LegalLink assistent
👋 Welkom bij LegalLink!
Ik help je graag met juridische vragen over Nederlandse jurisprudentie en wetgeving.
💡 Tip: Als je zelf volledige controle wil houden over de rechtszaken die ik gebruik in mijn antwoord, kun je zelf met slimme zoek filters rechtszaken selecteren:
💡 Tip: Als je zelf volledige controle wil houden over de rechtszaken die ik gebruik in mijn antwoord, kun je zelf met slimme zoek filters rechtszaken selecteren:
Kan een voormalig bestuurder die door de curator op grond van art 2:248 BW aansprakelijk is gesteld voor het faillissementstekort via art 69 Fw de rechter commissaris vragen om de curator te bevelen naheffingsaanslagen of UWV correctienotas aan te vechten of te verminderen Is deze bestuurder dan schuldeiser onder opschortende voorwaarde vanwege een mogelijk regresrecht op de failliete vennootschap?
⏳ Even geduld aub, er zijn 4 AI bots aan het werk nu om uw antwoord voor te bereiden en kan tot ongeveer 60 seconden duren....
Juridische basis
Art. 69 lid 1 Fw geeft alleen iedere schuldeiser, de schuldeiserscommissie en de gefailleerde de bevoegdheid om bij de rechter-commissaris tegen handelen of nalaten van de curator op te komen of een bevel aan de curator te vragen. 1 De curator beheert en vereffent de boedel en moet daarbij het gezamenlijke belang van de schuldeisers behartigen. 17
Geen toegang als voormalig bestuurder
Een voormalig bestuurder die uitsluitend wordt aangesproken op grond van art. 2:248 BW is daardoor geen schuldeiser van de failliete vennootschap, ook niet onder een opschortende voorwaarde. De Hoge Raad heeft dit rechtstreeks beslist in de zaak over naheffingsaanslagen en UWV-correctienota’s: betaling door de bestuurder aan de boedel geeft geen regresrecht op de failliete vennootschap. Daarom ontbreekt de hoedanigheid van schuldeiser en is een verzoek op grond van art. 69 Fw niet-ontvankelijk. ECLI:NL:HR:2004:AO387368
De reden is dat art. 2:248 BW een aansprakelijkheid jegens de boedel — ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers — betreft, niet een interne schuld van de vennootschap aan de bestuurder. ECLI:NL:HR:2009:BI591260 Een bestuurder die betaalt, wordt dus niet indirect schuldeiser met een regresvordering op de vennootschap. Het aannemen van zo’n regresrecht zou het boedeltekort gedeeltelijk in stand houden, wat strijdig is met doel en strekking van art. 2:248 BW. ECLI:NL:HR:2004:AO387368
Gevolg voor naheffingsaanslagen en UWV-nota’s
De bestuurder kan de rechter-commissaris daarom niet op basis van art. 69 Fw vragen de curator te bevelen deze aanslagen of nota’s aan te vechten of te verminderen. Hij kan de curator wel feitelijke informatie en bewijs verstrekken en zijn bezwaren kenbaar maken. De curator behoudt echter beoordelingsruimte om te beslissen of procederen in het belang van de boedel is. De parlementaire geschiedenis bevestigt deze curatoriële afwegingsruimte (kamerstuk 34253). 40
Daarbij moet worden onderscheiden tussen:
- schulden van de vennootschap die als boedelvordering kunnen worden meegenomen; en
- aanspraken waarvoor nog een afzonderlijke aansprakelijkstelling of verificatie nodig is.
Voor die tweede categorie is eerst vaststelling of verificatie nodig; zij kunnen niet zonder meer als vaststaand onderdeel van het faillissementstekort worden behandeld. ECLI:NL:RBROT:2008:BD953364
Wat kan de bestuurder wél doen?
