoeft te dienen. 9 Gelukkig, wie een vriend mocht vinden, En hij, die spreekt voor luisterende oren. 10 Hoe groot is hij, die wijsheid vond; Maar niemand gaat hem te boven, die Jahweh vreest! 11 De vreze des Heren gaat alles te boven; Wie haar bezit, met wien zal men hem vergelijken? 12 De vreze des Heren is het begin van de liefde; Maar het geloof is het begin van onze verbinding met Hem. 13 Liever iedere wonde dan een hartewonde, Iedere boosheid dan vrouwenboosheid; 14 Iedere tegenkanting dan die van haters, Iedere wraak dan die van vijanden. 15 Geen vergif is erger dan slangenvergif, Geen toorn heviger dan vrouwentoorn. 16 Ik wil liever wonen met een leeuw of een draak, Dan huizen bij een kwade vrouw. 17 Boosheid vertrekt het gelaat van een vrouw, En maakt haar uiterlijk nors als dat van een beer; 18 Al zit haar man in de kring van zijn vrienden, Onwillekeurig moet hij zuchten. 19 Geen kwelling is groter dan die van een vrouw; Moge het lot van de zondaars haar treffen! 20 Als een zandige helling voor oude voeten, Is een praatzieke vrouw voor een rustig man. 21 Laat u niet verleiden door de schoonheid van een vrouw, en koester geen begeerten naar wat ze bezit; 22 Want het is een harde slavernij en een schande, Als een man wordt onderhouden door zijn vrouw. 23 Een boze vrouw bezorgt een bedrukt gemoed, Een treurig gelaat en harteleed; Slappe handen en knikkende knieën, Al wie haar man niet gelukkig maakt. 24 Van een vrouw kwam het begin van de zonde; Om haar moeten wij allen sterven. 25 Geef geen vrije loop aan het water, Geen vrijheid aan een boze vrouw. 26 Als ze niet wandelt aan uw hand, Zal ze u beschamen tegenover uw vijanden. Snijd haar dan af van uw vlees, Opdat zij u niet blijve misbruiken.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 26

1 {\cf2Een goede vrouw, gelukkig haar man; Want het getal zijner dagen verdubbelt. 2 Een kranige vrouw verzorgt haar man, En vervult zijn jaren met vrede. 3 Een goede vrouw is een goede gave, De godvrezenden valt ze ten deel; 4 Rijk of arm, hun hart is monter, Hun gelaat ten allen tijde verheugd. 5 Voor drie dingen is mijn hart beducht, En het vierde doet mij ontstellen: Opspraak in de stad, oploop van volk, En lastertaal, alle erger dan de dood. 6 Maar hartzeer en smart is een vrouw, Die jaloers is op een ander; Want haar tong is een gesel, En aan iedereen geeft ze zijn deel. 7 Een koppel ossen, dat schichtig opspringt, Zo is een slechte vrouw; Die haar in toom wil houden, Grijpt als in een schorpioen. 8 Grote ergernis is een dronken vrouw; Want zij houdt haar schande niet verborgen. 9 Men erkent de wellust van een vrouw Aan het opslaan der blikken, aan de wimpers der ogen! 10 Houd streng de wacht over een lichtzinnige vrouw, Opdat ze geen gelegenheid vindt, zich te vergooien; 11 Waak over de vrouw met onbeschaamde ogen, En verwonder u niet, als ze u ontrouw wordt. 12 Zoals een dorstige wandelaar de mond open doet, En drinkt van alle water, dat hij vindt, Zo zet zij zich neer bij iedere paal, En opent de koker voor iedere pijl. 13 De gratie van een vrouw behaagt aan haar man, En haar verstandigheid versterkt zijn gebeente. 14 Een zwijgzame gade is een gave des Heren; Niets weegt er op tegen een welopgevoede vrouw. 15 Een zedige gade is een grote zegen; Want niets weegt er op tegen een kuise vrouw. 16 Zoals de zon, die opgaat aan Gods hoge hemel, Zo siert de schoonheid van een goede vrouw haar huis. 17 Als een stralende lamp op de heilige luchter, Is de schoonheid van haar gelaat op haar statig postuur; 18 Als gouden kolommen op zilveren voetstukken, Rusten haar sierlijke benen op welgevormde voeten. 28 Over twee dingen is mijn hart bedroefd, En om het derde word ik toornig: Als een rijk man door armoe gebrek lijdt, En beroemde mannen worden veracht; Maar als iemand van gerechtigheid terugvalt in zonde, Hem heeft de Heer bestemd voor het zwaard. Wie handel drijft, ontkomt moeilijk aan misdrijf, En een koopman blijft niet vrij van zonde;}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 27

1 {\cf2Om geld hebben velen gezondigd, Want wie rijk wil worden, doet een oogje toe. 2 Zoals men een pin slaat tussen de voegen der stenen, Zo wringt de zonde zich vast tussen koop en verkoop. 3 Houdt iemand zich niet nauwgezet aan de vreze des Heren, Dan gaat zijn huis weldra te gronde. 4 Schudt men de zeef, dan blijft het kaf; Zo 's mensen fouten, als men hem nader beschouwt. 5 Het werk van den pottenbakker wordt beproefd in de oven; Zo beproeft men een mens door een gesprek. 6 Aan de vrucht erkent men, hoe een boom is gekweekt, Het hart van den mens aan wat hij zegt. 7 Prijs daarom niemand, vóór ge hem hoort spreken; Want dat is de toetssteen voor den mens. 8 Jaagt ge de gerechtigheid na, ge zult haar bereiken, En ge trekt haar aan als een erekleed. 9 Zoals de vogels zich neerzetten bij hun soort, Zo blijft de trouw bij die haar beoefenen; 10 Maar zoals de leeuw loert op buit, Zo loert de zonde op wie onrecht doet. 11 Het spreken van den rechtvaardige is altijd wijs, Maar de dwaas is veranderlijk als de maan. 12 Zijt ge bij dwazen, let op uw tijd; Maar in de kring van verstandigen kunt ge altijd vertoeven. 13 De gesprekken van dwazen geven maar aanstoot, Hun lachen gaat met zondige uitspatting gepaard. 14 Wie onophoudelijk zweren, doen de haren te berge rijzen, En hun kijven maakt iemand de oren doof. 15 De twist van gelijkhebbers loopt uit op bloedvergieten, En hun kijven is niet aan te horen. 16 Wie geheimen verraadt, verliest het vertrouwen, En vindt geen vriend meer naar zijn hart, 17 Heb uw vriend lief en blijf hem trouw, Maar loop hem niet meer na, als ge zijn geheim hebt verklapt. 18 Want zoals iemand zijn vermogen verliest, Zo hebt ge de vriendschap van uw vriend verbeurd; 19 En zoals ge een vogel uit uw hand laat vliegen, Hebt ge uw vriend laten gaan, en ge krijgt hem niet terug. 20 Loop hem niet na, want hij is reeds ver; Hij is gevlucht als een ree uit de strik. 21 Een wonde kan men verbinden, een belediging vergeven, Maar wie geheimen verklapt, heeft niets meer te hopen. 22 Wie knipoogjes geeft, broedt op kwaad, En wie het bemerkt, trekt zich van hem terug. 23 In uw bijzijn spreekt hij mooie woorden, En staat verrukt over wat ge zegt. Maar later spreekt hij andere taal, En verwekt aanstoot met uw woorden. 24 Veel dingen haat ik, maar niets zo zeer als hem; Ook voor Jahweh is hij een afschuw. 25 Wie een steen omhoog werpt, krijgt hem zelf op het hoofd; Een verraderlijke slag slaat diepe wonden. 26 Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie strikken zet, wordt er zelf in gevangen. 27 Wie kwaad beraamt, wordt er zelf door getroffen, Zonder dat hij weet, vanwaar het komt. 28 Spot en hoon zijn het lot van de trotsen, Want de wraak loert op hem als een leeuw. 29 Wie blij zijn met het ongeluk van gerechten, lopen zelf in de val, En smart verteert hen vóór hun dood. 30 Wrok en toorn, ook die zijn afschuwelijk; Alleen een zondig mens loopt er mee rond.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 28

1 {\cf2Wie zint op wraak, vindt wraak bij God; Deze rekent hem zeker zijn zonden toe. 2 Vergeef dus uw naaste het onrecht, Dan worden op uw bede ook uw zonden vergeven. 3 De ene mens koestert toorn tegen den ander; Toch verwacht hij genezing van God. 4 Voor een mens, zijns gelijke, heeft hij geen erbarming; Toch bidt hij om vergiffenis van zonden! 5 Ofschoon ook hij vlees is, koestert hij wrok; Wie zal hem dan vergiffenis van zonden verwerven? 6 Denk aan de uitersten en houd op met uw vijandschap, Aan ontbinding en dood, en onderhoud de geboden; 7 Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste, Aan het verbond van den Allerhoogste en vergeef zijn fout. 8 Wacht u voor twist, en ge vermindert uw zonden; Want een toornig mens doet de strijd ontbranden. 9 Een goddeloze zaait tweedracht zelfs tussen vrienden, En sticht vijandschap onder hen, die in vrede leven. 10 Naar gelang het hout is, brandt het vuur; Hoe machtiger de mens, hoe feller zijn toorn. Zijn gramschap groeit met zijn rijkdom; En hoe heftiger men is, des te harder de strijd. 11 Hars en pek doen het vuur oplaaien; Onbezonnen strijd loopt op bloedvergieten uit. 12 Als ge een vonk aanblaast, vlamt ze op; Spuwt ge er op, ze dooft uit, al komt het allebei uit één mond. 13 Vervloekt de lasteraar en de dubbele tong; Want zij hebben velen, die in vrede leefden, ongelukkig gemaakt. 14 De tong van een derde heeft de rust van velen verstoord, En ze opgejaagd van volk tot volk; Versterkte steden heeft ze gesloopt En paleizen van groten verwoest; Ze heeft de macht van volken gebroken, En sterke naties vernield. 15 De tong van een derde heeft wakkere vrouwen verdreven, En van de vrucht van haar arbeid beroofd; 16 Wie er geloof aan slaat, heeft geen rust, Geen vrede meer in zijn huis. 17 Een slag met de gesel maakt striemen, Maar een slag van de tong slaat de beenderen stuk; 18 Velen zijn gesneuveld door de scherpte van het zwaard, Maar niet zo veel als er door de tong zijn gevallen. 19 Gelukkig hij, die er voor bleef bewaard En geen prooi werd van haar woede, Die haar juk niet behoefde te slepen En met haar boeien niet werd gebonden. 20 Want haar juk is een ijzeren juk, Haar boeien zijn koperen boeien; 21 Een vreselijke dood is de dood, die zij toebrengt, En de onderwereld is beter dan zij. 22 Over de rechtvaardigen heeft ze geen macht; Die worden door haar vlam niet gebrand. 23 Maar wie den Heer verlaten, worden haar prooi, In hen vat ze vlam en wordt niet gedoofd; Op hen wordt ze losgelaten als een leeuw, Als een panter zal ze hen verscheuren. 24 Zie, uw wijngaard omheint ge met doornen; Stel deur en grendel dan ook aan uw mond! 25 Uw goud en zilver weegt ge zorgvuldig; Maak schaal en gewicht dan ook voor uw mond. 26 Zie toe, dat ge niet door haar struikelt, En neervalt voor hem, die op u loert.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 29

