LegalLink assistent

👋 Welkom bij LegalLink! Ik help je graag met juridische vragen over Nederlandse jurisprudentie en wetgeving.
💡 Tip: Als je zelf volledige controle wil houden over de rechtszaken die ik gebruik in mijn antwoord, kun je zelf met slimme zoek filters rechtszaken selecteren:

Wanneer handelen curatoren onrechtmatig jegens leveranciers door in een faillissement een beroep op eigendomsvoorbehoud of recht van reclame af te wijzen en voorraad aan doorstarters te verkopen? Wat zegt de jurisprudentie?

⏳ Even geduld aub, er zijn 4 AI bots aan het werk nu om uw antwoord voor te bereiden en kan tot ongeveer 60 seconden duren....
Juridische basis

De curator beheert en vereffent de failliete boedel. Daarbij moet hij de boedel bewaren en goederen van derden onderscheiden van goederen die aan de boedel toebehoren. Dat volgt uit art. 68 lid 1 Fw, art. 92 Fw en de bevoegdheid om boedelgoederen te verkopen in art. 101 en 176 Fw. Die verkoopbevoegdheid ziet niet zonder meer op goederen waarop een leverancier een geldig eigendomsvoorbehoud heeft.¹ 6,4,20,33

Een eigendomsvoorbehoud houdt in dat de leverancier eigenaar blijft totdat de overeengekomen tegenprestatie is voldaan. Het moet betrekking hebben op de in art. 3:92 lid 2 BW genoemde vorderingen en wordt in beginsel vermoed een opschortende voorwaarde voor eigendomsoverdracht te zijn.² 37

Bij een recht van reclame kan de leverancier een afgeleverde roerende zaak schriftelijk terugvorderen wanneer de koopprijs onbetaald is en aan de voorwaarden voor ontbinding is voldaan. Door de verklaring wordt de koop ontbonden. De bevoegdheid bestaat echter alleen zolang de zaak zich nog in dezelfde staat bevindt en vervalt onder omstandigheden wanneer de zaak tegen betaling aan een derde is overgedragen die redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden met het recht van reclame.³ 36,41,38 Bij faillissement kan de curator of koper het recht van reclame bovendien neutraliseren door binnen een redelijke termijn de koopprijs te betalen of zekerheid te stellen.⁴ 14

Wanneer de curator een aanspraak op voorrang, eigendomsvoorbehoud of een daarmee samenhangend recht betwist, moet hij de schuldeiser daarover informeren en met hem overleggen. Bij uitblijven van overeenstemming wordt het geschil aan de rechter-commissaris voorgelegd.⁵ 2

De hoofdregel uit de jurisprudentie

Curatoren handelen onrechtmatig jegens een leverancier wanneer zij, ondanks een kenbaar en waarschijnlijk geldig eigendomsvoorbehoud of recht van reclame:

- de betreffende goederen zonder toestemming of voldoende waarborg aan een derde of doorstarter in de feitelijke macht brengen;
- de goederen vervolgens laten verkopen of vermengen, waardoor teruggave feitelijk onmogelijk wordt;
- de rechten van de leverancier slechts “doorschuiven” naar de doorstarter zonder daadwerkelijk te controleren of die rechten worden gerespecteerd; of
- de goederen verkopen terwijl geen voldoende zwaarwegend boedel- of maatschappelijk belang bestaat dat het passeren van het eigendomsrecht rechtvaardigt.

De curator moet dan rekening houden met de positie van de leverancier als eigenaar of separatist. Een contractuele afspraak met de doorstarter dat “rechten van derden zullen worden gerespecteerd” is niet altijd voldoende. De curator kan verantwoordelijk blijven voor het verlies van de goederen of voor het onmogelijk maken van afgifte. Dat is de kern van Mobell/Interplan, waarin de curatoren voorraden — waaronder onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken — aan een doorstarter overdroegen en de leverancier naar die doorstarter verwezen. De Hoge Raad achtte het oordeel dat de curatoren daarmee onrechtmatig hadden gehandeld in stand.⁶ 68

In die zaak woog mee dat:

- de leverancier tijdig kenbaar had gemaakt dat zij haar eigendommen terug wilde;
- de curatoren al hadden besloten tot liquidatie, zodat geen reëel belang van voortzetting van de onderneming meer bestond;
- de goederen feitelijk aan de doorstarter waren overgedragen;
- de curator niet door een enkele contractuele verplichting van de doorstarter was bevrijd van zijn eigen verantwoordelijkheid; en
- algemene belangen van een doelmatige vereffening niet zonder meer voorgaan op het eigendomsrecht van de leverancier.⁷ 68,69

De uitkomst kan anders zijn wanneer de curator voldoende zorgvuldig handelt. In ECLI:NL:GHAMS:2015:4031 oordeelde het hof dat geen persoonlijke aansprakelijkheid bestond. De curator had de mogelijke rechten van derden in het verkoopmemorandum en de koopovereenkomst opgenomen, de koper over het eigendomsvoorbehoud geïnformeerd en na de melding van de leverancier de koper nogmaals opgedragen daarmee rekening te houden. Dat de curator niet persoonlijk bij de uitlevering aanwezig was, was onder die omstandigheden onvoldoende voor een ernstig persoonlijk verwijt.⁸ 51

De Maclou-norm: niet iedere fout leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid

Voor persoonlijke aansprakelijkheid van de curator geldt een terughoudende maatstaf. De vraag is of een curator die over voldoende inzicht en ervaring beschikt en zijn taak met nauwgezetheid en inzet vervult, in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs tot de gekozen handelwijze had kunnen komen. Persoonlijke aansprakelijkheid vereist een persoonlijk verwijt: de curator moet het onjuiste van zijn handelen hebben ingezien of redelijkerwijs hebben moeten inzien.⁹ 59

Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen:

1. de rechtsgeldigheid van de verkoop, en  
2. de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator voor de wijze waarop hij heeft gehandeld.