De bestuurder kan in de aansprakelijkheidsprocedure op grond van art. 2:248 BW betwisten dat de fiscale of UWV-schulden tot het tekort behoren, de omvang daarvan betwisten en aanvoeren dat bepaalde schulden niet tegen de boedel kunnen worden ingeroepen. Ook kan hij een beroep doen op vermindering van de aansprakelijkheid indien het bedrag bovenmatig is; art. 2:248 lid 4 BW biedt daarvoor een afzonderlijke grondslag. 3
Een beroep op verrekening met een eigen vordering op de failliete vennootschap is bovendien uitgesloten. Art. 2:248 lid 6 BW bepaalt dit uitdrukkelijk. 3 De Hoge Raad bevestigt dat de vereiste wederkerigheid voor verrekening ontbreekt. ECLI:NL:HR:2009:BI591260
Conclusie
Nee. De voormalig bestuurder kan niet enkel vanwege zijn mogelijke aansprakelijkheid uit art. 2:248 BW via art. 69 Fw een bevel aan de curator uitlokken. Hij is daardoor geen schuldeiser onder opschortende voorwaarde, omdat een regresrecht op de failliete vennootschap ontbreekt. Zijn aangewezen rechtsmiddelen zijn verweer tegen de omvang en grondslag van de art. 2:248 BW-vordering en eventueel een beroep op matiging.
In dit antwoord heb ik gebruikt:
- Wetsartikelen: art. 69 Fw, art. 68 Fw, art. 2:248 lid 4 en lid 6 BW
- Rechtszaken: ECLI:NL:HR:2004:AO3873, ECLI:NL:HR:2009:BI5912, ECLI:NL:RBROT:2008:BD9533
Citaties
📖 Download citaties overzicht
Detail verantwoording arresten en juridische relaties
Samenvatting en statistiek alle arresten
📊 Download ECLI statistiek rapport
Relaties tussen rechtzaken en wetten
📊 Juridische relaties visualisatie
Animatie arrest verwijzingen door de tijd heen
🎬 Animatie ECLI verwijzingen door de tijd heen
Art. 69 lid 1 Fw geeft alleen iedere schuldeiser, de schuldeiserscommissie en de gefailleerde de bevoegdheid om bij de rechter-commissaris tegen handelen of nalaten van de curator op te komen of een bevel aan de curator te vragen. 1 De curator beheert en vereffent de boedel en moet daarbij het gezamenlijke belang van de schuldeisers behartigen. 17
Geen toegang als voormalig bestuurder
Een voormalig bestuurder die uitsluitend wordt aangesproken op grond van art. 2:248 BW is daardoor geen schuldeiser van de failliete vennootschap, ook niet onder een opschortende voorwaarde. De Hoge Raad heeft dit rechtstreeks beslist in de zaak over naheffingsaanslagen en UWV-correctienota’s: betaling door de bestuurder aan de boedel geeft geen regresrecht op de failliete vennootschap. Daarom ontbreekt de hoedanigheid van schuldeiser en is een verzoek op grond van art. 69 Fw niet-ontvankelijk. ECLI:NL:HR:2004:AO387368
De reden is dat art. 2:248 BW een aansprakelijkheid jegens de boedel — ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers — betreft, niet een interne schuld van de vennootschap aan de bestuurder. ECLI:NL:HR:2009:BI591260 Een bestuurder die betaalt, wordt dus niet indirect schuldeiser met een regresvordering op de vennootschap. Het aannemen van zo’n regresrecht zou het boedeltekort gedeeltelijk in stand houden, wat strijdig is met doel en strekking van art. 2:248 BW. ECLI:NL:HR:2004:AO387368
Gevolg voor naheffingsaanslagen en UWV-nota’s
De bestuurder kan de rechter-commissaris daarom niet op basis van art. 69 Fw vragen de curator te bevelen deze aanslagen of nota’s aan te vechten of te verminderen. Hij kan de curator wel feitelijke informatie en bewijs verstrekken en zijn bezwaren kenbaar maken. De curator behoudt echter beoordelingsruimte om te beslissen of procederen in het belang van de boedel is. De parlementaire geschiedenis bevestigt deze curatoriële afwegingsruimte (kamerstuk 34253). 40
Daarbij moet worden onderscheiden tussen:
- schulden van de vennootschap die als boedelvordering kunnen worden meegenomen; en
- aanspraken waarvoor nog een afzonderlijke aansprakelijkstelling of verificatie nodig is.