1 {\cf2Wie barmhartig is, leent zijn naaste; En wie hem steunt, onderhoudt de geboden. 2 Leen den naaste, als hij in nood is; Maar van uw kant, geef het den naaste op tijd ook terug. 3 Houd uw woord, en behandel hem eerlijk; En steeds zult ge krijgen, wat ge nodig hebt. 4 Velen beschouwen het geleende als een vondst; Zo brengen ze hun helpers in last. 5 Men kust iemands hand, totdat men ontvangt, En wegens zijn geld spreekt men heel bescheiden; Maar als men moet teruggeven, stelt men uit, Betaalt met klachten en geeft de schuld aan de tijd. 6 Kan men betalen, men geeft nauwelijks de helft, En beschouwt dat nog als een vondst; Kan men het niet, dan berooft men hem van zijn geld, En wordt hem vijandig zonder enige grond. Met vloeken en schelden betaalt men hem terug, Met schimpen inplaats van te eren; 7 Juist om die boosheid keren velen zich af: Zij duchten, zo maar te worden beroofd. 8 Toch moet ge grootmoedig zijn jegens den arme, En hem niet laten wachten op hulp. 9 Ontferm u over den naaste, want het is u geboden; Zend hem niet ledig weg in zijn nood. 10 Besteed liever uw geld voor een broer of een vriend, Dan het onder een steen te verstoppen en te verliezen. 11 Beleg uw schat, zoals de Allerhoogste het beveelt, En hij zal u meer baten dan goud. 12 Sluit werken van naastenliefde in uw schatkamers op, Want ze zullen u bevrijden van alle kwaad; 13 Beter dan een machtig schild en een sterke lans Zullen ze voor u strijden tegen den vijand. 14 Een goed mens blijft borg voor zijn naaste; Slechts wie geen schaamte kent, laat hem in de steek. 15 Vergeet niet de weldaad van uw borg; Want hij zette zichzelf voor u op het spel. 16 De zondaar vergeet de goedheid van zijn borg; Ondankbaar laat hij zijn redder in de steek. 17 Het borgen heeft vele welgestelden te gronde gericht, Ze heen en weer geslingerd als de golven der zee; 18 Het heeft mannen van aanzien uit hun bezit verdreven, En ze tot zwervers gemaakt onder vreemde volken. 19 De zondaar komt door borgstelling ten val, En wie zich met alles bemoeit, vervalt in processen. 20 Help dus den naaste naar uw vermogen; Maar let op uzelf, dat ge er niet inloopt. 21 De eerste behoefte van het leven is water en brood, En kleding en woning tot bedekking der schaamte. 22 Beter arm te leven onder de schutse van zijn dak, Dan heerlijke spijzen bij vreemden. 23 Met weinig of veel, blijf tevreden; Dan verwijt men u niet, dat ge vreemdeling zijt. 24 Een ellendig leven: van huis tot huis; Want waar ge gast zijt, kunt ge niet vrijuit spreken. 25 Ge geeft te eten en te drinken in ondank, En daarbij moet ge nog beledigingen horen: 26 "Kom binnen, vreemdeling; bereid de dis, Hebt ge iets meegebracht, geef mij te eten." 27 "Ga heen, vreemdeling, ik kan u niet hebben; Mijn broeder komt bij me; ik heb de ontvangkamer nodig." 28 Hard zijn die dingen voor een man met verstand: Men verwijt u uw afkomst en scheldt u woekeraar.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 30

1 {\cf2Wie zijn zoon liefheeft, gewent hem aan de roede, Om ten slotte vreugde aan hem te beleven. 2 Wie zijn zoon goed opvoedt, wordt om hem geprezen, En in de kring van bekenden kan hij groot op hem gaan. 3 Wie zijn zoon onderricht, maakt zijn vijand jaloers, En kan zich bij zijn vrienden over hem verheugen. 4 Sterft zijn vader, het is alsof hij niet dood is; Want hij laat zijn evenbeeld achter. 5 Bij zijn leven zag hij het met vreugde, En bij zijn einde heeft hij geen kommer; 6 Want den vijand laat hij een wreker na, En de vrienden een, die hun goedheid vergeldt. 7 Wie zijn zoon vertroetelt, verdubbelt zijn smart; Want bij ieder geschrei wordt zijn hart ontsteld. 8 Een ongebreideld paard slaat op hol; Zo gaat een teugelloze zoon er van door. 9 Vertroetel uw kind, en het maakt u benauwd; Scherts er mee, en het doet u pijn. 10 Lach het niet toe, anders doet het u wenen, En ge maakt ten slotte uw tanden stomp. 11 Laat het geen baas zijn in zijn jeugd, En duld zijn gebreken niet; Zoals ge een adder de kop verplet, Breek het de ribben, als het nog klein is. 12 Buig zijn nek in zijn jeugd, En kastijd het, zolang het nog klein is; Anders komt het in opstand en verzet tegen u, En berokkent u hartzeer. 13 Tuchtig uw kind en verzwaar zijn juk; Anders wordt het u in zijn dwaasheid de baas. 14 Beter een arme, die gezond is van leden, Dan een rijke, geslagen met ziekte; 15 Gezondheid van lichaam is mij liever dan goud, En opgewektheid van geest is beter dan paarlen. 16 Geen schat is groter dan een sterke gezondheid, Geen goed meer waard dan blijheid van hart; 17 Beter de dood dan een bitter leven, Beter eeuwige rust dan voortdurend leed. 18 Lekkernijen, opgediend aan een gesloten mond, Zijn als spijzen, neergezet voor een afgodsbeeld. 19 Wat heeft een afgodsbeeld aan een offer; Het kan immers niet eten of ruiken. Zo is ook hij, die door den Heer wordt gestraft, En rijkdom bezit, zonder ervan te kunnen genieten: 20 Hij ziet het met zijn ogen en steunt, Als een ontmande, die zuchtend een meisje omhelst. 21 Geef u niet over aan droefheid, Opdat ge door uw tobben niet te gronde gaat; 22 Want blijheid van hart is 's mensen leven, En vreugde maakt zijn dagen lang. 23 Houd kalm uw ziel en rustig uw hart, En jaag alle neerslachtigheid verre van u; Want droefheid is voor velen de dood geweest, En neerslachtigheid dient tot niets. 24 Nijd en gramschap verkorten het leven, En zorg maakt oud voor de tijd; De slaap van een opgeruimd mens is als een lekkernij En zijn eten bekomt hem goed.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 31

1 {\cf2De slapeloosheid van een rijke teert zijn lichaam uit, En tobben verdrijft hem de slaap; 2 De zorg voor zijn onderhoud houdt hem wakker, En brengt meer slapeloosheid dan een ernstige kwaal. 3 De rijke slooft zich af, om schatten op te hopen, En houdt hij er mee op, hij kan genieten; 4 Maar de arme slooft zich af en verspilt zijn kracht, En gaat hij rusten, hij lijdt gebrek. 5 Wie het goud najaagt, blijft niet zonder schuld, En wie het geld bemint, geraakt in zonde. 6 Velen reeds werden verstrikt door het goud, Of door hun vertrouwen te stellen in paarlen; 7 Want het is een struikelblok voor de dwazen, Wie onverstandig is, raakt erin verstrikt. 8 Gelukkig de rijke, die ongerept wordt bevonden, En de mammon niet na loopt. 9 Wie is hij: dan gaan wij hem prijzen; Want iets groots volbracht hij bij zijn volk. 10 Wie werd er beproefd en ongerept bevonden? Het zal hem strekken tot roem. Wie kon zondigen en deed het niet, Kwaad doen en wilde het niet? 11 Daarom is zijn geluk bestendig, En de gemeente verkondigt zijn lof. 12 Als ge aanzit aan de dis van een grote, Zet dan geen gulzige mond daarbij op. Zeg niet: "Er is van alles genoeg;" 13 Bedenk, dat jaloerse ogen een ramp zijn. Jaloerser dan het oog heeft God niet geschapen; Daarom stort het bij alles tranen. 14 Kijkt iemand naar iets, strek er uw hand niet naar uit, En tast niet met hem in dezelfde schotel. 15 Bedenk, dat uw disgenoot is als gij zelf: Let dus op alles, waar ge hekel aan hebt; 16 Eet als een man van wat men u voorzet, En niet met lange tanden, anders wordt ge veracht. 17 Houd het eerst op, uit beleefdheid; Smak niet bij het eten, anders wordt ge bespot; 18 En zijt ge met velen aangezeten, Steek dan uw hand niet voor den ander heen. 19 Heeft een verstandig mens niet aan weinig genoeg? Hij zal er geen hinder van hebben op bed. Maar de dwaas heeft last van slapeloosheid, Van pijn en draaien der ingewanden. 20 Gezond is de slaap bij een lege maag; En als men 's morgens opstaat, is men fris. 21 Dwingt men u dus, veel te eten, Spuw het uit, het zal u verlichten. 22 Luister, mijn zoon, en versmaad mij niet; Dan zult ge ten slotte mijn woorden verstaan: Wees bescheiden bij al uw doen, Dan zal geen schade u treffen. 23 Wie aan tafel wellevend is, wordt geprezen, Zijn goede manieren worden altijd geloofd; 24 Maar over een lomperd spreekt men schande in de poort, Men vergeet zijn ongemanierdheid niet. 25 Wees ook geen held bij de wijn; Want de wijn bracht velen ten val. 26 Zoals het werk van den smid wordt beproefd in de oven, Zo ontpopt zich grootspraak door de wijn. 27 De wijn is voor den mens een levenswater, Als hij hem met mate drinkt. Wat is het leven zonder wijn? Hij werd in den beginne voor de vreugde geschapen! 28 Vreugde voor het hart, blijdschap en genot, Is de wijn, wordt hij matig gedronken; 29 Maar hoofdpijn, schelden en twist brengt de wijn, Wordt hij te haastig en driftig gezwolgen. 30 Veel wijn is voor den dwaas een valstrik, Het verteert zijn kracht en veroorzaakt wonden. 31 Berisp uw vriend niet bij een wijngelag, En minacht hem niet bij zijn vreugde; Spreek hem geen harde woorden toe, En plaag hem niet met oude schulden.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 32

1 {\cf2Stelt men u als leider aan, verhef u niet, Maar wees in hun kring als een der hunnen; Zorg eerst voor hen en ga dan zitten, 2 Geef ieder het nodige en neem dan plaats. Dan eren zij u tot uw vreugde, En ontvangt ge de krans voor uw beleid. 3 Grijsaard, spreek want dat komt u toe; Maar bescheiden en wijs, zonder het zingen te storen. 4 Wordt er gezongen, spreek dan niet; Verkondig uw wijsheid niet ontijdig. 5 Als een karbonkel op een sieraad van goud. Is de melodie van een lied bij een drinkgelag; 6 Als een zegel van smaragd, in goud gevat, Is de klank van het lied bij zoete wijn. 7 Jongeling, spreek alleen, wanneer het moet, Als men u twee- of driemaal dringend vraagt; 8 Wees kort van stof en spreek heel weinig, Als iemand, die het wel weet, maar zwijgt. 9 Voer onder ouderen niet het grote woord, En zwets niet te veel, waar voornamen zijn; 10 Zoals de bliksem uitgaat voor de donder, Zo loopt de bescheidenheid de gunst vooruit. 11 Is de tijd gekomen, draal dan niet, Ga naar uw huis, en toef niet langer; 12 Daar kunt ge schertsen en u vermaken, Maar in vreze Gods, en zonder schande! 13 Dank dan uw Schepper voor dit alles, Die u verkwikte met zijn gaven. 14 Zesde reeks. De wijsheid en onze plichten van staat. Inleiding. Gods wet en het menselijk handelen. Wie God zoekt, ontvangt onderrichting; Wie op Hem acht, vindt welbehagen. 15 Wie de Wet nastreeft, zal ze ook vinden; Maar wie huichelt, raakt er in verstrikt. 16 Wie Jahweh vreest, begrijpt wat recht is; Rechtvaardige oordelen ontstromen zijn hart. 17 Maar de zondaar ontwijkt het onderricht, En buigt de Wet naar eigen wil. 18 Een bedachtzaam mens houdt de wijsheid voor ogen, Maar overmoedigen en spotters slaan geen acht op de Wet. 19 Onderneem dus niets zonder eerst te overleggen, Dan behoeft ge uw daden niet te berouwen; 20 Dan gaat ge geen weg, die vol ligt met strikken, En struikelt ge niet tweemaal over een hindernis. 21 Waag u niet op de weg der bozen, 22 Maar geef acht op uw einde. 23 Bij al uw handelen, let op uw ziel, Want wie dat doet, onderhoudt de Wet; 24 Wie de Wet onderhoudt, bewaart zijn ziel, Wie op God betrouwt, wordt niet te schande.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 33