Een verkoop kan tegenover een derde rechtsgevolg hebben, terwijl de curator daarnaast persoonlijk schadeplichtig is wegens onvoldoende zorgvuldigheid. Omgekeerd kan een onjuiste inschatting van een eigendomsvoorbehoud nog onvoldoende zijn voor persoonlijke aansprakelijkheid als de curator zorgvuldig heeft onderzocht, rechten heeft voorbehouden en passende waarborgen heeft getroffen.

Afwijzen van het eigendomsvoorbehoud of recht van reclame

Een curator mag een beroep van een leverancier inhoudelijk betwisten. Dat is op zichzelf niet onrechtmatig. Hij moet dan wel:

- de overeenkomst, algemene voorwaarden en leveringsdocumenten onderzoeken;
- nagaan of het beding rechtsgeldig en toepasselijk is;
- vaststellen welke goederen onder het beding vallen;
- de leverancier tijdig en gemotiveerd informeren;
- goederen waarvan het recht aannemelijk is, zoveel mogelijk afzonderen;
- bij twijfel de rechter-commissaris betrekken of een regeling treffen; en
- voorkomen dat de goederen intussen onomkeerbaar worden verkocht.

Dat een curator een recht betwist, staat niet eraan in de weg dat hij tegelijkertijd maatregelen neemt om het boedelbelang te beschermen. In de rechtspraak is bijvoorbeeld aanvaard dat het betwisten van een zekerheidsrecht en het stellen van een termijn voor uitoefening van dat recht naast elkaar kunnen bestaan. Dat betekent echter niet dat de curator de goederen zonder meer mag uitwinnen alsof het recht van de leverancier niet bestaat.¹⁰ 62

Bij een recht van reclame moet de curator bovendien letten op de specifieke wettelijke voorwaarden: tijdigheid, niet-betaling, de toestand van de zaak en een eventuele overdracht aan een derde. Een beroep kan dus terecht worden afgewezen als niet aan art. 7:39-42 BW is voldaan. Maar als de curator het recht ten onrechte afwijst en daarna de goederen laat verdwijnen of verkopen, kan dat een onrechtmatige daad opleveren op grond van art. 6:162 BW.¹¹ 36,38,41,42

Verkoop aan een doorstarter

Een doorstart is geen vrijbrief om eigendomsvoorbehouden of reclamerechten te negeren. De curator moet de belangen van de gezamenlijke schuldeisers afwegen tegen de rechten van derden. De curator heeft beleidsvrijheid bij de keuze tussen liquidatie en doorstart, maar die vrijheid wordt begrensd door de rechten van derden en de plicht de boedel en niet-boedelgoederen zorgvuldig te behandelen.

In ECLI:NL:RBMNE:2019:4391 werd benadrukt dat de curator beleidsvrijheid heeft om doorstartkansen, werkgelegenheid en boedelopbrengst mee te wegen. De rechter vond daar geen grond voor ontslag van de curatoren, mede omdat zij rekening hadden gehouden met vermenging van voorraden, onderzoek hadden laten verrichten, bepaalde goederen hadden afgescheiden en bedragen hadden gereserveerd.¹² 45

Daaruit volgt dat verkoop aan een doorstarter eerder verdedigbaar is wanneer:

- de curator de rechten van derden vooraf inventariseert;
- de voorraad administratief en feitelijk wordt gescheiden;
- de doorstarter expliciet verplicht wordt rechten van derden te respecteren;
- de curator betaling, zekerheidstelling of een andere adequate waarborg bedingt;
- de leverancier tijdig wordt geïnformeerd;
- de verkoop niet verder gaat dan noodzakelijk voor het boedelbelang; en
- de curator toezicht houdt op de feitelijke uitlevering.