Voor die tweede categorie is eerst vaststelling of verificatie nodig; zij kunnen niet zonder meer als vaststaand onderdeel van het faillissementstekort worden behandeld. ECLI:NL:RBROT:2008:BD953364
Wat kan de bestuurder wél doen?
De bestuurder kan in de aansprakelijkheidsprocedure op grond van art. 2:248 BW betwisten dat de fiscale of UWV-schulden tot het tekort behoren, de omvang daarvan betwisten en aanvoeren dat bepaalde schulden niet tegen de boedel kunnen worden ingeroepen. Ook kan hij een beroep doen op vermindering van de aansprakelijkheid indien het bedrag bovenmatig is; art. 2:248 lid 4 BW biedt daarvoor een afzonderlijke grondslag. 3
Een beroep op verrekening met een eigen vordering op de failliete vennootschap is bovendien uitgesloten. Art. 2:248 lid 6 BW bepaalt dit uitdrukkelijk. 3 De Hoge Raad bevestigt dat de vereiste wederkerigheid voor verrekening ontbreekt. ECLI:NL:HR:2009:BI591260
Conclusie
Nee. De voormalig bestuurder kan niet enkel vanwege zijn mogelijke aansprakelijkheid uit art. 2:248 BW via art. 69 Fw een bevel aan de curator uitlokken. Hij is daardoor geen schuldeiser onder opschortende voorwaarde, omdat een regresrecht op de failliete vennootschap ontbreekt. Zijn aangewezen rechtsmiddelen zijn verweer tegen de omvang en grondslag van de art. 2:248 BW-vordering en eventueel een beroep op matiging.
In dit antwoord heb ik gebruikt:
- Wetsartikelen: art. 69 Fw, art. 68 Fw, art. 2:248 lid 4 en lid 6 BW
- Rechtszaken: ECLI:NL:HR:2004:AO3873, ECLI:NL:HR:2009:BI5912, ECLI:NL:RBROT:2008:BD9533
Citaties
📖 Download citaties overzicht
Detail verantwoording arresten en juridische relaties
Samenvatting en statistiek alle arresten
📊 Download ECLI statistiek rapport
Relaties tussen rechtzaken en wetten
📊 Juridische relaties visualisatie
Animatie arrest verwijzingen door de tijd heen
🎬 Animatie ECLI verwijzingen door de tijd heen
Je noemt ECLI:NL:HR:2004:AO3873 in je antwoord. Ga dieper in op de relevantie van deze zaak op de vraag. Vat samen in een tabel inclusief een kolom met de exacte overwegingen en woorden van de Hoge Raad
Relevantie van ECLI:NL:HR:2004:AO3873
Deze beschikking is rechtstreeks relevant voor de vraag of een voormalig bestuurder die op grond van art. 2:248 BW door de curator wordt aangesproken, als schuldeiser onder opschortende voorwaarde kan worden aangemerkt vanwege een mogelijk regresrecht op de failliete vennootschap.
De Hoge Raad beantwoordt dat ontkennend. De bestuurder krijgt door betaling uit hoofde van art. 2:248 BW geen regresvordering op de failliete vennootschap en wordt daardoor ook geen voorwaardelijk schuldeiser. Daarmee ontbreekt in beginsel de vereiste hoedanigheid om op die enkele grond een verzoek op grond van art. 69 Fw te doen.¹
Diepere betekenis voor de oorspronkelijke vraag
De zaak maakt een principieel onderscheid tussen:
1. de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de boedel op grond van art. 2:248 BW; en
2. een vordering van de bestuurder op de failliete vennootschap.