1 {\cf2Wie Jahweh vreest, hem treft geen onheil; En wordt hij beproefd, hij wordt telkens bevrijd. 2 Het is niet verstandig, de Wet te haten, Want men verliest de koers als een schip in de storm. 3 Een verstandig man geeft acht op Gods woord, En vertrouwt op zijn Wet als op een orakel. 4 Bereid uw zaak voor en handel dan; Zorg eerst voor een rusthuis en neem dan rust. 5 Als het rad van een wagen is het hart van een dwaas, Als een wentelend wiel zijn gedachten. 6 Wie telkens wisselt van vriend, gelijkt op een hengst, Die hinnikt onder iederen ruiter. 7 Waarom verschilt de ene dag van de ander? Het licht komt toch van dezelfde zon! 8 Door Jahweh's wijsheid zijn ze onderscheiden, Sommige er van zijn dagen van feest; 9 Want sommige heeft Hij gezegend en geheiligd, En andere tot gewone dagen gemaakt. 10 Zo is iedere mens uit stof, Omdat de mens uit aarde is gemaakt. 11 Maar Jahweh's wijsheid deed hen uiteengaan, En maakte hun wegen verschillend. 12 Sommigen van hen heeft Hij gezegend en verheven; Hen geheiligd, en tot Zich getrokken; Anderen heeft Hij gevloekt en vernederd, En ze verdreven uit hun woonsteden. 13 Zoals de klei in de hand van den pottenbakker Vorm ontvangt naar zijn verkiezing, Zo is de mens in de hand van zijn Schepper: Van Hem ontvangt hij zijn taak. 14 Tegenover het kwaad staat het goed, Tegenover het leven de dood; Tegenover den goede staat de slechte, Zoals licht tegenover duisternis staat. 15 Zie naar al de werken Gods; Altijd zijn het er twee, het een tegenover het ander. 16 Al ben ik als laatste gekomen, Als een arenlezer achter de maaiers, 17 Toch snelde ook ik onder Gods zegen toe, En heb als een oogster mijn wijnkuip gevuld. 18 Ziet, hoe ik niet alleen voor mijzelf heb gewerkt, Maar voor allen, die wijsheid zoeken. 19 Hoort dus, prinsen van geheel het volk, Gij, leiders der gemeente, luistert naar mij! 20 Kind of vrouw, broer of vriend, Laat ze niet heersen over uw leven. 21 Zo lang er leven in u is en adem, Zij niemand over u de baas. Geef uw vermogen niet aan een ander, Opdat ge hem later niet behoeft te vragen. 22 Want beter is het, dat uw kinderen u moeten bidden, Dan dat gij naar de hand van uw kinderen moet zien. 23 Blijf heer en meester bij al wat ge doet, 24 En werp geen smet op uw eer; Als het getal van uw dagen voleind is, Op de dag van de dood, verdeel eerst dan uw bezit. 25 Zoals hooi, stok en last bij den ezel, Zo passen straf en werk bij den slaaf. 26 Laat uw slaaf werken, zonder verpozen, Want maakt ge het hem licht, dan wordt hij u ontrouw. 27 Juk, boeien en roede maken hem gedwee; Bestraf dus een slechten slaaf met gestrengheid. 28 Laat uw slaaf werken, en hij wordt niet opstandig; Want ledigheid veroorzaakt veel kwaad. 29 Zet hem aan het werk, zoals het hem past; En gehoorzaamt hij niet, sla zijn voeten in kluisters. 30 Maar ga u nooit tegen iemand te buiten, En doe nimmer iets zonder recht. 31 Bezit ge een slaaf, heb hem lief als uzelf, Want ge hebt hem ook nodig als uzelf; 32 Hebt ge een slaaf, beschouw hem als broeder, En woed niet tegen uw eigen bloed. 33 Want behandelt ge hem slecht, dan loopt hij weg; En zijt ge hem kwijt, waar vindt ge hem terug?}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 34

1 {\cf2Ijdele en bedriegelijke hoop is goed voor een zot, En droomgezichten brengen de dwazen van streek; 2 Zoals iemand naar een schaduw grijpt of de wind najaagt, Zo is hij, die op dromen vertrouwt. 3 Een droomgezicht: dat is het een in plaats van het ander; In plaats van een gelaat de schim van een gelaat. 4 Wat reins kan er komen van iets dat onrein is; En welke waarheid van de leugen? 5 Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn ijdel; Want het hart beeldt zich in, wat het hoopt. 6 Komen ze niet van den Allerhoogste als een openbaring, Schenk er dan geen aandacht aan. 7 Want de droom heeft reeds velen bedrogen, En die er op hoopten, teleurgesteld; 8 Maar de Wet gaat zonder bedrog in vervulling, De wijsheid in de mond van wetsgetrouwen komt uit. 9 Een man van ervaring weet veel; Want wie veel heeft beleefd, kan verstandig spreken. 10 Wie niets ondervond, weet weinig; Maar wie veel heeft gereisd, deed veel kennis op. 11 Veel heb ik gezien op mijn tochten, En mij overkwam veel meer dan ik zeg: 12 Zelfs was ik vaak in doodsgevaren, Maar door Gods hulp werd ik eruit gered. 13 De geest van die Jahweh vrezen, zal leven, Want hun hoop is op hun Redder gesteld. 14 Wie Jahweh vreest, is niet beangst En niet versaagd, want Hij zelf is zijn hoop. 15 Wie Jahweh vreest, gelukkig zijn ziel! Wie is het, op wien hij vertrouwt, en Wie is zijn steun? 16 De ogen van Jahweh rusten op wie Hem beminnen; Hij is een machtig schild en een sterke steun, Een beschutting tegen de hitte, een schaduw voor de middagzon, Een stut bij struikelen en een hulp bij vallen; 17 Hij verkwikt de ziel, en verlicht de ogen, Hij schenkt genezing, leven en zegen. 18 Een offer uit onrechtvaardig goed is een bezoedeld offer; Zo'n bespotting van de zondaren vindt geen behagen. 19 De offers der zondaars zijn niet welgevallig aan God, En om de veelheid der offers vergeeft Hij geen zonden. 20 Al wie een zoon vermoordt voor het oog van zijn vader, Is hij, die offers brengt uit het bezit van de armen. 21 Het brood der behoeftigen is het leven der armen, En wie er van rooft, is een man des bloeds; 22 Wie den naaste zijn levensonderhoud ontrooft, is een moordenaar, En wie het loon onthoudt aan zijn knecht, vergiet bloed. 23 De een bouwt op, de ander breekt af; Wat hebben zij er meer van dan last? 24 De een bidt en de ander vloekt; Naar wiens stem zal Jahweh nu horen? 25 Zo iemand na zijn reiniging weer een lijk aanraakt, Wat baat hem dan zijn reiniging? 26 Zo is het met hem, die vast om zijn zonden, En daarna weer hetzelfde gaat doen. Wie zal er luisteren naar zijn gebed; Wat baat hem dan zijn kastijding?}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 35

1 {\cf2Wie de Wet onderhoudt, brengt vele offers; Wie de geboden vervult, een vrede-offer. 2 Wie de liefde beoefent, draagt een spijsoffer op; Wie een aalmoes geeft, een offer van dank. 3 Een Gode behaaglijk offer is het, de zonde te mijden, En een zoenoffer, zich te onthouden van kwaad. 4 Verschijn dus niet met lege handen voor Jahweh; Want dit alles moet geschieden, zoals het is voorgeschreven. 5 Het offer van den brave is als vet op het altaar, Als een lieflijke geur voor den Allerhoogste; 6 Het offer van een rechtvaardige is welbehaaglijk, En zal voortdurend in herinnering blijven. 7 Breng met gulheid Jahweh uw lof, En verminder de eerstelingen uwer handen niet; 8 Zet een vrolijk gezicht bij iedere gave, En offer blijmoedig uw tienden. 9 Geef aan God, naar gelang Hij u schonk, Met vreugde en naar uw vermogen; 10 Want Hij is een God van vergelding, Die u zevenvoudig teruggeeft. 11 Tracht niet, Hem om te kopen, want Hij neemt het niet aan, En vertrouw niet op een offer van onrecht; 12 Want Hij is een rechtvaardig God, Hij kent geen aanzien des persoons. 13 Hij is niet partijdig tegen den arme; Neen, Hij luistert naar het geween der verdrukten. 14 Hij wijst het zuchten der wezen niet af, Noch dat van de weduwe, als zij blijft klagen. 15 Lopen de tranen haar niet langs de wangen, En getuigt niet haar zuchten tegen wie ze deed stromen? 16 Haar klagen zal genade vinden, En haar smeken dringt door de wolken heen. 17 Het schreien van den verdrukte dringt door de wolken, En rust niet, voordat het God heeft bereikt; 18 Het wijkt niet, totdat de Allerhoogste er op neerziet, En de rechtvaardige Rechter recht heeft verschaft. 19 Neen, God zal niet dralen; Als een krijgsheld deinst Hij niet terug, 20 Tot Hij den verdrukker de lenden heeft verbrijzeld, En op de volkeren zijn wraak heeft gekoeld; 21 Tot Hij de staf der trotsen heeft veroverd, En de schepter der bozen gebroken; 22 Tot Hij den mens zijn werk heeft vergolden: Het eigenmachtige doen van de mensen; 23 Tot Hij de zaak van zijn volk heeft beslecht, En het heeft verblijd met zijn heil! 24 Lieflijk is zijn ontferming ten tijde van druk, Als een onweersbui ten tijde van droogte.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 36