Daarentegen ligt persoonlijke aansprakelijkheid meer voor de hand wanneer de curator weet dat de voorraad geheel of gedeeltelijk van leveranciers is, maar toch zonder nadere verificatie alles aan de doorstarter overdraagt en de leverancier vervolgens alleen naar die doorstarter verwijst. Dat was de situatie die in Mobell/Interplan tot aansprakelijkheid leidde.¹³ 68,69

Betekenis van contractuele uitsluiting: Scotch & Soda

De uitspraak ECLI:NL:RBAMS:2025:1141 laat zien dat eerst moet worden vastgesteld of de leverancier überhaupt een geldig beroep op eigendomsvoorbehoud of recht van reclame heeft. In die zaak bepaalden de toepasselijke fashion manufacturing agreements dat beide rechten waren uitgesloten. De leveranciers hadden de overeenkomsten niet schriftelijk gewijzigd. De rechtbank oordeelde daarom dat de curatoren de rechten terecht hadden afgewezen en dat zij niet aansprakelijk waren voor de verkoop van de voorraad aan doorstarters.¹⁴ 44

Deze uitspraak betekent niet dat een curator altijd mag volstaan met een contractuele afwijzing. De beslissende vragen zijn:

- is de uitsluiting contractueel geldig en toepasselijk?
- is de leverancier daaraan gebonden?
- ziet de uitsluiting op zowel eigendomsvoorbehoud als recht van reclame?
- zijn de relevante goederen en leveringen onder die overeenkomst gebracht?
- heeft de curator de contractuele documenten voldoende onderzocht?

Is het antwoord daarop bevestigend, dan ontbreekt in beginsel het recht van de leverancier waarop de curator inbreuk zou kunnen maken. Is de uitsluiting onzeker of niet toepasselijk, dan moet de curator terughoudender handelen.

Wanneer is sprake van onrechtmatigheid?

Op basis van de verstrekte jurisprudentie kan de volgende praktische toets worden gehanteerd:

Waarschijnlijk niet onrechtmatig

De curator handelt waarschijnlijk niet persoonlijk onrechtmatig wanneer hij:

- een serieus onderbouwd eigendomsvoorbehoud of reclamerecht gemotiveerd betwist;
- de contractuele uitsluiting of toepasselijkheid daarvan kan aantonen;
- de aanspraak volgens de procedure van art. 137b Fw behandelt;
- de goederen zorgvuldig onderzoekt en, waar nodig, afzondert;
- de rechten van derden in verkoopdocumenten en de doorstartovereenkomst voorbehoudt;
- de doorstarter informeert en verplicht tot respectering van die rechten; en
- bij twijfel een redelijke regeling of zekerheid aanbiedt.

Dat volgt met name uit ECLI:NL:RBAMS:2025:1141ECLI:NL:GHAMS:2015:4031 en de terughoudende curatornorm uit ECLI:NL:HR:2011:BU4204.¹⁵ 44,51,59

Waarschijnlijk wel onrechtmatig

De curator loopt een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico wanneer hij:

- een voldoende aannemelijk eigendomsvoorbehoud of reclamerecht zonder deugdelijk onderzoek afwijst;
- ondanks een concrete aanspraak geen voorraad veiligstelt of afzondert;
- de voorraad aan de doorstarter overdraagt zonder toestemming, betaling of voldoende zekerheid;
- toestaat dat de voorraad wordt vermengd, uitverkocht of ontraceerbaar wordt;
- de leverancier uitsluitend naar de doorstarter verwijst;
- weet dat de doorstarter de goederen zal verkopen voordat het eigendomsgeschil is opgelost; of
- zich beroept op algemene boedelbelangen terwijl geen concreet en zwaarwegend belang bestaat dat de inbreuk rechtvaardigt.

Dat is vooral de lijn van ECLI:NL:HR:2003:AN7817.¹⁶ 68

Doorstarter als derde

De doorstarter kan onder omstandigheden bescherming genieten als hij de goederen tegen betaling verkrijgt en redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden met het recht van reclame. Dat volgt uit art. 7:42 BW. Die bescherming ziet echter primair op de rechtspositie van de derde verkrijger. Zij neemt niet automatisch weg dat de curator tegenover de leverancier onzorgvuldig heeft gehandeld. De curator kan dus persoonlijk aansprakelijk zijn, ook als de leverancier de zaken niet meer met succes bij de doorstarter kan revindiceren.¹⁷ 38,42,68

Bewijs en processtrategie voor de leverancier

De leverancier doet er goed aan vóór of direct na het faillissement schriftelijk en concreet:

- het eigendomsvoorbehoud of recht van reclame in te roepen;
- facturen, algemene voorwaarden en orderbevestigingen mee te sturen;
- de betrokken goederen zo nauwkeurig mogelijk te identificeren;
- afgifte of afzondering te verlangen;
- bezwaar te maken tegen verkoop of overdracht;
- de curator te verzoeken het geschil volgens art. 137b Fw te behandelen; en
- zo nodig op grond van art. 69 Fw tegen de voorgenomen handeling op te komen.¹⁸ 2,12

De leverancier moet daarnaast aannemelijk maken dat de goederen nog aanwezig waren, dat zij onder het beding vielen en dat de curator van het recht wist of had moeten weten. Bij vermengde of slecht geadministreerde voorraad wordt de bewijspositie moeilijker. Juist daarom verlangt de jurisprudentie van de curator een actieve en zorgvuldige inventarisatie.

Conclusie

Curatoren handelen niet automatisch onrechtmatig doordat zij een beroep op eigendomsvoorbehoud of recht van reclame afwijzen of voorraad aan een doorstarter verkopen. Zij mogen rechten onderzoeken en gemotiveerd betwisten en hebben ruime beleidsvrijheid bij een doorstart.