Die twee posities vallen niet samen. De verplichting uit art. 2:248 BW is juist bedoeld om het tekort van de boedel aan te vullen. Als de bestuurder na betaling een regresvordering op diezelfde boedel zou krijgen, zou een deel van de betaling als nieuwe schuld weer uit de boedel kunnen worden teruggevorderd. Dat zou volgens de Hoge Raad het boedeltekort feitelijk in stand houden.¹
Daarom is het antwoord op de vraag:
Nee. Een voormalig bestuurder die door de curator op grond van art. 2:248 BW wordt aangesproken, is niet enkel vanwege een mogelijk toekomstig regresrecht schuldeiser onder opschortende voorwaarde van de failliete vennootschap.¹
Dat betekent ook:
- hij kan niet op die grond als “schuldeiser” een verzoek op grond van art. 69 Fw indienen;¹
- hij kan niet via een door hem gecontroleerde of aan hem verbonden schuldeiser een persoonlijke rechtsingang creëren als die schuldeiser geen zelfstandig belang heeft;¹
- de uitspraak zegt niet dat een curator nooit naheffingsaanslagen of UWV-correctienota’s mag of moet aanvechten; zij zegt alleen dat deze voormalig bestuurder daarvoor niet zelfstandig toegang krijgt via art. 69 Fw op basis van een niet-bestaand regresrecht;¹
- als de bestuurder meent dat de curator door zijn handelen of nalaten de omvang van de aansprakelijkheid beïnvloedt, ligt een verweer tegen de aansprakelijkstelling of een beroep op matiging eerder voor de hand dan het aannemen van een voorwaardelijke boedelvordering.²
Een afzonderlijke, reeds bestaande vordering van de bestuurder of een door hem vertegenwoordigde vennootschap moet afzonderlijk worden beoordeeld. Die vordering kan niet worden geconstrueerd uit de enkele omstandigheid dat de bestuurder mogelijk later op grond van art. 2:248 BW moet betalen.¹
In dit antwoord heb ik gebruikt:
- Wetsartikelen: art. 69 Fw1, art. 68 Fw17, art. 2:248 BW3
- Rechtszaken: ECLI:NL:HR:2004:AO387362, ECLI:NL:PHR:2004:AO387363
Download table
Citaties
📖 Download citaties overzicht
Detail verantwoording arresten en juridische relaties
Samenvatting en statistiek alle arresten
📊 Download ECLI statistiek rapport
Relaties tussen rechtzaken en wetten
📊 Juridische relaties visualisatie
Animatie arrest verwijzingen door de tijd heen
🎬 Animatie ECLI verwijzingen door de tijd heen
⏳ Bezig met voorbereiden...
Deze beschikking is rechtstreeks relevant voor de vraag of een voormalig bestuurder die op grond van art. 2:248 BW door de curator wordt aangesproken, als schuldeiser onder opschortende voorwaarde kan worden aangemerkt vanwege een mogelijk regresrecht op de failliete vennootschap.
De Hoge Raad beantwoordt dat ontkennend. De bestuurder krijgt door betaling uit hoofde van art. 2:248 BW geen regresvordering op de failliete vennootschap en wordt daardoor ook geen voorwaardelijk schuldeiser. Daarmee ontbreekt in beginsel de vereiste hoedanigheid om op die enkele grond een verzoek op grond van art. 69 Fw te doen.¹
| Onderdeel | Samenvatting | Exacte overwegingen en woorden van de Hoge Raad |
|---|---|---|
| Feiten van de zaak | De voormalig bestuurder van Delcon Nederland B.V. was door de curator aansprakelijk gesteld op grond van art. 2:248 BW. Hij wilde de rechter-commissaris op grond van art. 69 Fw laten bevelen dat de curator naheffingsaanslagen en UWV-correctienota’s zou laten verminderen of verhalen op werknemers. | De Hoge Raad vermeldt dat de bestuurder “op de voet van art. 2:248 BW aansprakelijk” was gesteld en vervolgens een bevel aan de curator verlangde om bepaalde handelingen te verrichten op grond van art. 69 Fw.¹ |