1 {\cf2Red ons, God van het heelal, En boezem alle naties schrik voor U in; 2 Hef uw hand op tegen het vreemde volk, Opdat zij uw machtige daden aanschouwen. 3 Zoals Gij hùn uw heiligheid getoond hebt in òns, Laat òns zo uw heerlijkheid zien in hén: 4 Opdat zij erkennen, zoals wij het weten, Dat er geen God is buiten U! 5 Vernieuw de tekenen, herhaal uw wonderen, Verheerlijk uw hand, maak sterk uw arm; 6 Wek uw gramschap op, stort uw toorn uit, Buig den vijand, stoot den tegenstander terug. 7 Verhaast het einde, de tijd van uw komst; Want wie zal U zeggen: Wat doet Gij? 9 Verpletter het hoofd van de vorsten van Moab, Dat zeggen durft: Niemand hoger dan ik! 10 Roep alle stammen van Jakob terug, Opdat ze hun erfdeel bezitten als vroeger; 11 Erbarm U over het volk, dat naar U wordt genoemd: Over Israël, dat Gij als eerstgeborene hebt verkoren. 12 Ontferm U over uw heilige stad, Jerusalem, de plaats van uw woning; 13 Vervul de Sion met uw majesteit, En uw tempel met uw glorie! 14 Leg getuigenis af voor den eersteling uwer schepping, Vervul de profetie, in uw Naam gesproken; 15 Geef het loon aan hen, die op U vertrouwen, En laat uw profeten waarachtig worden bevonden. 16 Luister naar het gebed van uw dienaren, Naar Aärons zegen over uw volk; 17 Dan zullen al de grenzen der aarde weten, Dat Gij God zijt voor eeuwig! 18 De keel neemt iedere spijze aan, Maar de ene spijs is beter dan de andere; 19 Het gehemelte proeft het lekkere wild, Een verstandig hart de verleidelijke leugen. 20 Een arglistig hart brengt droefheid, Maar een verstandig man weet er zich tegen te weren. 21 Een vrouw neemt iederen man; Maar de ene vrouw is beter dan de andere. 22 De schoonheid van een vrouw brengt vreugde op het gelaat, En gaat alle weelde der ogen te boven; 23 Heeft ze daarbij een zachte tong, Dan is haar man de gelukkigste mens. 24 Wie een vrouw neemt, wint een kostbaar goed, Een hulp hem gelijk, een zuil om te steunen. 25 Zonder omheining wordt de wijngaard verwoest; Zonder vrouw dwaalt men doelloos rond. 26 Wie zal er vertrouwen op een legerbende, Die rondtrekt van stad tot stad? 27 Zo is de man, die geen tehuis heeft; Hij legt zich neer, waar de nacht hem verrast.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 37

1 {\cf2Iedere vriend zegt: Ik ben uw vriend; Maar sommigen zijn enkel vrienden in naam. 2 Is het niet jammer als de dood, Zo een boezemvriend uw vijand wordt? 3 Wee den slechten vriend! Waartoe werd hij geschapen? Om de aarde te vullen met valsheid. 4 Een slechte vriend ziet naar de dis, En in tijd van nood blijft hij weg. 5 Een goede vriend strijdt mee tegen den vijand, En grijpt het schild tegen den tegenstander. 6 Vergeet dus uw makker niet in de strijd, En laat hem niet in de steek bij uw buit. 7 Iedere raadgever wijst met de hand, Maar sommigen raden in eigen belang. 8 Neem u dus voor een raadsman in acht, En onderzoek van tevoren zijn bedoeling. Want hij denkt ook aan zichzelf; Waarom zou hij er schade door lijden? 9 Hij zegt wel. op uw belangen te letten, Maar feitelijk let hij op uw bezit. 10 Ga niet te rade bij wie u benijdt, En verberg uw plan voor wie jaloers op u is. 11 Raadpleeg geen vrouw over haar mededingster, Geen lafaard over krijg; Geen koopman over zaken, Geen koper over waren; Geen slecht mens over liefdediensten, Geen hardvochtige over barmhartigheid; Geen luiaard over werken, Geen achteloos wachter over ontdekken van onraad. 12 Maar raadpleeg steeds den godvrezende, Van wien ge weet, dat hij de Wet onderhoudt; Die in zijn hart één met u is, En medelijden heeft, als ge valt. 13 Maar let ook op de raad van uw eigen hart; Want wie is u trouwer dan dit? 14 's Mensen hart zegt hem beter de waarheid, Dan zeven wachters op een post. 15 En bid bij dit alles ook tot God, Dat Hij uw schreden richt in de waarheid. 16 Het begin van iedere daad is het woord; Vóór iedere handeling komt de gedachte. 17 De wortel van alle plannen is het hart; Vier loten spruiten er uit voort: 18 Goed en kwaad, dood en leven, Maar de tong is ze allen de baas. 19 Er zijn wijzen, die wijs zijn voor anderen, Maar dwaas voor zichzelf; 20 Er zijn wijzen, die om hun woorden gehaat zijn, En zich van alle geneugten beroven. 22 Sommige wijzen zijn wijs voor zichzelf, En genieten zelf de vrucht van hun wijsheid; 23 Anderen echter zijn wijs voor hun volk, De vrucht van hun wijsheid komt allen ten goede. 24 Wie wijs is voor zichzelf, wordt met geneugten verzadigd, En allen die hem zien, prijzen hem gelukkig; 26 Maar wie wijs is voor zijn volk, zal eer beërven, En zijn naam blijft leven voor eeuwig. 27 Mijn zoon, beproef uzelf in uw leven, Zie wat slecht voor u is, en neem het niet; 28 Want niet alles is goed voor iedereen, Niet iedere spijs verkieslijk voor allen. 29 Wees nooit overdadig bij genot, Niet onmatig bij lekkere spijzen; 30 Want in veel eten nestelt de ziekte, En van onmatigheid komt braken. 31 Velen vinden door slempen de dood; Maar wie zich in acht neemt, verlengt zijn leven.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 38

1 {\cf2Houd den arts te vriend, voordat ge hem nodig hebt; Want ook hij is door God geschapen. 2 Van God heeft de arts zijn kennis, Van den koning zelfs krijgt hij geschenken. 3 De geneesheer wordt om zijn kennis geëerd, En staat voor vorsten als hun gelijke. 4 God doet uit de aarde artsenijen ontspruiten; Een verstandig mens veracht ze dus niet. 5 Werd het water niet zoet door het hout, Opdat iedereen zijn kracht zou kennen? 6 Zo gaf Hij ook aan de mensen kennis, Om door haar kracht beroemd te worden. 7 Door haar stilt de geneesheer de smart, Bereidt de apotheker balsem; 8 Opdat Gods werk niet zou verdwijnen, De genezing niet van het aanschijn der aarde. 9 Mijn zoon, maak u bij ziekte niet ongerust; Maar bid tot God, want Hij geneest. 10 Vlucht de zonde, volbreng het goede, En reinig uw hart van alle kwaad; 11 Breng een wierookoffer van zoete geur, En offer vet, zoveel ge kunt. 12 Doch maak ook plaats voor den arts, Stoot hem niet af, want ge hebt hem nodig; 13 Ja, er komt een tijd, dat zijn hand alleen nog kan redden. 14 Want ook hij bidt tot God, Dat Hij zijn onderzoek doet slagen En de genezing, tot behoud van het leven. 15 Wie zondigt voor het aanschijn van zijn Schepper, Valt in de handen van den arts. 16 Mijn zoon, stort tranen over een dode, Rouw en hef een klaagzang aan; Begraaf zijn lijk, zoals het betaamt, En trek u niet terug bij zijn dood. 17 Treur, mijn zoon, zing uw klaagzang uit, En rouw over hem, zoals het behoort: Eén dag, twee dagen zelfs ter voorkoming van opspraak, Maar getroost u dan in uw smart. 18 Droefheid immers kan slechts schaden, Want treurigheid ondermijnt de kracht. 19 Is de dode begraven, dan wijke de smart; Want het leven van een bedroefde is een vloek. 20 Laat uw hart zich niet langer aan hem hechten; Denk niet meer aan hem, maar denk aan uw einde. 21 Gedenk hem niet meer, want voor hem geen hoop! Hem brengt ge geen nut, en uzelf doet ge schade. 22 Bedenk, dat zijn lot ook het uwe zal zijn: Gisteren hem en heden u. 23 Als de dode rust, moet ook zijn aandenken rusten; Als zijn ziel is verscheiden, moet ge u troosten. 24 De wijsheid van den schriftgeleerde moet steeds groeien; Slechts wie vrij is van zaken, kan kennis verwerven. 25 Hoe zou wijs kunnen worden, wie de ploeg hanteert, En trots de drijversstok zwaait als een lans; Die de koeien uitdrijft en schreeuwend ze terugleidt, En alleen maar kan praten met kalven: 26 Hij wijdt zijn hart aan het eggen der vorens. Zijn zorg aan het mesten van de stal. 27 Zo ook iedere arbeider en ambachtsman, Die dag en nacht hun werk verrichten, 28 Zo ook de smid, die bij zijn aambeeld hurkt, En vol aandacht het ruwe ijzer bekijkt; De rook van het vuur verschrompelt zijn vlees, Hij vecht tegen de gloed van de oven; Het slaan van de hamer verdooft hem de oren, Zijn ogen zijn op het model gericht: Hij wijdt zijn hart aan de voltooiing van zijn werk, Zijn zorg aan het polijsten, als het gereed is. 29 Zo ook de pottenbakker, die bij zijn werk gezeten, Met zijn voeten de draaischijf beweegt; Die steeds bekommerd is om zijn bedrijf, En altijd zwoegt om een groot getal. 30 Hij geeft met zijn arm een vorm aan de klei, En kneedt met zijn voeten haar stugheid: Hij wijdt zijn hart aan het beste glazuur, Zijn zorg aan het bakken in de oven. 31 Zij allen vertrouwen op hun handen, En ieder is wijs in zijn eigen werk; 32 Zonder hen wordt er geen stad gebouwd, En kan men wonen, noch reizen. 33 Maar in de vergadering zijn ze niet in tel, En ze zitten niet op de stoel van den rechter; Want van wet en oordeel hebben ze geen verstand, 34 En wijsheidsspreuken kennen ze niet. Maar enkel wereldse zaken verzorgen, En al hun aandacht besteden aan hun vak. Ze snijden figuren op zegelringen, En weven steeds maar wisselende kleuren: Hij wijdt zijn hart aan de gelijkenis der beelden, Zijn zorg aan het voltooien van zijn werk.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 39