De grens wordt overschreden wanneer zij een kenbaar en waarschijnlijk geldig recht van de leverancier zonder voldoende onderzoek terzijde schuiven en vervolgens de goederen zonder toestemming, betaling, zekerheid of effectieve bescherming aan een doorstarter overdragen. Volgens Mobell/Interplan kan dan sprake zijn van een schending van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW.¹⁹ 68,69,42

Daar staat tegenover dat Scotch & Soda en GHAMS 2015 laten zien dat geen persoonlijke aansprakelijkheid volgt wanneer de curator op basis van toepasselijke contracten het recht redelijkerwijs mocht afwijzen of aantoonbaar voldoende maatregelen nam om rechten van derden te respecteren.²⁰ 44,51

"In dit antwoord heb ik gebruikt:
- Wetsartikelen: art. 3:92 BW, art. 6:162 BW, art. 7:39 BW, art. 7:40 BW, art. 7:41 BW, art. 7:42 BW, art. 68 Fw, art. 69 Fw, art. 92 Fw, art. 101 Fw, art. 137b Fw en art. 176 Fw
- Rechtszaken: ECLI:NL:HR:2003:AN7817, ECLI:NL:PHR:2003:AN7817, ECLI:NL:GHAMS:2015:4031, ECLI:NL:RBMNE:2019:4391, ECLI:NL:RBAMS:2025:1141 en ECLI:NL:HR:2011:BU4204"

Citaties

📖 Download citaties overzicht

Detail verantwoording arresten en juridische relaties

Samenvatting en statistiek alle arresten

📊 Download ECLI statistiek rapport

Relaties tussen rechtzaken en wetten

📊 Juridische relaties visualisatie

Animatie arrest verwijzingen door de tijd heen

🎬 Animatie ECLI verwijzingen door de tijd heen

Je noemt ECLI:NL:RBAMS:2025:1141. Ga in detail in op deze zaak. Vat daarna samen in een tabel inclusief een kolom met de exacte woorden van de rechtbank

Juridische basis

De zaak draait vooral om de verhouding tussen:

- het eigendomsvoorbehoud van de leveranciers en het recht van reclame;
- de bevoegdheid en zorgvuldigheid van de curatoren bij verkoop van faillissementsactiva;
- de vraag of het uitblijven van een verklaring van de curatoren over voortzetting van lopende overeenkomsten tot persoonlijke aansprakelijkheid leidt.

Relevant zijn:

Art. 3:92 BW: een eigendomsvoorbehoud houdt in beginsel in dat de leverancier eigenaar blijft totdat de tegenprestatie is voldaan. Het beding is echter contractueel begrensd. 37
Art. 7:39 BW: de verkoper kan een roerende zaak bij niet-betaling door een schriftelijke verklaring terugvorderen, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. 36
Art. 7:40 BW: bij faillissement van de koper heeft terugvordering geen gevolg wanneer de curator binnen een redelijke termijn de koopprijs betaalt of zekerheid stelt. 14
Art. 7:41 BW: het recht van reclame kan alleen worden uitgeoefend zolang de zaak zich nog in dezelfde staat bevindt. 41
Art. 7:42 BW: de bevoegdheid tot terugvordering kan onder omstandigheden vervallen wanneer de zaak aan een derde is overgedragen. 38
Art. 6:162 BW: voor aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad moeten onder meer een onrechtmatige gedraging, toerekenbaarheid, schade en causaal verband aanwezig zijn. 42
Art. 37 Fw: de curator is bevoegd om zich bereid te verklaren een wederkerige overeenkomst gestand te doen, maar hoeft dat niet zonder meer te doen. 24
Art. 101 en 176 Fw: de curator kan goederen vervreemden; verkoop vindt in beginsel openbaar plaats of ondershands met toestemming van de rechter-commissaris. 20,33
Art. 69 Fw: een schuldeiser kan bij de rechter-commissaris opkomen tegen een handeling van de curator of een bevel tot handelen vragen. 12
Art. 68 Fw: de curator beheert en vereffent de boedel en heeft voor bepaalde proceshandelingen machtiging van de rechter-commissaris nodig. 6

1. Kern van ECLI:NL:RBAMS:2025:1141

De Rechtbank Amsterdam deed op 26 februari 2025 uitspraak in een geschil tussen zes Turkse kledingfabrikanten en de curatoren van Scotch & Soda B.V. en Scotch & Soda Export B.V. De leveranciers vorderden schadevergoeding van de curatoren, zowel:

- in hun hoedanigheid van curator (q.q.), als
- persoonlijk (pro se).

De rechtbank wees alle vorderingen af. De leveranciers werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 23.036,00 aan dubbele proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten. 44

De zaak had twee hoofdonderwerpen:

1. de vóór faillissement geleverde, maar nog niet betaalde kleding;
2. de vóór faillissement bestelde, maar nog niet geleverde kleding.

2. Feiten en contractuele verhouding

Scotch & Soda werd op 21 maart 2023 failliet verklaard. Kort daarna verkochten de curatoren de merkenrechten en andere vermogensbestanddelen op going-concernbasis aan verschillende doorstarters. De doorstart kwam op 28 maart 2023 tot stand. 44

Vijf leveranciers hadden met Scotch & Soda een zogenoemde Framework Manufacturing Agreement gesloten. In deze FMA’s stond onder meer:

> “Supplier shall not be entitled to exercise any retention of title, possessory lien or to repossess unpaid goods.”