| Centrale rechtsvraag | Is de aangesproken bestuurder, omdat hij mogelijk later regres zou kunnen nemen op de vennootschap nadat hij het tekort heeft aangezuiverd, een schuldeiser van de failliete vennootschap onder opschortende voorwaarde? | De Hoge Raad formuleert de rechtsopvatting van de bestuurder als volgt: “de bestuurder van een vennootschap die op de voet van art. 2:248 BW jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is (…) crediteur is van de (failliete) vennootschap (onder de opschortende voorwaarde van voldoening aan de boedel).”¹ |
| Oordeel over het mogelijke regresrecht | Die rechtsopvatting wordt verworpen. Betaling aan de boedel leidt niet tot een regresrecht op de boedel of de failliete vennootschap. | “Die opvatting kan echter niet worden aanvaard.”¹ |
| Waarom geen regres? | De betaling van de bestuurder strekt ertoe het faillissementstekort aan te vullen, zodat de schulden van de vennootschap kunnen worden voldaan. Een regresrecht zou dat doel doorkruisen. | “De bestuurder die uit hoofde van art. 2:248 een bedrag aan de boedel betaalt teneinde deze in staat te stellen schulden van de vennootschap te betalen voorzover deze niet door vereffening kunnen worden voldaan, krijgt daardoor niet een regresrecht op de boedel en wordt dus door deze betaling ook niet (voorwaardelijk) schuldeiser van de boedel.”¹ |
| Aard van art. 2:248 BW | De aansprakelijkheid is geen gewone interne schuld van de vennootschap aan de bestuurder. Zij is gericht op aanvulling van het tekort ten behoeve van de boedel en de gezamenlijke schuldeisers. Art. 2:248 lid 1 BW bepaalt dat de bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het niet-verhaalbare tekort.² | “Het toekennen van een regresrecht valt immers niet te rijmen met de verplichting van de bestuurder om het tekort van de boedel aan te vullen, omdat daardoor het boedeltekort in feite in stand zou blijven. Het is ook niet in overeenstemming met de aard van de aansprakelijkheid die op de bestuurder rust op grond van art. 2:248.”¹ |
| Gevolg voor art. 69 Fw | Art. 69 lid 1 Fw staat open voor iedere schuldeiser, de schuldeiserscommissie en de gefailleerde.³ De voormalig bestuurder kan niet uitsluitend op basis van zijn mogelijke 2:248-aansprakelijkheid als schuldeiser worden aangemerkt. | De Hoge Raad concludeert dat de bestuurder geen voorwaardelijk schuldeiser is. Daardoor ontbrak de grond om hem als schuldeiser toegang tot art. 69 Fw te geven.¹ |
| Betekenis van een afzonderlijke vordering van een verbonden vennootschap | In de zaak had Wero, een vennootschap waarvan de bestuurder indirect aandeelhouder was, mogelijk zelf de positie van schuldeiser. Dat betekende echter niet dat Wero zonder meer haar positie kon gebruiken om de bestuurder persoonlijk toegang tot art. 69 Fw te verschaffen. | De Hoge Raad achtte niet onbegrijpelijk het oordeel dat Wero haar positie als schuldeiser misbruikte “met het doel door middel van lastgeving aan [verzoeker] een rechtsingang te creëren voor [verzoeker], welke hem krachtens de wet niet toekomt.”¹ |
| Reikwijdte ten aanzien van de naheffingsaanslagen en correctienota’s | De Hoge Raad heeft niet inhoudelijk beslist of de curator de naheffingsaanslagen of UWV-correctienota’s had moeten aanvechten. De beschikking gaat primair over de ontvankelijkheid en het ontbreken van een schuldeiserspositie. | De Hoge Raad kwam na het oordeel over het ontbreken van een regresrecht en het misbruik van de schuldeiserspositie tot de conclusie: “Uit het vorenoverwogene volgt dat [verzoeker] geen belang heeft bij een behandeling van de overige middelen.”¹ |