1 {\cf2Geheel anders is hij, die zijn geest er op richt, Om de Wet van den Allerhoogste te begrijpen: Die de wijsheid van alle ouden doorvorst, En zich bezighoudt met de profetieën; 2 Die vasthoudt, wat beroemde mannen hebben geleerd, En tracht door te dringen in spreuken en strofen; 3 Die duistere gelijkenissen achterhaalt, En zich bezighoudt met raadselachtige spreuken. 4 Temidden der groten verricht hij zijn dienst, En durft voor den vorst te verschijnen; Door het land van vreemde volken trekt hij rond, Want hij beproeft goed en kwaad bij de mensen. 5 Hij staat er op, vroeg te verschijnen voor zijn Schepper en Heer, Om voor het aanschijn van den Allerhoogste te bidden; Hij opent zijn mond tot gebed, En vraagt om vergeving van zijn zonden. 6 Zo het den oppersten Heer behaagt, Zal Hij hem vervullen met de geest van verstand; Dan zal hij woorden van wijsheid doen stromen, En Jahweh loven in zijn gebed. 7 Hij zal Gods wil en beleid verstaan, En zijn geheimenissen overwegen, 8 De tucht van zijn leer onderrichten, En roemen op de Wet van Jahweh's verbond. 9 Velen zullen zijn wijsheid prijzen, En nimmer wordt zij vergeten; Zijn gedachtenis zal nooit vergaan, Want zijn naam blijft leven van geslacht tot geslacht. 10 De volkeren zullen zijn wijsheid roemen, En de gemeente zal zijn lof verkonden; 11 Zolang hij leeft, wordt hij boven duizend geprezen, En gaat hij te ruste, dan nog meer. 12 Zevende reeks. De wijsheid en de wederwaardigheden des levens. Inleiding. Lofzang op gods wijze leiding. Nog eenmaal wil ik mijn gedachten uiten; Want vol ben ik als de volle maan! 13 Luistert naar mij, gij vrome zonen, dan schiet gij loten Als een roos, die opbloeit aan een beek op het veld; 14 Dan verspreidt gij goede geur als wierook, En laat bloemen ontluiken als een lelie. Verheft uw stem en zingt een lied; Looft den Heer om al zijn werken. 15 Geeft glorie aan zijn Naam, En prijst Hem met een jubellied, Met harpgezang en citerspel; En zo moet gij uw loflied zingen: 16 De werken Gods zijn alle goed; Al wat nodig is, geeft Hij in overvloed op zijn tijd. 17 Door zijn woord stelt Hij de wateren als een muur, Of door het bevel van zijn mond in zijn voorraadskamer 18 Wat Hem behaagt, komt ook tot stand, Geen hindernis is er, als Hij helpt. 19 Het doen van iedere mens ligt voor Hem open, Niets blijft verborgen voor zijn oog; 20 Hij blikt van eeuwigheid tot eeuwigheid, Geen grenzen zijn er voor zijn heil. Niets is Hem klein of gering, Maar ook niets wonderlijk of te zwaar. 21 Men moet dus niet zeggen: Waarom dit of dat? Want alles werd voor zijn doel bestemd. Niet zeggen: Dit is slechter dan dat; Want op zijn tijd is alles voortreffelijk. 22 Hij doet zijn zegen stromen als de Nijl, En verkwikt de aarde als de Eufraat. 23 Maar zijn toorn verdrijft de volken, Zoals Hij de gouwen veranderde in zout. 24 Voor de gerechten zijn zijn paden effen, Maar onbegaanbaar voor de slechten; 25 Goed schonk Hij aan de goeden van de aanvang af, Maar voor de kwaden maakte Hij goed tot kwaad. 26 De eerste behoefte voor 's mensen leven Zijn water en vuur, ijzer en zout, Het meel van de tarwe, melk en honing, Het sap van de druif, met olie en kleding. 27 Goed is dit alles voor de goeden, Maar voor de slechten wordt het slecht. 28 Er zijn winden, die tot straf zijn geschapen, En de bergen doen schudden, als ze razen; Die op de dag van gramschap hun kracht laten zien, En de toorn van hun Schepper bedaren. 29 Vuur en hagel, honger en pest, Ook die zijn geschapen als straf. 30 Verscheurende dieren, schorpioenen en adders Zijn een wrekend zwaard, om de slechten te doden; 31 Zij allen werden met bedoeling geschapen, In zijn schuren bewaard, op hun tijd ontboden. Als Hij ze gebiedt, jubelen ze het uit; Worden ze geroepen, zijn bevelen weerstreven ze niet. 32 Daarom was ik er van de aanvang van overtuigd, Begreep het en legde het schriftelijk vast: 33 De werken Gods zijn alle goed, Al wat nodig is, geeft Hij in overvloed op zijn tijd! 34 Zeg dus niet: Dit is slechter dan dat; Want op zijn tijd is alles voortreffelijk. 35 Juicht daarom met heel uw hart En zegent de Naam van den Heilige!}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 40

1 {\cf2Grote kommer heeft God beschikt, Een zwaar juk drukt op den mens Van de dag af, dat Hij komt uit de schoot van zijn moeder, Tot de dag, dat hij terugkeert tot de moeder van allen! 2 Angstige bezorgdheid en hartevrees, Zorg voor de toekomst tot aan de dag van de dood 3 Is het lot van hem, die op een eretroon zetelt, Als van hem, die neerzit in zak en as; 4 Van hem, die de mijter draagt met gouden band, Als van hem, die gekleed gaat in dierenvellen. Toorn, naijver, zorg en vrees, Angst voor de dood, twist en strijd zijn zijn deel, 5 Zelfs als hij rust op zijn legerstede, Ontstelt de nachtelijke slaap nog zijn hart; 6 Een kort ogenblik slechts heeft hij rust, Dan ziet hij in de droom, als was hij klaar wakker. 7 Hij slaat op de vlucht voor de droom van zijn geest, Als een vluchteling, die wegholt voor zijn vervolger; Maar is hij ontkomen, dan schiet hij wakker, En ziet verbaasd, dat hij niets had te vrezen. 8 Op alle vlees van mens en dier, Maar op den zondaar zevenvoudig, 9 Drukt pest en bloed, en koorts en zwaard, Verwoesting, vernieling, honger en dood. 10 Wel werd om den slechte het zwaard geschapen, En komt de ondergang om zijnentwil; 11 Maar al wat uit de aarde komt, keert terug naar de aarde, Doch wat van boven komt, naar boven. 12 Ieder onrechtvaardig geschenk gaat te niet, Maar eerlijkheid houdt eeuwig stand. 13 Onrechtvaardig goed is als een woeste stroom, Als een machtige vloed bij een onweersbui: 14 Ze rukken wel rotsen mee in hun vaart, Maar weldra zijn ze voor altijd voorbij. 15 Een goddeloos geslacht zal geen loten doen spruiten; Want de wortel van den boze ligt op puntige rotsen. 16 Het riet aan de oever van de stroom, Verdwijnt vóór alle andere planten: 17 Maar de liefde wijkt in eeuwigheid niet, En rechtvaardigheid houdt eeuwig stand. 18 Een leven van wijn en most mag zoet zijn, Maar daarboven gaat het, een schat te vinden; 19 Kind en stad houden de naam in stand, Maar daarboven gaat, wie wijsheid vindt. Vee en land verhogen het aanzien, Maar daarboven gaat een wijze vrouw; 20 Wijn en lied verblijden het hart, Maar daarboven gaat de liefde van vrienden. 21 Luit en harp veraangenamen het lied, Maar daarboven gaat een zachte tong; 22 Schoonheid en bevalligheid trekken het oog, Maar daarboven gaat het gewas op het veld. 23 Vriend en makker geven op tijd hun raad, Maar daarboven gaat een verstandige vrouw; 24 Broer en helper steunen in tijden van nood, Maar daarboven gaat de hulp van de deugd. 25 Goud en zilver schragen de voet, Maar daarboven gaat een goede raad; 26 Rijkdom en weelde verblijden het hart, Maar daarboven gaat de vreze Gods. Bij de vreze Gods is er aan niets gebrek, Naast haar behoeft men geen andere hulp; 27 De vreze Gods is als een paradijs vol zegen, Een baldakijn, dat alle glorie overtreft. 28 Mijn zoon, wil niet van aalmoezen leven; Beter dood dan een bedelaar. 29 Een man, die naar andermans tafel moet snakken, Diens leven heet geen leven meer. Men bezoedelt zich met gekregen brokken; Een verstandig man krijgt er maagpijn van. 30 Een brutale mond smaakt het gebedelde zoet; Maar in zijn binnenste brandt het als vuur.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 41

1 {\cf2Ach dood, hoe bitter is de gedachte aan u Voor den man, die rustig in zijn woning zit; Voor den man zonder zorgen, wien alles gelukt, Die nog kracht bezit, om het genot te plukken. 2 Maar dood, hoe goed is uw lot Voor den armen man, wiens kracht is gesleten; Voor den man, die struikelt en tegen alles zich stoot, En lastig wordt, omdat hem geen hoop meer blijft. 3 Wees niet bang voor de dood, uw lot; Bedenk, dat allen, hetzij vóór u of na u, hetzelfde treft; 4 Dit is het lot, dat God aan alle vlees heeft beschoren. Waarom dan de Wet van den Allerhoogste gevloekt? Hetzij duizend jaar of honderd of tien: Het dodenrijk verantwoordt het niet. 5 Het kroost der bozen is een verachtelijk broed, Het ras der slechten een verdwaasd geslacht. 6 Den zoon van den zondaar wordt de macht ontnomen; Steeds blijft de schande op zijn geslacht. 7 De zoon zal zijn goddelozen vader vervloeken, Omdat hij om zijnentwil wordt veracht. 8 Wee u, dus, goddeloze mannen, Die de Wet van den Allerhoogste verlaat! 9 Vermenigvuldigt gij u, het is tot schade, En als gij zonen verwekt, tot zuchten; Komt gij ten val, het is een blijvende vreugde, En sterft gij, dan is het tot vloek. 10 Wat uit stof is geboren, keert terug tot stof; Maar de zondaar valt van het ene niet in het andere. 11 De mens is wel naar zijn lichaam een zucht, Maar de naam van den brave zal nimmer vergaan. 12 Draag dus zorg voor uw naam, want hij blijft u langer Dan duizend kostbare schatten. 13 Een goed leven duurt slechts weinige dagen, Maar een goede naam duurt dagen zonder tal. 14 Verborgen wijsheid en een verstopte schat; Wat voor nut hebben beide? 15 Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt. 16 Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed. 17 Schaam u voor vader en moeder over ontucht, Voor vorst en prins over leugen; 18 Voor heer en meesteres over bedriegen, Voor gemeente en volk over ontrouw; 19 Voor vriend en makker over onrecht, En voor uw woonplaats over vreemden; 20 Over het breken van eed en verdrag, Over het leunen op de ellebogen aan tafel; 21 Over het weigeren van een gave, die gevraagd wordt, Over het zwijgen, als men u groet; 22 Over het afwijzen van een vriend; Over het niet uitbetalen van loon, 23 Over het blikken naar andermans vrouw, 24 Over gemeenschap met haar dienstmaagd; 25 Over smadende woorden jegens uw vriend, Over verwijten doen, als ge wat geeft; 26 Over het verdraaien van wat ge hoort zeggen, En over het openbaren van geheime bespreking. 27 Dan zult ge u schamen, zoals het behoort, En welbehagen vinden bij al wat leeft!