Daarnaast bepaalden de FMA’s dat wijzigingen alleen schriftelijk geldig waren:

> “The Agreement may only be amended or deviated from by written agreement between the Parties”

De leveranciers hadden op faillissementsdatum nog aanzienlijke openstaande facturen. Daarnaast waren er kledingorders die al waren geplaatst, maar nog niet of slechts gedeeltelijk waren geleverd.

De leveranciers deden na het faillissement een beroep op:

- hun eigendomsvoorbehoud;
- het recht van reclame van art. 7:39 BW;
- schadevergoeding wegens het volgens hen onzorgvuldig handelen van de curatoren;
- vergoeding van schade wegens het niet nakomen of niet tijdig beoordelen van openstaande orders. 44

3. Bevoegdheid van de Nederlandse rechter en toepasselijk recht

Omdat de leveranciers in Turkije waren gevestigd, moest de rechtbank eerst haar internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht vaststellen.

De rechtbank achtte de Nederlandse rechter bevoegd omdat de curatoren zowel q.q. als privé in Nederland woonachtig waren. Verder wees zij op de forum- en rechtskeuze in de FMA’s. Volgens de rechtbank had het gestelde onrechtmatige handelen daardoor een kennelijk nauwere band met Nederland. Nederlands recht was daarom van toepassing. 44

Dit onderdeel was niet beslissend voor de uitkomst, maar het maakte wel duidelijk dat de contractuele FMA’s als uitgangspunt werden genomen.

4. Het eigendomsvoorbehoud van Fashion Point

Fashion Point beriep zich op eigendomsvoorbehoud dat op haar facturen stond vermeld. De facturen bevatten volgens de uitspraak een tekst waarin Fashion Point verklaarde eigenaar te blijven totdat volledig was betaald.

De rechtbank stelde daartegenover dat de FMA juist uitdrukkelijk bepaalde dat eigendomsvoorbehoud was uitgesloten. Dat beding kon volgens de rechtbank niet eenzijdig door een factuur worden gewijzigd.

Het enkele feit dat Scotch & Soda niet tegen de facturen had geprotesteerd, was volgens de rechtbank onvoldoende om een contractswijziging aan te nemen. Daarvoor waren twee redenen:

1. het niet-protesteren was geen aanvaarding van een aanbod tot wijziging;
2. partijen hadden in art. 19.7 FMA bepaald dat wijzigingen uitsluitend schriftelijk konden worden overeengekomen.

De rechtbank formuleerde het als volgt:

> “Als het op een factuur vermelden van een eigendomsvoorbehoud al kan worden gezien als een aanbod om de tussen partijen gesloten FMA te wijzigen, is het enkele niet-protesteren door Scotch & Soda tegen facturen van Fashion Point geen aanvaarding daarvan.”

En verder:

> “Bovendien waren partijen in artikel 19.7 FMA overeengekomen dat alleen schriftelijk overeengekomen wijzigingen van de FMA geldig zijn, en het enkele niet-protesteren kan in ieder geval niet als een schriftelijke aanvaarding worden beschouwd.”

Daarom kon Fashion Point geen beroep doen op het eigendomsvoorbehoud. 44

5. Het recht van reclame

De rechtbank oordeelde dat ook het recht van reclame contractueel was uitgesloten.

De bepaling sprak niet letterlijk over het Nederlandse begrip “recht van reclame” of verwees niet uitdrukkelijk naar art. 7:39 BW. Zij verbood echter wel dat de leverancier:

> “repossess unpaid goods”

Volgens de rechtbank was de bedoeling daarvan duidelijk: leveranciers mochten onbetaalde goederen niet terugnemen.

De rechtbank overwoog:

> “Omdat het Nederlandse recht van reclame van artikel 7:39 BW er op neerkomt dat een leverancier dat wel mag, ligt in deze bepaling de bedoeling van partijen besloten dat zij het recht van reclame contractueel hebben willen uitsluiten.”

Daarbij was het volgens de rechtbank niet nodig dat art. 8.9 FMA het Nederlandse wetsartikel of de Nederlandse juridische benaming letterlijk noemde. 44

Het feit dat de leveranciers mogelijk anders hadden gewild, kon daaraan niet afdoen. De contractuele tekst en de uitleg daarvan waren doorslaggevend.

6. De positie van TSC Giyim

TSC Giyim stelde dat zij niet zelf partij was bij een FMA met Scotch & Soda. Volgens haar was Karbel de contractspartij en werd TSC Giyim alleen gebruikt als facturerende tussenpersoon.

De rechtbank volgde dit standpunt niet. Zij vond bovendien dat TSC Giyim onvoldoende had onderbouwd dat zij daadwerkelijk de kleding aan Scotch & Soda had geleverd. De rechtbank wees daarbij op een e-mail van Karbel waarin stond dat TSC Giyim uitsluitend als “Export Trading Company” voor de facturatie werd gebruikt en dat Karbel de rechtstreekse contractuele relatie behield.