| Verhouding tot curatorbeleid | De curator heeft op grond van art. 68 Fw de taak de boedel te beheren en te vereffenen.³ Een bestuurder kan niet via de constructie van een toekomstig regresrecht afdwingen dat de curator bepaalde fiscale of arbeidsrechtelijke procedures voert. Of concreet curatorbeleid onjuist is, moet worden beoordeeld binnen de grenzen van art. 69 Fw door iemand die daadwerkelijk de vereiste hoedanigheid heeft. | De in deze zaak aangevoerde bestuurder kreeg geen toegang op grond van een vermeend voorwaardelijk regresrecht. De Hoge Raad heeft daarmee niet geoordeeld dat een curator nooit op naheffingsaanslagen of correctienota’s hoeft te reageren.¹ |
| Mogelijke matiging | Volgens de in de conclusie beschreven rechtsgang kan een aangesproken bestuurder zijn belangen tegen de omvang van de 2:248-aansprakelijkheid onder omstandigheden aan de orde stellen via het matigingsmechanisme van art. 2:248 lid 4 BW, niet door zichzelf als schuldeiser van de boedel te presenteren.² | Dit punt staat in de verstrekte conclusie bij de zaak als mogelijke route vermeld; het is niet de kern van de geciteerde eindoverweging van de Hoge Raad. Daarom moet het worden onderscheiden van het bindende oordeel in de beschikking zelf.² |
| Uitkomst | Het cassatieberoep werd verworpen. De bestuurder was geen schuldeiser onder opschortende voorwaarde en kon zijn verzoek niet dragen op een mogelijk regresrecht. | “Derhalve faalt het middel in zijn beide onderdelen.”¹ |
De zaak maakt een principieel onderscheid tussen:
1. de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de boedel op grond van art. 2:248 BW; en
2. een vordering van de bestuurder op de failliete vennootschap.
Die twee posities vallen niet samen. De verplichting uit art. 2:248 BW is juist bedoeld om het tekort van de boedel aan te vullen. Als de bestuurder na betaling een regresvordering op diezelfde boedel zou krijgen, zou een deel van de betaling als nieuwe schuld weer uit de boedel kunnen worden teruggevorderd. Dat zou volgens de Hoge Raad het boedeltekort feitelijk in stand houden.¹
Daarom is het antwoord op de vraag:
Nee. Een voormalig bestuurder die door de curator op grond van art. 2:248 BW wordt aangesproken, is niet enkel vanwege een mogelijk toekomstig regresrecht schuldeiser onder opschortende voorwaarde van de failliete vennootschap.¹
Dat betekent ook:
- hij kan niet op die grond als “schuldeiser” een verzoek op grond van art. 69 Fw indienen;¹
- hij kan niet via een door hem gecontroleerde of aan hem verbonden schuldeiser een persoonlijke rechtsingang creëren als die schuldeiser geen zelfstandig belang heeft;¹
- de uitspraak zegt niet dat een curator nooit naheffingsaanslagen of UWV-correctienota’s mag of moet aanvechten; zij zegt alleen dat deze voormalig bestuurder daarvoor niet zelfstandig toegang krijgt via art. 69 Fw op basis van een niet-bestaand regresrecht;¹
- als de bestuurder meent dat de curator door zijn handelen of nalaten de omvang van de aansprakelijkheid beïnvloedt, ligt een verweer tegen de aansprakelijkstelling of een beroep op matiging eerder voor de hand dan het aannemen van een voorwaardelijke boedelvordering.²
Een afzonderlijke, reeds bestaande vordering van de bestuurder of een door hem vertegenwoordigde vennootschap moet afzonderlijk worden beoordeeld. Die vordering kan niet worden geconstrueerd uit de enkele omstandigheid dat de bestuurder mogelijk later op grond van art. 2:248 BW moet betalen.¹
In dit antwoord heb ik gebruikt:
- Wetsartikelen: art. 69 Fw1, art. 68 Fw17, art. 2:248 BW3
- Rechtszaken: ECLI:NL:HR:2004:AO387362, ECLI:NL:PHR:2004:AO387363
Download table
Citaties
📖 Download citaties overzicht
Detail verantwoording arresten en juridische relaties
Samenvatting en statistiek alle arresten
📊 Download ECLI statistiek rapport
Relaties tussen rechtzaken en wetten
📊 Juridische relaties visualisatie
Animatie arrest verwijzingen door de tijd heen
🎬 Animatie ECLI verwijzingen door de tijd heen
⏳ Bezig met voorbereiden...