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 42

1 {\cf2Maar schaam u niet over wat nu gaat volgen, En zondig niet uit menselijk opzicht: 2 Over de Wet van den Allerhoogste en zijn bestel, Over zijn geboden, zodat ge den zondaar ontslaat; 3 Over verantwoording geven aan vriend of vorst, Over het verdelen van erfenis en bezit; 4 Over juistheid van balans en weegschaal, Over ongereptheid van maat en gewicht; 5 Over winsten, groot of klein, Over het betalen van koopwaar; Over veelvuldig bestraffen der kinderen, Over bloedig kastijden van een slechten slaaf. 6 Bij een slechte vrouw is een zegel verstandig; Waar veel handen zijn, komt een sleutel van pas. 7 Schrijf op, als ge iets in bewaring geeft; Uitgaven en inkomsten, alles op schrift! 8 Schaam u niet, een dwaas of een zot terecht te wijzen, Of zelfs een grijsaard, die plannen van ontucht beraamt. Dan zult ge werkelijk verstandig blijken, En achtenswaardig voor al wat leeft! 9 Een dochter is voor een vader een zorgelijke schat, De zorg over haar verstoort zijn slaap; In haar jeugd: dat ze niet blijft zitten, En is ze getrouwd: dat ze niet wordt verstoten. 10 In haar meisjesjaren: dat ze zich niet laat verleiden, In het huis van haar man: dat ze niet ontrouw wordt; In het huis van haar vader: dat ze geen moeder wordt, In het huis van haar man: dat ze niet kinderloos blijft. 11 Houd uw dochter goed onder tucht, Opdat ze u geen kwade naam bezorgt, Geen gepraat in de stad of oploop van volk, U niet te schande maakt voor de bijeenkomst in de poort. De plaats, waar ze verblijft, zij geen venster, Geen plek, waar men iedereen ziet, die voorbijgaat. 12 Ze mag geen man haar schoonheid doen zien. Zelfs niet deelnemen aan de gesprekken der vrouwen. 13 Want zoals de mot uit het kleed, Zo komt de slechtheid der vrouw van een andere vrouw. 14 Beter een slechte man dan een slechte vrouw; Want een huis vol schande brengt zo'n vrouw te weeg. 15 Tweede afdeling. De wijsheid in de historie. Eerste deel. Lof der wijsheid in Gods schepping. Ik wil de werken Gods gedenken, En wat ik gezien heb, verkonden. Door Gods woord werden zij geschapen; Zij volbrengen zijn wil naar zijn bestel. 16 Zoals de zon het heelal verlicht, Straalt Jahweh's glorie over al zijn werken. 17 Gods heiligen zelfs zijn niet bij machte, Jahweh's wonderwerken te roemen. God heeft zijn legerscharen kracht gegeven, Om voor zijn glorie te kunnen bestaan. 18 Hij peilt de afgrond en het mensenhart; Hij doorschouwt ze in al hun naaktheid. 19 Hij onthult verleden en toekomst, En maakt bekend, wat verborgen is; 20 Er bestaat geen kennis. die Hem ontbreekt, Geen ding, dat Hem ontgaat. 21 De kracht van zijn Wijsheid staat ongeschokt, Hij alleen is van eeuwigheid. Hij wordt niet groter en niet kleiner: Geen raadsman heeft Hij van node. 22 Hoe lieflijk toch zijn al zijn werken, Al zien wij er slechts een vonkje van! 23 Hij alleen leeft en blijft voor eeuwig, Al het andere is ondergeschikt aan zijn doel; 24 Alles verschilt, het een van het ander, Maar niets is geschapen zonder doel. 25 Het een is nog beter dan het ander; Wie kan zich verzadigen aan die pracht?}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 43

1 {\cf2De grootste luister is het firmament in zijn klaarheid, De gedaante des hemels verkondigt zijn glorie. 2 De zon straalt haar gloed uit bij haar opgang; Hoe wonderbaar is het werk van Jahweh! 3 's Middags doet zij de aardkorst branden; Wie is er dan tegen haar hitte bestand? 4 Zoals de laaiende oven het erts doet gloeien, Zet de zon op haar tocht de bergen in brand; De stralen der zon verzengen het land, En door haar licht wordt het oog verblind. 5 Hoe groot is Jahweh, die dat schiep, En door zijn woord zijn helden leidt! 6 Ook de maan straalt haar licht op geregelde tijden, Als een blijvend teken geeft zij de tijdsduur aan; 7 Zij bepaalt de feesten en vaste dagen, Als een lieflijk licht doorloopt zij haar baan. 8 Iedere maand begint zij opnieuw; Hoe indrukwekkend haar wisseling! Een legerstandaard in de wolken daarboven; Zij overdekt het firmament met haar glans. 9 De sterren zijn de pracht en de luister des hemels, Haar licht glanst in de hoogten Gods; 10 Op Gods woord staan zij pal, En worden niet moe op hun post. 11 Beschouw de regenboog en loof zijn Schepper, Want heerlijk is hij in zijn luister; 12 Hij omvademt het hemelgewelf met zijn pracht, Het is Gods eigen hand, die hem spant. 13 Zijn almacht slingert de bliksem, En schiet zijn straffende pijlen; 14 Zijn bevel heeft de voorraadkamers geschapen, Waaruit de wolken vliegen als vogels. 15 Door zijn grootheid maakt Hij de wolken hard, En brokkelen de hagelstenen zich er van af; 16 De bergen sidderen door zijn kracht. De zuidenwind vliegt vol schrik voor Hem heen, 17 De stem van zijn donder doet de aarde beven, Met de noordenwind, met storm en orkaan. 18 Hij stuurt zijn sneeuw als een vogelzwerm, Als neerstrijkende sprinkhanen valt ze omlaag; Haar witte pracht verblindt het oog, En voor haar jachten beeft het hart. 19 Ook strooit Hij de rijp uit, als was het zout, Zodat bloemen ontluiken als van saffier. 20 Hij laat de koude noordenwind blazen, Die het ijs doet stollen door zijn vorst; Elk watervlak wordt er mee bedekt, De vijver bekleed als met een pantser. 21 Door droogte verbrandt Hij het gras op de bergen, En de groene landouwen als een vlam; 22 Maar het druppelen der wolken brengt voor alles genezing, De dauw weer verkwikking na de brand. 23 Hij liet op zijn woord de zeespiegel dalen, En plaatste de eilanden in de oceaan. 24 Die de zee bezeilen, kunnen haar gevaren vertellen; Onze oren tuiten, als wij het horen: 25 Daar zijn gewrochten, de wonderbaarste onder zijn schepsels, Allerlei soort dieren en geweldige monsters; 26 Door Hem worden ze uitgezonden als boden, Die zijn wil volbrengen naar zijn bestel. 27 Wij willen er niets meer aan toevoegen; Want kort gezegd: Hij is alles! 28 Prijzen wij Hem, wij doorgronden Hem niet; Want Hij gaat al zijn werken te boven. 29 Ontzagwekkend is Jahweh boven alle begrip, En wonderbaar zijn zijn daden. 30 Wilt gij Jahweh loven, verheft dan uw stem, Zoveel gij kunt, want het is nooit genoeg! Schept steeds nieuwe kracht om te prijzen, En wordt niet moede, want gij benadert Hem niet. 31 Wie heeft Hem aanschouwd en kan Hem beschrijven; Wie zal Hem loven, zoals Hij is? 32 Meer nog is er verborgen, dan wat ik noemde; Slechts weinig heb ik van zijn werken gezien. 33 Jahweh heeft dit alles geschapen, En heeft aan de vromen wijsheid verleend.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 44

1 {\cf2Nu wil ik de vrome mannen prijzen, Onze vaderen, naar hun geslachten, 2 Aan wie de Allerhoogste veel glorie gaf, Die groot waren in vroegere tijden: 3 Heersers van landen door hun koningschap, Mannen van naam door hun kracht; Raadsheren door hun schranderheid, Profeten door hun voorzeggingen. 4 Leiders van volkeren door hun plannen, Vorsten door hun scherpzinnigheid; Wijze denkers door hun geleerdheid, Bestuurders door hun waakzaamheid.\line Leiders van volkeren door hun plannen, Vorsten door hun scherpzinnigheid; Wijze denkers door hun geleerdheid, Bestuurders door hun waakzaamheid. 5 Zangers van psalmen op maat, Dichters van spreuken op schrift; 6 Mannen van rijkdom, steunend op hun kracht, Vreedzaam wonend in hun oord. 7 Zij allen stonden bij hun tijdgenoten in ere, En waren in hun dagen beroemd; 8 Sommigen van hen verwierven een naam, Zodat men van hen met lof bleef gewagen. 9 Toch waren er anderen, die men niet meer gedacht; Zodra ze vergingen, was het uit. Ze zijn, als waren ze er nimmer geweest, En hun kinderen eveneens. 10 Maar de eersten waren vrome mannen, Wier hoop niet is vervlogen; 11 Hun geluk houdt stand bij hun geslacht, Hun erfdeel blijft bij hun kinderen. 12 Hun kroost houdt vast aan Gods verbond, Hun kinderen, om hunnentwil; 13 Hun aandenken blijft voor immer, Hun gerechtigheid wordt niet vergeten. 14 In vrede werd hun lichaam begraven, Maar hun naam leeft voort van geslacht tot geslacht; 15 Van hun wijsheid blijft de gemeente gewagen, En de vergadering verkondigt hun lof. 16 Henok verkeerde met Jahweh en werd opgenomen: Een toonbeeld van wijsheid voor alle geslachten. 17 Noë werd rechtschapen en onberispelijk bevonden; In de tijd der verdelging werd hij een nieuwe stam. Om zijnentwil bleef er een rest behouden, Om het verbond met hem hield de zondvloed op; 18 Een eeuwig verbond werd er met hem gesloten, Dat nooit meer alle vlees zou worden verdelgd. 19 Abraham werd de vader van vele volken; Er kleefde geen smet op zijn eer. 20 Want hij volbracht de bevelen van den Allerhoogste, En sloot met Hem een verbond; Hij sneed zich het verbond in zijn vlees, En werd trouw bevonden in de beproeving. 21 Daarom beloofde Hij hem onder ede: De volkeren te zegenen in zijn zaad, Hem talrijk te maken als het zand op de aarde, Als de sterren zijn zaad te verheffen, Een bezit hun te geven van zee tot zee, Van de Eufraat tot aan de grenzen der aarde. 22 Ook aan Isaäk beloofde Hij hetzelfde, Om wille van Abraham, zijn vader. 23 Daarna schonk Hij aan Israël het verbond der vaderen, En de zegen rustte op zijn hoofd. Want hèm stelde Hij in het eerstgeboorterecht, Aan hèm gaf Hij zijn erfbezit, Dat Hij had vastgesteld voor de stammen, Als een erfdeel voor de twaalf.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 45