Daarom kon ook TSC Giyim geen succesvol beroep op het recht van reclame doen. 44

7. Het beroep op vernietiging van de FMA-bepaling

De leveranciers voerden tijdens de mondelinge behandeling aan dat art. 8.9 FMA mogelijk vernietigbaar was als onredelijk bezwarend beding op grond van art. 6:233 BW, mede in verband met de zwarte lijst van art. 6:236 BW44

De rechtbank liet in het midden of dit vernietigingsberoep inhoudelijk zou slagen. Zelfs als art. 8.9 FMA vernietigbaar zou zijn, leidde dat volgens de rechtbank niet tot aansprakelijkheid van de curatoren.

De reden was dat de leveranciers deze juridische stelling tijdens de faillissementsafwikkeling niet aan de curatoren kenbaar hadden gemaakt. De curatoren hadden daar bij hun beslissingen dus geen rekening mee kunnen houden.

De rechtbank overwoog:

> “Ook als de rechtbank ervan uit zou gaan dat artikel 8.9 FMA met succes kan worden vernietigd, maakt dit nog niet dat de curatoren onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW.”

En:

> “Vaststaat namelijk dat eisers dit standpunt ten tijde van de afwikkeling van het faillissement niet aan de curatoren kenbaar hebben gemaakt, ook niet toen de curatoren hen vroegen naar een onderbouwing van hun vordering.”

Dit is een belangrijk onderdeel van het oordeel: de rechtbank beoordeelde niet alleen wat achteraf juridisch mogelijk was, maar vooral welke informatie de curatoren ten tijde van hun handelen hadden.

8. Verkoop van de voorraad aan doorstarters

De leveranciers verweten de curatoren dat zij de voorraad niet apart hadden gehouden en de verkoopopbrengst niet voor de leveranciers hadden gereserveerd.

De rechtbank wees dit verwijt af. Daarbij waren volgens haar de volgende omstandigheden van belang:

- het contractuele eigendomsvoorbehoud en het recht van reclame waren uitgesloten;
- de leveranciers hadden ingestemd met voortzetting van de verkoop;
- de curatoren hadden in de overeenkomst met de doorstarters bedongen dat rechten van derden zouden worden gerespecteerd;
- de curatoren hadden een bedrag in escrow gehouden.

De rechtbank concludeerde daarom dat de curatoren niet in strijd hadden gehandeld met een eigendomsrecht, contractuele verplichting of wettelijke plicht.

Ten aanzien van de persoonlijke aansprakelijkheid van de curatoren formuleerde de rechtbank:

> “Gezien deze omstandigheden bestaat geen enkele grond voor het oordeel dat de curatoren persoonlijk verwijtbaar onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW.”

Dit sluit aan bij de terughoudende toets voor persoonlijke aansprakelijkheid van curatoren. In ECLI:NL:HR:2011:BU4204 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de curator een ruime mate van vrijheid heeft en dat persoonlijke aansprakelijkheid pas aan de orde is wanneer een redelijk handelende curator met voldoende inzicht en ervaring niet tot de betreffende gedragslijn had kunnen komen. 59

De uitspraak verschilt daarmee van ECLI:NL:HR:2003:AN7817, waarin curatoren wel aansprakelijk werden gehouden omdat zij goederen waarop een eigendomsvoorbehoud rustte zonder voorafgaande toestemming in de macht van een derde hadden gebracht, terwijl geen zwaarwegend maatschappelijk belang dat handelen rechtvaardigde. 68

In de Scotch & Soda-zaak woog voor de rechtbank juist zwaar dat de curatoren derdenrechten contractueel hadden laten respecteren en een bedrag in escrow hadden gehouden.

9. De openstaande bestellingen

De leveranciers hadden ook kleding besteld die op faillissementsdatum nog niet was geleverd. Zij hadden de curatoren gevraagd of zij deze overeenkomsten gestand zouden doen. De curatoren reageerden niet binnen de door de leveranciers gestelde termijn.

De leveranciers stelden dat zij daardoor de overeenkomsten mochten ontbinden op grond van art. 6:83 in verbinding met art. 6:265 BW en dat de curatoren de daardoor ontstane schade moesten vergoeden. 44

De rechtbank verwierp dit betoog. Volgens haar miskenden de leveranciers dat het de curator vrijstaat om géén verklaring af te leggen waarin hij zich bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen.

De rechtbank overwoog:

> “Bij hun betoog miskennen eisers dat het een curator vrijstaat om de in artikel 37 Fw bedoelde verklaring waarin hij zich bereid verklaart om een overeenkomst gestand te doen, al dan niet af te geven.”

Daaruit volgde volgens de rechtbank:

> “Anders gezegd, de curator is bevoegd zich tot nakoming van de overeenkomst bereid te verklaren, niet verplicht.”

Omdat de curatoren die bevoegdheid niet hadden gebruikt, konden de leveranciers hun schade volgens de rechtbank slechts als concurrente schuldeisers in het faillissement indienen. Zij konden de schade niet rechtstreeks op de curatoren verhalen.

De rechtbank kwalificeerde de vordering van de leveranciers als een poging om het faillissementsrechtelijke systeem te omzeilen:

> “Voor toewijzing van deze vorderingen (IX tot en met XIV) van eisers jegens de curatoren, waarmee eisers in feite het systeem van de Faillissementswet proberen te omzeilen, bestaat geen grond.”