1 {\cf2Uit hem liet Hij een man ontspruiten, Die genade vond in aller oog, Bemind bij God en bij de mensen: Moses, zijn gedachtenis blijve in ere! 2 Want Hij eerde hem als een god, En maakte hem machtig door vreselijke werken. 3 Op zijn woord geschiedden onmiddellijk wonderen; Zo maakte Hij hem sterk voor den vorst. Hij gaf hem geboden voor het volk, En liet hem zijn Glorie aanschouwen; 4 Om zijn trouw en zijn deemoed Koos Hij hem uit onder alle vlees. 5 Hij liet hem zijn eigen stem vernemen, Toen Hij hem binnenvoerde in de wolk; Hij legde de geboden in zijn hand, De wet des levens en der wijsheid, Om aan Jakob zijn wetten te leren, Zijn beschikkingen en voorschriften aan Israël. 6 Hij verhief Aäron, even heilig als hij, Zijn broeder uit de stam van Levi. 7 Hij sloot met hem een eeuwig verbond, En verleende hem een ereambt; Hij maakte hem gelukkig met zijn luister En bond hem buffelhoornen aan. 8 Hij bekleedde hem met volle pracht, En tooide hem met kostelijke gewaden: Met heupkleed, onder- en opperkleed, 9 Rondom met granaten bezet. Met belletjes volop in het rond, Om te klingelen bij het gaan, En hun klank te doen horen in het heiligdom, Als een teken voor zijn volksgenoten. 10 Met een heilig gewaad van goud en blauw, En purper: een kunstgewrocht; Met de borsttas voor de orakelstenen, Uit scharlaken: een werk van weefkunst. 11 Met de edelstenen op de borsttas, Als een zegel gesneden, in goud gevat: Een gedachtenis, in letters gegrift, Voor al de stammen van Israël. 12 Met de gouden diadeem op de mijter, De plaat, met het inschrift: "Aan Jahweh gewijd;" Een heerlijke luister en grootse statie, Een lust voor de ogen, volmaakte pracht. 13 Vóór hem heeft zo iets nimmer bestaan, En zo zal in eeuwigheid geen onbevoegde zich kleden; Alleen voor zijn zonen werd het zo verordend, En zo zal het blijven van geslacht tot geslacht. 14 Zijn offer werd geheel verteerd, Bestendig, tweemaal iedere dag. 15 Moses stelde hem tot priester aan, En zalfde hem met heilige olie. Het werd voor hem een eeuwig verbond, En voor zijn geslacht, als de dagen des hemels: Om Hem te dienen, zijn priester te zijn, En zijn volk te zegenen met zijn Naam. 16 Uit alle levenden koos Hij hem uit, Om brandoffers en de beste stukken te offeren, Om geurige wierook en het reukoffer te branden, En om verzoening te verkrijgen voor zijn volk. 17 Hij vertrouwde hem zijn geboden toe, En gaf hem macht over recht en wet: Om aan zijn volk de wet te leren, Het recht aan de kinderen van Israël. 18 Onbevoegden stonden tegen hem op Uit afgunst in de woestijn: De mannen van Datan en Abiram, En de bent van Kore in hevige twist. 19 Maar Jahweh zag het en ziedde van woede, En verdelgde hen in gloeiende toorn; Een wonder zelfs wrochtte Hij tegen hen, En verteerde hen in zijn laaiend vuur. 20 Maar aan Aäron gaf Hij nog hoger luister, Door hem een eigen erfdeel te schenken; Hij gaf voor zijn onderhoud de heilige tienden, En de offers van Jahweh mochten zij eten. 22 Maar in het land van het volk bezat hij geen deel, In hun midden kreeg hij geen erfgoed; Want Jahweh is zijn deel, Zijn erfgoed onder Israëls zonen. 23 Vervolgens Pinechas, de zoon van Elazar: Hij was de derde, die dit ambt bekleedde, Omdat hij voor den God van het heelal had geijverd, En in de bres was gesprongen voor zijn volk; Zijn hart had hem daartoe aangedreven, Om verzoening te verwerven voor Israëls kinderen. 24 Daarom sloot Hij ook met hem een verbond, Een verbond van vrede, om het heiligdom te verzorgen, Zodat bij hem en bij zijn geslacht Het hogepriesterschap voor eeuwig zou blijven. 25 Het was dus een verbond als dat met David, Den zoon van Jesse, uit Juda's stam: Want zoals de erfenis des konings alleen overgaat op zijn zonen, Zo ook het erfdeel van Aäron op heel zijn geslacht. Zegent dus Jahweh, die zo goed voor u is, En die met luister u heeft gekroond! 26 Hij moge u wijsheid des harten verlenen, Om zijn volk rechtvaardig te richten, Opdat uw geluk niet zal tanen, Noch uw macht tot in verre geslachten.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 46

1 {\cf2Josuë, de zoon van Noen, was een machtig held, Moses' dienaar in het profetenambt; Die geschapen was, zoals zijn naam verluidt, Om een grote redding te zijn voor zijn uitverkorenen. Om wraak te nemen op den vijand, En Israël in het bezit van zijn erfdeel te stellen. 2 Wat was hij groot, toen hij zijn hand verhief, En zijn lans zwaaide tegen de stad! 3 Wie had er voor hem stand kunnen houden, Daar hij de krijg van Jahweh streed? 4 Stond de zon niet stil op zijn bevel; Werd niet één dag toen als twee? 5 Hij riep den Allerhoogste aan, Toen de vijanden hem rondom belaagden; En de allerhoogste God verhoorde hem, Met hagelstenen van geweldige kracht. 6 Hij slingerde ze neer op het vijandige volk, En verdelgde Kanaän op de helling der bergen, Opdat alle volkeren onder de ban zouden weten, Dat Jahweh neerzag op hun krijg. 7 Maar ook, omdat hij God had gehoorzaamd, En in de dagen van Moses Hem trouw was gebleven: Hij en Kaleb, de zoon van Jefoenne: Door stand te houden, toen het volk afviel, Door de toorn af te wenden van de gemeente, En het boze morren tot bedaren te brengen, 8 Daarom werden zij beiden alleen uitgezonderd Van de zesmaal honderdduizend zwervers, En binnengevoerd in hun erfdeel, In het land, dat druipt van melk en honing. 9 Aan Kaleb verleende hij bovendien kracht, Die hem bijbleef in zijn ouderdom. Hij voerde hem op naar de hoge streken, Waar zijn kroost zich een erfdeel verwierf; 10 Opdat heel het geslacht van Jakob zou weten, Dat het goed is, Jahweh trouw te volgen! 11 Ook de Rechters, ieder bij name, Allen, die onbedorven waren van hart En God niet ontrouw werden: Hun gedachtenis blijve in zegening, 12 Hun gebeente schiete nieuwe loten, En hun naam leve voort in hun zonen! 13 Geëerd bij zijn volk, door zijn Schepper bemind, Was hij, wiens geboorte werd afgebeden: Aan Jahweh gewijd in het profetenambt, Samuël, de Rechter en Priester. Op Gods bevel stelde hij het koningschap in, En zalfde vorsten over het volk. 14 Hij gaf bevelen aan het vergaderde volk, En trok de tenten van Jakob rond; 15 Om zijn onkreukbaarheid was hij gezocht als profeet, Om zijn woord werd hij als ziener vertrouwd. 16 Hij riep tot Jahweh, toen de vijand rondom hem belaagde, En offerde een vlekkeloos lam. 17 En Jahweh deed uit de hemel zijn donder weergalmen, Men hoorde zijn stem in machtig gedreun; 18 Hij sloeg de aanvoerders van den vijand te pletter, En bracht al de vorsten der Filistijnen ten onder 19 En toen de tijd was gekomen van zijn ontslapen, Riep hij Jahweh en zijn gezalfde tot zijn getuige: "Van wien heb ik geschenken, een schoen slechts genomen?" En niemand was er, die er antwoord op gaf. 20 Zelfs na zijn dood werd hij nog ondervraagd En voorspelde den koning zijn lot; Hij verhief uit de aarde zijn profetische stem, Om een einde te maken aan het kwaad van het volk.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 47

1 {\cf2Na hem trad Natan op, En stond voor het aanschijn van David. 2 Ja, zoals het vet wordt afgezonderd van het offer, Zo David van Israël. 3 Hij speelde met leeuwen als met lammeren, Met beren als met jonge schapen. 4 In zijn jonge jaren sloeg hij den reus, En nam de schande weg van het volk; Door de hand aan de slinger te slaan, Brak hij de trots van Goliat. 5 Want hij riep tot den allerhoogsten God, En Deze gaf kracht aan zijn hand, Om den ervaren krijgsman neer te vellen, En de hoorn van zijn volk te verheffen. 6 Daarom zongen de meisjes hem toe, En prezen hem met "Tienduizend". Toen hij de kroon droeg, voerde hij krijg, 7 En vernederde den vijand in het rond; Hij sloeg de grimmige Filistijnen te pletter, En brak hun hoorn tot de dag van vandaag. 8 Bij al zijn daden gaf hij lof Aan den allerhoogsten God in psalmgezangen. Hij beminde zijn Schepper uit geheel zijn hart, En loofde Hem iedere dag opnieuw; 9 Hij zorgde voor muziekinstrumenten bij het altaar, Voor harpen bij het psalmenzingen. 10 Zo zette hij luister bij aan de feesten, En vierde ze het hele jaar door; Van het loven van zijn heilige Naam Weerschalde het heiligdom reeds voor de dageraad. 11 Jahweh vergaf hem ook zijn zonden, En verhief voor immer zijn hoorn. Want Hij gaf hem recht op het koningschap En bevestigde zijn troon over Israël; 12 Om zijnentwil stond een zoon na hem op, Een wijs man, die ongestoord woonde. 13 Salomon was koning in dagen van vrede; Want God schonk hem rust in het rond, Opdat hij zijn Naam een huis zou bouwen, En een heiligdom zou stichten voor immer. 14 Wat bezat gij verstand in uw jeugd, En vloeide gij over van wijsheid als de Nijl. 15 Gij hebt de aarde bedekt met uw geest, En haar met raadselspreuken vervuld. 16 Uw naam drong tot de verre eilanden door; Gij waart bemind om uw vrede. 17 Door zangen en spreuken, door raadsels en verzen, Hebt gij de volkeren in verbazing gebracht. 18 Gij werdt genoemd naar de heerlijke Naam, Die over Israël wordt aangeroepen. Maar gij hebt goud verzameld als ijzer, En zilver opgehoopt als lood; 19 Gij hebt uw lenden gegeven aan vrouwen, En haar laten heersen over uw lichaam. 20 Zo hebt gij een smet geworpen op uw roem; Gij hebt uw sponde ontwijd, Zodat gij toorn bracht over uw geslacht En zuchten over uw huis; 21 Het volk viel in twee rijken uiteen, Uit Efraïm groeide een onwettig rijk. 22 Maar God trekt zijn barmhartigheid niet terug; Hij laat geen van zijn beloften zonder vervulling; Hij houwt de stam van zijn uitverkorenen niet af, Roeit het geslacht niet uit van wie Hem beminnen, Neen, Hij laat aan Jakob een rest, Aan het huis van David een nieuwe spruit! 23 Salomon ontsliep hoogbejaard, En liet een zoon na, vol overmoed, Groot in dwaasheid en klein van verstand, Roboam, die door zijn besluit het volk deed afvallen. 24 Toen stond er een op: zijn aandenken worde vergeten: Jeroboam, de zoon van Nebat. Hij was het, die Israël tot zonde bracht, En ergernis gaf aan Efraïm. 25 Want hun zonde werd hoe langer hoe groter, En zij gaven zich over aan allerlei kwaad; Totdat de vergelding over hen kwam, En zij verdreven werden uit hun land.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 48

1 {\cf2Toen stond Elias op, een profeet als vuur, Met woorden als een gloeiende oven. 2 Hij ontnam hun de laatste bete broods, Roeide door zijn ijver hen bijna uit; 3 Hij sloot op Gods bevel de hemel, Liet vuur neerdalen tot driemaal toe. 4 Elias, hoe eerbiedwaardig zijt gij; Wie kan zich uws gelijke noemen! 5 Gij, die een dode ten leven hebt opgewekt, Uit de onderwereld naar Jahweh's wil; 6 Die koningen in het verderf hebt gestort, En prinsen van hun legersteden; 7 Die op de Sinaï straffen vernaamt, En op de Horeb wraakgerichten; 8 Die koningen gezalfd hebt tot bestraffers, En een profeet tot uw opvolger benoemde: 9 Die werdt opgenomen in een stormwind, En in vurige scharen naar de hemel. 10 Die volgens de Schrift gereed staat voor het einde, Om Gods toorn te bedaren, éér hij ontbrandt, Om het hart van de vaders tot hun zonen te keren En Jakobs stammen weer op te richten. 11 Gelukkig wie u zag, voordat hij stierf; Maar gelukkiger nog, wie dan leeft! 12 Toen Elias opvoer in de orkaan, Werd Eliseus van zijn geest vervuld. Hij verrichtte nog eens zoveel tekenen; Wonder was alles, wat zijn mond ontvlood. Zolang hij leefde, vreesde hij niemand; Geen sterveling heerste over zijn geest. 13 Niets was voor hem te wonderbaar, Nog in het graf werkte zijn lijk als profeet; 14 Hij deed tekenen bij zijn leven, En ook na zijn dood nog wrochtte hij wonderen. 15 Maar het volk bekeerde zich niet; Zij lieten niet af van hun zonden, Daarom werden zij tenslotte uit hun land verdreven En over heel de aarde verspreid. 16 Maar aan Juda bleef nog een rest behouden, Aan het huis van David nog een vorst. Sommigen van hen deden wat recht is; Anderen echter waren vreselijk ontrouw. 17 Ezekias versterkte zijn stad, Door er water binnen te leiden; Hij doorboorde de rotsen met ijzer, En versperde de bergen tot een waterbekken. 18 In die tijd trok Sinacherib op, En zond zijn opperbevelhebber; Hij strekte de hand tegen Sion uit, En lasterde God in zijn hoogmoed. 19 Toen sidderden hun harten om die overmoed, En ze beefden als een barende vrouw; 20 Maar ze riepen tot den allerhoogsten God, En strekten hun hand naar Hem uit. En Hij gaf gehoor aan hun gebed, En redde hen door Isaias' hand; 21 Hij sloeg het kamp der Assyriërs, En verdelgde hen door de pest. 22 Want Ezekias deed wat God behaagde En stond op Davids wegen vast, Zoals Isaias, de profeet, hem beval, Groot en betrouwbaar in zijn visioenen. 23 In zijn dagen ging de zon terug, En werd het leven van den koning verlengd. 24 In verheven geest schouwde hij het einde, En bracht aan Sions bedroefden troost; 25 Tot in verre tijden voorspelde hij de toekomst En wat verborgen was, voordat het geschiedde.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 49