44

10. Persoonlijke aansprakelijkheid van de curatoren

De leveranciers vorderden aansprakelijkheid van de curatoren zowel q.q. als pro se.

De rechtbank wees beide grondslagen af:

- q.q.-aansprakelijkheid omdat de curatoren niet onrechtmatig hadden gehandeld bij de faillissementsafwikkeling;
- persoonlijke aansprakelijkheid omdat geen sprake was van persoonlijk verwijtbaar handelen.

Bij de beoordeling van persoonlijke aansprakelijkheid past een rechter terughoudendheid. De curator moet ruimte hebben om keuzes te maken over verkoop, doorstart, reserveringen en de behandeling van betwiste rechten. Die ruimte is niet onbeperkt, maar aansprakelijkheid volgt niet al uit het feit dat achteraf een andere keuze denkbaar was. De Maclou-maatstaf uit ECLI:NL:HR:2011:BU4204 is hiervoor leidend. 59

11. Proceskosten

De curatoren hadden volledige proceskosten gevorderd omdat de vorderingen volgens hen lichtvaardig waren ingesteld. De rechtbank wees een volledige proceskostenveroordeling af.

Een volledige kostenveroordeling is volgens de rechtbank pas gerechtvaardigd bij misbruik van procesrecht, bijvoorbeeld wanneer de vordering evident ongegrond is en achterwege had moeten blijven.

De rechtbank vond de vorderingen ten aanzien van de openstaande bestellingen wel evident ongegrond, maar achtte het voor een ander deel in beperkte mate verdedigbaar dat de leveranciers de zaak aan de rechter hadden voorgelegd.

Daarom volgde een dubbele, maar geen volledige proceskostenveroordeling:

> “Een volledige proceskostenveroordeling is daarom niet op zijn plaats. Wel ziet de rechtbank in een en ander aanleiding om eisers, en vanwege de gezamenlijke processtukken van eisers ook Fashion Point, te veroordelen in de dubbele proceskosten.”

De kosten werden begroot op:

- griffierecht: € 2.626,00;
- salaris advocaat: € 8.714,00;
- nakosten: € 178,00;
- totaal vóór verdubbeling: € 11.518,00;
- totaal na verdubbeling: € 23.036,00.

De leveranciers werden hoofdelijk veroordeeld. Dat betekent dat ieder van hen voor het volledige bedrag kan worden aangesproken, waarbij betaling door één partij de anderen bevrijdt voor zover betaald. 44

12. Betekenis voor de eerdere vraag over leveranciers en doorstarters

Uit deze zaak volgt niet dat curatoren altijd zonder risico eigendomsvoorbehouden of rechten van reclame mogen afwijzen. De uitkomst hangt sterk af van:

1. de precieze contractuele regeling;
2. de uitleg van het beding;
3. de onderbouwing die de leverancier tijdig aan de curator geeft;
4. de wijze waarop de curator rechten van derden bij een doorstart waarborgt;
5. de vraag of een bedrag wordt gereserveerd of in escrow wordt gehouden;
6. de vraag of de curator een overeenkomst moet nakomen of slechts kan kiezen daarvoor.

De zaak laat vooral zien dat een leverancier niet alleen moet aantonen dat hij naar algemeen Nederlands goederenrecht een eigendomsvoorbehoud of recht van reclame zou hebben, maar ook dat dit recht contractueel niet is uitgesloten. Daarnaast moet de leverancier zijn juridische en feitelijke onderbouwing tijdig aan de curator verstrekken.

De uitspraak is daarmee een voorbeeld waarin de curator niet aansprakelijk werd gehouden, terwijl in ECLI:NL:HR:2003:AN7817 en ECLI:NL:GHARL:2013:7458 juist aan de zorg voor goederen van derden of goederen onder eigendomsvoorbehoud veel gewicht werd toegekend. In laatstgenoemde zaak werd de curator niet aansprakelijk gehouden omdat hij concrete maatregelen had getroffen en redelijkerwijs op een professioneel veilingbedrijf mocht vertrouwen. 55