1 {\cf2Josias' naam is als geurige wierook, Met zout gemengd, het werk van den balsembereider; Zijn gedachtenis is zoet als honing in de mond, En als een lied bij een wijngelag. 2 Want hij ontstak in toorn over onze afval, En maakte een eind aan de gruwel der afgoden. 3 Hij richtte zijn hart geheel op God; In zondige tijden beoefende hij de deugd. 4 Behalve David, Ezekias en Josias, Hebben zij allen gezondigd; Want zij verlieten de Wet van den Allerhoogste, De koningen van Juda, zij allen. 5 Zo gaven zij hun macht aan een ander, En hun glorie aan een vreemd volk, 6 Dat de heilige stad in brand stak, En haar straten verlaten liet liggen. 7 Het was om Jeremias, dien ze hadden mishandeld, Ofschoon hij van de moederschoot af tot profeet was bestemd, Om neer te werpen, uit te rukken en te verdelgen, Maar ook om te bouwen, te planten en te herstellen. 8 Ezekiël schouwde een visioen, En beschreef de gestalten bij de wagen. 9 Ook riep hij de herinnering op van Job, Die de wegen der gerechtigheid heeft bewandeld. 10 Ook de twaalf profeten wil ik prijzen: Moge hun gebeente hun graf ontspruiten; Want zij hebben Jakob genezen En door gelovig vertrouwen gered. 11 Hoe zullen we Zorobabel prijzen! Hij toch was als een zegelring aan de rechterhand. 12 Hoe ook, Jehosjóea, den zoon van Josadak? Want zij herbouwden in hun dagen de tempel, En richtten het heiligdom weer op, Voor eeuwige glorie bestemd. 13 Nehemias: zijn gedachtenis blijve in ere! Want hij heeft onze ruïnen hersteld; Hij richtte onze puinhopen weer op, En bevestigde poorten en grendels. 14 Als Henok zijn er weinigen op aarde geweest; Hij werd immers van de aarde ontrukt. 15 En als Josef werd er niemand geboren, Zelfs zijn lijk werd nog zorgzaam bewaard. Maar de eerste van zijn broeders, de roem van zijn volk 16 Sem, Set en Enos blijven in ere, En boven alle mensen gaat de glorie van Adam;}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 50

1 {\cf2Is Sjimon, de zoon van Onias, de hogepriester! In zijn dagen werd de tempel hersteld, Het heiligdom in die tijd versterkt; 2 In zijn dagen werd de muur herbouwd, De torens van het heiligdom bij het koninklijk paleis. 3 In zijn tijd werd de vijver gegraven, Een bekken als een bruisende zee; 4 Hij verdedigde zijn volk tegen den rover, En versterkte zijn stad tegen den vijand. 5 Hoe heerlijk was hij, als hij uit het tabernakel schouwde, En naar buiten trad achter het voorhangsel uit: 6 Als een ster, die tussen de wolken straalt, Als de volle maan in de dagen van Pasen! 7 Als een zon, die straalt over het paleis van een vorst, Als een regenboog, die tussen de wolken verschijnt; 8 Als een bloeiende twijg in zomerdagen, Als een lelie bij de waterbeken. Als het gewas van de Libanon in de tijd van de oogst, 9 Als brandende wierook op de offerpan; Als gouden vaatwerk, van gedegen goud, Met kostbare stenen bezet. 10 Als een groene olijf, beladen met vruchten, Als een wilde olijf, met welige takken: 11 Wanneer hij zich met het heerlijk gewaad had omhangen, En in zijn volle pracht was gekleed. Wanneer hij het grote altaar besteeg, Sierde hij de heilige omloop er van; 12 Dan nam hij de offers uit de hand van zijn broeders, Terwijl hij op de offerhaard stond. Een krans van zonen stond om hem heen, Als jonge ceders op de Libanon: Zij omringden hem als wilgen rond het water, 13 Al de zonen van Aäron in hun plechtig gewaad. Zij hielden Jahweh's offers in hun handen, Voor heel de gemeente van Israël; 14 Totdat hij de dienst aan het altaar had voleind, En het offer aan den Allerhoogste gebracht. 15 Dan strekte hij de hand naar het plengoffer uit, En plengde het bloed van de druif; Hij goot het uit aan de voet van het altaar, Als een welriekende geur voor den Allerhoogste. 16 Dan staken de zonen van Aäron, de priesters, De geslagen trompetten van koper; Zij bliezen en schalden met machtig geluid, Tot herinnering voor den Allerhoogste. 17 Dan viel ijlings al het volk gezamenlijk neer Met het aangezicht op de grond, Om aan den Allerhoogste aanbidding te brengen, Aan den Heilige van Israël. 18 Dan liet het koor zijn stem weerklinken, En boven de menigte zijn zangen weerschallen; 19 En al het volk juichte mee, Biddend voor het aanschijn van den Barmhartige. Wanneer hij dan de dienst aan het altaar had voleind, En aan God had gebracht, wat Hem toekomt, 20 Dan daalde hij af, en strekte zijn handen Over heel de gemeente van Israël uit. Dan was de zegen van Jahweh op zijn lippen, En tooide hij zich met Jahweh's Naam; 21 En wederom vielen allen neder, Om de zegen van hem te ontvangen. 22 Zegent dan Jahweh, Israëls God, Die wonderen wrocht op de aarde; Die den mens doet opgroeien van de moederschoot af, En met hem doet naar zijn welbehagen. 23 Hij geve u wijsheid des harten En vrede zij in uw dagen! 24 Zijn liefde blijve aan Sjimon behouden; Hij bevestige voor hem het verbond met Pinechas, Dat Hij sloot met hem en zijn geslacht, Zolang de hemel bestaat. 25 Maar twee volkeren worden door mij gehaat, En het derde volk telt niet mee: 26 De bewoners van Seïr en de Filistijnen, En het dwaze volk, dat in Sikem woont. 27 Onderricht, wijsheid en passende spreuken, Van Jesus, den zoon van Elazar, zoon van Sirach: Die uit zijn hart uitleg deed stromen En inzicht liet ontspringen als een bron. 28 Gelukkig de man, die ze overdenkt; Want wie ze ter harte neemt, wordt wijs. 29 Wie ze volbrengt, is tot alles bekwaam; Want de vreze des Heren is zijn richtsnoer.}

INHOUD | [Wijsheid van Jezus Sirach]

Hoofdstuk 51

1 {\cf2Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven, 2 Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood; Gij hebt mijn lichaam voor het bederf bewaard, Mijn voeten aan de greep van de onderwereld ontrukt! Gij hebt mij gered van de gesel van lastertongen, Van lippen, die leugentaal uitslaan; Gij hebt mij bijgestaan tegen mijn vijand, 3 En naar uw grote barmhartigheid mij bevrijd Uit de strikken van hen, die loerden op buit, Uit de hand van hen, die mijn leven belaagden. Gij hebt mij verlost uit grote benauwing, 4 Uit de vlammennood, die mij omgaf; Midden uit het vuur, dat zonder rust oplaaide, 5 Uit de dorre schoot van het dodenrijk; Van vuile lippen en lasterpraat, 6 En de pijlen van valse tongen. Mijn ziel was gekomen tot dicht bij de dood, Mijn leven dicht bij de onderwereld; 7 Ik wendde mij naar alle kant, Maar er was niemand, die hielp; Ik zag uit naar een stut, Maar er was er niet één. 8 Toen dacht ik aan Jahweh's barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost! 9 Daarom verhief ik mijn stem van omlaag, Van de poorten der onderwereld rees mijn gebed. 10 Ik riep: "Jahweh, mijn Vader zijt Gij, Gij zijt de Held, die mij redt! Verlaat mij niet op de dag van benauwing, Op de dag van val en ondergang. Dan zal ik altijd uw Naam blijven loven, U blijven roemen in mijn gebed." 11 En Jahweh luisterde naar mijn stem, En gaf gehoor aan mijn smeken; Hij verloste mij van alle kwaad, En redde mij op de dag van benauwing. 12 Daarom zal ik loven en prijzen En blijven zegenen de Naam van Jahweh! 13 Toen ik nog jong was en niet rondreisde, Vroeg ik reeds wijsheid in mijn gebed; 14 Voor de ingang van de tempel bad ik erom, En hield niet op, er naar te streven. 15 Zij gedijde als een rijpende druif, En mijn hart vond in haar zijn genot. Mijn voet ging de weg van haar waarheid, Van mijn jeugd af volgde ik haar spoor; 16 Ik heb mijn oor slechts een weinig te luisteren gelegd, Maar veel kennis heb ik gevonden. 17 Haar juk werd mijn roem; Hem, die mij leerde, geef ik de eer. 18 Zonder rust zag ik naar haar uit, En werd niet beschaamd, want ik heb haar gevonden. 19 Mijn ziel bleef haar altijd verkleefd; Ik zocht haar bij al mijn daden. Mijn hand opende haar poort; Ik trad bij haar binnen en aanschouwde haar. 20 Ik legde mij erop toe, haar te volgen, En heb haar in reinheid gevonden. Van de aanvang af heb ik door haar inzicht verkregen; Daarom zal ik haar nimmer verlaten. 21 Mijn binnenste brandde om haar te vinden; Daarom verwierf ik een heerlijk bezit. 22 Jahweh gaf mij welbespraaktheid als loon; Daarom prijs ik Hem met mijn tong. 23 Komt dus tot mij, onverstandigen, En wilt in mijn leerschool vertoeven. 24 Hoelang nog wilt gij dit alles ontberen, Terwijl uw ziel er naar dorst? 25 Ik open mijn mond, en roep u toe: Koopt u wijsheid zonder geld; 26 Buigt uw nek onder haar juk, Uw ziel drage haar last. Zij is dicht bij hen, die haar zoeken, En wie zich moeite geeft, zal haar vinden. 27 Ziet met eigen ogen, hoe weinig ik zwoegde, En hoe groot de rust is, die ik vond. 28 Luistert in uw jeugd naar mijn onderricht; Gij verwerft daardoor veel zilver en goud. 29 Wanneer uw ziel in mijn leer haar genot vindt, Stelt mijn lofzang u niet teleur. 30 Verricht uw werken in gerechtigheid, En Hij geeft u te zijner tijd uw loon!}