Samenvattende tabel

Onderdeel Standpunt leveranciers Oordeel van de rechtbank Gevolg Exacte woorden van de rechtbank
Eigendomsvoorbehoud Fashion Point Fashion Point stelde dat haar facturen het eigendomsvoorbehoud opnieuw hadden overeengekomen of de FMA hadden gewijzigd. De FMA sloot eigendomsvoorbehoud uit. Facturen en stilzitten van Scotch & Soda vormden geen geldige schriftelijke wijziging. Geen beroep op eigendomsvoorbehoud. “Als het op een factuur vermelden van een eigendomsvoorbehoud al kan worden gezien als een aanbod om de tussen partijen gesloten FMA te wijzigen, is het enkele niet-protesteren door Scotch & Soda tegen facturen van Fashion Point geen aanvaarding daarvan.”
Contractuele uitsluiting recht van reclame Leveranciers beriepen zich op art. 7:39 BW. De woorden “repossess unpaid goods” sloten ook het recht van reclame uit. Geen terugvordering van de voorraad. “Omdat het Nederlandse recht van reclame van artikel 7:39 BW er op neerkomt dat een leverancier dat wel mag, ligt in deze bepaling de bedoeling van partijen besloten dat zij het recht van reclame contractueel hebben willen uitsluiten.”
TSC Giyim TSC Giyim stelde dat zij geen partij bij de FMA was en daarom niet aan art. 8.9 FMA was gebonden. TSC Giyim had bovendien onvoldoende onderbouwd dat zij de goederen had geleverd; Karbel had haar als facturerende tussenpersoon aangeduid. Geen succesvol beroep op recht van reclame. “Ook TSC Giyim kan zich desondanks niet op het recht van reclame beroepen.”
Vernietiging art. 8.9 FMA Leveranciers stelden dat art. 8.9 FMA vernietigbaar was als onredelijk bezwarend beding. Zelfs bij succesvolle vernietiging was geen onzorgvuldig handelen van de curatoren gegeven, omdat dit standpunt niet tijdig aan hen was gemeld. Geen aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW. “Ook als de rechtbank ervan uit zou gaan dat artikel 8.9 FMA met succes kan worden vernietigd, maakt dit nog niet dat de curatoren onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW.”
Verkoop aan doorstarters Leveranciers vonden dat de voorraad of verkoopopbrengst apart moest worden gehouden. De curatoren hadden rechten van derden in de doorstartovereenkomst laten respecteren en een escrowbedrag aangehouden. Geen persoonlijke aansprakelijkheid. “Gezien deze omstandigheden bestaat geen enkele grond voor het oordeel dat de curatoren persoonlijk verwijtbaar onzorgvuldig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW.”
Niet reageren op verzoek gestanddoening Leveranciers stelden dat zij door het uitblijven van een tijdige reactie mochten ontbinden en schadevergoeding konden vorderen. De curator is niet verplicht een overeenkomst gestand te doen; hij mag ervoor kiezen dat niet te doen. Alleen een concurrente vordering in het faillissement. “Anders gezegd, de curator is bevoegd zich tot nakoming van de overeenkomst bereid te verklaren, niet verplicht.”
Rechtstreekse schadeclaim tegen curatoren Leveranciers vorderden schadevergoeding q.q. en pro se. Het faillissementsrechtelijke systeem voorziet in de positie van de leveranciers als concurrente schuldeisers. Vorderingen afgewezen. “Voor toewijzing van deze vorderingen (IX tot en met XIV) van eisers jegens de curatoren, waarmee eisers in feite het systeem van de Faillissementswet proberen te omzeilen, bestaat geen grond.”
Volledige proceskosten Curatoren vorderden vergoeding van alle werkelijke proceskosten wegens lichtvaardig procederen. Geen misbruik van procesrecht voor alle onderdelen; wel reden voor dubbele proceskosten. € 23.036,00, hoofdelijk, plus rente en nakosten. “Een volledige proceskostenveroordeling is daarom niet op zijn plaats. Wel ziet de rechtbank in een en ander aanleiding om eisers, en vanwege de gezamenlijke processtukken van eisers ook Fashion Point, te veroordelen in de dubbele proceskosten.”
Einduitspraak Leveranciers vorderden verklaringen voor recht en schadevergoeding. Alle vorderingen werden afgewezen. Leveranciers verloren de procedure. “De rechtbank is van oordeel dat de curatoren niet onrechtmatig hebben gehandeld en wijst de vorderingen af.”
Conclusie

De rechtbank Amsterdam achtte de curatoren niet aansprakelijk omdat de leveranciers contractueel afstand hadden gedaan van eigendomsvoorbehoud en recht van reclame, althans dat de FMA’s zo moesten worden uitgelegd. De doorstartersconstructie bevatte bovendien waarborgen voor eventuele rechten van derden. Voor de nog niet geleverde orders waren de curatoren niet verplicht om de overeenkomsten gestand te doen. De leveranciers konden hun schade daarom slechts als concurrente vordering in het faillissement indienen.

De uitspraak is dus geen algemene vrijbrief voor curatoren om eigendomsrechten van leveranciers te negeren. Zij laat vooral zien dat de contractuele afspraken, de tijdige onderbouwing van het leveranciersrecht en de feitelijke waarborgen bij de doorstart beslissend kunnen zijn.

In dit antwoord heb ik gebruikt:
- Wetsartikelen: art. 3:92 BW, art. 6:162 BW, art. 7:39 BW, art. 7:40 BW, art. 7:41 BW, art. 7:42 BW, art. 37 Fw, art. 68 Fw, art. 69 Fw, art. 101 Fw, art. 176 Fw, art. 6:233 BW en art. 6:236 BW
- Rechtszaken: ECLI:NL:RBAMS:2025:1141; ECLI:NL:HR:2011:BU4204; ECLI:NL:HR:2003:AN7817; ECLI:NL:GHARL:2013:7458

Download table

Citaties

📖 Download citaties overzicht

Detail verantwoording arresten en juridische relaties

Samenvatting en statistiek alle arresten

📊 Download ECLI statistiek rapport

Relaties tussen rechtzaken en wetten

📊 Juridische relaties visualisatie

Animatie arrest verwijzingen door de tijd heen

🎬 Animatie ECLI verwijzingen door de tijd heen

⏳ Bezig met voorbereiden...